Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:717

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-05-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
13/01429
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1688, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. Het ttz. in h.b. door de raadsman gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het doen ondervragen van getuige X is een verzoek in de zin van art. 331.1, jo. art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in h.b. van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast. De Hoge Raad herhaalt vervolgens toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:1496. De raadsman heeft op de (derde) ttz. in h.b. aangevoerd dat ‘in de loop van de procedure duidelijk is geworden dat getuige X ‘Boyke’ is die eerder in diverse verklaringen een rol speelt’, zonder deze stelling nader te onderbouwen. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat onvoldoende onderbouwd is dat X de eerdergenoemde ‘Boyke’ zou zijn en dat voorts het enkele feit dat hij mogelijk eveneens bij de feiten betrokken was en mede aanwezig was bij besprekingen ter zake, onvoldoende is om de noodzaak tot zijn oproeping aan te nemen. De afwijzing van dat verzoek is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan en in aanmerking genomen dat de raadsman niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vereiste adresgegevens niet eerder kon verschaffen. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01429

Mr. Machielse

Zitting 20 mei 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Op 13 februari 2013 heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte voor: De voortgezette handeling van: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

2. Mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om getuigen op te roepen. Het gaat meer bepaald om degene die aanvankelijk is aangeduid als "Boyke". Aanvankelijk berustte deze afwijzing op het ontbreken van nadere gegevens op deze persoon, maar de verdediging heeft nadien deze gegevens verschaft. Het zou gaan om een zekere [betrokkene 1]. De advocaat heeft het adres van deze persoon opgegeven naast nadere gegevens.

3.2. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat

"hij in de periode van 29 maart 2010 tot en met 14 april 2010, (via de Westerschelde) in de provincie Zeeland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 282 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne

en dat

hij in de periode van 29 maart 2010 tot en met 19 april 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne".

3.3. De advocaat van verdachte had in een appelschriftuur verzocht om oproeping van een aantal getuigen, onder wie een zekere "Boyke". Op 2 april 2012 heeft het hof erop gewezen dat de advocaat geen nadere gegevens over deze "Boyke" heeft verschaft en dat onderzoek door de FIOD en het OM niets heeft opgeleverd. Er zijn geen aanknopingspunten voor het doen van nader onderzoek naar deze persoon. Het verzoek is daarom onvoldoende onderbouwd en redelijkerwijs is niet aan te nemen dat de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad als deze getuige niet wordt opgeroepen. Ter terechtzitting van 13 november 2012 deelde de advocaat mee dat de verdediging erin is geslaagd de gegevens van deze "Boyke" te achterhalen. Het zou gaan om [betrokkene 1], geboren op 18 september 1968. Tevens wist de advocaat een vermoedelijk adres in België op te geven. De advocaat verzocht om deze getuige alsnog te kunnen horen.

Het hof wees dit verzoek toe mits was voldaan aan de voorwaarde dat de getuige op dat adres woonde en daar kon worden opgeroepen, dan wel op een ander adres in België. Op 30 januari 2013 is het onderzoek opnieuw aangevangen.

Het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep van 30 januari 2013 houdt het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat het hof tijdens een pro forma-zitting van 13 november 2012 in de zaak tegen [verdachte] een verzoek van de raadsman tot het oproepen voor verhoor van [betrokkene 1] (bijnaam "Boyke") voorwaardelijk heeft toegewezen, in die zin dat eerst nagegaan dient te worden of de getuige daadwerkelijk op het in een brief van de raadsman van [verdachte] van 5 november 2012 vermelde adres [a-straat 1] te [woonplaats] (België), dan wel op een ander adres in België verblijft.

Voorts maakt de voorzitter melding van de korte inhoud van binnengekomen stukken, te weten:

- een proces-verbaal 19 november 2012 van [verbalisant 3], inhoudende dat [betrokkene 1] volgens mededeling van een rechercheur van de Federale gerechtelijke politie te Hasselt (België) niet op het door de raadsman opgegeven adres staat ingeschreven en tevens niet voorkomt in de Belgische politiesystemen. De voorzitter merkt op dat de door het hof gestelde voorwaarde derhalve niet is vervuld;

- een brief van de raadsman van medeverdachte [verdachte], mr. Korvinus, van 28 januari 2013, inhoudende de opgave van actuele adresgegevens van [betrokkene 1] en bevattende een aankondiging van een verzoek tot aanhouding, ten einde die [betrokkene 1] als getuige op te roepen.

De raadsman wordt in de gelegenheid het woord te voeren en deelt - zakelijk weergegeven - het volgende mede.

In de loop van de procedure is duidelijk geworden dat [betrokkene 1] "Boyke" is die eerder in diverse verklaringen een rol speelt. Ik heb het proces-verbaal van 19 november 2012 ontvangen en van de inhoud daarvan kennis genomen. Ik ga ervan uit dat in België ook zoiets bestaat als een Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Er had in België onderzoek verricht kunnen worden in dat systeem. De verdediging heeft na binnenkomst van het proces-verbaal zelf onderzoek verricht. Daaruit is het in de brief vermelde adres naar voren gekomen. De adresgegevens zijn achterhaald door een privépersoon; ik kan geen nadere mededelingen doen omtrent de identiteit van die persoon. Er zijn concrete aanknopingspunten dat de getuige daadwerkelijk op dit adres woonachtig is. Hij verblijft aldaar met zijn vrouw, [de vrouw] en zijn kinderen. Ik kan desgewenst ook de bij dat adres behorende postcode verstrekken. Voorts kan ik u melden dat zijn kinderen schoolgaand zijn op de basisschool [de basisschool] in [woonplaats], en dat hij een auto heeft van het merk Mercedes, type A, voorzien van het kenteken [kenteken]. Met al deze gegevens zou het geen probleem moeten zijn om de getuige te traceren. Ik handhaaf het verzoek tot aanhouding van de zaak en verzoek [betrokkene 1] op te roepen voor verhoor.

Ook herhaal ik alle tijdens de regiezitting van 19 maart 2012 gedane verzoeken.

De advocaat-generaal reageert op de verzoeken van de raadslieden en verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende.

Er is genoeg naspeuring gedaan naar de identiteit van die "Boyke". Eerder is vastgesteld dat deze persoon niet bestaat. De gegevens die zijn aangeleverd door de raadsman van [verdachte] zijn te ongespecificeerd om hierover anders te oordelen. Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium, waarbij de stand van de procedure ook een rol mag spelen. Het verzoek dient te worden afgewezen. Het bestaan van die "Boyke" doet niets af aan de specifieke betrokkenheid van de verdachten bij het binnenhalen van de zending cocaïne.

Voorts heeft de raadsman alle tijdens de regiezitting gedane verzoeken herhaald. Het hof achtte de noodzaak hiertoe toen niet aanwezig. Niet valt in te zien waarom dat nu anders zou zijn.

De voorzitter onderbreekt de terechtzitting voor beraad.

Na hervatting deelt de voorzitter als de beslissingen van het hof het volgende mede.

Het hof beschouwt het verzoek tot het doen oproepen van [betrokkene 1] als getuige als een nieuw verzoek, nu niet is voldaan aan de voorwaarden zoals eerder door het hof gesteld aan de toewijzing van het verzoek tot het doen oproepen van 'Boyke'. Het hof ziet, gelet op de onderbouwing van het verzoek,geen noodzaak tot het doen oproepen van [betrokkene 1] voornoemd. Ten eerste is onvoldoende onderbouwd dat deze persoon de eerdergenoemde 'Boyke' zou zijn en voorts is het enkele feit dat hij mogelijk eveneens bij de feiten betrokken was en mede aanwezig was bij besprekingen terzake, onvoldoende om de noodzaak tot zijn oproeping aan te nemen. Ook de overige verzoeken wijst het hof opnieuw af, nu deze verzoeken eerder op goede gronden zijn afgewezen en aan deze verzoeken geen nieuwe argumenten ten grondslag zijn gelegd, zodat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken."

3.4. Volgens de schriftuur heeft het hof aldus een onjuiste maatstaf toegepast. Het betrof hier immers geen nieuw verzoek maar de herhaling van een verzoek dat al in eerste aanleg en in de appelmemorie was gedaan en dat voorwaardelijk was toegewezen. Het hof had dus aan het criterium van het verdedigingsbelang moeten toetsen. Dat onvoldoende zou zijn onderbouwd dat de persoon [betrokkene 1] dezelfde is als de genoemde "Boyke" is onbegrijpelijk, omdat zowel verdachte als een medeverdachte deze identiteit heeft bevestigd.

Ook klaagt het middel nog over de afwijzing door het hof ter terechtzitting van 2 april 2012 van het verzoek om nader onderzoek naar de afzender en de documenten van de verscheping te laten verrichten en de bestuurder en shipper van het bedrijf [B] als getuigen te horen. Dat het hof zo een nader onderzoek niet noodzakelijk achtte, omdat, blijkens de overwegingen van het hof zoals neergelegd in het proces-verbaal van deze regiezitting, de verweten gedragingen zich volgens de tenlastelegging in Nederland en/of België hebben voorgedaan en het hof het niet nodig vindt dat volledige duidelijkheid wordt verschaft over de herkomst van het transport en dat daarom de noodzaak ontbreekt voor nader onderzoek in Peru naar de afzender van de lading, naar de documenten die betrekking hebben op die lading en van het horen van de directeur en shipper, is volgens de schriftuur eveneens onbegrijpelijk. Zowel verdachte als de medeverdachte hebben volgehouden niets te weten van de herkomst van de containers en geen lading in Peru te hebben besteld, zodat het gevraagde onderzoek wel degelijk van belang was voor het aantonen van de onschuld van verdachte.

3.5. Op het oorspronkelijk verzoek in de appelschriftuur om "Boyke" als getuige te horen is het derde lid van artikel 410 Sv van toepassing. In zijn op 2 april 2012 gegeven beslissing heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Het hof heeft immers aangenomen dat door het niet horen van deze gevraagde getuige de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.2 Een nadien nog gedaan verzoek om deze getuige te horen is een verzoek in de zin van artikel 331, eerste lid, in verbinding met artikel 328 Sv om toepassing te geven aan artikel 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge artikel 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Het hof heeft dus de juiste maatstaven aangelegd. Maar de motivering van de afwijzing schiet mijns inziens tekort. Op 30 januari 2013 is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw aangevangen en heeft de advocaat gepersisteerd bij zijn verzoek om [betrokkene 1] als getuige op te roepen. De advocaat heeft verwezen naar de inhoud van zijn brief van 28 januari 2013 met daarin nadere gedetailleerde gegevens over deze getuige. De achtergrond van het verzoek om deze getuige te horen, was dat deze getuige betrokken is geweest bij de invoer van de containers, dat verdachte en de medeverdachte beiden naar hem wijzen als degene die verantwoordelijk is voor die invoer en beiden eveneens ontkennen dat zij iets met die containers te maken hadden voordat die in Antwerpen aankwamen. Eerst was deze getuige door de verdediging aangeduid als "Boyke". De overwegingen van het hof dat onvoldoende is onderbouwd dat [betrokkene 1] dezelfde persoon is als deze "Boyke" lijkt mij te kort door de bocht, nu verdachten beweren dat dit het geval is en er geen enkele bron is die het tegendeel aannemelijk doet worden. Het hof had de relatie tussen "Boyke", [betrokkene 1] en verdachte juist kunnen ophelderen door deze [betrokkene 1] te (doen) horen, zoals de verdediging verlangde. Bovendien was het de verdediging er niet om te doen door het horen van deze getuige aannemelijk te maken dat hij "eveneens" bij de feiten betrokken was en bij de besprekingen aanwezig was, maar om opheldering te krijgen over de stelling dat verdachte juist niet betrokken was bij deze feiten.

Het middel is naar mijn mening in zoverre gegrond.

3.6. Maar op de loutere mededeling van de advocaat dat hij alle tijdens de de regiezitting van 19 maart 2012 gedane verzoeken herhaalt, zonder dat nader wordt ingegaan op de motivering van de eerdere afwijzing van die verzoeken, waaronder het - niet in de appelschriftuur gedaan - verzoek om de bestuurder en de shipper van het bedrijf [B] als getuige te horen en de originele stukken met betrekking tot de lading van het schip en het dossier toe te voegen teneinde onderzoek naar die documenten te kunnen doen verrichten, is naar mijn oordeel onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd om aan het hof een motivering ter afwijzing te ontlokken die uit meer bestaat dan hetgeen het hof over die overige verzoeken heeft overwogen.

4.1. Het tweede middel klaagt over het bewijs. De verdediging heeft gewezen op alternatieve scenario's en op het feit dat verdachte van begin af aan heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de invoer van de cocaïne. Geen van de bewijsmiddelen wijst op de betrokkenheid van verdachte bij het transport over zee en de invoer over de Westerschelde vanaf de datum van 29 maart 2010 tot aan 14 april 2010. De bewijsmiddelen hebben slechts betrekking op de periode na 14 april 2010.

4.2. Het arrest van het hof houdt onder meer het volgende in:3

"De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne.

Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

Alternatieve scenario's

Het (opsporings)onderzoek is onvolledig geweest. Daarom kan op basis van het voorliggende materiaal niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Het openbaar ministerie stelt dat de verdachte en de medeverdachten als belanghebbenden van de in de tenlastelegging genoemde partij cocaïne dienen te worden aangemerkt. Gelet echter op de omstandigheid dat de verzegeling van de containers in de haven van Antwerpen meermalen door onbekend gebleven personen is verbroken, zijn diverse alternatieve scenario's denkbaar en zelfs waarschijnlijker. Zo kan sprake zijn geweest van een zogenoemde "rip off", waarbij de cocaïne buiten medeweten van de ontvanger en/of verzender heimelijk tussen de deklading wordt verstopt en na aankomst van de container er weer uit wordt gehaald. Ook is mogelijk dat de daadwerkelijke belanghebbenden hebben gecontroleerd of de cocaïne aangekomen was of zich nog in de container bevond. Het meest waarschijnlijke scenario is dat de bedrijfsnaam [C] door een organisatie is misbruikt bij de bestelling van de vis. Die organisatie heeft vervolgens cocaïne tussen de vis verstopt, met de bedoeling deze in de haven van Antwerpen weer uit de container te halen. Hieruit volgt dat niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de cocaïne en evenmin dat zijn opzet was gericht op de invoer van cocaïne.

(...)

De Westerschelde

De Westerschelde valt weliswaar binnen het Nederlands grondgebied, maar wanneer een schip via de Westerschelde de haven van Antwerpen binnenvaart, vindt door de Nederlandse Douane geen controle plaats en worden ook geen invoerrechten geheven. Bovendien bevindt zich aan het Nederlands deel van de Westerschelde geen geschikte haven voor zeecontainers (van 40 voet). De beslissing om via de Westerschelde te varen wordt voorts niet wordt genomen door de verzender of de ontvanger van goederen, maar door de schipper. De enkele doortocht over de Westerschelde naar de haven kan derhalve niet worden aangemerkt als "invoer" in de zin van artikel 2 van de Opiumwet.

Het oordeel van het hof

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. Omwille van de leesbaarheid worden de verdachte en de medeverdachten in deze zaak in de navolgende overwegingen telkens met hun achternaam aangeduid.

Op 22 maart 2010 zijn twee containers voorzien van de nummers CPSU [001] en CSPU [002] (hierna te noemen: container 6 en container 7) aan boord van het schip m/s Glasgow Express geladen. De containers zijn verzonden door het bedrijf [B] vanaf Callao, Peru, en hadden als bestemming "Seacon Division of [A] NV" te Antwerpen (hierna te noemen: [A]). Volgens de "Sea Waybill" bevatten de containers in totaal twaalfhonderd zakken bevroren filets van inktvis en zeshonderd zakken bevroren tentakels van inktvis met een totaalgewicht van 38.000 kilogram. Als "Notify Adress" was vermeld "[C], [d-straat 1] te Hess Kerk" (het hof begrijpt: Heemskerk).4 Uit onderzoek in het register van de Kamer van Koophandel is gebleken dat deze onderneming werd gedreven door [medeverdachte]. Het adres [d-straat 1] te Heemskerk is tevens het huisadres van [medeverdachte]. Op 29 maart 2010 heeft een medewerkster van [A], met de voornaam [betrokkene 2], telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte] in verband met de afhandeling van de binnenkomst van de containers en hem gevraagd om instructies. Diezelfde dag is vanaf het e-mailadres van [betrokkene 2] van [A] een email verzonden naar het adres [email]@hotmail.com, inhoudende de naam van het schip, de inhoud van de containers, de naam van de afzender en de mededeling dat het schip op 13 april 2010 in de haven van Antwerpen werd verwacht. Dit bericht is op 12 april 2010 opnieuw naar het voornoemde adres verzonden.

Op 12 april 2010 heeft [medeverdachte] [A] in Antwerpen bezocht. Er is gesproken over het vrijmaken van de containers en het transport daarvan naar Nederland. [A] stelde voor het vervoer van de container in eigen beheer te doen, maar [medeverdachte] wilde hiermee niet akkoord gaan en deelde mede op een later tijdstip terug te bellen. Op 13 april 2010 heeft [medeverdachte] tweemaal telefonisch contact opgenomen met medewerkers van [A]. Tijdens deze gesprekken heeft [medeverdachte] te kennen gegeven dat hij absoluut zelf wilde instaan voor het verdere transport van de containers. [A] heeft dit steeds geweigerd.

[medeverdachte] stemde er uiteindelijk mee in dat [A] het transport van de containers vanaf de haven van Antwerpen naar het afleveradres in Nederland verzorgde.

De m/s Glasgow Express is op 14 april om 09.50 de haven van Antwerpen binnengekomen. De Opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Antwerpen (hiema: de Opsporingsinspectie) heeft de inhoud van de containers aan een controle onderworpen. In de container (met een nummer eindigend op:) 6 trof men zakken met een rechthoekige vorm aan, waarin zich telkens twintig pakketten van ongeveer één kilogram bevonden. Een van de pakketten is onderworpen aan een indicatieve test; deze test was positief voor de aanwezigheid van cocaïne. In totaal zijn vijftien van dergelijke zakken aangetroffen, waarin zich driehonderd pakketten bevonden met een (bruto)gewicht van 322 kilogram. Met het oog op een gecontroleerde aflevering zijn veertien van de vijftien zakken opnieuw gevuld met substitutiepakketten. Een zak is gevuld met substituut-pakketten en één origineel pakket met cocaïne.

Alle vijftien zakken zijn hierna op de oorspronkelijke vindplaats in container 6 teruggeplaatst. Alle 300 aangetroffen pakketten zijn geopend en onderzocht op de aanwezigheid van cocaïne. Tweehonderd zevenentachtig pakketten bleken cocaïne te bevatten met een gezamenlijk nettogewicht van ongeveer 282 gram, waarvan één kilogram in container 6 is teruggeplaatst.

Van dertig willekeurig genomen pakketten zijn representatieve monsters met elk een gewicht van 4 gram genomen. Deze monsters zijn op 21 april 2010 bij de Correctionele rechtbank te Antwerpen neergelegd en voorzien van het nummer 06356. Vervolgens zijn op 8 juli 2010, in opdracht van de onderzoeksrechter en ter uitvoering van een rechtshulpverzoek van het Arrondissementsparket Amsterdam, de monsters overgedragen aan Nederlandse opsporingsambtenaren. Uit de verslaglegging blijkt dat de overtuigingsstukken welke zijn opgeslagen onder nummer 06356/10 zijn opgehaald, geopend en tegen verstrekking van een ontvangstbewijs zijn overgedragen aan verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden verbonden aan het FIOD.

Van de inhoud van elk van deze dertig monsters van vier gram zijn in Nederland opnieuw monsters genomen. Elk van deze monsters is voorzien van een Sporen Identificatie Nummer (SIN), namelijk AABS1417NL en AABS1420NL tot en met AABS1442NL en AABSl 552NL tot en met AABSl 557NL en voor nader onderzoek verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Uit de resultaten van het onderzoek van het NFI is gebleken dat de monsters voorzien van SIN AABS 1417, tot en met AABS1442NL en AABS1552NL tot en met AABS1557NL cocaïne bevatten.

De container 6 is op 19 april 2010 door een vrachtwagen met oplegger van Antwerpen naar Nederland vervoerd. Tijdens een observatie is waargenomen dat deze vrachtwagen om 11.14 uur is aangekomen in Cruquius, ter hoogte van het door [medeverdachte] opgegeven adres [b-straat 1]. De chauffeur stapte uit en hield om 11.25 uur een telefoon aan zijn oor. Om 11.35 uur werd waargenomen dat een Mercedes Benz met het kenteken [AA-00-BB], met daarin twee mannen, een aantal maal over de Spaarneweg heen en weer reed.

[verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij samen met [medeverdachte] in die auto zat en de vrachtwagen naar de loods heeft gebracht. De observanten zagen dat om 11.38 uur [verdachte] contact maakte met de chauffeur van de vrachtwagen en in de cabine stapte. Een minuut later stapte [verdachte] uit, liep naar de hiervoor genoemde Mercedes en stapte in op de bijrijdersstoel. Hierna vertrok de Mercedes gevolgd door de vrachtwagen met de container. Een aantal minuten later reden beide voertuigen het terrein van het adres [c-straat 1] (het hof begrijpt: te Zwaanshoek) op. Kort hierna werd gezien dat een Peugeot, voorzien van het kenteken [CC-00-DD], hetzelfde terrein opreed. De bestuurder werd herkend als [medeverdachte].

De vrachtwagen werd de loods ingereden, waarna de deuren van de container werden geopend en de roldeur van de loods werd gesloten. Om 11.52 uur verlaat de Mercedes met daarin [verdachte] en [medeverdachte] het terrein van de loods en rijdt weg.

Op 14 april 2010 is een gegevensdrager met daarop de met de in container 6 geplaatste camera gegenereerde beelden bekeken. Gezien werd dat, nadat de deuren van de container waren geopend, twee onbekende mannen in de deuropening verschenen. Een man betrad de container en klom over de lading enkele meters de container in, terwijl de andere persoon startte met het lossen van de lading. De man in de container startte met het onderzoeken van de lading. Twaalf minuten later klom de man terug over de lading en verliet de container.

Om 12.19 uur werd [medeverdachte] aangehouden in de loods aan de [c-straat 1] te Zwaanshoek.

De Mercedes met daarin [verdachte] en [medeverdachte] vertrok om 11.52 uur van het terrein van de loods en reed naar de Spaarneweg ter hoogte van de Mediamarkt. Daar werd contact gemaakt met de bestuurder van een Volkswagen Golf, kenteken [EE-00-FF].5 Twee minuten later vertrok zowel de Volkswagen Golf als de Mercedes. De bestuurder van de Volkswagen Golf bleek later [betrokkene 3] te zijn. [verdachte] en [medeverdachte] werden om 13.22 uur aangehouden op de Kruisweg te Hoofddorp.

In de loods gelegen aan de Spieringweg te Zwaanshoek troffen verbalisanten op een gele trekker met een Belgisch kenteken een 40 voet container aan die was voorzien van het nummer CPSU [001]. In de container werden onder meer de vijftien zakken met dummypakketten (het hof begrijpt: de in Antwerpen geplaatste substituutpakketten) aangetroffen. In één zak zat een afwijkend pakket (het hof begrijpt: het teruggeplaatste originele pakket met cocaïne). Dit pakket is inbeslaggenomen en voorzien van (een nummering:) SIN AABS1000NL. Het pakket woog netto 1002 gram. Uit het pakket zijn monsters genomen, welke ook zijn voorzien van een SIN. Het pakket met SIN AABS1505NL was bestemd voor het Douanelaboratorium; SIN AABS1506NL voor het NFI.5 Het Douanelaboratorium kwam op grond van onderzoek tot de conclusie dat het monster met het SIN AABS1505NL cocaïne bevatte. Het NFI kwam ten aanzien van AABS1506NL tot dezelfde conclusie.

Uit de na te noemen verklaringen van de verdachten blijkt dat voorafgaand aan de levering van container 6 op 19 april 2010 ten minste twee besprekingen hebben plaatsgevonden in Hoofddorp, waarbij in elk geval [verdachte], [medeverdachte] en (in elk geval vanaf de eerste bespreking) ook [betrokkene 3] aanwezig zijn geweest.

[medeverdachte] heeft verklaard dat de besprekingen hebben plaatsgevonden in Hoofddorp en dat daarbij ook "Colombianen" aanwezig waren. Een paar dagen later heeft met dezelfde personen een tweede bespreking plaatsgevonden, waarbij ook [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) aanwezig was. [medeverdachte] heeft voorts in zijn eerste verklaring verklaard dat hij "wel snapte dat er verdovende middelen of zoiets in de containers zouden zitten". In zijn vierde verklaring verklaarde [medeverdachte] dat [verdachte] deze bespreking tot stand had gebracht, dat de Colombianen en [verdachte] het vervoer van de container van Antwerpen naar Nederland in eigen beheer wilden doen en dat, toen bleek dat dat niet kon, [verdachte] aangaf dat het vervoer dan niet meer zijn verantwoordelijkheid was. Voorts verklaarde [medeverdachte] dat hij het vervoer van de container heeft geregeld, dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met medewerkers van [A] en voorts dat hij naar Antwerpen is afgereisd om de benodigde papieren te brengen en om de kosten van [A] te voldoen. Hij verklaarde dat hij van [verdachte] in totaal € 9.000 had gekregen om de kosten (het hof begrijpt: de kosten gemoeid met het transport van de container) te betalen. Bovendien verklaarde [medeverdachte] dat hij van [verdachte] een prepaid telefoon had gekregen zodat hij één op één contact met hem op kon nemen.

[betrokkene 3] heeft bevestigd dat hij voorafgaand aan zijn aanhouding bij een bespreking is geweest in Hoofddorp, waarbij onder meer [verdachte], [medeverdachte] en een aantal Zuid-Amerikanen aanwezig waren en dat daar is gesproken over het vervoer van de containers. Hij verklaarde voorts dat op de ochtend voor de aanhouding op 19 april 2010 in een koffiehuis in Hoofddorp een ontmoeting heeft plaatsgevonden met [medeverdachte], [betrokkene 3], [verdachte] en mogelijk nog andere personen. Bovendien verklaarde [betrokkene 3] dat hij voor het telefonisch contact met [verdachte] gebruik maakte van een zogenaamde één op één telefoon.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij voorafgaand aan zijn aanhouding bij twee besprekingen in Hoofddorp aanwezig is geweest en dat daar is gesproken over de binnenkomst van de containers vanuit de haven van Antwerpen en dat één van die containers in een loods die de verdachte voor zijn onderneming huurde kon worden opgeslagen.

Opzet

Gelet op de hierboven vastgestelde feitelijke gang van zaken en de rol van de verdachte hierin is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte reeds voordat het schip was aangekomen in de haven van Antwerpen, wist dat tussen de zakken met vis cocaïne was verborgen en dat deze containers de bestemming van het bedrijf van de medeverdachte, [C], hadden. Het hof merkt de verklaring van de verdachte dat hij niet heeft geweten dat in de partij vis een hoeveelheid cocaïne was verborgen in verband daarmee aan als ongeloofwaardig en stelt deze om die reden terzijde. De verdachte heeft diverse handelingen verricht die zijn gericht op het bewerkstelligen van de binnenkomst van de container in Nederland. Uit de verklaringen van [medeverdachte] leidt het hof af dat hij in eerste instantie verantwoordelijk zou zijn voor het transport van de haven van Antwerpen naar Nederland en dat hij in verband daarmee ook kosten heeft gedragen. Hij trad op als tussenpersoon tussen (onder meer) [medeverdachte] en de als onder meer 'Colombianen' omschreven andere onbekend gebleven personen die bij dit transport betrokken zijn geweest. De verdachte is aanwezig geweest bij verschillende bijeenkomsten met medeverdachten en hij was bovendien ter plaatse op het moment van aankomst van de container in de omgeving van de loods. De rol van de onbekend gebleven andere personen, onder wie 'Colombianen' (onder welke onbekend gebleven personen zich mogelijk ene 'Boyke' bevond) laten de rol van de verdachte bij de opzettelijke invoer en diens handelingen onverlet.

Het hof ziet in de verklaring van [medeverdachte], dat hij wel snapte dat er verdovende middelen in de container zaten, een bevestiging van deze vaststelling. Deze leidde dit immers naar zijn zeggen af uit de eerste bespreking met de Colombianen. Dat dit ook voor de verdachte moet hebben gegolden, leidt het hof reeds af uit zijn betrokkenheid bij dezelfde besprekingen. Het hof heeft, ondanks de latere verklaringen van [medeverdachte] waarin hij sprak over "contrabande", geen aanleiding om aan de juistheid van de weergave van de verklaring in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen.

De verweren van de raadsman, samenhangend met de door hem geschetste alternatieve scenario's, worden derhalve door het hof verworpen, nu deze niet aannemelijk zijn geworden. Dat de verzegeling van de containers is verbroken doet daar niet aan af.

Daarbij weegt ook mee dat niet aannemelijk is dat sprake is geweest van een zogenaamde "rip off'.

De getuige [getuige] heeft daarover immers bij de rechter-commissaris op 18 oktober 2010 verklaard dat bij zo'n scenario de ervaring leert dat dergelijke partijen dan niet diep verstopt zitten, maar zich voorin de container bevinden, terwijl de onderhavige partij halverwege de container verstopt was in één rij over de breedte.

De Westerschelde, invoer van 282 kilo cocaïne en (verlengde) invoer van 1 kilo cocaïne

Het hof is - anders dan de raadsman - van oordeel dat, nu de container met daarin de 282 kilo cocaïne via de Westerschelde de haven van Antwerpen is binnengevaren, sprake is van binnen het grondgebied brengen zoals bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet. Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat de haven van Antwerpen alleen kan worden bereikt via de Westerschelde, gelegen in de provincie Zeeland, zijnde Nederlands grondgebied. Dat slechts sprake was van een 'transit' door Nederland doet niet af aan het feit dat de cocaïne hiermee binnen Nederland was gebracht.

Het hof stelt vast dat de verdachte en diens medeverdachten voorts handelingen hebben verricht gericht op het vervoer van de container, die door de tussenkomst van de autoriteiten nog maar 1 kilo cocaïne bevatte, vanuit de haven van Antwerpen naar Nederland, en vervolgens het verdere vervoer, de opslag en de aflevering van die cocaïne. In zoverre is naast "gewone" invoer dan ook sprake van de "verlengde" invoer als omschreven in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet. Het hof acht de door de verdachte en de medeverdachten verrichte handelingen ten aanzien van de ene kilo cocaïne mede redengevend voor verdachtes betrokkenheid bij de opzettelijke invoer van ongeveer 282 kilogram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland via de Westerschelde, nu voldoende aannemelijk is dat de verdachte en zijn medeverdachten niet hebben geweten dat het grootste gedeelte van de cocaïne door de autoriteiten te Antwerpen uit de container was gehaald en zij hebben gehandeld in de veronderstelling dat zulks niet zo was."

4.3. Volgens deze vaststellingen van het hof is verdachte de verbindende schakel geweest met de Colombianen. Verdachte heeft het geld betaald dat nodig was om de transportkosten van de container naar Nederland te betalen. Verdachte heeft aan [medeverdachte] een speciale telefoon gegeven, alleen bestemd voor de communicatie tussen verdachte en [medeverdachte]. Er zijn besprekingen geweest in Hoofddorp over het vervoer van de containers. Verdachte en de Colombianen wilden dat vervoer eerst in eigen beheer doen, maar dat bleek niet mogelijk te zijn. Uit deze gegevens heeft het hof kunnen afleiden dat deze besprekingen zijn gehouden op zijn vroegst op 29 maart 2010, toen [A] vanuit Antwerpen een e-mail stuurde naar medeverdachte [medeverdachte] waarin is medegedeeld dat de bestelde containers op 13 april 2010 in Antwerpen zouden arriveren en waarin om instructies is gevraagd in verband met de afhandeling, en op zijn laatst op 13 april 2010. Vervolgens is er op 12 en 13 april 2010 nog contact geweest over het in eigen beheer vervoeren van de containers, waarmee [A] niet akkoord kon gaan. Het hof heeft uit deze gang van zaken kunnen afleiden dat verdachte al contact had met de Colombianen over het transport voordat de containers in Antwerpen waren gearriveerd. Uit observaties is voorts gebleken dat verdachte nauw betrokken was bij het feitelijke transport van de containers in Nederland.6

Maar als deze besprekingen zich zouden hebben voorgedaan voor 29 maart 2010 zijn deze gegevens zeker ook redengevend voor de betrokkenheid van verdachte bij het vervoer van de containers naar Antwerpen en vandaar af naar Nederland in de bewezenverklaarde periode.

Gelet op de bemoeienis van verdachte bij het transport voordat het schip in Antwerpen aanmeerde, heeft het hof ook kunnen oordelen dat voor de gesuggereerde alternatieve scenario's geen grondslag bestaat.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5. Het eerste middel komt mij gegrond voor. Het tweede middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 13/00807 ([medeverdachte]), waarin ik ook vandaag concludeer.

2 HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7088; HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7346.

3 Omwille van de leesbaarheid zijn voetnoottekens en de inhoud der voetnoten niet opgenomen.

4 AM: in de aanvulling op het verkort arrest heeft het hof de bron van deze gegevens aangewezen.

5 AM: in de aanvulling op het verkort arrest heeft het hof hieraan toegevoegd dat [betrokkene 3] de bestuurder van de Volkswagen is geweest. Het hof heeft de bewijsmiddelen waaraan dit gegeven is ontleend in de aanvulling opgegeven.

6 AM: de rechtbank heeft aan verklaringen van [medeverdachte] en [betrokkene 3] ontleend dat deze besprekingen in de periode van 12 april 2010 tot en met 16 april 2010 hebben plaatsgevonden te Hoofddorp. Zie voetnoot 52 in het vonnis.