Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:704

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
13/04551
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2895, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Werkgeversaansprakelijkheid; art. 7:658 BW. Condicio sine que non-verband tussen bedrijfsongeval en later privé-ongeval. Toerekening op de voet van art. 6:98 BW; omstandigheden van het geval; gezichtspunten. Motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/276 met annotatie van prof. mr. B. Barentsen
JIN 2014/206 met annotatie van J.C.A. Ettema
JA 2015/15 met annotatie van mr. D.A. van der Kooij
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/04551

mr. J. Spier

Zitting 20 juni 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[eiser]

(hierna: [eiser])

tegen

Saint-Gobain Weber Beamix B.V.

(voorheen Maxit Nederland B.V., hierna: Saint-Gobain)

1 Feiten

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten.1

1.2

[eiser] werkt sinds 1 juli 2004 als heftruckchauffeur/”orderpicker” op de afdeling kleinverpakking bij Maxit, de rechtsvoorganger van Saint-Gobain. Saint-Gobain is een groothandel in bouwmaterialen.

1.3

Op 10 mei 2006 is [eiser] tijdens zijn werkzaamheden gewond geraakt doordat hij is aangereden door een heftruck (stapelaar) bestuurd door een collega. Daarbij heeft [eiser] onder andere vier gebroken tenen van de rechtervoet opgelopen. Zijn voet is vervolgens in het gips gezet.

1.4

De aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van dit ongeval op de werkvloer is door Saint-Gobain erkend.

1.5

[eiser] heeft vanaf begin juni 2006 vervangend zittend werk verricht. Nadat het gips rondom de gebroken voet was verwijderd, heeft de arbo-arts op 23 juni 2006 bij een bezoek van [eiser] aangegeven dat “deze” halve dagen zittend werk mocht doen en na 1 à 2 weken, afhankelijk van de klachten, “mocht uitbreiden in uren”, waarbij hij geleidelijk zijn eigen werkzaamheden zou kunnen hervatten.

1.6

Op 28 juni 2006 heeft [eiser] (weer) enige tijd op de heftruck gewerkt. Eenmaal thuis gekomen die dag is [eiser] naar eigen zeggen gestruikeld over een deurmat ten gevolge waarvan hij ernstig knieletsel heeft opgelopen.

2 Procesverloop

2.1

[eiser] heeft Saint-Gobain op 20 februari 2009 gedagvaard voor de Kantonrechter Eindhoven en gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Saint Gobain aansprakelijk is voor alle gevolgen van het hem op 10 mei 2006 overkomen ongeval. Het Hof heeft, naar ik begrijp, aangenomen dat [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat zijn voet nog niet geheel was genezen, dat hij door de werkzaamheden op de heftruck op 28 juni 2006 weer (meer) last heeft gekregen van zijn voet als gevolg waarvan zijn rechterbeen is gaan “slepen”, met als direct gevolg dat hij bij thuiskomst over een deurmat is gestruikeld.2 Het gaat (thans)3 alleen nog om de aansprakelijkheid voor de gevolgen van deze val.4 Saint-Gobain heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van dit laatste ongeval betwist.5

2.2.1

Bij tussenvonnis van 7 januari 2010 heeft de Kantonrechter geoordeeld dat aansprakelijkheid bestaat voor “de directe gevolgen van het eerste ongeval op 10 mei 2006 en niet voor de gevolgen van het tweede ongeval op 28 juni 2006” (rov. 3.6). Met betrekking tot het tweede ongeval oordeelde de Kantonrechter dat hij in de door [eiser] aangevoerde stellingen onvoldoende houvast had om te kunnen concluderen dat het tweede ongeval het gevolg is van het voetletsel dat door [eiser] was opgelopen bij het bedrijfsongeval (rov. 3.4).

2.2.2

[eiser] wordt in de gelegenheid gesteld aan te geven welke schade hij heeft geleden als direct gevolg van het bedrijfsongeval op 10 mei 2006. De Kantonrechter heeft bepaald dat van dit tussenvonnis hoger beroep is toegestaan.

2.3

[eiser] heeft tussentijds hoger beroep ingesteld bij het Hof ’s-Hertogenbosch. Saint-Gobain heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 17 mei 2011 heeft het Hof het tussenvonnis vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Kantonrechter.6

2.4

In het tussenvonnis van 28 juli 2011 heeft de Kantonrechter, in het voetspoor van ’s Hofs arrest,7 aan [eiser] bewijs opgedragen van de navolgende stellingen:

a. dat het letsel aan zijn voet op 28 juni 2006 nog niet volledig was genezen;

b. dat [eiser] als gevolg van dat letsel zijn voet nog niet optimaal kon gebruiken;

c. dat [eiser] daardoor is gestruikeld over een deurmat en

d. dat [eiser] daarbij ernstig knieletsel heeft opgelopen.8

2.5

In zijn vonnis van 21 juni 2012 heeft de Kantonrechter [eiser] in alle onderdelen van het (hem opgedragen) bewijs geslaagd geacht9 en een verklaring voor recht gegeven inhoudende dat Saint-Gobain aansprakelijk is voor alle gevolgen (inclusief de knieschade opgelopen tijdens de struikelpartij op 28 juni 2006) van het bedrijfsongeval dat [eiser] overkwam op 10 mei 2006. De Kantonrechter wijst er op dat [eiser] “in deze procedure (...) geen schadevergoeding wenst te vorderen” (rov. 2.3).

2.6

Saint-Gobain is van het onder 2.5 genoemde vonnis in hoger beroep gekomen. [eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de op basis van het liquidatietarief bepaalde proceskostenveroordeling.10

2.7

In zijn arrest van 18 juni 2013 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [eiser] afgewezen.11 Daartoe heeft het Hof, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

“4.8. Het hof zal eerst de tweede grief bespreken nu deze de meest vergaande strekking kent. Saint-Gobain betoogt immers dat de schade voor zover deze is veroorzaakt door de val over de deurmat op 28 juni 2006 gelet op het bepaalde in artikel 6:98 BW in alle redelijkheid niet aan haar mag worden toegerekend. Daarbij heeft Saint-Gobain gewezen op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de gedraging (geen verwijt aan Saint-Gobain voor de struikelpartij), de voorzienbaarheid of waarschijnlijkheid van de val mede gezien het tijdsverloop en tenslotte de verre verwijderbaarheid van het verband tussen het bedrijfsongeval en de struikelpartij (de lengte van de causale keten).

4.9.1.

Het hof overweegt als volgt. Omwille van de beoordeling van deze grief zal het hof uitgaan van de bewijswaardering door de kantonrechter met betrekking tot de feitelijke toedracht van de val op 28 juni 2006. Weliswaar wordt die feitelijke toedracht door de eerste grief bestreden, maar dat acht het hof voor de verdere beoordeling niet van doorslaggevende betekenis. Op grond van de afgelegde verklaringen mag worden aangenomen dat [eiser] op 28 juni 2006 nog enige restverschijnselen had vanwege de gebroken tenen van de rechtervoet. De stelling van Saint-Gobain/Maxit dat kan worden aangenomen dat deze kwetsuren op 28 juni 2006 “restloos” genezen waren wordt niet alleen gelogenstraft door de verklaringen van [eiser] en de andere twee gehoorde getuigen, maar staat ook haaks op de bevindingen en aanbevelingen van de arbo-arts van 23 juni 2006. Diens advies om na 1 á 2 weken op geleide van klachten12 wat uren uit te breiden in het eigen werk (zie productie 2 bij inleidende dagvaarding) en daarmee geleidelijk het eigen werk te hervatten, spreekt naar het oordeel van het hof voor zich. De betreffende althans soortgelijke klachten worden ook nog steeds aangenomen in het rapport van de orthopedisch chirurg drs. Kortmann van 27 november 2007. Daaraan doet niet af dat drs. Kortmann de klachten aan die voet (begrijpelijkerwijs) slechts in verband brengt met het ongeval op 10 mei 2006. Het hof wil verder wel aannemen dat het belasten van de betreffende voet door het rijden op een heftruck op 28 juni 2006 ertoe heeft bijgedragen dat [eiser] weer wat meer pijn aan zijn rechtervoet heeft gekregen. Dat volgde nu eenmaal uit de strekking van het advies van de arbo-arts: kijk hoever je kunt gaan in je eigen werk bij het belasten van die voet. Het hof acht het daarbij niet wezenlijk van belang of [eiser] op de bewuste 28 juni 2006 zelf het initiatief om op de heftruck te gaan rijden heeft genomen dan wel dat het aan hem gevraagd is, omdat het druk was. Gezien het advies van de arbo-arts lag immers een (eerste poging tot) hervatting in het eigen werk op dat moment voor de hand. Een verwijt daarover valt aan Saint-Gobain dan ook niet te maken.

4.9.2.

Aannemend dat [eiser] op de bewuste dag na het werk mogelijk zelfs meer last had aan zijn rechtervoet dan voordat hij met zijn werk begon (zo verklaart hij ook), doet zich vervolgens de vraag voor of gezien de in de getuigenverklaringen geschetste omstandigheden (een gewone inloopmat, die er mogelijk nog niet lang lag) een condicio sine qua non verband moet worden aanvaard tussen de gevolgen van het bedrijfsongeval op 10 mei 2006 en de struikelpartij over de betreffende mat. Er is naar het oordeel van het hof weinig fantasie voor nodig om aan te nemen dat een in zijn lopen enigszins gehinderde voetganger bij enige oneffenheid op zijn looppad eerder onderuit zal gaan dan iemand die kan beschikken over een gezond stel benen. In zoverre kan en mag worden aangenomen (zoals [eiser] ook zelf als getuige verklaard heeft) dat het letsel aan zijn rechtervoet en de daarmee gepaard gaande pijn door de belasting van het rijden op een heftruck in die ochtend minst genomen mede hebben bijgedragen tot zijn val/struikelpartij. Ook het hof begrijpt dat zekerheid op dit punt niet (meer) zal zijn te verkrijgen, maar neemt dit voor zijn verdere oordeel wel als uitgangspunt.

4.9.3.

Alsdan is de vraag of deze struikelpartij en de daarmee gepaard gaande val en het daaruit voortvloeiende knieletsel (gegeven dat c.s.q.n.-verband) in het licht van artikel 6:98 BW dient te leiden tot een toerekening van de gevolgen van die val aan het bedrijfsongeval waarvoor Saint-Gobain/Maxit op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. Het hof realiseert zich dat het hierbij om letsel gaat én dat artikel 7:658 BW een schuldaansprakelijkheid inhoudt. Niettemin beantwoordt het hof de vraag ontkennend Daarvoor neemt het hof in dit geval de navolgende omstandigheden in aanmerking:

A. Het knieletsel (veroorzaakt door die val) staat in zeer ver verwijderd verband tot het oorspronkelijk letsel aan de voet ten gevolge van het bedrijfsongeval en vloeit niet voort uit een (noodzaak tot) behandeling van dat laatste letsel. In die zin is de latere schade aan de knie niet als kenmerkend gevolg te beschouwen van het betreffende bedrijfsongeval.

B. Het letsel veroorzaakt door het bedrijfsongeval noopte [eiser] niet zich te bedienen van hulpmiddelen, die een zeker risico in zich dragen, waar hij geen invloed op heeft (zoals een ambulance, rolstoel, krukken etc.) waarbij hij zich voor hulp (al dan niet medisch) op anderen dient te verlaten. Het nadere letsel is in ieder geval niet door een dergelijke omstandigheid veroorzaakt. [eiser] [bedoeld zal zijn [eiser], A-G] kon immers gewoon lopen en was “uitbehandeld”.

C. [eiser] kon zelf invloed uitoefenen op de inrichting van zijn thuissituatie en was met die situatie ook bekend. Bovendien is de aanwezigheid van een inloopmat bij de voordeur zodanig gewoon te achten dat deze geen aanleiding geeft te moeten veronderstellen dat hiermee een potentieel gevaarlijke maar niettemin voor [eiser] onvermijdbare situatie in het leven wordt geroepen. Enige voorzienbaarheid dat een dergelijk ongeval kan plaats vinden ligt niet voor de hand anders dan de hiervoor onder rov. 4.9.2. ervaringsregel dat een in zijn lopen lichamelijk enigszins gehinderde voetganger een grotere kans op een val zal maken dan een volledig gezond persoon. Een redelijkerwijs te verwachten of voorzienbaar gevolg ligt daarin echter niet besloten.

4.9.4.

De conclusie dient te zijn dat de schade in de vorm van letsel als gevolg van de struikelpartij en de val op 28 juni 2006 niet in zodanig verband staat tot het bedrijfsongeval op 10 mei 2006 dat deze kan worden beschouwd als een toerekenbaar gevolg van die laatste gebeurtenis. Dit betekent dat grief II slaagt en dat de vordering van [eiser] alsnog dient te worden afgewezen. Daarbij merkt het hof nog het navolgende op. Bij conclusie na enquête van 15 maart 2012 heeft [eiser] zijn eis gewijzigd (verminderd). Hij heeft verzocht om een verklaring voor recht dat Saint-Gobain/Maxit aansprakelijk is voor de volledige schade van [eiser] (inclusief de “knieschade”). Hoewel een dergelijke verklaring voor recht wordt afgewezen, staat wel vast (door erkenning) dat Saint-Gobain/Maxit aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval op 10 mei 2006. In het tussenvonnis van 7 januari 2010 was door de kantonrechter aangegeven dat [eiser] diende aan te geven op welke wijze hij wenste aan te tonen hoeveel zijn schade als direct gevolg van het ongeval van 10 mei 2006, derhalve het voetletsel, bedraagt. Door de wijziging van eis nadien is derhalve deze schadevordering buiten de beoordeling door het hof geraakt, zodat het hof zich daarover niet (meer) zal en kan uitspreken.

4.10.

Gezien het slagen van de tweede grief komt de noodzaak tot verdere bespreking van de grieven in het principaal appel te vervallen. De grieven in het incidenteel appel falen nu de vordering van [eiser] tot het geven van een verklaring voor recht wordt afgewezen Voor vergoeding van al dan niet integrale proceskosten is dan immers geen plaats meer. (....)”

2.8

[eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Saint-Gobain heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna namens [eiser] nog is gerepliceerd.

3 Wat zegt het Hof precies?

3.1

Als ik het goed zie, dan berust ’s Hofs oordeel ten volle op de gedachte dat het litigieuze letsel niet (meer) op de voet van art. 6:98 BW kan worden toegerekend. Daarop wijst met zoveel woorden rov. 4.9.3 eerste volzin. Deze lezing wordt versterkt door rov. 4.9.3 onder A, C laatste volzin en rov. 4.9.4 eerste volzin.

3.2

Dat ik hierbij wat langer stil sta, valt te herleiden tot hetgeen het Hof overweegt in rov. 4.9.3 onder C. De meest plausibele lezing daarvan is dat het Hof hetgeen daar staat geheel plaatst in de sleutel van de toerekening op de voet van art. 6:98 BW.

3.3

Dwingend is de onder 3.2 genoemde lezing evenwel niet. ’s Hofs beschouwing kan ook zo worden begrepen dat het tot uitdrukking wil brengen dat sprake is van enige eigen schuld aan de zijde van [eiser]. Eigen schuld die, in deze lezing, kennelijk is gelegen in de inrichting van zijn “thuissituatie”, meer in het bijzonder het handhaven van een inloopmat met het daaraan verbonden risico dat hij daarover zou kunnen struikelen omdat [eiser] niet meer over, wat het Hof aanduidt als, “een gezond stel benen” beschikte.

3.4

Ik ga verder voorbij aan de onder 3.3 vermelde lezing. In de eerste plaats omdat deze om de onder 3.2 genoemde redenen m.i. niet strookt met hetgeen het Hof klaarblijkelijk voor ogen heeft gestaan. Maar ook omdat ’s Hofs oordeel, uitgaande van de alternatieve lezing, onbegrijpelijk zou zijn.13 Zijn oordeel is er – kort gezegd – van doordrongen dat sprake is van een redelijkerwijs niet voorzienbare gebeurtenis. Daarvan uitgaande, is niet goed duidelijk waarom [eiser] rekening had moeten houden met de verhoogde kans op vallen door de aanwezige deurmat en nog minder waarom die, in ’s Hofs visie, verwaarloosbare kans [eiser] op de voet van art. 6:101 BW van (een deel van?) zijn vordering zou beroven, gelet op de primaire (causaliteits)maatstaf van deze bepaling.

3.5.1

Onderdeel 3.1 komt met een rechtsklacht op tegen het oordeel dat [eiser] zelf invloed kon uitoefenen op de thuissituatie. Wat de klacht nauwkeurig behelst en wat het Hof precies wordt verweten, is mij niet goed duidelijk. Zoals hierna onder 5 nog zal blijken, is het lood om oud ijzer omdat de kernklacht slaagt.

3.5.2

Voor zover ’s Hofs oordeel zou moeten worden gelezen op de onder 3.2 vermelde wijze, behelst onderdeel 3.2 nog een rechtsklacht. Eigen schuld zou rechtens niet ter zake doen. Mij lijkt duidelijk dat art. 7:658 lid 2 BW betrekking heeft op een andere situatie, te weten handelen of nalaten van de werknemer dat mede heeft bijgedragen aan het ongeval. Bovendien gaat het, nog steeds in de hier veronderstelde lezing, veeleer om een ander facet van art. 6:101 BW, te weten verzaking van de schadebeperkingsplicht (het, in ’s Hofs visie, laten liggen van een mat met de daaraan verbonden kans op ongevallen en daarmee vergroting van het letsel).

3.6

A la barbe van ’s Hofs arrest, de klachten en het partijdebat een enkel woord over de gevaren van (deur)matten. Erg veel ter zake dienende informatie heb ik niet kunnen traceren, maar het volgende geeft m.i. in elk geval enige indicatie.

3.7.1

Jaarlijks hebben 630 personen van 55 jaar en ouder, 540 van 65 jaar en ouder en 410 van 75 jaar en ouder een spoedeisende behandeling nodig als gevolg van struikelen over vloerbedekking of tapijt; over een gladde vloer struikelen, in genoemde leeftijdscategorieën, respectievelijk 1100, 710 en 420 personen.14 Uitgaande van ’s Hofs – in cassatie niet bestreden – oordeel dat [eiser] niet meer beschikt over “een gezond stel benen”, lijkt niet te boud te veronderstellen dat de kans dat hij zou kunnen struikelen ten minste even groot was (is) als die van personen vanaf 55 jaar.15

3.7.2

Het aantal valpartijen dat gemeenlijk niet leidt tot een spoedeisende behandeling is allicht groter. Hoewel dat voor een niet medisch geschoolde een enigszins gevaarlijke uitspraak is – ik draai daar niet om heen – lijkt plausibel dat een val voor personen die reeds letsel hebben niet zelden verergering van dat letsel ten gevolge kan of zelfs zal hebben.

3.8

In het licht van de onder 3.7 vermelde gegevens, kan men zich wellicht afvragen of de kans op vallen bij [eiser] inderdaad, zoals het Hof meende, redelijkerwijs onvoorzienbaar was. Bij gebreke van enig processueel debat en klachten op dit punt die aan de daaraan te stellen eisen voldoen, ga ik daar verder niet op in.

3.9

Onderdeel 1.5 haakt, naar ik begrijp, in op de (mate van) voorzienbaarheid. Het acht, als ik het goed zie, het litigieuze struikelen over de mat een “alleszins voorzienbaar” gevolg. Zelfs wanneer wordt uitgegaan van de onder 3.7 vermelde, ambtshalve bijgebrachte, gegevens kan niet worden gesproken van “alleszins voorzienbaar” zijn van vallen of struikelen. Hoe dat ook zij: nu het onderdeel geen beroep doet op concrete stellingen die in feitelijke aanleg zijn betrokken, voldoet het niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

4 Afhandeling van het preliminaire verweer van Saint Gobain

4.1.1

Saint-Gobain heeft in haar schriftelijke toelichting onder 1 tot en met 4 als preliminair verweer aangevoerd dat [eiser] geen belang bij zijn klachten heeft. Saint-Gobain licht dit verweer als volgt toe. De Kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 7 januari 2010 de vordering tot vergoeding van schade door de val op 28 juni 2006 over de deurmat bij gebreke van causaal verband afgewezen, een beslissing die partijen blijkens het debat in appel onmiskenbaar hebben begrepen als eindbeslissing dat het in art. 6:98 BW bedoelde verband tussen de schade en het eerste ongeval ontbrak.16 Het Hof heeft in zijn tussenarrest van 17 mei 2011 niet op de daartegen gerichte grief van [eiser] beslist; het heeft het vonnis van de Kantonrechter kennelijk vernietigd op de grond dat [eiser] moet worden toegelaten tot het door hem in appel aangeboden bewijs van zijn stelling dat hij nog steeds forse hinder ondervond van het letsel aan zijn voet. Tegen de omissie om op de grief van [eiser] te beslissen, is geen cassatieberoep ingesteld. De Kantonrechter heeft vervolgens, na het horen van getuigen, bij eindvonnis van 21 juni 2012 de vorderingen van [eiser] alsnog toegewezen. Daarbij is de Kantonrechter niet kenbaar teruggekomen op zijn eindbeslissing dat de juridische causaliteit in deze zaak niet kan worden vastgesteld. Het Hof was als appelrechter tegen deze achtergrond gebonden aan de eindbeslissing van de Kantonrechter in het eerste tussenvonnis dat de juridische causaliteit niet kan worden vastgesteld. De consequentie is dat een verwijzingshof na eventuele cassatie en verwijzing gebonden zal zijn aan genoemde eindbeslissing.

4.1.2

Volgens Saint-Gobain kan dit preliminaire verweer niet worden afgedaan met een andere uitleg van het tussenvonnis of tussenarrest of door in het eindvonnis van de Kantonrechter een impliciet terugkomen op de eindbeslissing te lezen. Volgens haar manifesteert zich hier het gecombineerde effect van enerzijds de sterke binding van de appelrechter aan niet of vergeefs bestreden eindbeslissingen van de rechter in eerste aanleg (HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8340) en anderzijds de noodzaak (incidenteel) appel in te stellen om conflicterende eindbeslissingen met gezag van gewijsde te vermijden (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514).

4.2

Voor zover het verweer scharniert om het niet instellen van cassatieberoep tegen het arrest van het Hof in het eerste appel, wordt eraan voorbij gezien dat tegen ’s Hofs in dat hoger beroep geen cassatieberoep openstond nu het Hof daartoe geen verlof heeft verleend.

4.3

Hoe dit ook zij, mr. Vermeulen miskent dat het Hof er in het litigieuze arrest op heeft gewezen dat volgens het bestreden vonnis

“nog slechts de vraag beantwoord diende te worden in hoeverre de val van [eiser] op 28 juni 2006 (het tweede ongeval) mede het gevolg is van het letsel veroorzaakt door het eerste ongeval” (rov. 4.3).

Het is onmiskenbaar dat geschil waarover het Hof een oordeel heeft geveld.

4.4

Hier komt nog het volgende bij. Het tussenarrest van 17 mei 2011 houdt, naast hetgeen hiervoor werd geciteerd en voor zover hier van belang, het volgende in:

“4.7. Kern van de grieven 2A tot en met 2E vormt de stelling van [eiser] dat de kantonrechter ten onrechte geen oorzakelijk verband heeft aangenomen tussen de gevolgen van de aanrijding met de heftruck op 10 juni 2006 en de val op 28 juni 2006. (…)

4.8.

Het hof stelt (…) vast dat de kantonrechter, gegeven de aansprakelijkheid van Maxit voor het aan [eiser] op 10 mei 2006 overkomen ongeval, terecht tot uitgangspunt van haar beoordeling heeft genomen de vraag of de beweerdelijke val van [eiser] op 28 juni 2006 (mede) haar oorzaak vindt in de gevolgen van dat eerdere bedrijfsongeval. Immers indien die vraag bevestigend zou worden beantwoord is Maxit in beginsel ook voor de gevolgen van dat tweede ongeval aansprakelijk te achten. Dat betekent in dit verband dat voldoende aannemelijk dient te zijn dat het letsel aan de (rechter)voet van [eiser] nog niet volledig was genezen (1), dat [eiser] als gevolg van dat letsel die voet nog niet optimaal kon gebruiken (2), dat hij daardoor is gestruikeld over een deurmat (3) én dat hij daarbij ernstig knieletsel heeft opgelopen (4). (…) De conclusie is dat [eiser] bewijs dient bij te brengen van zijn stellingen op dit punt (…)

4.9.

Aan de verdere bespreking van (onderdelen van) de door [eiser] aangevoerde grieven gaat het hof, bij ontbreken van belang daarbij van [eiser], voorbij gezien de hiervoor genoemde beslissing waarbij is aangegeven dat [eiser] dient te worden toegelaten tot bewijslevering.”

4.5.1

Het te leveren getuigenbewijs ziet onmiskenbaar op feiten en omstandigheden die de toerekening op de voet van art. 6:98 BW betreffen. De beslissing dat [eiser] tot bewijslevering aangaande die feiten en omstandigheden dient te worden toegelaten, kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat de Kantonrechter naar ’s Hofs oordeel ten tijde van het tussenvonnis van 7 januari 2010 over onvoldoende gegevens beschikte om te kunnen oordelen dat het in art. 6:98 BW bedoelde verband tussen de litigieuze schade en het bedrijfsongeval ontbrak; het houdt derhalve een gegrondbevinding van de tegen dat oordeel gerichte grieven in. Dat verklaart ook dat het Hof een verdere bespreking van de (onderdelen van) de door [eiser] aangevoerde grieven bij gebrek aan belang achterwege heeft gelaten. De ongeclausuleerde vernietiging van genoemd tussenvonnis zag vervolgens mede op de beslissing van de Kantonrechter omtrent het causaal verband (de toerekening) van de schade als gevolg van het tweede ongeval.

4.5.2

Op zich en zeker tegen de zojuist geschetste achtergrond kan het eindvonnis van de Kantonrechter van 21 juni 2012 niet anders worden verstaan dan dat de Kantonrechter, na bewijslevering door [eiser], heeft geoordeeld dat de schade als gevolg van het tweede ongeval op de voet van art. 6:98 BW kan worden toegerekend.

4.6

Op dit alles loopt het preliminaire verweer van Saint-Gobain stuk.

5 Bespreking van de klachten

5.1

De kernklachten richten zich tegen rov. 4.9.3. en 4.9.4. Ze komen er, tot de kern teruggebracht, op neer dat het Hof zich heeft blindgestaard op de (mate van) voorzienbaarheid. In een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een combinatie van letselschade en schending van een veiligheidsnorm, heeft het Hof zich, aldus oordelend, bekeerd tot een onjuiste rechtsopvatting. Deze kernklacht wordt met name in de onderdelen 1.1, 1.2, 1.3, 1.6, 1.7 en 2.1 naar voren gebracht.

5.2

Het Hof heeft, denk ik, toegewerkt naar het resultaat. Het vond het klaarblijkelijk onbillijk dat [eiser] de onderhavige schade zou kunnen afwentelen op Saint Gobain.

5.3

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat een condicio sine qua non-verband bestaat tussen de litigieuze schade (te weten: die ten gevolge van het tweede ongeval) en het [eiser] overkomen bedrijfsongeval. Het strekt Saint Gobain tot eer dat zij geen poging onderneemt om ’s Hofs oordeel daaromtrent met incidentele klachten te bestrijden.17

5.4.1

Eenmaal aangenomen dat aan het condicio sine qua non-vereiste is voldaan, moet aan de hand van de in art. 6:98 BW neergelegde maatstaf worden onderzocht of de gevorderde schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze bepaling vereist dat de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.18 Deze regel wordt wel aangeduid als de leer van de redelijke toerekening. Bij het invulling geven aan deze maatstaf moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.19 Buiten de in genoemd artikel genoemde aard van de aansprakelijkheid en van de schade, worden in de literatuur vooral ook de waarschijnlijkheid en verwijderdheid als relevante beoordelingsfactoren genoemd.20

5.4.2

De kennelijk bij het Hof levende gedachte dat het (vooral) aankomt op de vraag of de schade redelijkerwijs te verwachten of voorzienbaar was, is al geruime tijd verlaten.21 Veel meer of anders heeft het Hof, kunstig uitgesmeerd over ruim een halve pagina tekst, niet aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. ’s Hofs arrest ligt daarom voor vernietiging gereed.

5.5

Ten overvloede, maar ook met het oog op de verdere behandeling van deze zaak is wellicht goed om nog iets nader bij de problematiek die hier speelt te verwijlen.

5.6

In de doctrine wordt vaak met instemming verwezen naar door Brunner destijds geformuleerde “deelregels”.22 Zo bijvoorbeeld door Hartkamp & Sieburgh en Hartlief:23

1. Naarmate het gevolg naar ervaringsregels waarschijnlijker is en derhalve beter voorzienbaar, is toerekening eerder gerechtvaardigd. Toerekening is minder aanvaardbaar naarmate het gevolg uitzonderlijker, abnormaler, minder waarschijnlijk is;

2. Naarmate het schadelijk gevolg minder ver verwijderd is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, is toerekening eerder gerechtvaardigd. Een ver verwijderde schade kan zeer wel voorzienbaar zijn. Wordt toerekening van een dergelijke schade onwenselijk geacht, dan kan zij worden beperkt door toetsing aan het “nabijheidsverband”;

3. De aard van de aansprakelijkheid kan meebrengen dat de schade ruim of juist beperkt moet worden toegerekend. In dat verband zijn van belang:

a. Het doel waarmee de beschermingsnorm in het leven is geroepen; dit bepaalt de beschermingsomvang van deze norm en daarmee of toerekening van de in concreto geleden schade gerechtvaardigd is. Schending van verkeers- en veiligheidsnormen rechtvaardigt een ruime toerekening van dood- en letselschade;

b. Naarmate de schuld aan het schadeveroorzakend gebeuren groter is, is ruimere toerekening gerechtvaardigd;24

c. De aard van de activiteit, waarbij de schade is toegebracht, kan invloed hebben op de omvang van de toerekening,25 zulks in dier voege dat schade toegebracht tijdens bedrijfsuitoefening wellicht eerder gerechtvaardigd is dan wanneer de aansprakelijke persoon een beroepsbeoefenaar of een particulier is;26

4. De aard van de geleden schade heeft invloed op de omvang van de toerekening in die zin dat schade door dood of verwonding eerder wordt toegerekend dan zaakschade, zaakschade eerder dan schade die bestaat in extra kosten en uitgaven en schade door vermogensverlies eerder dan de derving van winst.

5.7

Zoals zo vaak heeft Hartlief zich over kwesties als thans aan de orde heel helder en trefzeker uitgelaten. Hij schrijft:27

“Veel van de causaliteitsarresten van de Hoge Raad hebben betrekking op letsel- en overlijdensschade. In dit kader wordt ruim toegerekend. Dat is zeker. Verschillende van de deelregels van Brunner zijn hier van belang, waaronder vooral de aard van de geschonden norm (verkeers- of veiligheidsnorm) en de aard van de schade (personenschade). Op zich wijzen beide factoren in de richting van een ruime toerekening.

Van groot belang is of sprake is van schending van een verkeers- of veiligheidsnorm.

(…)

Niet altijd is sprake van een schending van een verkeers- of veiligheidsnorm. Dat betekent niet dat geen ruime toerekening plaatsvindt.

Een bekend geval betreft de Antilliaanse zaak waarin politieagent Gibbs, Henderson tijdens de jaarlijkse carnavalsoptocht met een wapenstok slagen op hoofd en lichaam heeft toegediend zonder dat daarvoor reden was. Als gevolg daarvan heeft Henderson fysiek en geestelijk nadeel bestaande in hoofdpijn, geheugenstoornis en achteruitgang van intellectuele capaciteiten opgelopen. Volgens het Hof is sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat geen toerekening plaatsvindt. Het zou hier namelijk gaan om renteneurose, aggravatie en querulerende gedragingen. De Hoge Raad spreekt in casu heel algemeen van het toebrengen van letsel. Toerekening van een door de predispositie bepaalde reactie, ook al houdt die verband met een neurotische behoefte aan vergoeding vindt dan in beginsel plaats. Hier is misschien ook de mate van schuld (opzet) van belang.”

5.8.1

Saint Gobain probeert aan ruime toerekening te ontsnappen. Dat is haar goed recht; zij heeft met haar pleidooi succes geboekt bij het Hof. Maar haar betoog snijdt m.i. geen hout. Zij ziet het tweede ongeval als causa proxima (s.t. onder 7). Nu heeft de causa proxima-leer in ons land in het aansprakelijkheidsrecht nimmer veel aanhangers gehad.28

5.8.2

Bovendien zie ik niet goed in waarom deze leer ons in casu verder zou brengen.

Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, aangenomen dat sprake is van een condicio sine qua non-verband tussen de uit het tweede ongeval voortvloeiende schade en het eerste ongeval. Aanvaarding in zo’n setting van de causa proxima-leer zou de rechtspraak op zijn kop zetten. Daarvoor is iets meer nodig dan, met alle respect, het oplaten van een proefballon, naar ik begrijp met het oog op “een generatie tentamens burgerlijk recht”.29 Bovendien is de discussie over de vraag wat in een dergelijke setting de meest nabije oorzaak is niet gespeend van semantiek (of, zo men wil, op het beoogde resultaat toegesneden redeneringen).

5.9.1

Saint Gobain heeft verder uitgedragen dat geen concrete verkeers- of veiligheidsnorm is geschonden en dat haar slechts een minimaal verwijt treft (s.t. onder 10 onder verwijzing naar “de stellingen bij grief 2”).30 Ik denk dat dit betoog moet worden gepasseerd. Nu Saint Gobain aansprakelijkheid voor het eerste ongeval heeft erkend (klaarblijkelijk op basis van art. 7:658 BW), staat vast dat een veiligheidsnorm is overtreden en is discussie over de mate van verwijtbaarheid in beginsel niet meer aan de orde. In beginsel, want het is uiteraard denkbaar dat deze in het kader van de toerekening op tafel komt, maar dan behoeft wél gedegen toelichting waarom Saint Gobain aansprakelijkheid heeft erkend, wat wijst op een aan haar te maken verwijt, maar waarom nochtans sprake zou zijn van heel beperkte “schuld”. Hetgeen Saint Gobain op dat punt heeft uitgedragen, heeft handen noch voeten.31

5.9.2

Bovendien speelt de mate van verwijt geen of hooguit een heel beperkte rol bij de combinatie schending van een veiligheidsnorm en letselschade.

5.10

Verderop dicht Saint Gobain het Hof toe te hebben geoordeeld dat geen sprake was van een verhoogd risico (s.t. onder 10). M.i. heeft het Hof juist het tegendeel overwogen door erop te wijzen dat [eiser] niet goed meer ter been was32 wat onvermijdelijk meebrengt dat er talloze situaties (kunnen) zijn waarin zijn kwetsbaarheid is verhoogd.

5.11

Naar rechtsvergelijking leert, is de hiervoor besproken benadering van het Nederlandse recht allerminst uitzonderlijk. Ter illustratie verwijs ik naar casus 15 in één van de voorstudies van de European Principles of Tort Law: P verliest ten gevolge van een verkeersongeval een been. D is aansprakelijk voor het ongeval. P overlijdt elf jaar later als gevolg van een brand in zijn woning; omdat hij ten gevolge van het verkeersongeval niet meer snel genoeg zijn woning kon verlaten. Naar Oostenrijks, Belgisch,33 Zwitsers, Duits,34 “Amerikaans” (VS) en mogelijk ook naar Frans recht wordt de tweede schade aan het eerste ongeval toegerekend. Niet verrassend wordt daarover naar Engels recht35 en naar ook Grieks en Zuid-Afrikaans recht anders geoordeeld.36

5.12.1

Vooral in het tweede appel heeft Saint Gobain zich beroepen op de Principles of European Tort Law (PETL).37 Art. 3:201 PETL somt een aantal relevante gezichtspunten op. De vraag waar deze in concrete gevallen toe moeten leiden, wordt niet beantwoord en dat is in dit soort projecten ook niet gemakkelijk doenlijk. De kracht van de Principles is (m.i.) vooral gelegen in de, ook in internationaal verband, uitvoerige en consistente uitwerking van gevallen van gecompliceerde causale verhoudingen (art. 3:102 – 106). Ook los daarvan: zeker in vergelijking met de Von Bar Principles is het onderdeel Causation ver uitgewerkt. Het ligt bovendien nogal voor de hand dat de opvattingen in dergelijke groepen enigszins uiteenlopen; zelfs na jaren van intensieve en constructieve samenwerking en discussies.

5.12.2

Blijkens het commentaar op art. 3:201 PETL zijn de verschillende factoren ontleend aan de rechtspraak van de landen die in de groep waren vertegenwoordigd, waarbij in het commentaar wordt aangestipt dat het veelal niet op één factor zal aankomen. Gewezen wordt op de bijzondere positie van (ernstig) letsel.38 Verderop wordt de onder 5.11 besproken casus vermeld met de kanttekening dat verschillende oplossingen denkbaar zijn; de uitkomst zou afhankelijk kunnen zijn van de aard van de schade en de aansprakelijkheid.39 Vooral deze laatste factoren komen Saint Gobain niet bepaald te stade.

5.13.1

Zowel in het tweede appel40 als in cassatie41 probeert Saint Gobain Uw Raad te verleiden om de in art. 3:201 onder d PETL genoemde factor (“the extent of the ordinary risks of life”) te omhelzen. Het hele betoog miskent m.i. waar het in deze zaak om gaat. Door een gebeurtenis waarvoor Saint Gobain aansprakelijk is, is [eiser] onvast ter been geworden. Dat is, anders dan Saint Gobain lijkt te denken, geen gewoon levensrisico. Dat wordt m.i. onderstreept door de toelichting op genoemd artikel en het daarin gegeven voorbeeld van een ernstig gewond slachtoffer dat door een ambulance met hoge snelheid naar het ziekenhuis wordt vervoerd, terwijl de ziekenauto op weg naar het ziekenhuis (bedoeld is: als gevolg van de hoge snelheid) een ongeval krijgt.42 In zo’n geval is, volgens het Commentaar, van een gewoon levensrisico geen sprake.

5.13.2

Ik geef zonder meer toe – en het commentaar draait daar niet om heen – dat het niet steeds gemakkelijk is om (op overtuigende wijze) grenzen af te bakenen. Gesproken wordt dan ook van een “somewhat amorphous concept”.43 Maar dat situaties als de onderhavige er niet onder vallen, lijkt me duidelijk.

5.14

Onder 3 mocht ik al ingaan op een enkele klacht. Naast de daar en hierboven onder 5 besproken klachten behoef ik niet meer in te gaan op de overige klachten.

5.15

Voor zover nodig evenwel nog een enkel woord over onderdeel 4. Dat onderdeel komt er, als ik het goed zie, op neer dat hetgeen het Hof overigens overweegt zijn oordeel evenmin kan dragen. Die mening onderschrijf ik. Na het voorafgaande behoeft dat m.i. geen nadere toelichting.

5.16.

Uw Raad zou kunnen overwegen om de zaak zelf af te doen. Het gaat thans alleen nog om een verklaring voor recht waar het het geschil ten gronde betreft. Na verwijzing moet het condicio sine qua non-verband als vaststaand worden aangenomen nu het Hof daarvan, in cassatie niet bestreden, is uitgegaan. Daarmee resteert slechts een toerekeningsverweer. Op de hiervoor ampel aangegeven gronden is m.i. redelijkerwijs ondenkbaar dat de verwijzingsrechter dit verweer zal (kunnen) honoreren.

5.17.1

Nochtans meen ik dat het de voorkeur verdient om te volstaan met vernietiging. [eiser] heeft immers gemeend incidenteel appel in te moeten stellen op het stuk van de proceskostenveroordeling. Daarover zal hoe dan ook nog moeten worden beslist.

5.17.2

Afdoening op dit punt door Uw Raad ligt niet erg voor de hand, al moet mij van het hart dat voor het standpunt van [eiser] niet erg veel valt te zeggen. Anders dan hij wil doen geloven, zijn er ten minste sterke aanwijzingen dat [eiser] ten minste voor een deel op toevoegingsbasis heeft geprocedeerd zodat nadere toelichting behoeft waarom [eiser] er zo’n € 30.000 bij zou inschieten. Saint Gobain heeft daar m.i. met juistheid op gewezen (mva incidenteel onder 2.10). Verder trof me in dit verband dat [eiser] in cassatie geen verzoek doet om af te wijken van het standaardtarief voor kostenveroordelingen; het petitum van de cassatiedagvaarding mondt uit in “kosten rechtens”.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan rov. 4.1. van het in cassatie bestreden arrest.

2 Zie nader rov. 4.5 van ’s Hofs arrest van 17 mei 2011. Saint Gobain kan worden toegegeven dat de dagvaarding (op dit punt) niet uitmunt door helderheid.

3 Volgens het vonnis van de Kantonrechter van 7 januari 2010 rov. 3.4 ging het ook in prima (alleen) over die vraag.

4 Zie rov. 4.2 van ’s Hofs arrest van 17 mei 2011.

5 Zie rov. 4.3 van het bestreden arrest.

6 Zie rov. 4.5 van het bestreden arrest. De inhoud van dit arrest komt hierna onder 4.3 en 4.4 bij de bespreking van het preliminaire verweer in cassatie van Saint-Gobain aan de orde.

7 Zie rov. 2.2.

8 Zie rov. 4.6.1. van het bestreden arrest.

9 Zie rov. 2.1.

10 Zie. rov. 4.6.2. van het bestreden arrest.

11 Hof ’s-Hertogenbosch 18 juni 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2629, JA 2013/145, m.nt. J.S. Overes. Blijkens de kop van het arrest zou het zijn gewezen op 18 juni 2013, maar aan het slot van het arrest wordt vermeld dat het op 11 juni 2013 is uitgesproken. Na mijn conclusie op verstek van 8 november 2013, overlegging van stukken en mijn conclusie ter rolle van 22 november 2013, heeft het Hof bij arrest van 3 december 2013 strekkende tot verbetering in de zin van artikel 31 Rv, zijn arrest van juni 2013 verbeterd, in die zin dat in het dictum de vermelding dat het arrest is gewezen op 11 juni 2013 wordt gewijzigd in 18 juni 2013.

12 Het citaat klopt, maar wat er staat is niet goed begrijpelijk.

13 Onderdeel 3.4 wijst daar terecht op.

14 Vallen 55-plussers, Ongevalscijfers, VeiligheidNL, maart 2012.

15 Uit de stukken valt op te maken dat [eiser] ten tijde van het tweede ongeval 45 jaar oud was; zie prod. 2 bij inleidende dagvaarding.

16 De s-t van Saint-Gobain onder 2 verwijst naar rov. 3.5. van het tussenvonnis.

17 Op hetgeen aan het slot van rov. 4.9.2 wordt overwogen, valt wellicht wel iets af te dingen, maar ik behoef daarop niet in te gaan.

18 Zie nader onder veel meer Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/53.

19 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/63. Zie ook losbladige Schadevergoeding (R.J.B. Boonekamp) art. 6:98, aant. 26 en Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (T. Hartlief, 2012) nr. 217.

20 C.J.H. Brunner, Causaliteit en toerekening van schade (I), VR 1981, p. 210 e.v., dezelfde in Causaliteit en toerekening van schade (II), VR 1981, p. 233 e.v.

21 Zie nader Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-II 2013/56, 57 en 69.

22 A.w. p. 210 e.v.

23 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/64 e.v. en T. Hartlief, a.w. nr. 218 e.v.

24 Hartkamp & Sieburgh rubriceren dit onder de aard van de aansprakelijkheid (nr. 65 sub b); Hartlief niet. De mate van de schuld lijkt mij niet zo zeer een kwestie van de aard van de aansprakelijkheid.

25 Hiervoor geldt in essentie ook hetgeen in de vorige voetnoot werd opgemerkt.

26 Aldus Hartlief, t.a.p. nr. 218. Zijn caveat “wellicht” lijkt me juist. Zo ligt zeker niet zonder meer en steeds voor de hand om ruimer toe te rekenen bij schade veroorzaakt door bijvoorbeeld een kleine middenstander in vergelijking met een groot accountantskantoor; maar algemene regels zijn op dit punt moeilijk te geven.

27 T. Hartlief, a.w. nr. 222.

28 Zie Asser Hartkamp & Sieburgh, a.w. nr. 51 en J. van Schellen, Juridische Causaliteit p. 82 e.v.; Van Schellen noemt de leer gevaarlijk omdat deze er maar al te vaak toe zou leiden dat de minst schuldige de gehele schade moet lijden. In hun handboek over het Belgische aansprakelijkheidsrecht verwijzen Vansweevelt en Weyts met instemming naar Van Schellen: Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht (2009) nr. 1231.

29 S.t. mr. Vermeulen onder 1.

30 Gedoeld wordt klaarblijkelijk op mvg van 30 oktober 2012; het gaat om een uitvoerig betoog, waarbij mr. Vermeulen nalaat aan te geven op welke passage(s) in het bijzonder wordt gedoeld. Mogelijk heeft mr. Vermeulen mede het oog op de mva in het eerste appel onder 12.4. Wat daar staat, is buitengewoon vaag. Met name komt niet uit de verf waarom Saint Gobain aansprakelijkheid heeft erkend zodat zelfs onduidelijk is welke norm in haar visie zou zijn overtreden

31 Waarom Saint Gobain geen of hooguit een heel beperkt verwijt treft, komt niet goed uit de verf; zie onder de mvg onder 4.13.

32 Rov. 4.9.2.

33 Vgl. over Belgisch recht Vansweevelt/Weyts, a.w. nrs. 1257 e.v.

34 Althans volgens het oude Reichsgericht; de Federal Supreme Court (het BGH) denkt daar inmiddels anders over; zie Ulrich Magnus’ bijdrage p. 72.

35 Maar de gezaghebbende Engelse auteur Rogers laat zich voorzichtig uit: zie zijn rapport p. 48 onder verwijzing naar zijn rapport in J. Spier (Ed.), The Limits of Expanding Liability, p. 102/103. Zie uitvoerig zijn indrukwekkende bewerking van Winfield & Jolowicz, Tort (2010) 6-16 e.v.; zie met name ook nr 6-25 waaruit lijkt te volgen dat ook onder Engels recht toerekening ver kan gaan. Rogers merkt daarover op dat weliswaar hard is voor de laedens dat hij aansprakelijk is “for unexpectedly large damages, but that is not clear that the final outcome is any fairer if the claimant is left without redress for damage he has suffered through no fault of his own” (eveneens nr 6-25).

36 Zie het rechtsvergelijkend overzicht van mij en Haazen op p. 149 in J. Spier (ed.), Unification of Tort Law: Causation; zie voorts de in dat boek opgenomen landenrapporten. Zie ook, summierlijk, Cees van Dam, European Tort Law 2e dr. nr. 1109-2 en 1111.

37 Mvg onder 4.7 e.v.

38 Text and Commentary (Spier) p. 60.

39 A.w. p. 62.

40 Mvg onder 4.30 e.v. Ik ga niet in op hetgeen wordt betoogd onder 4.28 en 4.29 omdat dit evident op een misvatting berust.

41 S.t. onder 8.

42 A.w. p. 62 en 63.

43 A.w.p. 62.