Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:702

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-04-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
12/01083
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1626, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR ambtshalve: gedeeltelijke verjaring feit 7. HR verklaart de OvJ in zoverre alsnog n-o in de vervolging. Voor vermindering van de opgelegde gevangenisstraf bestaat echter onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet worden aangetast door bedoelde partiële n-o verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/01083

Zitting: 22 april 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 februari 2012 de verdachte wegens 1, 3, 4 primair, 5 primair en 8 “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 2 primair “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 6 “als oprichter, leider of bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 7 primair “het, anders dan als ambtenaar, optredend in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn werk heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (nr. 12/02388) en [medeverdachte 2] (nr. 12/02422), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, het verzoek van de raadsvrouwe van de verdachte om de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te horen heeft afgewezen. Volgens de steller van het middel heeft het hof daarbij miskend dat in het onderhavige geval de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk mag verschillen van het criterium van het verdedigingsbelang.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Naar aanleiding van een door de raadsman van de verdachte (mr. P.A. Caljé, advocaat te Amsterdam) bij brief van 5 november 2007 gedaan verzoek, dat door de rechtbank op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 november 2007 is toegewezen, is [betrokkene 1] op 5 maart 2008 in aanwezigheid van de raadsman door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Hoewel de raadsman daarbij in de gelegenheid is gesteld vragen te stellen aan die getuige en van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, heeft [betrokkene 1] zich bij elke aan hem gestelde vraag op zijn verschoningsrecht beroepen.

(ii) Medeverdachte [betrokkene 1] is op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 november 2008 in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman als getuige gehoord.1Daarbij zijn de verdachte en diens raadsman in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan die getuige, terwijl de raadsman van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. [betrokkene 1] heeft bij die gelegenheid wel antwoord gegeven op de aan hem gestelde vragen.

(iii) Naar aanleiding van een door de raadsman van de verdachte bij brief van 21 november 2008 gedaan verzoek, dat door de rechtbank op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 november 2008 is toegewezen, is [betrokkene 3] op 16 februari 2009 in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Daarbij is de raadsman in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan die getuige, terwijl de raadsman van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt.

(iv) De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 22 mei 2009 op tegenspraak veroordeeld, waarna namens de verdachte op 28 mei 2009 hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis.

(v) Bij faxbericht van 23 augustus 2010, gericht aan de strafgriffie van de rechtbank, heeft mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, medegedeeld dat hij in hoger beroep als raadsman van de verdachte zal optreden en de griffie verzocht hem het schaduwdossier te doen toekomen. Bij brief van 22 september 2010 heeft de griffier van het hof aan mr. Plasman medegedeeld dat op 26 oktober 2010 een regiezitting zal plaatsvinden.

(vi) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2010, is de verdachte aldaar niet verschenen maar is als gemachtigde raadsvrouwe van de verdachte wel aanwezig mr. F.E. van der Zee, advocaat te Amsterdam (een kantoorgenote van mr. Plasman). De raadsvrouwe heeft verzocht [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen te horen. Zij heeft ter onderbouwing van dit verzoek het volgende aangevoerd:

“Omdat ik deze zaak heb overgenomen is er vooraf geen appelschriftuur ingediend. Ik verzoek u de volgende personen als getuige te laten horen:

- [betrokkene 1]. Mijn cliënt stelt dat hij er vanuit ging dat hij allerlei persoonlijke medische en beveiligingskosten kosten mocht declareren. Ik zou [betrokkene 1] willen vragen hoe dit vertrouwen bij mijn cliënt zou kunnen zijn gewekt. Ik wil hem vragen naar zijn wetenschap over gemaakte afspraken en de wijze waarop afspraken binnen het bedrijf werden gemaakt. Ook wil ik hem vragen of er bereidheid van het bedrijf was om die onkosten te betalen en, zo ja, op welke manier er werd betaald. De beantwoording van deze vragen is cruciaal voor de beoordeling van de strafwaardigheid van het handelen van mijn cliënt. [betrokkene 1] heeft zich bij de rechter-commissaris op 5 maart 2008 op zijn zwijgrecht beroepen;

- [betrokkene 2]. Hij heeft aangegeven dat mijn cliënt kosten van zeer uiteenlopende aard in rekening mocht brengen. Ik zou hem in het algemeen willen vragen naar zijn wetenschap omtrent de declaratiecultuur bij het moederbedrijf;

- [betrokkene 3]. [betrokkene 3] is eerder door de rechter-commissaris gehoord. Ik wil [betrokkene 3] confronteren met de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als mijn verzoek deze getuigen te horen wordt toegewezen. Ik verzoek [betrokkene 3] door een gedelegeerd raadsheer-commissaris of ter terechtzitting te horen.

Ik merk op dat mijn verzoeken niet zien op de nevenactiviteiten in de verklaring die mijn cliënt bij zijn indiensttreding heeft getekend.”

(vii) Het hof heeft het verzoek om [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen op te roepen op die terechtzitting afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“[betrokkene 1] is bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord en [betrokkene 3] is bij de rechter-commissaris gehoord. De verdediging heeft toen de gelegenheid gehad hen te ondervragen. Uit hetgeen de raadsvrouw thans naar voren heeft gebracht, blijkt naar het oordeel van het hof niet van vragen die niet zijn, dan wel hadden kunnen worden gesteld, en ook overigens zijn de verzoeken onvoldoende onderbouwd. Derhalve is het opnieuw horen van deze getuigen niet noodzakelijk.

Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek om [betrokkene 2] als getuige te doen horen - kort weergegeven om een indruk te geven van de sfeer binnen het bedrijf - vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwing om het horen van deze getuige noodzakelijk te achten voor enig door het hof te nemen beslissing.”

(viii) Het hof heeft de op 21 augustus 2006 schriftelijk afgelegde verklaring van [betrokkene 1] als bewijsmiddel 10 voor het bewijs gebruikt.

6. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2010 gedane verzoek van de raadsvrouwe om [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen te horen is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. In aanmerking genomen dat de verdachte hoger beroep heeft ingesteld en voornoemde getuigen niet bij appelschriftuur zijn opgegeven, is de maatstaf voor de beoordeling van het verzoek ingevolge art. 418, derde lid, Sv2 of de noodzaak van het verzochte is gebleken.3

7. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 5 sub vii is weergegeven - bij de afwijzing van voornoemd verzoek geoordeeld dat het niet noodzakelijk is [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen te horen. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover klaagt het middel terecht niet.

8. [betrokkene 1] is naar aanleiding van het eerdere - op 5 november 2007 gedane - verzoek op 5 maart 2008 door de rechter-commissaris als getuige gehoord maar heeft zich toen op zijn verschoningsrecht beroepen. Vervolgens is [betrokkene 1] op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 november 2008 in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman nogmaals als getuige gehoord. De getuige heeft toen wel een verklaring afgelegd, terwijl de raadsman bij die gelegenheid een vraag aan hem heeft gesteld, die eveneens is beantwoord. Voorts is [betrokkene 3] naar aanleiding van het eerdere - op 21 november 2008 gedane – verzoek op 16 februari 2009 in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman door de rechter-commissaris als getuige gehoord. De getuige heeft toen een uitgebreide verklaring afgelegd, terwijl de raadsman bij die gelegenheid vragen aan hem heeft gesteld. Bovendien heeft de raadsvrouwe ter onderbouwing van het herhaalde verzoek om [betrokkene 1] te horen enkel aangevoerd dat zij hem wil vragen naar zijn wetenschap over gemaakte afspraken binnen het bedrijf en de bereidheid van het bedrijf om persoonlijke medische en beveiligingskosten te vergoeden. Ter onderbouwing van het herhaalde verzoek om [betrokkene 3] te horen heeft de raadsvrouwe slechts aangevoerd dat zij hem wil confronteren met de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], indien het verzoek om hen te horen wordt toegewezen. De raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van het (initiële) verzoek om [betrokkene 2] te horen enkel aangevoerd dat zij hem in het algemeen wil vragen naar zijn wetenschap omtrent de declaratiecultuur in het moederbedrijf. Daarnaast is dit verzoek kennelijk gedaan in het kader van het door de raadsman gevoerde “strafmaatverweer”, onder meer inhoudende dat door de bedrijfscultuur binnen [A] bij de verdachte de indruk was gewekt dat hij de desbetreffende facturen kon (doen) ophogen.4 Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft de verdediging op de terechtzittingen in hoger beroep immers geen bewijsverweer gevoerd, in aanmerking genomen dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2011 bij het opgeven van zijn bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank heeft verklaard dat hij de opgelegde straf te zwaar vindt en dat de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2011 erop heeft gewezen dat de verdachte de feiten heeft bekend en zijn rol daarin volledig heeft erkend. Het hof heeft voornoemd “strafmaatverweer” in de uitgebreide strafmotivering op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen, waarbij het hof de (in dat verweer naar voren gebrachte) slechte gezondheidstoestand van de verdachte in strafmatigende zin heeft meegewogen. Ten slotte heeft het hof enkel de op 21 augustus 2006 schriftelijk afgelegde verklaring van H. [betrokkene 1] voor het bewijs gebruikt, terwijl het hof de verklaringen van [betrokkene 3] niet voor het bewijs heeft gebezigd.

9. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat het (opnieuw) horen van deze getuigen niet noodzakelijk is, nu het verzoek onvoldoende is onderbouwd, [betrokkene 1] en [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris c.q. op de terechtzitting in eerste aanleg zijn gehoord, de verdediging toen de gelegenheid heeft gehad hen te ondervragen en niet is gebleken van vragen die toen niet zijn dan wel hadden kunnen worden gesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.5

10. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis betoogd dat het hof het getuigenverzoek had moeten beoordelen aan de hand van de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium en daaraan een invulling had moeten geven die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang. Daartoe voert de steller van het middel aan dat de verdachte zich na de uitspraak in eerste aanleg genoodzaakt zag zich van andere rechtsbijstand te voorzien, waardoor niet tijdig een appelschriftuur kon worden ingediend. Bovendien zou volgens de steller van het middel het belang van een efficiënte procesvoering in deze zaak door de latere indiening van de onderzoekswensen niet zijn geschaad, omdat deze wensen op een regiezitting zijn behandeld.

11. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.4.2 beschouwingen gewijd aan de uitleg van art. 414, tweede lid, Sv en art. 418, derde lid, Sv. In dit arrest is onder meer uiteengezet dat onder bepaalde omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk zal kunnen worden gevergd dat hij getuigen reeds bij de appelschriftuur opgeeft en dat daarvan in de regel sprake is, indien bij de uitspraak in eerste aanleg is volstaan met een verkort vonnis en de aanvulling niet tijdig binnen de voor het indienen van de appelschriftuur gestelde termijn voor de verdachte beschikbaar is. Ook kunnen zich gevallen voordoen waarin de - voorafgaand aan de uiterste datum voor de indiening van de appelschriftuur - (nog) niet van rechtsbijstand voorziene verdachte er redelijkerwijs geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de aan het niet opgeven van getuigen bij appelschriftuur verbonden consequenties. In dat verband komt betekenis toe aan de wijze waarop de verdachte door de justitiële autoriteiten is gewezen op zijn bevoegdheid tot indiening van de appelschriftuur en op de betekenis daarvan voor de beoordeling van de desbetreffende verzoeken. Voorts kunnen zich gevallen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur. In dergelijke gevallen brengt - tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in voornoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het "noodzakelijkheidscriterium" de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het “noodzakelijkheidscriterium” niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het "verdedigingsbelang" zou worden bereikt.

12. In de hiervoor onder 5 sub vii weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat zich geen omstandigheden hebben voorgedaan als hiervoor onder 11 bedoeld. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De raadsvrouwe van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2010 immers enkel zonder nadere onderbouwing medegedeeld dat geen appelschriftuur is ingediend, omdat zij de zaak heeft overgenomen. Voorts is noch aangevoerd noch anderszins aannemelijk geworden dat de verdachte niet op de hoogte zou zijn geweest van de aan het niet opgeven van getuigen bij appelschriftuur verbonden consequenties. Zo dit al anders zou zijn, doet zich hier niet de situatie voor dat de verdachte redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij niet op de hoogte zou zijn geweest van de aan het niet opgeven van getuigen bij appelschriftuur verbonden consequenties, aangezien de verdachte op de terechtzittingen in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman, twee verschillende advocaten namens de verdachte hoger beroep hebben ingesteld en de verdachte ook op de terechtzittingen in hoger beroep werd bijgestaan door een raadsman c.q. een raadsvrouwe. Bovendien heeft de verdediging op de terechtzittingen in hoger beroep niet aangevoerd dat het voor de verdachte zonder raadpleging van zijn nieuwe raadsman c.q. raadsvrouwe in hoger beroep niet mogelijk was te verzoeken [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen op te roepen. Ten slotte heeft de raadsman van de verdachte in zijn - aan de strafgriffie van de rechtbank gerichte - stelbrief van 23 augustus 2010 enkel verzocht om toezending van het schaduwdossier maar daarin niet aangegeven dat hij alsnog een getuigenverzoek wenste te doen, terwijl hij dit verzoek pas ruim twee maanden later, op de terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2010 voor het eerst heeft gedaan.6

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof een vrijheidsbenemende straf heeft opgelegd, terwijl de hoogte daarvan onbegrijpelijk is gemotiveerd. Volgens de steller van het middel heeft het hof de door hem toegepaste matiging van de op te leggen straf wegens overschrijding van de redelijke termijn ontoereikend gemotiveerd.

15. Het middel keert zich tegen het volgende onderdeel van de strafmotivering van het hof:

“Ten aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof als volgt. Op 22 maart 2006 vindt een doorzoeking plaats bij het bedrijf waar de verdachte directeur was. Deze datum kan worden aangemerkt als een handeling die vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte is verricht en waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie strafvervolging zal worden ingesteld (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358). Vanaf dat moment mocht de verdachte er redelijkerwijs rekening mee houden dat het openbaar ministerie hem, dan wel de B.V. waar hij directeur van was, zou willen vervolgen. Deze doorzoeking wordt door het hof aangemerkt als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft vervolgens op 15 november 2007, 24 november 2008, 25 november 2008, 27 november 2008, 20 april 2009, 21 april 2009 en 12 mei 2009 plaatsgevonden. Bij vonnis van 22 mei 2009 is de verdachte veroordeeld, tegen welk vonnis door de verdediging op 28 mei 2009 hoger beroep is ingesteld. Het dossier is op 3 september 2009 ter griffie van het hof ingekomen en heden, op 22 februari 2012, wijst het hof arrest.

Gelet op voormelde gang van zaken stelt het hof vast dat tussen de doorzoeking op 22 maart 2006 en de uitspraak in eerste aanleg op 22 mei 2009 een termijn van ongeveer 3 jaren en 2 maanden is verstreken en dat tussen het instellen van het hoger beroep op 28 mei 2009 en de uitspraak van heden op 22 februari 2012 een termijn van ongeveer 2 jaren en 9 maanden is verstreken, terwijl zich bij beide instanties geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die een langere termijn dan telkens twee jaren rechtvaardigen. Derhalve heeft de behandeling van deze zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoelt in artikel 6 EVRM.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden geboden. Gelet evenwel op de ouderdom van de feiten, de geconstateerde termijnoverschrijding en de slechte gezondheidstoestand van de verdachte, wordt de oplegging van deze onvoorwaardelijke gevangenisstraf gematigd. Bij deze matiging heeft het hof acht geslagen op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358. Nu, naar het oordeel van het hof, geen sprake is van een uitzonderlijk geval, wordt daarin geen aanleiding gezien af te wijken van de in de jurisprudentie genoemde matigingspercentages.”

16. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.7 Van onbegrijpelijkheid van dit oordeel zal niet snel sprake zijn.8

17. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof kan ten aanzien van het tijdsverloop het volgende worden afgeleid. In eerste aanleg is de redelijke termijn van twee jaren met een jaar en twee maanden overschreden, aangezien op 22 maart 2006 een doorzoeking heeft plaatsgevonden bij het bedrijf waar de verdachte directeur was en de rechtbank op 22 mei 2009 uitspraak heeft gedaan. Voorts is de uitspraaktermijn in hoger beroep met 8 maanden en 25 dagen overschreden. Namens de verdachte is immers op 28 mei 2009 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 22 februari 2012 arrest heeft gewezen. Het hof heeft in zijn strafmotivering overwogen dat de overschrijdingen van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep in combinatie met de ouderdom van de feiten en de slechte gezondheidstoestand van de verdachte aanleiding hebben gegeven de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het hof geboden achtte (een gevangenisstraf van 36 maanden) te matigen. Vervolgens heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden.

18. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat (onder meer) de overschrijdingen van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep hebben geleid tot een strafkorting van vier maanden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 16 is vooropgesteld, acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk. Voorts was het hof niet gehouden tot een nadere motivering, aangezien de raadsman van de verdachte - zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2011 - in hoger beroep enkel heeft opgemerkt dat de verdachte de feiten heeft bekend en zijn rol daarin volledig heeft erkend en een notitie betreffende het medicijngebruik en de medische klachten van de verdachte heeft overgelegd.9 Hieraan doet niet af dat het hof de strafkorting niet alleen heeft toegepast vanwege de overschrijdingen van de redelijke termijn maar ook gelet op de ouderdom van de feiten en de slechte gezondheidstoestand van de verdachte.

19. Anders dan de steller van het middel betoogt, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de Hoge Raad gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden (veertien maanden)10 in geval van toepassing van zijn eigen strafkortingsregels zoals uiteengezet in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 en 3.6.4 mogelijk een hogere strafkorting zou hebben toegepast, indien diezelfde overschrijding van de redelijke termijn zich in de cassatiefase zou hebben voorgedaan. De desbetreffende strafkortingsregels zien immers uitsluitend op overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, terwijl de Hoge Raad in rov. 3.22 en 3.23 van dat arrest ten aanzien van overschrijdingen van de redelijke termijn in feitelijke aanleg heeft vooropgesteld dat algemene regels omtrent de wijze waarop de straf dient te worden verminderd niet zijn te geven en dat het de feitenrechter voorts vrij staat te volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

20. Ten overvloede merk ik op dat - anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd - de omstandigheid dat de Hoge Raad in geval van een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden op grond van rov. 3.6.4 van voornoemd arrest “naar bevind van zaken” handelt, niet meebrengt dat de Hoge Raad in een dergelijk geval altijd een strafkorting van meer dan 10% toepast.

21. Het middel faalt.

22. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

23. De verdachte heeft op 24 februari 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 17 oktober 2013 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.

24. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Aan de verdachte is onder 7 primair ten laste gelegd dat:

“hij, in of omstreeks de periode van 22 juli 1999 tot en met 22 maart 2006, althans in of omstreeks de periode van 1 oktober 2001 tot en met 22 maart 2006, te Amsterdam en/of Vierhouten (Gemeente Nunspeet) en/of Ommen en/of elders in Nederland, en/of Nordhom en/of Winsen a/d Aller en/of elders in Duitsland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij, verdachte, (telkens) anders dan als ambtenaar, immers als (algemeen) directeur en/of (mede)bestuurder, in dienstbetrekking bij [B] B.V. en/of (vervolgens) bij [A] B.V. (het huidige [C] B.V.), werkzaam was, dan wel als lasthebber bij de hiervoor genoemde instelling(en) optrad, (telkens) naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn betrekking(en) en/of bij de uitvoering van zijn last(en) heeft gedaan of nagelaten dan wel zal/zou doen of nalaten,

(telkens) (een) gift(en), namelijk (een)geldbedrag(en), totaal circa Euro 2.936.255,00, in elk geval één of meer geldbedrag(en), en/of (een) belofte(n), namelijk de betaling van een of meer geldbedrag(en), heeft aangenomen

(- van [medeverdachte 2] en/of

- (een) medewerk(st)er(s) van [D] en/of

- (een) medewerk(st)er(s) van [E] en/of

- [betrokkene 4] en/of

- (een) medewerk(st)er(s) van [F] en/of

- (een) medewerk(st)er(s) van [G] en/of

- (een) (ander(n))

en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever(s) en/of lastgever(s).”

25. Daarvan is bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 22 juli 1999 tot en met 22 maart 2006 te Amsterdam en Vierhouten (Gemeente Nunspeet), terwijl hij, verdachte, telkens anders dan als ambtenaar, immers als directeur in dienstbetrekking bij [A] B.V. werkzaam was, telkens naar aanleiding van hetgeen verdachte in zijn betrekking heeft gedaan dan wel zou doen telkens een gift, namelijk geldbedragen heeft aangenomen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 4] en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.”

26. Het hiervoor genoemde feit is strafbaar gesteld in art. 328ter, eerste lid, Sr. Dit feit is als misdrijf aangemerkt en was ten tijde van het ten laste gelegde feit bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar.11

27. Het onderhavige misdrijf is volgens de tenlastelegging begaan in de periode van 22 juli 1999 tot en met 22 maart 2006. Op grond van art. 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sr in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren (in totaal twaalf jaren). Voor zover het onder 7 primair ten laste gelegde feit zou zijn begaan in de periode van 22 juli 1999 tot en met 10 juni 2002 is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen, in aanmerking genomen dat de Hoge Raad (vooralsnog) op 10 juni 2014 uitspraak zal doen in de onderhavige zaak.12

28. De Hoge Raad kan, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de officier van justitie alsnog voor zover het onder 7 primair ten laste gelegde feit zou zijn begaan in of omstreeks de periode van 22 juli 1999 tot en met 10 juni 2002 niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van hetgeen voor het overige ten laste van de verdachte is bewezen verklaard niet worden aangetast door voornoemde partiële niet-ontvankelijkverklaring. Het voorgaande behoeft derhalve niet te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging en terugwijzing van de zaak.13

29. Het derde middel slaagt. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Andere gronden dan de hiervoor onder 24 tot en met 28 vermelde grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 7 primair ten laste gelegde feit, voor zover dat zou zijn begaan in of omstreeks de periode van 22 juli 1999 tot en met 10 juni 2002, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank in dit opzicht is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van dat feit voor zover deze betrekking heeft op deze periode. Voorts strekt deze conclusie tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit een faxbericht van een senior parketsecretaris van 3 november 2008, gericht aan mr. W. de Vries, blijkt dat dit verhoor heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een verzoek van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] (mr. De Vries).

2 Ten aanzien van het verzoek om [betrokkene 1] en [betrokkene 3] als getuigen te horen kan de grondslag van de maatstaf (“het noodzakelijkheidscriterium”) tevens worden gezocht in art. 418, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. Deze getuigen zijn immers voorafgaande aan de terechtzittingen in eerste aanleg van 20 en 21 april 2009 door de rechter-commissaris (zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 3]) en op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 november 2008 ([betrokkene 1]) gehoord, terwijl de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden.

3 Vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.2.5 en 3.3.

4 Volgens de bestreden uitspraak houdt dit “strafmaatverweer” voorts in dat de verdachte zijn medeverdachten niet onder druk zou hebben gezet, dat hij in staat van faillissement is komen te verkeren, dat hij moet leven van een uitkering en in slechte gezondheid verkeert en dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

5 Vgl. zaken waarin het hof een verzoek heeft afgewezen met de enkele overweging dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, waarna de Hoge Raad die afwijzing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk heeft geacht: HR 6 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL4158, rov. 2 (afwijzing getuigenverzoek) en HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2971, rov. 4 (afwijzing vordering advocaat-generaal tot nader onderzoek).

6 Vgl. HR 23 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3900, NJ 2008/524, rov. 3.4 en HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3654, NJ 2008/514, rov. 3.5.

7 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.7 onder b.

8 Vgl. HR 9 april 2013, nr. 11/01810 (niet gepubliceerd, art. 81 RO), HR 8 maart 2011, nr. 10/00867 (niet gepubliceerd, art. 81 RO; middel 1), HR 1 juni 2010, nr. 08/04419 E (niet gepubliceerd, art. 81 RO; middel 1) en HR 16 maart 2004, nr. 00347/03 (niet gepubliceerd, art. 81 RO; middel 1).

9 Daarnaast vermeldt het arrest van het hof dat de raadsman met betrekking tot de strafmaat heeft aangevoerd dat door de bedrijfscultuur binnen [A] bij de verdachte de indruk was gewekt dat hij de betreffende facturen kon (doen) ophogen, dat de verdachte zijn medeverdachten niet onder druk zou hebben gezet, dat hij in staat van faillissement is komen te verkeren, dat hij moet leven van een uitkering en in slechte gezondheid verkeert en dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

10 Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesuggereerd, dient bij de berekening van de strafkorting te worden uitgegaan van de grootste overschrijding in feitelijke aanleg. Dat is in het onderhavige geval de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

11 Met ingang van 1 april 2010 is de strafbedreiging van deze bepaling verhoogd van één jaar naar twee jaren. Voor de bijbehorende verjaringstermijn heeft deze strafverhoging evenwel geen gevolgen.

12 Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1568.

13 Vgl. HR 24 januari 2012, nr. 10/01711 (niet gepubliceerd), rov. 2.5, HR 22 september 2009, nr. 08/00736 (niet gepubliceerd), rov. 3.3 en HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AW2535, rov. 4.4.