Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:699

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-05-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
13/03424
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1612, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn h.b. Verontschuldigbare termijnoverschrijding? De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5706. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsvrouwe een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van deze overweging. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03424

Zitting: 20 mei 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 17 juni 2013 door het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, niet ontvankelijk-verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank te Leeuwarden van 8 mei 2012, waarbij verzoeker is veroordeeld tot 12 weken gevangenisstraf wegens 1. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”; en 2. “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat er geen sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding (met betrekking tot het instellen van hoger beroep) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2013 heeft de raadsvrouw van verzoeker aldaar het volgende tot verdediging aangevoerd:

“De dagvaarding in eerste aanleg is in persoon aan mijn cliënt betekend. Hij is bij verstek veroordeeld, omdat hij iets te laat in de zittingzaal was. Hij is wel in de zittingzaal geweest en heeft daar de uitspraak gehoord. Vervolgens heeft hij verklaard hoger beroep te willen instellen. De politierechter heeft hem niet verteld hoe hij dat moest doen. Na een paar weken heeft hij contact opgenomen met zijn advocaat. Toen bleek dat hij nog geen hoger beroep had ingesteld en te laat was.

Deze termijnoverschrijding is verontschuldigbaar. Hij had in eerste aanleg geen bijstand van een advocaat. Zie ook HR 12 oktober 2010, LJN BL7694 en HR 22 februari 2011, LJN BO6742. De politierechter had mijn cliënt alsnog moeten wijzen op de mogelijkheid van hoger beroep. Het gaat om iemand zonder raadsman. Hij dacht dat hij hoger beroep had ingesteld.”

5. De op de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2013 door het Hof gehoorde getuige heeft onder meer het volgende verklaard:

“Ik ben op 8 mei 2012 met [verdachte] meegegaan naar de zitting van de politierechter. We waren te laat. Om 09.10 uur waren we daar en we hadden er om 09.00 uur moeten zijn. Onderweg hebben we niet gebeld naar de rechtbank dat we wat later kwamen. We hebben ons gemeld bij de balie en werden de zittingzaal binnengelaten. De zaal zat vol publiek. We hebben onze excuses gemaakt voor het te laat komen. Maar de politierechter had al uitspraak gedaan. We hebben alleen nog van de politierechter gehoord wat zijn uitspraak was geweest. [verdachte] heeft toen nog gezegd dat hij hoger beroep wilde instellen. De rechter heeft niet gezegd hoe dat dan moest. Ik heb nog geprobeerd om de rechter ertoe te bewegen de zaak over te doen in onze aanwezigheid, maar dat deed hij niet. Het was een gesprekje van twee minuten. We hebben daarna niet bij de balie gevraagd hoe er hoger beroep ingesteld moest worden.”

6. Hof heeft in het arrest ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding en heeft ter onderbouwing hiervan het volgende aangevoerd. Verdachte is 10 minuten na de uitspraak van het vonnis wel in de rechtszaal verschenen. De politierechter heeft hem toen de inhoud van het vonnis meegedeeld. Hierop heeft verdachte verklaard dat hij hoger beroep wilde instellen. De politierechter heeft hem vervolgens niet de werkwijze en de termijn van het instellen van hoger beroep meegedeeld.

Verdachte heeft vervolgens het schriftelijk aantekening mondeling vonnis afgewacht alvorens een advocaat te raadplegen. Pas in het contact met de raadsvrouw begreep verdachte dat hij te laat was met het instellen van het hoger beroep.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier blijkt dat de dagvaarding voor de politierechter op 10 februari 2012 in persoon aan verdachte is uitgereikt.

Op het moment dat verdachte in de zittingszaal van de politierechter verschijnt (te laat) is er al een einduitspraak in zijn zaak gedaan. De politierechter heeft verdachte nog te woord gestaan en hem het vonnis meegedeeld, terwijl de politierechter dit niet had hoeven te doen. Verdachte is naar eigen zeggen achter nog bij de balie van de rechtbank geweest, maar heeft niets gevraagd over het instellen van hoger beroep

In de door verdachte bij de dagvaarding ontvangen toelichting op de dagvaarding staat echter hoe en wanneer het hoger beroep ingesteld moet worden. Dat verdachte die informatie kennelijk niet tot zich heeft genomen is voor eigen rekening en risico van verdachte. Er is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.

Gelet op het voorgaande zal het hof verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.”

7. Volgens de steller van het middel brengt een redelijke wetsuitleg met zich dat uit het bepaalde van art. 364, eerste lid, Sv kan worden afgeleid dat de politierechter - ook in het geval de mededelingen over de mogelijkheid van hoger beroep aan de verdachte worden gedaan op een moment dat de uitspraak al is gedaan (en de verdachte bij die uitspraak niet aanwezig was, maar deze even later wel, zoals in het onderhavige geval, alsnog in de zittingszaal verschijnt) - de verdachte, die niet is voorzien van rechtsbijstand, op de hoogte stelt van de juiste aanwending van het rechtsmiddel wanneer hij reden heeft te veronderstellen dat daarover bij de verdachte misverstand bestaat, zoals (mogelijk) in geval de verdachte ter terechtzitting na de 'Rechtsmittelbelehrung' aankondigt in hoger beroep te gaan (waarbij wordt verwezen naar de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga vóór Hoge Raad 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694). Gelet daarop had het Hof bij de beoordeling van het verweer behoren te betrekken dat verzoeker in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die ten overstaan van de politierechter verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld.

8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde.1 Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg verzoeker tevoren bekend was. Dat brengt mee dat ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv de termijn voor het instellen van hoger beroep op 24 februari 2012 was verstreken. Het hoger beroep is dus, zoals het Hof terecht heeft overwogen, te laat ingesteld.

9. Het daaraan in beginsel te verbinden rechtsgevolg, te weten de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door of namens hem ingestelde hoger beroep, kan slechts dan daaraan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn.2 Deze omstandigheden kunnen worden onderverdeeld in twee hoofdcategorieën. De eerste categorie omvat de gevallen waarin een gerechtvaardigde verwachting bij de verdachte is gewekt. Zo bijvoorbeeld indien de verdachte mocht vertrouwen op de juistheid van aan hem binnen de openstaande termijn voor het instellen van hoger beroep verstrekte ambtelijke informatie.3 Bij de tweede categorie gaat het om de verdachte die ten tijde van de appeltermijn in een zodanige geestestoestand heeft verkeerd dat bij hem het beoordelend vermogen of en wanneer hij hoger beroep had behoren in te stellen, heeft ontbroken. Alsdan kan het verzuim niet aan hem worden toegerekend.4 Deze tweede categorie is in het onderhavige geval niet aan de orde.

10. Artikel 364, eerste lid, Sv luidt:

“Indien de verdachte bij het uitspreken van het vonnis tegenwoordig is, geeft de voorzitter hem mondeling kennis van het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat, en van de termijn, waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend.”

11. In de rechtspraktijk doet de politierechter veelal na de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting onmiddellijk uitspraak. Is, aldus art. 364, eerste lid, Sv in verbinding met art. 367 Sv, de verdachte bij het uitspreken van het vonnis aanwezig (cursivering, EH), dan dient de politierechter de verdachte te informeren over het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend. Doorgaans vraagt de politierechter op voet van art. 381 Sv in verbinding met art. 367 Sv daarbij of de verdachte al dan niet afstand doet van het aanwenden van het rechtsmiddel en wordt een dergelijke afstandsverklaring vermeld in het zittingsverbaal of op de aantekening mondeling vonnis. Niet echter stelt art. 264 Sv, noch enige andere wettelijke bepaling, de eis dat de strafrechter mededeling doet van de wijze waarop het rechtsmiddel dient te worden ingesteld.

12. De steller van het middel verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700. In die conclusie beschrijft de Advocaat-Generaal de wetsgeschiedenis ter zake.5 In verband met de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886, kwam de vraag op of niet in de wet in algemene zin moest worden bepaald dat direct na de uitspraak aan de verdachte aard en termijn van het openstaande rechtsmiddel moest worden medegedeeld door de rechter. Op dat moment was deze mededelingsplicht nog beperkt tot de gevallen waarin tegen de uitspraak cassatie mogelijk was. De meerderheid van de Commissie van Rapporteurs achtte een algemene mededelingsplicht beneden de waardigheid van de rechterlijke macht, kennelijk omdat daaruit de feilbaarheid van de rechter in zijn beoordelingsvermogen zou blijken.6 De toenmalige minister van Justitie wist echter voldoende steun te krijgen voor zijn opvatting dat het juist in het belang van de waardigheid van de rechterlijke macht was de verdachte op de hoogte te stellen van het voor hem beschikbare rechtsmiddel. Daarnaast is het algemene voorschrift als bedoeld in het huidige art. 364, eerste lid, Sv ook in het belang van de verdachte gegeven, opdat deze “niet door onwetendheid verzuimt een hem openstaand rechtsmiddel te rechter tijd aan te wenden”.7

13. Onder verwijzing naar deze wetsgeschiedenis en naar het Duitse strafrecht, komt de AG Vellinga tot het volgende standpunt:

“13.(…) art. 364 lid 1 Sv met het oog op de huidige maatstaven van een fair proces aldus te verstaan dat de rechter de verdachte niet alleen op de hoogte stelt van aard en termijn van het in te stellen rechtsmiddel maar ook van de wijze waarop het rechtsmiddel kan worden aangewend. In elk geval vloeit uit art. 364 lid 1 Sv de plicht voort dat hij de verdachte op de hoogte stelt van de juiste aanwending van het rechtsmiddel wanneer hij reden heeft te veronderstellen dat daarover bij de verdachte misverstand bestaat, zoals (mogelijk) in geval de verdachte ter terechtzitting na de Rechtsmittelbelehrung aankondigt in hoger beroep te gaan. Zou een dergelijke eis niet worden gesteld dan zou de "Rechtsmittelbelehrung" doel kunnen missen en het bepaalde in art. 364 lid 1 Sv niet tot zijn recht komen.

14. Maakt de rechter in laatstgenoemd geval de verdachte niet duidelijk hoe hij in hoger beroep of cassatie moet gaan en stelt hij daardoor te laat doch alsnog op juiste wijze het openstaande rechtsmiddel in, dan kan onder omstandigheden sprake zijn van een geval van verontschuldigbare termijnoverschrijding als bedoeld in HR 4 mei 2004, LJN AO5706 (…).”

14. In voormeld arrest van 22 februari 2005 oordeelde de Hoge Raad als volgt:

“De Hoge Raad stelt voorop dat indien duidelijk en gemotiveerd het verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, de rechter verplicht is bij verwerping daarvan die beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen. Door te overwegen als hiervoor onder 3.5 weergegeven heeft het Hof die motiveringsplicht verzaakt.

3.8. Dat behoeft op grond van het volgende evenwel niet tot cassatie te leiden. Het Hof had het verweer immers slechts kunnen verwerpen. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter heeft de verdachte aldaar meegedeeld dat hij in hoger beroep ging. Dat proces-verbaal houdt in dat die mededeling is gedaan voorafgaande aan het requisitoir. Reeds daarom kon de verdachte aan het gestelde uitblijven van een reactie van de Politierechter op die mededeling niet de gevolgtrekking verbinden dat daadwerkelijk hoger beroep was ingesteld. Daarom is de overschrijding van de wettelijke termijn bij de latere, daadwerkelijke aanwending van het rechtsmiddel niet verontschuldigbaar.”

15. In zijn arrest van HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585 (rov. 2.6) overwoog de Hoge Raad:

“Opmerking verdient nog het volgende. Bij de beoordeling van het onderhavige verweer had het Hof behoren te betrekken dat de verdachte in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan8 en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die, nadat hem op de voet van art. 381 Sv de gelegenheid is geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel, ten overstaan van de politierechter verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld.”

16. Dit arrest is geannoteerd door Y. Buruma. Met verwijzing naar de hiervoor geciteerde overweging van de Hoge Raad merkt hij op dat in art. 364, eerste lid, Sv niet een plicht van de rechter valt te lezen om in alle gevallen helderheid over de te volgen procedure te verschaffen op de wijze als door de AG Vellinga is bepleit. Verder schrijft hij:

“2. De te kort schietende motivering ten aanzien van het verweer over de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding kan alleen tot cassatie hebben geleid als de Hoge Raad meende dat in de gegeven omstandigheden verdachte in appel had moeten worden ontvangen of als dienaangaande nog een en ander had moeten worden uitgezocht.

Nu is de uitdrukkelijke verwijzing naar het feit dat verdachte niet beschikte over een raadsman met mogelijke verontschuldigbaarheid verenigbaar. Die overweging suggereert dat de verwerping van het verweer fout was omdat bij afwezigheid van een raadsman hogere eisen aan de zorg voor de rechtsbescherming door de rechter moeten worden gesteld. Het lijkt er met andere woorden op dat rechters in eerste aanleg een bijzondere zorgplicht hebben om misvattingen te voorkomen inzake de beroepsmogelijkheden bij veroordeelden die niet over een rechtsgeleerd raadsman beschikken. Het betekent voorts dat in geval van tardief beroep het Hof daadwerkelijk open moet staan voor een beroep op verontschuldigbare dwaling dienaangaande. Praktisch lijkt dit te impliceren dat een aantekening in het proces-verbaal van de zitting op zijn plaats kan zijn, inhoudende dat de politierechter de van een raadsman verstoken verdachte erop heeft gewezen dat de enkele mededeling van verdachte ter terechtzitting aan de rechter niet voldoende is voor het instellen van beroep.

De betekenis van de overweging van de Hoge Raad dat verdachte volgens de geldende wet niet had hoeven te worden ingelicht over de formaliteiten, is iets moeilijker te vatten. Die overweging suggereert immers dat het Hof kon overwegen dat het (vermoedelijk) zwijgen van de politierechter na de mededeling van verdachte aan de politierechter dat hij (verdachte) in hoger beroep zou gaan geen redelijke verwachting wekte. Dan is er dus geen sprake van een geval waarbij overschrijding van de beroepstermijn door de verdachte te wijten is aan de overheid.”

17. In vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2010 oordeelde het Hof ’s-Hertogenbosch 16 september 2011, NJFS 2012/18:

“De vraag waar het hof zich voor ziet gesteld is echter of die termijn verontschuldigbaar is overschreden.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 oktober 2010 bij rechtsoverweging 2.6 overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is behoort te worden betrokken dat verdachte in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die, nadat hem op de voet van art. 381 van het Wetboek van Strafvordering de gelegenheid is geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel, ten overstaan van de politierechter verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld.

Omdat het hof geen aanleiding heeft gevonden om dat in twijfel te trekken, is het van oordeel dat voor vaststaand moet worden aangenomen dat verdachte, op de vraag van de politierechter of hij afstand wilde doen van zijn recht op het instellen van een rechtsmiddel, heeft geantwoord dat hij in hoger beroep ging en dat de politierechter verdachte hierop niet heeft geïnformeerd over de juiste wijze van het aanwenden daarvan. Voorts neemt het hof voor vaststaand aan dat verdachte door zijn onmiddellijk antwoord dat hij in hoger beroep ging en het uitblijven van een reactie van de politierechter in de veronderstelling was dat het instellen van hoger beroep daarmee een feit was. Juist omdat het voor hem wel mogelijk bleek te zijn om mondeling ter terechtzitting rechtsgeldig afstand te doen van het recht om in hoger beroep te gaan, zoals in zijn bijzijn ook door de aanwezige medeverdachten werd gedaan.

Hoewel de wijze waarop hoger beroep dient te worden ingesteld staat vermeld op de aan verdachte uitgereikte inleidende dagvaarding, is het hof van oordeel dat in de gegeven omstandigheden waaronder verdachte in eerste aanleg terechtstond sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding, mede gelet op de omstandigheid dat hij niet werd bijgestaan door een raadsman en niet is gebleken dat verdachte relevante ervaring had met het strafrechtssysteem. Verdachte is daarom ontvankelijk is in zijn hoger beroep.”

18. Ik keer terug naar het cassatiemiddel. In de onderhavige zaak staat vast dat verzoeker niet aanwezig was bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting en het uitspreken van het vonnis.

19. Daaruit volgt mijns inziens reeds dat de stelling in het middel dat het Hof in zijn beoordeling van het verweer had dienen te betrekken dat verzoeker in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan, niet houdbaar is.

20. Dan het beroep van de steller van het middel op een redelijke wetsuitleg die met zich zou brengen dat uit het bepaalde in art. 364, eerste lid, Sv kan worden afgeleid dat de politierechter - ook in het geval de mededelingen over de mogelijkheid van hoger beroep aan de verdachte worden gedaan op een moment dat de uitspraak al is gedaan (en de verdachte bij die uitspraak niet aanwezig was, maar deze even later wel alsnog in de zittingszaal verschijnt) - de verdachte, die niet is voorzien van rechtsbijstand, op de hoogte stelt van de juiste aanwending van het rechtsmiddel wanneer hij reden heeft te veronderstellen dat daarover bij de verdachte misverstand bestaat, zoals (mogelijk) in geval de verdachte ter terechtzitting aankondigt in hoger beroep te gaan.

21. Op grond van het voorgaande kan ik de steller van het middel daarin niet volgen. Als het immers naar het oordeel van de Hoge Raad al zo is dat ingeval de verdachte bij het uitspreken van het vonnis aanwezig is de wet er niet in voorziet dat de verdachte wordt ingelicht omtrent de desbetreffende formaliteiten, dan toch zeker niet indien, zoals in het onderhavige geval, de verdachte daarbij niet tegenwoordig is en pas enige tijd na de formele uitspraak de zittingszaal betreedt. Ik begrijp uit de desbetreffende stukken van het geding dat de politierechter zo netjes was om verzoeker nog eens informeel te vertellen hoe zijn uitspraak luidde. Deze kennisgeving is echter niet te verstaan als een mededeling in de zin van art. 364, eerste lid, Sv en staat los van de vraag of de verdachte wel of niet bij het uitspreken van het vonnis op de formaliteiten bij het mogelijk door hem in te stellen rechtsmiddel moet worden gewezen. Er is immers geen strafvorderlijke verknooptheid meer met de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting en de direct daaropvolgende mededelingsplicht als bedoeld in art. 364, eerste lid, Sv. Dat betekent dat verzoeker aan het stilzwijgen van de politierechter op zijn mededeling dat hij hoger beroep wilde instellen, niet een redelijke verwachting kon ontlenen dat daarmee het instellen van het hoger beroep een feit was, en dat de overschrijding van de beroepstermijn aan hemzelf en niet aan de overheid is te wijten. Van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is naar mijn inzicht geen sprake. Ik meen dan ook dat het bestreden oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en evenmin onbegrijpelijk is.

22. Het middel faalt.

23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500.

2 HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181.

3 Vgl. HR 20 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9906, NJ 1995/253; HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462.

4 HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696 m.nt. De Hullu en HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429, NJ 2011/136.

5 Zie daarover uitgebreid: J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Gouda Quint bv, Arnhem 1989, p. 334-336.

6 Zie: H.J. Smidt en E.A. Smidt, Wetboek van Strafvordering met de geschiedenis der wijzigingen, Tjeenk Willink, Haarlem 1886, p. 633.

7 A.J. Blok en L.CH. Besier, Het Nederlandsch strafprocesrecht, II, Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1925, p. 217.

8 Daaraan doet niet af de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid "dat op de achterzijde van de inleidende dagvaarding aan de verdachte reeds op voorhand bekend was gemaakt op welke wijze en op welke locatie hij hoger beroep kon instellen". Zie HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6742, welk arrest ook door de steller van het middel wordt aangehaald.