Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:694

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-05-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
13/03213
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1616, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 197 (oud) Sr en terugkeerrichtlijn. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BY3151. Verdachte is wegens handelen in strijd met art. 197 (oud) Sr veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03213

Zitting: 20 mei 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij verstekarrest van 5 juli 2011 door het Gerechtshof te Leeuwarden in de zaak met parketnummer 19-621434-08 en in de zaak met parketnummer 19-620055-09 wegens telkens “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

2. Namens verzoeker heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte het arrest niet heeft uitgesproken op een openbare zitting.

4. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat zich bij de processtukken niet een proces-verbaal bevindt waaruit blijkt dat het arrest op een openbare zitting is uitgesproken. Dus moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd, aangezien het proces-verbaal van de zitting de enige kenbron is van hetgeen daar is voorgevallen, aldus de steller van het middel.

5. Verzoekers raadsman heeft overeenkomstig art. IV, derde lid, Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad tijdig een verzoek ingediend om hem een afschrift van het proces-verbaal van de uitspraak te doen toekomen. Uit door de griffie van de Hoge Raad telefonisch bij het Hof ingewonnen inlichtingen blijkt dat het betreffende proces-verbaal niet is uitgewerkt.

6. Ik kan de steller van het middel niet volgen in zijn stelling dat bij het ontbreken van het proces-verbaal van de uitspraak het ervoor moet worden gehouden dat het arrest niet op een openbare zitting is uitgesproken. Het arrest zelf houdt immers in dat het “op 5 juli 2011 ter openbare terechtzitting [is] uitgesproken”.1 Ik merk voorts op dat ook indien de bestreden uitspraak dat niet had ingehouden, het middel niet tot cassatie had kunnen leiden. De Hoge Raad had dan immers kunnen doen wat het Hof had behoren te doen en zelf het arrest ter openbare terechtzitting kunnen uitspreken.2

7. Het middel faalt.

8. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing onbegrijpelijk zijn.

9. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.3

10. In het middel lopen verschillende klachten door elkaar heen en geen van de klachten wordt onderbouwd. De als tweede middel gepresenteerde klachten voldoen dus niet aan het hiervoor genoemde vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.

11. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte zich er in zijn strafmotivering niet van heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen zoals neergelegd in de terugkeerrichtlijn (2008/115/EG), waardoor de strafbeslissing onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

12. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de strafoplegging het volgende in:

“Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof is niet gebleken van nieuwe omstandigheden anders dan die ten tijde van de beoordeling van de feiten door de politierechter bekend waren en ziet daarom geen reden om af te wijken van de door de politierechter conform de landelijke oriëntatiepunten opgelegde en thans door de advocaat-generaal geëiste straf.”

13. Het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Assen van 7 september 2009 houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“Beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte, eventueel met de gronden daarvoor.

Het bewezene is strafbaar.

Verdachte is deswege strafbaar, zijnde niet gebleken van feiten of omstandigheden welke zijn strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

De politierechter verwerpt het beroep op overmacht dat door de raadsman is gegrond op de stelling dat verdachte niet terug kan keren naar het land van herkomst. Hoewel in het dossier stukken ontbreken om te beoordelen of de stelling van de raadsman doel kan treffen, komt een dergelijke beoordeling bovendien niet aan de strafrechter toe. Gelet hierop komt de verdachte een beroep op overmacht in deze strafzaak niet toe.

Opgelegde straf of maatregel. Opgave van de bijzondere redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.

Gevangenisstraf voor de duur van TWEE MAANDEN welke strafoplegging in overeenstemming is met de ernst van de misdrijven, mede gelet op de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter is op grond van genoemde feiten en omstandigheden, alsmede op grond van het verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 19 januari 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake misdrijven is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf, van oordeel, dat in dit geval niet kan worden volstaan met een andere straf dan gevangenisstraf van voormelde duur.”

14. Het Hof heeft verzoeker wegens handelen in strijd met art. 197 (oud) Sr veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit het bestreden arrest blijkt echter niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen.4

15. Het middel is terecht voorgesteld.

16. Dit brengt mee dat het derde middel, dat eveneens over de strafoplegging klaagt, geen bespreking meer behoeft.

17. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede middel is geen middel van cassatie in de zin der wet. Het derde middel kan buiten bespreking blijven en het vierde middel is terecht voorgesteld.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 178.

2 Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799, NJ 2010/610 m.nt. Buruma; HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0754.

3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 187.

4 HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3151; HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3791; HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:705; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:195; HR 15 april 2014:ECLI:NL:HR:2014:918.