Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:691

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-05-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
13/00900
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1607, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn h.b. wegens termijnoverschrijding. De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5706. Het oordeel van het Hof moet aldus worden verstaan dat verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerste om te begrijpen dat hij werd gedagvaard om te verschijnen ttz. van de Pr. Dat oordeel is, gelet op hetgeen het Hof daaraan ten grondslag heeft gelegd, niet onbegrijpelijk. Het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat verdachte, nu de dagvaarding aan hem in persoon was uitgereikt, binnen veertien dagen na het vonnis het h.b. had moeten instellen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens kan het middel niet tot cassatie leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00900

Zitting: 20 mei 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 24 januari 2013 door het Gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2. Namens verzoeker heeft mr. C. Waling, advocaat te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof verzoeker ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

4. Uit de stukken van het geding blijkt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende. De inleidende dagvaarding, inhoudende om op 10 mei 2012 (09.00 uur) ter terechtzitting van de politierechter te verschijnen, is op 18 april 2012 aan verzoeker in persoon betekend. Bij deze dagvaarding is klaarblijkelijk ten behoeve van verzoeker niet een vertaling gevoegd, noch is daarop aangetekend dat zo een vertaling aan verzoeker is overhandigd. Op 10 mei 2012 is verzoeker door de politierechter tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld voor – kort gezegd – als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren en het tevoorschijn brengen van een administratie ingevolge de daarvoor geldende artikelen van Boek 2 en Boek 3 van het BW (art. 343 aanhef en onder 4º Sr). Op 5 juni 2012 heeft verzoeker tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

5. Het Hof heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De bestreden uitspraak houdt daaromtrent het volgende in:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De dagvaarding van de verdachte om op 10 mei 2012 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 18 april 2012. De verdachte heeft op 5 juni 2012 hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu hij niet binnen veertien dagen na het op 10 mei 2012 gewezen vonnis in hoger beroep is gekomen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat er sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de appeltermijn, nu - kort en zakelijk weergegeven - de in Nederland wonende verdachte, die de Nederlandse taal niet spreekt, geen vertaling van de inleidende dagvaarding heeft ontvangen en derhalve in zijn recht op een eerlijk proces, in het bijzonder het recht om onverwijld in een taal die hij begrijpt geïnformeerd te worden over de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging (artikel 6 lid 3 EVRM), is geschonden. De verdachte dient derhalve te worden ontvangen in het hoger beroep.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Een verdachte heeft op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht om onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Dat recht omvat ook het ontvangen van informatie met betrekking tot de datum, de instantie en het tijdstip van de terechtzitting waarop de verdachte zal worden berecht.

Naar het oordeel van het hof is ter terechtzitting in hoger beroep echter niet aannemelijk geworden dat de verdachte - die blijkens het onderzoek ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding al ruim 5 jaar, vanaf eind 2006 volgens opgave van de verdachte tijdens de terechtzitting in hoger beroep, in Nederland woonde, en in Nederland sinds een aantal jaren een bedrijf had - niet voldoende Nederlands kende om te begrijpen tegen welk tijdstip en voor welke instantie hij werd gedagvaard. Bovendien had hij zich in ieder geval op eenvoudige wijze en onverwijld kunnen laten uitleggen wat er stond vermeld in het stuk dat hij zelf voor ontvangst had getekend. Immers had de verdachte zich door zijn Nederlands sprekende echtgenote, die de verdachte blijkens zijn eigen mededeling ter terechtzitting in hoger beroep ook de inhoud van de brief van het Centraal Justitieel Incassobureau met betrekking tot de in eerste aanleg opgelegde straf had medegedeeld, kunnen laten inlichten. Derhalve heeft de verdachte het aan zichzelf te wijten dat hij niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld (vgl. HR 3 mei 1983, LJN: AB8400, NJ 1983, 591).

Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden verdachte geen beroep op voornoemde verdragsbepaling toekomt. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer.

De termijn van hoger beroep is op 10 mei 2012 ingegaan. De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 10 mei 2012 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. Nu de verdachte echter - als overwogen onverontschuldigbaar - eerst op 5 juni 2012 hoger beroep heeft ingesteld, dient hij daarin, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet-ontvankelijk te worden verklaard.”

6. In het middel wordt – kort gezegd - betoogd dat het Hof verzoeker op grond van Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 en/of de implementatie daarvan in de Nederlandse wetgeving ontvankelijk had moeten achten in het hoger beroep.

7. Deze Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 20101 (verder: de Richtlijn) betreft het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, en is op 15 november 2010 in werking getreden.2 Artikel 3 van deze Richtlijn handelt over het recht op vertaling van essentiële processtukken en luidt voor zover hier van belang:

“1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.

2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.”

7. Voorts houdt overweging 30 van de preambule bij de Richtlijn in:

“Het garanderen van een eerlijk verloop van de procedure vereist dat essentiële processtukken, of ten minste de relevante onderdelen daaruit, ten behoeve van de verdachte of beklaagde vertaald worden overeenkomstig deze richtlijn. Bepaalde stukken moeten in dit opzicht altijd worden beschouwd als essentiële processtukken en moeten bijgevolg worden vertaald, zoals beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen. Het behoort de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toe om uit eigen beweging of op verzoek van de verdachte of beklaagde of van diens raadsman te besluiten welke andere processtukken essentieel zijn om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen en bijgevolg eveneens moeten worden vertaald.”

8. Ingevolge art. 9 van de Richtlijn liep de termijn van implementatie in de nationale wetgeving tot 27 oktober 2013. Aan de opdracht tot tijdige implementatie van de Richtlijn heeft Nederland voldaan met de invoering op 1 oktober 2013 van de Wet van 28 februari 2013 (Stb. 2013, 85).3 Deze implementatiewet heeft een nieuw vijfde lid aan art. 260 Sv toegevoegd, luidend:

“Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding verstrekt dan wel wordt hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid.”

9. Voor zover de steller van het middel bedoelt te betogen dat deze nieuwe bepaling al in de onderhavige zaak had dienen te worden toegepast, kan ik haar daarin niet volgen en wel op grond van het volgende. Ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest op 24 januari 2013 was de Richtlijn nog niet in de Nederlandse wet geïmplementeerd. Het vijfde lid van art. 260 Sv was toen dus nog niet in werking getreden. In de implementatiewet is niet voorzien in overgangsrecht, zodat hier het uitgangspunt van art. 4 van de Wet Algemene Bepalingen heeft te gelden: “De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht”. Daaruit volgt dat het nieuwe vijfde lid van art. 260 Sv niet met terugwerkende kracht van toepassing is op gerechtelijke stukken als de dagvaarding, voor zover deze zijn uitgebracht vóór de inwerkingtreding van die bepaling op 1 oktober 2013, hetgeen in deze zaak het geval is.4 Dit één en ander betekent voor het strafprocesrecht dat proceshandelingen worden beheerst door het op dat moment geldende recht, nu zoals hierna zal blijken tot de vastgestelde implementatiedatum geen rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen aan de inhoud van de Richtlijn konden worden ontleend.5

10. Daarmee kom ik meteen toe aan bespreking van de tweede rechtsvraag die in het middel wordt opgeworpen, te weten of al vóór de inwerkingtreding van het vijfde lid van art. 260 Sv de toen bestaande en te dezen relevante nationale bepalingen Richtlijnconform hadden dienen te worden uitgelegd en toegepast. Daarover het volgende.

11. De inleidende dagvaarding is uitgebracht na de datum van publicatie van de Richtlijn en vóór het verstrijken van de implementatietermijn. Voorts is de Richtlijn tijdig door Nederland in de nationale wetgeving geïmplementeerd.

12. De implementatietermijn is naar Europees recht bedoeld om de Lidstaten voldoende ruimte te geven voor het inzetten van een zorgvuldig omzettingstraject op legislatief niveau. Daarmee aanvaardt de Europese regelgever dat zich de situatie kan voordoen dat de wetgeving van een lidstaat tot aan de vastgestelde einddatum nog niet voldoet aan de door de Richtlijn gestelde eisen.6 Behalve dat de lidstaat zich in het wetgevingsproces gebonden weet aan die einddatum, is hij lopende de implementatietermijn niet al gehouden materieel naar de in de Richtlijn voorgeschreven bepalingen te handelen. Rechtstreeks werkende rechten of verplichtingen kunnen immers tot de einddatum aan de inhoud van die Richtlijn niet worden ontleend.

13. Overigens neemt het voorgaande niet weg dat de lidstaat geacht wordt zich gedurende de omzettingstermijn te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door de Richtlijn voorgeschreven resultaat na het verstrijken van de omzettingstermijn ernstig in gevaar zouden (kunnen) brengen. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dit het geval is. Daarbij zal in het bijzonder behoren te worden meegewogen of de betreffende bepalingen een volledige omzetting van de Richtlijn beogen en welke de concrete gevolgen zijn van de toepassing van met de Richtlijn strijdige bepalingen en hun geldigheidsduur.7 Deze kwestie is in de onderhavige zaak echter niet aan de orde en dus was ook geen Richtlijnconforme interpretatie om die reden geboden, nu uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met invoering van art. 260, vijfde lid, Sv volledige omzetting van de relevante onderdelen van art. 3 van Richtlijn 2010/64/EU is beoogd en de correctheid van deze omzetting door de steller van het middel (terecht) niet wordt betwist.

14. Tot zover missen de klachten het beoogde doel.

15. Met het voorgaande is het middel echter nog niet volledig besproken. Onbeantwoord is nog de daarin besloten liggende vraag of de bestreden uitspraak in overeenstemming is met art. 6 EVRM en de, vóór de invoering van het vijfde lid van art. 260 Sv geldende, rechtspraak van de Hoge Raad ter zake van het ontbreken van een vertaling van de inleidende dagvaarding en de verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het aanwenden van een rechtsmiddel.

16. Zoals ook volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de hiervoor genoemde implementatiewet voldeed de Nederlandse praktijk en regelgeving vóór de invoering van deze wet niet aan de Richtlijn wat betreft het recht op vertaling van bepaalde essentiële processtukken. In de Nota naar aanleiding van het Verslag wordt daarover opgemerkt dat de dagvaarding in sommige gevallen werd vertaald, maar dat dit niet stelselmatig geschiedde. Tot de inwerkingtreding van de implementatiewet bevatte het Wetboek van Strafvordering, met uitzondering van art. 588, tweede lid, Sv geen bepalingen over de vertaling van processtukken.8 Met betrekking tot het recht zoals dat gold ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak, wijs ik op art. 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM. Deze bepaling luidt:

“3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;”

17. De bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad houdt in dit verband het volgende in. Vooropgesteld dient te worden dat het enkele ontbreken van een vertaling van de inleidende dagvaarding in een taal die de verdachte begrijpt, niet de nietigheid van die dagvaarding meebrengt. Wel behoort de rechter, indien hij van oordeel is dat de verdachte door die omstandigheid in zijn verdediging is geschaad, het onderzoek ter terechtzitting te schorsen opdat de verdachte alsnog op de hoogte kan worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.9 De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.10

18. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van de financiële recherche unit Haaglanden betreffende de onderhavige faillissementsfraude, waarin wordt vermeld dat verzoeker op 14 juni 2011 is gehoord. Dit proces-verbaal van verhoor van 14 juni 2011 is als bijlage bijgevoegd en houdt in dat bij het verhoor gebruik is gemaakt van de diensten van een tolk in de Turkse taal. Bij aanvang van dit verhoor is verzoeker medegedeeld waarvan hij wordt verdacht. Verzoeker is dus reeds op 14 juni 2011 op de hoogte geraakt van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.

19. De Politierechter heeft kennelijk geoordeeld dat verzoeker door het ontbreken van een vertaling van de inleidende dagvaarding in de Turkse taal niet in zijn verdediging is geschaad, nu hij daarin geen aanleiding heeft gezien het onderzoek ter terechtzitting te schorsen (teneinde verzoeker alsnog een vertaalde dagvaarding te doen uitreiken). In de overwegingen van het Hof ligt besloten dat het dat oordeel van de Politierechter heeft onderschreven. Meer in het bijzonder is het Hof ingegaan op de stelling van de verdediging dat sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.

20. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2012 en 10 januari 2013 houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“Voorts legt de verdachte op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Ik heb de dagvaarding in eerste aanleg ontvangen. Ik heb ook zelf voor ontvangst getekend. Maar ik wist niet wat het was. Om die reden heb ik het ook niet laten vertalen. Ik was druk met allerlei formaliteiten en daar moest ik dan wel eens vaker papieren voor ondertekenen. Ik heb het verder niet onderzocht. Ik woon vanaf eind 2006 in Nederland.

Op de vraag van de oudste raadsheer of de verdachte de brief van het CJIB, waarin de verdachte de straf werd medegedeeld, wel had begrepen, verklaart de verdachte als volgt.

De brief van het CJIB begreep ik wel. Dat stond er duidelijk in. Met hulp van mijn echtgenote werd mij de inhoud van die brief duidelijk.”

21. Daarnaast houdt het proces-verbaal van de op 20 december 2012 en 10 januari 2013 gehouden terechtzitting van het Hof in, dat het onderzoek heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van een tolk in de Turkse taal en dat al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen door deze tolk is vertaald.

22. Het Hof is op grond van de door hem genoemde omstandigheden tot het oordeel gekomen dat de overschrijding van de termijn niet verontschuldigbaar is, nu het aan verzoeker zelf te wijten is dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Dit oordeel getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting en komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daarbij neem ik – naast ’s Hofs overwegingen – het volgende in aanmerking. Verzoeker was al op 14 juni 2011 door een tolk in de Turkse taal op de hoogte gebracht van de tegen hem bestaande verdenking. En toen hem op 18 april 2012 in persoon de inleidende dagvaarding werd uitgereikt, heeft verzoeker er blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep bewust voor gekozen zich niet van de inhoud van dat stuk op de hoogte te stellen of om nadere informatie te vragen (terwijl het voor hem een kleine moeite zou zijn geweest om even zijn Nederlands sprekende echtgenote te consulteren).

23. Ik meen dat het middel in al zijn onderdelen faalt.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 PbEU 2010, L 280/1.

2 Ingevolge art. 11 van de Richtlijn treedt deze in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (datum bekendmaking: 26 oktober 2010).

3 Besluit van 21 juni 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 28 februari 2013 tot implementatie van Richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280) (Stb. 2013, 85), Stb. 2013, 268.

4 Vgl. HR 2 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0880, NJ 1998/305. Zie over de onmiddellijke werking van nieuw procesrecht ook mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaan aan het zogenoemde ‘80a-arrest’ van de Hoge Raad: ECLI:NL:PHR:2012:BX0146, onder 5.2.

5 Vgl. HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:770 (rov. 2.5.2.). Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende door M.J. Borgers bewerkte druk, Deventer: Kluwer 2011, p. 32.

6 Vgl. HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:770 (rov. 2.5.2.).

7 HvJ EG 18 december 1997, nr. C-129/96 (geding tussen Inter-Environnement Wallonie ASBL en Waals gewest), rov. 42-50. Zie ook: A. Klip, European Criminal Law. An Integrative Approach, Antwerpen: Intersentia 2012, p. 296-301; K. Lenaerts & P. van Nuffel, Europees recht, Antwerpen: Intersentia 2011, p. 596-597 en H. van Meerten, Iets over richtlijnconforme interpretatie, Tijdschrift voor financieel recht, nr. 10-oktober 2009, p. 377-379.

8 Kamerstukken II 2012/13, 33 355, nr. 7, p. 5.

9 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken (rov. 3.20 onder d); HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1156, NJ 2006/275; HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3289, NJ 2007/68.

10 HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557.