Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:680

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-06-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
14/02585
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2905, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, art. 350 Fw. Schending sollicitatieplicht. Boedelachterstand. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/02585

Mr. Van Peursem

Zitting 27 juni 2014

Conclusie inzake:

1. [verzoekster 1]

2. [verzoeker 2]

verzoekers tot cassatie,

(hierna gezamenlijk: [verzoekers] en afzonderlijk: [verzoekster 1] en [verzoeker 2])

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Bij arresten van hof Amsterdam van 19 februari 2010 en 27 december 2011 zijn [verzoekster 1] en [verzoeker 2] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling2. Bij vonnis van rechtbank Amsterdam van 5 december 2012 is de reguliere einddatum van de schuldsaneringsregeling van [verzoekster 1] gelijkgetrokken met die van [verzoeker 2] en gesteld op 27 december 20143.

1.2 De rechter-commissaris heeft de schuldsaneringsregeling van [verzoekers] voor beëindiging voorgedragen. Bij vonnis van 26 februari 2014 heeft de rechtbank Amsterdam de schuldsaneringsregeling beëindigd. Volgens de rechtbank hebben [verzoekers] niet voldaan aan hun informatieverplichting, inspanningsverplichting en afdrachtverplichting en hebben zij ondanks herhaald aan hen geboden nieuwe kansen en een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [verzoekster 1] hun gedrag niet ten goede gekeerd4.

1.3 [verzoekers] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij hof Amsterdam. Na de mondelinge behandeling op 29 april 2014 heeft het hof bij arrest van 8 mei 2014 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.4 [verzoekers] zijn van dit arrest tijdig5 in cassatie gekomen.

2 Bespreking van het cassatieberoep

2.1

[verzoekers] hebben één cassatiemiddel voorgesteld. Dat middel valt, na het citeren van rov. 1-2.10 van het bestreden arrest (onder het kopje: “FEITEN, Zoals blijkende uit het arrest waarvan cassatie:”) uiteen in twee onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 2.5-2.10 van het bestreden arrest:

“2.5 Het hof oordeelt als volgt. [verzoekers] voldoen sinds de aanvang van de schuldsaneringsregeling (respectievelijk 19 februari 2010 voor [verzoekster 1] en 27 december 2011 voor [verzoeker 2]) niet, althans in onvoldoende mate, aan de voor hen daaruit voortvloeiende verplichtingen. In dat verband is de schuldsaneringsregeling reeds herhaald door de rechter-commissaris voorgedragen voor tussentijdse beëindiging. Bij vonnissen van 19 februari 2010 en 5 december 2012 zijn deze voordrachten afgewezen. Bij vonnis van 5 december 2012 heeft de rechtbank Amsterdam onder meer geoordeeld dat door [verzoekers] niet werd voldaan aan de inspanningsverplichting en de afdrachtverplichting, maar heeft zij op dringend verzoek van [verzoekers] de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster 1] verlengd tot 27 december 2014 en [verzoekers] een allerlaatste kans geboden om aan hun verplichtingen te voldoen. Daarbij zijn met [verzoekers] afspraken gemaakt over het inlopen van de boedelachterstand en de nieuw ontstane schulden. De rechtbank heeft daarbij uitdrukkelijk in overweging gegeven dat alleen wanneer [verzoekers] zich aan deze afspraken houden en ook overigens aan hun verplichtingen voldoen aan het einde van de looptijd aan hen de schone lei kan worden verleend.

2.6

Thans is gebleken dat [verzoekers] hun verplichtingen nog steeds onvoldoende nakomen. De bewindvoerder wordt in volstrekt onvoldoende mate voorzien van voor de regeling relevante informatie, daaronder begrepen bewijsstukken van door [verzoekers] verrichte sollicitaties, terwijl [verzoekers] - na daarop herhaald te zijn gewezen - weten of behoren te begrijpen dat overlegging van deze stukken van belang is voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Niet is gebleken dat [verzoeker 2] na 1 april 2013 naar fulltime betaalde arbeid heeft gesolliciteerd. Van [verzoekster 1] - voor wie vanaf 29 april 2013 opnieuw de sollicitatieverplichting geldt - zijn geen, althans onvoldoende, controleerbare bewijzen van sollicitaties ontvangen, nu deze door de bewindvoerder voor het merendeel niet te verifiëren zijn door het ontbreken van namen en telefoonnummers van de contactpersonen en het ontbreken van vacatures en sollicitatiebrieven. Het gegeven dat [verzoeker 2] inmiddels een betaalde dienstbetrekking heeft gevonden en [verzoekster 1] - naar zij ter zitting heeft gesteld - thans vier controleerbare sollicitaties aan de bewindvoerder over kan leggen, kan hen thans niet meer baten, nu bewijsstukken van sollicitaties gedurende een jaar ontbreken dan wel onvoldoende verifieerbaar zijn en daarmee niet kan worden vastgesteld of [verzoekers] zich al dan niet gedurende die periode beschikbaar hebben gesteld voor de arbeidsmarkt.

2.7

[verzoekers] hebben daarnaast een aanzienlijke achterstand in de boedelafdracht laten ontstaan. Deze bedraagt volgens opgave van de bewindvoerder thans € 4.974,83. Hoewel het hof begrip heeft voor de situatie waarin [verzoekers] verkeerden op het moment dat [verzoekster 1] wel tot de schuldsaneringsregeling werd toegelaten en [verzoeker 2] niet, doet dit niet af aan het feit dat [verzoekers] ten tijde van het vonnis van 5 december 2012 beiden in de regeling zaten en met hen is besproken hoe de ontstane boedelachterstand zou worden ingelopen. Dat er thans nog steeds sprake is van een aanzienlijke boedelachterstand kan hen dan ook worden verweten. Bovendien hebben [verzoekers] geen enkel bewijs overgelegd van hun stellingname omtrent het ontstaan van de achterstand en hebben zij geen concreet plan aangedragen hoe zij deze zullen inlopen.

2.8

Hetgeen [verzoekers] nog hebben aangevoerd over de - op grond van het IVRK - door de staat te garanderen minimum levensstandaard voor hun vier minderjarige kinderen leidt niet tot een ander oordeel. Afgezien van het antwoord op de vraag of het bepaalde in het IVRK zou kunnen leiden tot het niet toepassen van het bepaalde in artikel 350, derde lid, FW, maakt de vaststelling van het vrij te laten bedrag (VTLB) door de bewindvoerder en de rechter-commissaris, waarbij rekening is gehouden met al hun (persoonlijke) omstandigheden, dat [verzoekers] geacht moeten worden in staat te zijn te voorzien in hun levensonderhoud en dat van hun kinderen. Verder geldt buiten de schuldsaneringsregeling de beslagvrije voet, waardoor deze levensstandaard eveneens voldoende gewaarborgd is.

2.9

De door [verzoekers] genoemde psychische problemen van [verzoeker 2] en de moeilijkheden binnen het gezin leiden niet tot het oordeel dat bovenomschreven tekortkomingen niet aan [verzoekers] kunnen worden toegerekend. [verzoekers] hebben gedurende de schuldsanering meermalen de kans gekregen de verplichtingen naar behoren na te komen. Gelet daarop heeft het hof er onvoldoende vertrouwen in dat [verzoekers] de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde zullen brengen.

2.10

Bovenomschreven tekortkomingen zijn zodanig ernstig dat de beëindiging van de schuldsanering, met alle daaraan verbonden gevolgen, in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is. Het vonnis waarvan beroep wordt derhalve bekrachtigd.”

2.3

De klacht houdt in dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is of ontoereikend gemotiveerd vanwege het hierna vermelde, dat door [verzoekers] volgens het onderdeel in hoger beroep is aangevoerd, te meer nu het hof niet is ingegaan op dit specifieke verweer van [verzoekers] ter zitting – met name niet op het centrale verwijt van disfunctionering van de bewindvoerder – nu dit een door het hof miskend beroep op een rechtvaardigingsgrond betreft:

- sollicitatieplicht
de stelling van de bewindvoerder dat er onvoldoende bewijsstukken zijn overgelegd met name van sollicitaties is onbegrijpelijk, nu de bewindvoerder bij de mondelinge behandeling sollicitaties als producties heeft overgelegd en zijdens [verzoekster 1] onderbouwd met producties is gesteld dat zij aantoonbaar meer en voldoende heeft gesolliciteerd dan door de bewindvoerder gesteld (prod. 5 bij de brief van de advocaat van [verzoekers] van 4 maart 2014). Door de bewindvoerder zijn maar gedeeltelijk bewijzen hiervan overgelegd, wat een onjuist beeld geeft. De voorafgaand aan de zitting in hoger beroep overgelegde aanvullende sollicitaties hebben kennelijk geen indruk gemaakt. Verder heeft [verzoekster 1] cursussen gevolgd en hulp gezocht om beter en succesvoller te solliciteren, terwijl het op dit moment niet eenvoudig is om werk te vinden. Volgens de brief van een sociaal raadsman deden [verzoekers] er alles aan om aan de eisen te voldoen maar verliep de communicatie met de bewindvoerder vanaf het begin in 2010 al stroef, zodat door het hof niet zonder meer geoordeeld had mogen en kunnen worden dat de gebreken in de uitvoering van de schuldsaneringsregeling te wijten zijn aan [verzoekers] Ten aanzien van [verzoeker 2] is in hoger beroep toegelicht dat zijn sollicitaties minder goed zijn gedocumenteerd, maar dat het niet zo is dat hij niet voortdurend heeft gezocht naar meer uren bij zijn werkgever of elders en dit ook met de bewindvoerder is besproken. Hij had over 2013 wisselende inkomsten, wat is terug te voeren op een wisselend aantal werkuren. Omdat hij al een toezegging had voor een nieuw jaarcontract, heeft hij om zijn werkgever niet voor het hoofd te stoten niet gezocht naar een ander voltijdscontract, aldus het onderdeel. Ook dat is met de bewindvoerder gecommuniceerd, bedoeld arbeidscontract is pas op 24 april6 getekend en zijn werkgever was niet bereid om verklaringen te tekenen “ook uit angst om hem in deze tijd in vaste dienst te krijgen”. [verzoeker 2] heeft dan ook voldaan aan zijn inspanningsverplichtingen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de psychosociale problematiek. [verzoeker 2] wordt begeleid door iemand van Reclassering Nederland en De Waag om te leren omgaan met de stress en frustraties die hij ervaart door de bittere armoede en uitzichtloze financiële situatie. Het onderdeel geeft aan dat [verzoeker 2] wel (te) weinig heeft gesolliciteerd, maar steeds betaald werk heeft verricht en dat hij niet in staat was om meer te doen.

- boedelachterstand

deze wordt betwist, [verzoekers] hebben vanaf het moment dat de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard aanzienlijk meer afdragen dan de vastgestelde boedelbijdrage en de achterstand heeft alleen te maken met een betaling aan hen van € 6.773,- door de belastingdienst begin 2010. Ondanks het verzoek daartoe heeft de bewindvoerder het inkomen en het vermogen van [verzoekers] niet beschermd tegen schuldeisers zodat zij genoodzaakt waren om met de schuldeisers in onderhandeling te gaan en schulden te betalen, waardoor het onmogelijk was om de boedelbijdrage te voldoen. Van de meerafdracht zijn ook een aantal schulden betaald, waaronder een deel van de huurachterstand (zie het betaalbewijs, prod. 10 bij de brief van de advocaat van [verzoekers] van 4 maart 2014). De huurachterstand is zo van 3 november 2009 tot 22 augustus 2011 teruggelopen van € 2.085,- tot € 1.135,-. Voor zover er enige achterstand is, is dit dan ook te wijten aan de bewindvoerder zelf die weigerde haar taak uit te voeren met het argument dat toepassing van de schuldsaneringsregeling geen zin had als de schulden van [verzoekers] zouden terugvloeien als zij niet beiden een schone lei zouden krijgen. Pas in juni 2010 heeft de bewindvoerder actie ondernomen, maar uit de boedellijst volgt niet dat zij de ten onrechte betaalde bedragen heeft teruggevorderd. Voor zover er enig tekort zou zijn, dan kan het vrij te laten bedrag eventueel verhoogd worden nu de regeling meer dan drie jaar duurt.

In de gegeven omstandigheden is volgens het onderdeel geen sprake van een behoorlijke procesvoering in de zin van art. 6 EVRM en art. 477 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, te meer niet nu het hof ook zonder onderbouwing de boedelachterstand hoger laat uitvallen dan de rechtbank en deze niet valt af te leiden uit de stukken. Ten slotte is sprake van een onbegrijpelijke belangenafweging, mede gelet op het pleidooi van de reclasseringsmedewerker bij de mondelinge behandeling voor voortzetting van de schuldsaneringsregeling om de schone lei zeker te stellen.

2.4

Ik zie deze klachten niet opgaan. [verzoekers] hebben de hen geboden laatste kans om aan hun verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen verspeeld, waar zij bij de voorlaatste (afgewezen) voordracht tot tussentijdse beëindiging in december 2012 nog uitdrukkelijke voor zijn gewaarschuwd door de rechtbank.

Schending sollicitatieplicht

2.5

Het niet voldoen aan de op hen rustende sollicitatieplicht is een zelfstandige grond tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling volgens art. 350 lid 1 jo. lid 3 onder c Fw. Dat zij deze plicht niet zijn nagekomen, kon het hof op de gedane wijze vaststellen en dat heeft het hof meen ik afdoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Ik kom daartoe als volgt. Bij de invulling van de sollicitatieplicht van de saniet gelden als uitgangspunt de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen8. Art. 3.5 van die richtlijnen bepaalt:

Arbeids- en sollicitatieverplichting (tot 65 jaar)

a. De schuldenaar die betaald werk heeft, spant zich tot het uiterste in om dat werk te behouden.

b. Een schuldenaar zonder betaald werk heeft, ook als kinderen onder de vier jaar tot het gezin van de schuldenaar behoren, een sollicitatieplicht, tenzij de rechter-commissaris hiervoor een ontheffing heeft gegeven.

c. Een ontheffing als bedoeld onder b. wordt onder meer gegeven indien en voorzover de schuldenaar op medische gronden niet in staat is arbeid te verrichten.

d. De sollicitatieplicht houdt in dat de schuldenaar solliciteert naar fulltime werk, dat wil zeggen werk gedurende tenminste 36 uur per week.

e. Bij de sollicitatieplicht neemt de schuldenaar de volgende regels in acht:

- de sollicitatieactiviteiten bestaan tenminste uit:

 gemiddeld viermaal per maand een schriftelijke sollicitatie (exclusief open sollicitaties), en

 inschrijving bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en bij drie à vier uitzendbureaus;

- de schuldenaar beperkt zich hierbij niet tot het solliciteren naar vacatures op het eigen vakgebied;

- de schuldenaar stuurt kopieën van de sollicitatiebrieven en van de inschrijving bij het CWI en de uitzendbureaus naar de bewindvoerder;

- deelname aan reïntegratietrajecten laat onverlet dat de schuldenaar zich zelfstandig inspant om betaald werk te vinden;

- het volgen van een opleiding, integratiecursus of andere cursus mag niet in de weg staan aan het verrichten van of het solliciteren naar fulltime werk.

f. Indien een schuldenaar zich erop beroept dat hij arbeidsongeschikt is, legt hij een medische verklaring of medische informatie over waaruit dit blijkt. Indien hij niet over een dergelijke medische verklaring of dergelijke medische informatie beschikt maar wel aannemelijk is dat sprake is van medische omstandigheden die de (mate van) arbeidsgeschiktheid beïnvloeden, laat hij zich keuren door een door de bewindvoerder of door de rechter-commissaris aan te wijzen deskundige, zoals een arts van de GGD. De kosten van een dergelijke medische keuring komen ten laste van de boedel of, indien het actief in de boedel ontoereikend is, ten laste van de Staat.”

2.6

Sanieten zonder een fulltime baan van ten minste 36 uur per week hebben dus een sollicitatieplicht in de aangegeven omvang (ten minste vier bewijsbare sollicitaties per maand), tenzij de rechter-commissaris daarvoor een ontheffing heeft gegeven. Deze ontheffing is niet verleend, zodat de sollicitatieplicht onverkort gold (voor [verzoekster 1] sinds 29 april 2013)9. Dat [verzoekster 1] cursussen heeft gevolgd en daarom niet aan haar sollicitatieplicht kon voldoen, kan haar zonder ontheffing van de rechter-commissaris daar niet van ontslaan. Datzelfde geldt voor de gestelde psychische problemen van [verzoeker 2].

2.7

Dat het hof oordeelt dat van [verzoekster 1] onvoldoende controleerbare bewijzen van sollicitaties zijn ontvangen is niet onbegrijpelijk en ook niet onvoldoende gemotiveerd. Uit de door de bewindvoerder aan de rechtbank toegezonden “laatste stand van zaken” van 24 januari 2014 volgt dat i) [verzoekster 1] vanaf mei 2013 niet op een juiste wijze heeft gesolliciteerd en ii) [verzoeker 2] na het vorige verslag (van zes maanden daarvoor) geen bewijsstukken meer heeft overgelegd. Uit de in hoger beroep door de bewindvoerder aan het hof gestuurde brief van 18 april 2014 volgt dat [verzoekster 1] sinds september 2013 de bewindvoerder maandelijks heeft bericht over sollicitaties die zij zou hebben verricht. [verzoekster 1] is echter bij herhaling tevergeefs verzocht om naast de minimale informatie die zij daarover heeft verstrekt ook kopieën van haar sollicitatiebrieven en van vacatures over te leggen. De wijze waarop wordt gesolliciteerd is volgens die brief onvoldoende en niet controleerbaar. Uit die brief blijkt verder dat [verzoeker 2] sinds hij zijn parttimebaan in april 2013 heeft gevonden niet meer aantoonbaar heeft gesolliciteerd. In feite wordt dat laatste in het onderdeel met zoveel woorden toegegeven. Uit een en ander blijkt schending van de sollicitatieplicht10.

2.8

Het hof heeft daarbij overwogen dat de omstandigheid dat [verzoeker 2] tijdens de mondelinge behandeling een (vaste) fulltimebaan heeft gevonden en [verzoekster 1] nu vier controleerbare sollicitaties aan de bewindvoerder kan overleggen, hen niet (meer) kan baten. Dat doet volgens het hof niet af aan het ontbreken of onvoldoende controleerbaar zijn van sollicitaties over een periode van een jaar. Ook dat is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. In de zijdens [verzoekers] bij brief van 4 maart 2014 in het geding gebrachte vier sollicitatiebewijzen van [verzoekster 1] over de periode van januari tot en met maart 2014 – die deels overlappen met de door de bewindvoerder bij brief van 18 april 2014 in het geding gebrachte sollicitatiebewijzen – ontbreken namen en/of telefoonnummers en/of sollicitatiebrieven. Ook is met die (vier) sollicitatiebewijzen alleen niet voldaan aan de verplichting van minimaal vier sollicitatiebewijzen per maand vanaf mei 201311. Voor zover [verzoekster 1] heeft betoogd dat er meer sollicitaties zijn geweest, ligt het op haar weg daarvan de bewijzen in het geding te brengen en dat is niet gebeurd. Van sollicitatiebewijzen van [verzoeker 2] vóór het aanvaarden van de fulltimebaan is niet gebleken, zodat hij ruim een jaar niet heeft voldaan aan zijn sollicitatieverplichting12. Dat de sociaal raadsman van [verzoekers] (schriftelijk) heeft verklaard dat [verzoekers] er alles aan deden om aan de eisen van de schuldsaneringsregeling te voldoen, maakt dit niet anders. Ten slotte miskent het argument van [verzoekster 1] dat de arbeidsmarkt ongunstig is, dat het gaat om een sollicitatieplicht, het aantoonbaar zoeken naar een baan en niet het vinden van een baan.

Boedelachterstand

2.9

Nu schending van de sollicitatieplicht van [verzoekers] het oordeel van het hof zelfstandig kan dragen, behoeven de klachten uit onderdeel 1 die zien op de boedelachterstand bij gebrek aan belang op zich geen bespreking meer. Overigens kan ook dat oordeel mijns inziens (zelfstandig) stand houden om de navolgende redenen.

2.10

Het oordeel van het hof over de boedelachterstand in rov. 2.7 is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd gelet op het partijdebat. De situatie in de periode dat alleen [verzoekster 1] was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling heeft het hof gewogen maar te licht bevonden, omdat [verzoekers] ten tijde van het vonnis van 5 december 2012, toen zij andermaal een laatste kans kregen van de rechter, allebei in de schuldsanering zaten en met hen is besproken hoe de ontstane boedelachterstand zou moeten worden ingelopen. De nu nog steeds aanwezige aanzienlijke boedelachterstand is dan ook aan [verzoekers] te wijten. Hoewel [verzoekers] ter mondelinge behandeling hebben gesteld dat de boedelachterstand ook is te wijten aan de bewindvoerder, hebben zij die stelling niet van een voldoende concrete toelichting voorzien die daar tegen opweegt. Daarbij komt dat [verzoekers] deze stelling al eerder hadden moeten betrekken, bijvoorbeeld bij het ten overstaan van de rechter maken van de afspraak over het inlopen van de ontstane boedelachterstand, waarbij in december 2012 (voor de tweede keer) vooralsnog niet voortijdig is beëindigd door de rechtbank.

2.11

Van strijd met art. 6 EVRM of art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is hier geen sprake. De klacht dat het hof zonder nadere onderbouwing de boedelachterstand hoger laat uitvallen dan de rechtbank, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft overwogen dat “volgens opgave van de bewindvoerder” de boedelachterstand nu € 4.974,83 bedraagt. Het hof heeft dat kunnen en mogen afleiden uit de door de bewindvoerder bij brief van 18 april 2014 aan het hof toegezonden opgave (prod. 2 bij die brief). Verder volgt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep (p. 2) dat de bewindvoerder heeft verklaard dat na een herberekening op basis van de door [verzoekers] op 5 februari 2014 overgelegde stukken de (geschatte) boedelachterstand uitkomt op dit bedrag13.

Belangenafweging

2.12

Het oordeel van het hof in rov. 2.10 dat de tekortkomingen van [verzoekers] zodanig ernstig zijn dat de beëindiging van de schuldsanering in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is, is niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. In dat verband heeft het hof in rov 2.9 de psychische problemen van [verzoeker 2] in zijn oordeel betrokken, maar overwogen dat deze niet tot het oordeel kunnen leiden dat de tekortkomingen niet aan [verzoekers] kunnen worden toegerekend. Daarbij heeft het hof meegewogen dat [verzoekers] eerder al verscheidene kansen is geboden om de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen. Dat, zoals het onderdeel betoogt, de reclasseringsambtenaar van [verzoeker 2] met de advocaat van [verzoekers] anders heeft bepleit, maakt de belangenafweging niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd.

2.13

Onderdeel 1 stuit op het voorgaande af. Daarbij heeft het hof volgens mij voldoende gemotiveerd waarom geen ruimte is voor een verdere (derde) kans voor de sanieten. Uit het in andere context (toelating tot de schuldsaneringsregeling) gewezen HR 14 februari 201414 blijkt dat eisen mogen worden gesteld aan de motivering van het hof voor toelatingsweigering. Aan dergelijke eisen is hier bij de beslissing tot tussentijdse beëindiging, die een vergelijkbare impact heeft, door het hof voldaan. Hoewel in de zaak uit februari 2014 een motiveringsklacht tegen grond A gegrond werd geacht, werd bij gebrek aan belang niet gecasseerd, omdat grond B zelfstandig hield. In ons geval kunnen beide gronden voor tussentijdse beëindiging naar mij voorkomt de beëindigingsbeslissing van het hof zelfstandig dragen en al helemaal tezamen genomen, zoals het hof heeft gedaan.

IVRK

2.14

Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 2.8 als hiervoor in 2.2 geciteerd. Het onderdeel klaagt onder het aanhalen van bepaalde overwegingen uit de preambule van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en art. 27 IVRK dat het hof de opzet en de bedoeling van het IVRK heeft miskend en buiten toepassing heeft gelaten, althans niet gemotiveerd heeft waarom het hof het beroep op de rechtstreekse werking niet heeft beoordeeld. Volgens het onderdeel is hierdoor sprake van schending van art. 6 EVRM en art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, terwijl de minderjarige kinderen van [verzoekers] “door minachting van hun rechten als omschreven in de preambule van het IVRK, een behandeling ondergaan in strijd met art. 3 EVRM, nu zij, als gevolg van de financiële problematiek van hun ouders en het moeten missen van een oplossing uit de financiële uitzichtloze situatie, zelf ook in een uitzichtloze situatie, onder de armoedegrens, althans armoedige jeugd-periode zijn terechtgekomen”.

2.15

Het beroep van [verzoekers] op de preambule van het IVRK noopt tot de volgende overpeinzing. Volgens art. 31 lid 1 Weens Verdragenverdrag moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag. Voor de uitlegging van een verdrag omvat de context, behalve de tekst, met inbegrip van preambule en bijlagen: a) iedere overeenstemming die betrekking heeft op het verdrag en die bij het sluiten van het verdrag tussen alle partijen is bereikt; b) iedere akte opgesteld door een of meer partijen bij het sluiten van het verdrag en door de andere partijen erkend als betrekking hebbende op het verdrag (art. 31 lid 2 Weens Verdragenverdrag). Bij de uitleg van een bepaling van een verdrag zoals het IVRK kan de preambule behulpzaam zijn. Een overweging in een preambule kan evenwel niet als zelfstandige grondslag dienen. Niet de preambule, maar de verdragsbepalingen zelf zijn de in het verdrag neergelegde normen waar eventueel aanspraken aan kunnen worden ontleend. Voor zover het onderdeel rechtstreeks en zelfstandig beroep doet op preambulebepalingen faalt het in zoverre.

2.16

Voor zover het onderdeel zo moet worden begrepen, dat de geciteerde preambulebepalingen bij de uitleg van art. 27 IVRK moeten worden betrokken, geldt het volgende. Art. 27 IVRK behelst het recht op een toereikende levensstandaard15:

1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.

Ik neem bij de behandeling van dit onderdeel aan dat de klacht (die hierover niet duidelijk is) geen betrekking heeft op art. 27 lid 2 IVRK. Dat ziet immers op de primaire verantwoordelijkheid van de ouders voor de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van kinderen.

2.17

Uw Raad heeft rechtstreekse werking van art. 27 IVRK in de nationale rechtsorde (nog) niet aanvaard16, al wordt het artikel in de lagere jurisprudentie soms bij de uitleg van een ander artikel betrokken17. In personen-, familie- en civiele jeugdzaken is (nog) niet aangenomen dat art. 27 IVRK rechtstreekse werking heeft18. In overige civiele zaken is het evenmin aanvaard19. In vreemdelingenzaken is het oordeel dat art. 27 IVRK geen rechtstreekse werking heeft dominant, maar uit uitspraken van lagere instanties volgt wel dat het beroep op art. 27 IVRK het oordeel van de rechter in positieve zin beïnvloedt20. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in die zaken is dat art. 27 IVRK geen rechtstreekse werking heeft21. De in het derde lid opgenomen bepaling bevat volgens de Afdeling een instructienorm aan de Staat22. In sociale zekerheidszaken heeft de Centrale Raad van Beroep bij herhaling geoordeeld dat art. 27 IVRK geen rechtstreekse werking heeft23. Ik zie geen goede gronden om van deze oordelen van hoogste bestuursrechters in de onderhavige “andere” sociale, maar dan civielrechtelijke context af te wijken. In tegendeel: de aard van de ingeroepen bepaling lijkt mij niet goed ruimte te geven voor rechtstreekse toepasselijkheid, de leden 3 en 4 zijn programmatische bepalingen, typische instructienormen gericht aan Staten. Het onderdeel zet niet uiteen waarom dit artikel rechtstreeks zou werken. Nu de ingeroepen bepalingen uit het kinderverdrag niet rechtstreeks werken, strandt het onderdeel daar al op.

2.18

Belangrijker – hoewel ten overvloede – lijkt mij dat ook inhoudelijk geen strijd met de normen uit het kinderverdrag optreedt in dit geval. Het hof heeft in rov. 2.8 daargelaten of een beroep op art. 27 IVRK in dit geval zou kunnen leiden tot het niet toepassen van de beëindigingsgronden uit art. 350 lid 3 Fw en overwogen dat bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag door de bewindvoerder en de rechter-commissaris rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoekers] en dus ook met de kinderen van [verzoekers] Zij moeten daarom volgens het hof in staat worden geacht te voorzien in hun levensonderhoud en dat van hun kinderen. Anders gezegd: het hof heeft geconstateerd dat het bestaansminimum (ook van de minderjarige kinderen van partijen) is gewaarborgd in ons nationale recht24.

2.19

Dat klopt en dat geldt niet alleen in de schuldsaneringsregeling, zoals het hof met juistheid overweegt in rov. 2.8. Zowel bij het bepalen van het zogenoemde “vrij te laten bedrag” door de bewindvoerder en de rechter-commissaris als buiten de schuldsanerings-regeling wordt een sociaal minimum gegarandeerd, waarbij ook met de aanwezigheid van kinderen rekening wordt gehouden. Uitgangspunt is daarbij steeds art. 475d Rv, de zogenoemde “beslagvrije voet”. Daarin is vastgelegd dat de betrokkene minimaal 90% van de geldende bijstandsnorm mag behouden. Het vrij te laten bedrag uit de schuldsanerings-regeling is de beslagvrije voet plus (in elk geval) een reserveringstoeslag25. Volgens art. 295 lid 2 Fw wordt van de inkomsten die de saniet verkrijgt alleen de beslagvrije voet buiten de boedel gelaten. De rechter-commissaris kan dat volgens art. 295 lid 3 Fw verhogen met een bij beschikking vast te stellen nominaal bedrag. Ter uniformering van de besluitvorming hierover is door een Recofa-werkgroep een uniforme rekenmethode voor het vrij te laten bedrag ontwikkeld. Uit het overzicht overgelegd als prod. 2 bij de brief van de bewindvoerder van 18 april 2014 volgt het (wisselende) inkomen van [verzoekers] en het (wisselende) vrij te laten bedrag26 over de periode waarin de schuldsaneringsregeling van toepassing was. Bij faillissement – en dat is de situatie waarin [verzoekers] volgens art. 350 lid 5 Fw van rechtswege terechtkomen bij het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke tussentijdse schuldsaneringsbeëindigingsuitspraak – is het sociaal minimum van de failliet (en diens minderjarige kinderen) op overeenkomstige wijze gegarandeerd, hoewel de regeling afwijkt van de schuldsaneringsregeling. Kort gezegd vallen volgens artt. 20 en 21, 2° Fw27 in beginsel alle inkomsten van de failliet staande faillissement in de boedel, behoudens hetgeen daarvan door de rechter-commissaris wordt uitgezonderd. Deze zal in faillissementen van natuurlijke personen hierbij in de regel aansluiting zoeken bij de beslagvrije voet van art. 475d Rv28. De tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei met terugval in faillissement leidt zo bezien niet tot een armoedeval van de kinderen van de failliet beneden het sociaal minimum.

2.20

Dat is wat – korter gezegd – het hof in rov. 2.8 heeft overwogen. Het hof heeft uitdrukkelijk rekening gehouden met dit stelsel en zodoende met de levensstandaard van de kinderen van [verzoekers] Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. Van schending van art 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of artt. 3 of 6 EVRM is geen sprake. Ook daarom is onderdeel 2 tevergeefs voorgesteld.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-generaal

1 Vgl. vonnis rb. Amsterdam 26 februari 2014, p. 1, aanhef en rov. 2.5 van het bestreden arrest.

2 Vgl. vonnis rb. Amsterdam van 26 februari 2014 t.a.p.

3 Idem.

4 P. 2 van het vonnis.

5 Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 15 mei 2014, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.

6 Van welk jaar vermeldt het onderdeel niet, maar gelet op prod. 2 bij de brief van de raadsman van [verzoekers] van 4 maart 2014 en p. 2 van de brief van de bewindvoerder van 18 april 2014 moet dit 2014 zijn.

7 Het artikel luidt: “Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.”

8 Vgl. Wessels Insolventierecht IX, 2012, par. 9371f en Engberts, T&C Insolventierecht 2013, art. 350, aant. 4 onder “Niet nakomen inspannings-/sollicitatieplicht”.

9 Zie ook de brief van de bewindvoerder aan de rechtbank van 24 januari 2014.

10 Zie ook de door het hof in rov. 2.3 van het bestreden arrest samengevatte stellingen van de bewindvoerder.

11 Zie voetnoot 10.

12 Idem.

13 Zie ook - de in cassatie onbestreden - rov. 2.3 van het bestreden arrest (“Daarnaast is gebleken dat [verzoekers] nog een nieuwe schuld aan de Belastingdienst open hebben staan van € 77,-- en er een achterstand aan de boedel is ontstaan van ten minste € 4.974,83, welke laatste mogelijk nog aanmerkelijk hoger zal zijn in verband met de aanpassing van de toeslagen over het jaar 2013, aldus [nog] steeds de bewindvoerder.”).

14 ECLI:NL:HR:2014:331, NJ 2014, 117.

15 Zie voor achtergronden Blaak/Bruning/Eijgenraam/Kaandorp/Meuwese (red.), Handboek Internationaal Jeugdrecht, 2012, p. 423-436; Werner, Commentaar op Verdrag inzake de rechten van het kind, 2013, art. 27, alle aant. en Detrick, T&C Personen- en familierecht, 2012, art. 27 IVRK, alle aant.

16 Zie de beschouwingen over een rechtstreekse werking van de bepalingen van het IVRK in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel tot goedkeuring van het op 20 november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van het Kind: Kamerstukken II 1992/93, 22 855 (R 1451), nr. 3, p. 8-9 (waarin verschillende (mogelijk) rechtstreeks werkende IVRK artikelen worden genoemd, maar niet art. 27 IVRK). Zie in dit verband ook de conclusie van A-G Langemeijer (onder 2.11) vóór HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:BW5328, RvdW 2012, 1131 en Blaak/Bruning/Eijgenraam/Kaandorp en Meuwese (red.), Handboek Internationaal Jeugdrecht, Een toelichting voor rechtspraktijk en jeugdbeleid op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en andere internationale regelgeving over de rechtspositie van minderjarigen, p. 423 e.v. Wel is in HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:BW5328, RvdW 2012, 1131, rov. 3.7 overwogen dat (o.a.) in art. 27 lid 2 IVRK tot uitdrukking komt dat de primaire verantwoordelijkheid bij de ouders ligt.

17 Zie de jurisprudentie vermeld in Werner, Commentaar op Verdrag inzake de rechten van het kind, 2013, art. 27, onder D.

18 Bahadur, De toepassing van het IVRK in personen-, familie- en civiele jeugdzaken, p. 64 e.v., in: De Graaf/Limbeek/Bahadur en Van der Meij, De toepassing van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse Rechtspraak, 2012.

19 Bahadur, De toepassing van het IVRK in overige civiele zaken, p. 92 e.v., in: De Graaf/Limbeek/Bahadur en Van der Meij, De toepassing van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse Rechtspraak, 2012.

20 Limbeek, De toepassing van het IVRK in vreemdelingenzaken, p. 145 e.v., in: De Graaf/Limbeek/Bahadur en Van der Meij, De toepassing van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse Rechtspraak, 2012.

21 Limbeek, De toepassing van het IVRK in vreemdelingenzaken, p. 146, voetnoot 163, in: De Graaf/Limbeek/Bahadur en Van der Meij, De toepassing van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse Rechtspraak, 2012. Zie recentelijk AbRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:190, JV 2014, 147, rov. 5.

22 Limbeek, De toepassing van het IVRK in vreemdelingenzaken, p. 146, voetnoot 164, in: De Graaf/Limbeek/Bahadur en Van der Meij, De toepassing van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse Rechtspraak, 2012.

23 Limbeek, De toepassing van het IVRK in socialezekerheidszaken, p. 198 e.v., in: De Graaf/Limbeek/Bahadur en Van der Meij, De toepassing van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse Rechtspraak, 2012. Zie recentelijk CRvB 15 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1421, rov. 4.7.

24 Daarbij is het goed om voor ogen te houden dat ten overstaan van de feitelijke rechters niet concreet is aangegeven welke gevolgen voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft voor de levenstandaard van de kinderen.

25 Zie Vtlb-rapport, Berekening van het vtlb bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen van de Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa (zie voor het rapport van 2014: http://www.rvr.org/binaries/wsnp/vtlb-rapport-januari-2014-.pdf).

26 Zie ook de overige berekeningen van het vrij te laten bedrag in het procesdossier.

27 Zie ook art. 100 Fw; de curator is bevoegd naar omstandigheden een door de rechter-commissaris vast te stellen som ter voorziening in het levensonderhoud van de gefailleerde en zijn huisgezin uit te keren.

28 Wessels Insolventierecht II, 2012, par. 2129. Een ruimere bedrag is ook mogelijk. Zie hiervoor par. 2130. Vgl. ook Verstijlen 2012 (T&C In), aant. 3 bij art. 21 Fw.