Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:678

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-06-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
14/02049
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2662, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Familierecht. Gezag. Omgangsregeling. Feitelijke grondslag. Aan het middel te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 14/02049

Mr M.H. Wissink

Zitting van 27 juni 2014

Conclusie inzake art. 80a RO

in de zaak van:

[de man],

verzoeker tot cassatie

tegen

[de vrouw],

verweerster in cassatie

1.

Het bij verzoekschrift, ingekomen op 18 april 2014, tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 22 januari 2014. Daarin heeft het hof de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2013 bekrachtigd, welke beschikking strekte tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de twee minderjarige kinderen van partijen, bepaling dat het gezag over de kinderen voortaan aan de moeder toekomt en afwijzing van het verzoek van de vader om tussen hem en de kinderen een omgangsregeling te bepalen. Verweerster heeft conform art. 9a.8 van het Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden verzocht om uitstel voor haar verweer tot na de beslissing omtrent de toepassing van art. 80a RO.

2.

Het Hof oordeelt dat de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen de ouders. Uit het verhoor van het oudste kind, [het kind], is het Hof gebleken dat vader ook het vertrouwen van de kinderen heeft geschonden. De gebeurtenissen uit het verleden – waaronder de mishandeling van moeder door vader, waarvoor vader strafrechtelijk is veroordeeld – en de door vader geëntameerde procedure tot ontkenning van het vaderschap hebben op de kinderen grote impact gehad. Voorts heeft vader het omgangstraject bij het Rotterdams Omgangshuis niet gebruikt om het vertrouwen te herstellen, maar met zijn gedrag het gevoel van onveiligheid en het wantrouwen bij zowel moeder als de kinderen vergroot. Onder deze omstandigheden acht het hof het van belang moeder en kinderen eerst een periode van rust te geven, zodat zij het verleden met hulpverlening kunnen verwerken. De vader zal enige tijd een pas op de plaats hebben te maken en geen druk meer moeten kunnen leggen op de minderjarige(n) en de (geheime) verblijfplaats van de moeder en de minderjarigen dienen te respecteren (rov. 8). Daarna dient de vertrouwensbreuk te worden hersteld alvorens een omgangsregeling kan worden vastgesteld (rov. 10).

3.

Het middel bevat vier klachten, te weten dat het Hof onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juiste feiten en de mogelijkheden (nr. 10); dat het Hof onvoldoende heeft meegewogen dat de vader waar nodig zijn medewerking heeft verleend aan de moeder bij de uitvoering van het gezag (nr. 11); dat onduidelijk is waarom de Raad voor de Kinderbescherming niet heeft deelgenomen aan de procedure in appel en waarom het Hof het herstel van de vertrouwensbreuk aan de vrije wil van partijen overlaat (nr. 12); en tenslotte dat het Hof in strijd met art. 6 en 8 EVRM en art. 3, 4, 9, en 18 IVRK geen alternatieve mogelijkheden heeft gezocht (nr. 13).

4.

De vier klachten rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Voor zover het middel in nr. 13 stelt dat de Raad voor de Kinderbescherming positief is over het tot stand brengen van omgang tussen vader en kinderen, mist het feitelijke grondslag: de Raad was aanvankelijk positief over een proefregeling, maar adviseerde door de houding en het gedrag van vader tijdens de proefomgang uiteindelijk negatief.1

De overige door het Hof in rov. 8-10 genoemde omstandigheden bestrijdt het middel niet, evenmin als de door het Hof in rov. 7 gehanteerde maatstaf omtrent de noodzaak tot wijziging van het gezag en de in rov. 10 gehanteerde maatstaf omtrent het totstandbrengen van omgang met de kinderen.

De door het Hof genoemde omstandigheden kunnen zijn oordeel omtrent de wijziging van het gezag en de ontzegging van de omgang dragen. Het middel geeft niet aan welke essentiële omstandigheden het Hof heeft miskend, noch welke door vader geopperde of anderszins nog openstaande mogelijkheden het Hof had moeten verkennen. Gezien het advies van de Raad voor de Kinderbescherming is voorshands niet duidelijk om welke mogelijkheden dit zou gaan. De klachten in nr. 10, 11 en 13 lopen hierop stuk.

De klacht in nr. 12 miskent dat de Raad wel degelijk door het Hof is gekend, maar dat de Raad heeft laten weten niet ter zitting in hoger beroep te zullen verschijnen. De Raad had zijn standpunt reeds in eerste aanleg toegelicht.

Voor zover de klacht in nr. 13 nog betoogt dat op andere gronden verdragsbepalingen zijn geschonden, faalt zij wegens het ontbreken van een toelichting op hoe welk artikel door welke beslissing van het Hof geschonden zou zijn.

5.

Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Proces-verbaal van de zitting van de Rb Rotterdam van 11 april 2013, p. 2, 3e alinea; beschikking van de Rb Rotterdam van 25 april 2013, blad 2.