Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:677

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-06-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
13/02085
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2987, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid makelaar. Zorgplicht makelaar verkoper jegens (potentiële) koper. Maatstaf, HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6162, NJ 2012/290. Onderzoeks- of waarschuwingsplicht in verband met eventuele hypotheekrechten of derdenbeslagen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/29 met annotatie van mr. J.J. Dammingh
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 13/02085

Mr M.H. Wissink

Zitting: 27 juni 2014

conclusie in de zaak van

1 [verzoeker 1],

2. [verzoekster 2],

verzoekers tot cassatie,

wonende te [woonplaats],

(hierna: [verzoeker])

tegen

Hamar Real Estate B.V. (h.o.d.n. Remax Bon Bini),

verweerster in cassatie,

gevestigd te Curaçao,

(hierna: Remax)

1. Feiten 1

1.1

Remax is een makelaarskantoor. Op haar website heeft te koop gestaan een kavel grond op de plantage "Blaauw" (Blue Bay Resort), plaatselijk bekend als BO-18 (hierna: het perceel), dat in eigendom toebehoorde aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).

1.2

[betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), werkzaam via Remax op grond van een zogenaamd "Independent Contractor Agreement", en [betrokkene 3], office manager bij Remax en echtgenote van Remax’ directeur [betrokkene 3], hebben over het perceel contact gehad met [verzoeker].

1.3

Op 7 mei 2008 hebben [verzoeker] en [betrokkene 1] een koopcontract en een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel. Op grond van deze twee overeenkomsten zou [verzoeker] het perceel kopen, waarop [betrokkene 1] een woning voor [verzoeker] zou bouwen. De overeenkomsten zijn opgesteld en ondertekend op het kantoor van Remax, alwaar ook [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aanwezig waren.

1.4

In het koopcontract is onder meer als koopprijs opgenomen het bedrag van € 280.000,-, waarvan de betaling "zal geschieden zoals in de aannemingsovereenkomst van 7 mei 2008 is overeengekomen". Ten aanzien van de notariële akte van levering is bepaald dat deze door de notaris mr. Burgers of diens plaatsvervanger zal worden verleden op uiterlijk 1 april 2009 of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen.

1.5

In de aannemingsovereenkomst is opgenomen dat aannemer [betrokkene 1] zich jegens [verzoeker] verplicht om een woning te bouwen en deze uiterlijk 1 april 2009 op te leveren. Voorts is onder meer bepaald dat de bouwsom ad € 280.000,- in tien termijnen verschuldigd wordt, te weten een bedrag van € 100.000,- op 15 mei 2008, de volgende zeven termijnen van in totaal € 126.000,- naar gelang de bouw van de woning vordert, de negende termijn van € 44.000,- bij de oplevering en het passeren van de akte van levering bij de notaris en de tiende termijn van € 10.000,- 30 dagen na het passeren van de akte van levering bij de notaris.

1.6

[betrokkene 1] heeft het perceel niet geleverd. Naar later bleek, rustte op het perceel sinds 29 oktober 2007 een hypotheek ten behoeve van een bank en had een schuldeiser van [betrokkene 1] op 7 december 2007 beslag op het perceel gelegd.

1.7

Op verzoek van [verzoeker] is [betrokkene 1] op 11 september 2009 failliet verklaard.

2. Procesverloop 2

2.1

Bij inleidend verzoekschrift van 15 april 2010 heeft [verzoeker] de onderhavige procedure tegen Remax aanhangig gemaakt bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). [verzoeker] vorderde dat het Gerecht Remax bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zou veroordelen tot betaling van € 215.250,-, NAF 155.317,22 en € 32.093,32 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2009 tot de dag der algehele voldoening, kosten rechtens met ook daarover de wettelijke rente.

[verzoeker] voerde daartoe aan dat Remax optrad als verkopende makelaar van het perceel en dat de koop- en aanneemovereenkomsten tot stand zijn gekomen door bemiddeling van een van Remax’ medewerksters, [betrokkene 2]. De koop- en aanneemovereenkomsten zijn opgesteld door Remax althans [betrokkene 2] en zijn op het kantoor van Remax getekend. Toen levering van het perceel achterwege bleef, bleek dat het was belast met een hypotheek voor een bedrag van NAF 392.000,- en dat executoriaal beslag op de kavel was gelegd voor ongeveer € 190.000,-, vermeerderd met rente. Zowel de hypotheek als het beslag waren al ingeschreven in het hypotheekregister toen eisers de overeenkomsten met [betrokkene 1] sloten. [verzoeker] stelt dat Remax en/of [betrokkene 2] geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de bezwaardheid van het perceel en tevens modelovereenkomsten heeft gebruikt die voor [verzoeker] een groot risico met zich hebben meegebracht, terwijl Remax en/of [betrokkene 2] ten onrechte niet op dit risico hebben gewezen. Bovendien zou, als Remax en/of [betrokkene 2] enig onderzoek hadden verricht, duidelijk zijn geworden dat er een grote kans bestond dat [betrokkene 1] de overeenkomsten niet zou kunnen nakomen. [verzoeker] meent dat Remax en [betrokkene 2] door deze nalatigheid onrechtmatig jegens [verzoeker] hebben gehandeld en om die reden aansprakelijk zijn voor de als gevolg van dat onrechtmatig handelen geleden schade.

2.2

Remax en [betrokkene 2] hebben verweer gevoerd.

2.3

Het Gerecht heeft de vorderingen van [verzoeker] tegen Remax bij vonnis van 9 januari 2012 toegewezen. Daartoe overwoog het Gerecht dat een makelaar die bemiddelt bij de verkoop van een onroerende zaak niet alleen verplichtingen heeft jegens de verkoper/opdrachtgever, maar ook jegens potentiële kopers. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam makelaar wordt een hoge mate van zorgvuldigheid gevergd bij het geven van inlichtingen aan concrete gegadigden. Hij dient, alvorens inlichtingen te verstrekken, deze eerst (bijvoorbeeld door het raadplegen van de openbare registers) op hun juistheid te controleren en dient ook de negatieve aspecten van de te verkopen onroerende zaak te bespreken met de potentiële kopers teneinde te voorkomen dat zij zich een onjuiste voorstelling maken omtrent de aard van hetgeen zij kopen (rov. 3.5).

Uit het door [verzoeker] overgelegde inzageformulier van het hypotheekkantoor blijkt dat de hypotheek en het beslag waarmee het perceel is bezwaard reeds op 30 oktober 2007 respectievelijk 7 december 2007 waren ingeschreven in het register. Derhalve was dat kenbaar voor Remax op 7 mei 2008 toen haar bemiddeling in de verkoop van het perceel heeft geresulteerd. Naar het oordeel van het Gerecht had van Remax, gelet op haar informatieplicht jegens [verzoeker], mogen worden verwacht dat zij onderzoek had verricht naar de eventuele bezwaardheid van het perceel met hypotheken en/of beslagen. Remax had zich moeten realiseren dat dat laatste voor [verzoeker] als potentiële koper een omstandigheid betrof die uiterst relevant was in het kader van de beslissing tot het al dan niet aanschaffen van het perceel. Nu Remax toerekenbaar tekort is geschoten in haar informatieplicht jegens [verzoeker], heeft zij jegens hem onrechtmatig gehandeld. Zij is dan ook aansprakelijk voor de schade die [verzoeker] als gevolg van deze onrechtmatigheid heeft geleden (rov. 3.6)

De vorderingen tegen [betrokkene 2] zijn afgewezen (rov. 3.8 en 3.13) en spelen geen rol meer.3

2.4

Remax is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, dat het bestreden vonnis bij vonnis van 22 januari 2013 heeft vernietigd en de vorderingen van [verzoeker], opnieuw rechtdoende, alsnog heeft afgewezen. Het Hof oordeelde:

“4.4 Het hoger beroep slaagt. Van een (redelijk handelend en redelijk bekwaam) verkopende makelaar kan in Curaçao (waar een online raadpleging niet bestaat), jegens potentiële kopers, niet zonder meer gevergd worden dat hij zelfstandig het Kadaster en Openbare Registers raadpleegt op eventuele bezwaardheden met hypotheek dan wel beslag, nog in het midden gelaten op welk moment of welke momenten zulks dan zou moeten plaatsvinden. Dat is anders wanneer een koper de verkopende makelaar heeft gevraagd of er sprake is van bezwaardheden, zoals het geval was in het door [verzoekers] bij inleidend verzoekschrift genoemde arrest van de Hoge Raad van 4 februari 1977, NJ 1977/278 (vgl. ook HR 17 februari 2012, NJ 2012, 290). Gesteld noch gebleken echter is dat [verzoekers] als kopers aan de verkopende makelaar Remax en/of [betrokkene 2] naar eventuele bezwaardheden hebben gevraagd of dat Remax en [betrokkene 2] spontaan mededelingen omtrent het niet-bezwaard-zijn hebben gedaan. Dat Remax en [betrokkene 2] op de hoogte waren van de bezwaardheid dan wel reden tot twijfel in dat opzicht hadden, is evenmin gebleken. Remax en [betrokkene 2] zijn dan ook in de gegeven omstandigheden niet in hun informatie- en mededelingsplicht jegens [verzoekers] tekortgeschoten.

4.5

Aan Remax en [betrokkene 2] valt evenmin een verwijt te maken ten aanzien van de voor [verzoeker] risicovolle betalings- en leveringsvoorwaarden uit de aannemingsovereenkomst. Namens Remax is bij pleidooi onweersproken gesteld dat zij pas in 2008 na herhaald aandringen een exemplaar van de aannemingsovereenkomst heeft ontvangen van [verzoekers]. Van verdergaande betrokkenheid van Remax en/of [betrokkene 2] dan het aanwezig zijn van [betrokkene 2] op het kantoor van Remax bij het ondertekenen door [verzoekers] en [betrokkene 1] van de aannemingsovereenkomst, is het Hof niet gebleken. In het licht van die omstandigheden kon van Remax en [betrokkene 2] niet gevergd worden dat zij [verzoekers] voor eventuele bijzonderheden in de aannemingsovereenkomst zouden waarschuwen.”

2.5

Remax heeft bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad op 19 april 2013, tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van 22 januari 2013. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en vervolgens op elkaars schriftelijke toelichtingen gereageerd.

3 Bespreking van het middel

3.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Onderdelen 1 en 2 komen op tegen rov. 4.4 (in het bijzonder de overwegingen in de tweede en derde volzin) en 4.5. Onderdeel 3 is een restklacht.

3.2

Onderdeel 1 stelt de onderzoeks- en waarschuwingsplicht van de verkopende makelaar in abstracto aan de orde. Subonderdeel 1.1 betoogt dat het Hof heeft miskend dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam namens de verkoper optredende makelaar (ook, althans in ieder geval op Curaçao) mag worden verwacht ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst ten behoeve van de (als particulier optredende en ter zake niet deskundige) koper bij het kadaster of openbare register onderzoek te hebben gedaan naar op het te verkopen onroerend goed (perceel) rustende hypotheekrechten of beslagen van derden en daarvan bij de koper melding te maken.

Subonderdeel 1.2 stelt dat het Hof voorts, althans in ieder geval, heeft miskend dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam namens de verkoper optredende makelaar (ook, althans in ieder geval op Curaçao) mag worden verwacht de (als particulier optredende en ter zake niet deskundige) koper voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst te waarschuwen voor de (door de koper eventueel verder te onderzoeken) mogelijkheid dat het door de makelaar ter verkoop aangeboden perceel met een hypotheekrecht van een derde dan wel een beslag van een derde is of kan zijn bezwaard.

3.3

De zaak betreft gebeurtenissen van vóór 10 oktober 2010, zodat daarop het recht van de Nederlandse Antillen van toepassing is. Het Antilliaanse recht kende geen van het Nederlandse recht afwijkende regeling voor de beroepsuitoefening en aansprakelijkheid van makelaars. Uit hoofde van het concordantiebeginsel golden – zoals ook het Gerecht en het Hof impliciet hebben geoordeeld – de rond deze vraagstukken ontwikkelde jurisprudentie en literatuur in principe dus voor heel het Koninkrijk.

3.4

De verkopende makelaar heeft niet alleen verplichtingen jegens zijn opdrachtgever, de verkoper, maar dient ook jegens de koper bepaalde zorgvuldigheidsnormen in acht te nemen. De vraag of de verkopend makelaar onzorgvuldig (en daarmee onrechtmatig) heeft gehandeld jegens de koper dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Die opvatting vindt steun in de rechtspraak van Uw Raad, waarnaar het Gemeenschappelijk Hof in rov. 4.4 verwijst.

In het arrest Gerritsen/Zwaan uit 1977 had de makelaar van de verkoper na onderzoek in het eigendomsbewijs van de verkoper en de openbare registers na een vraag van de koper uitdrukkelijk ontkend dat op het verkochte goed een erfdienstbaarheid rustte. Na levering bleek dat er toch een erfdienstbaarheid was, ontstaan door verjaring. De Hoge Raad achtte de makelaar aansprakelijk omdat hij had behoren te weten dat het door hem verrichte onderzoek niet voldoende zekerheid kon geven: erfdienstbaarheden kunnen ook ontstaan door verjaring, zodat het onzorgvuldig en onrechtmatig was om zo stellig en uitdrukkelijk te ontkennen. 4 In de procedure na verwijzing oordeelde het Hof Amsterdam dat de koper, die niet als een gelijkwaardige wederpartij van de makelaar kon gelden, geen eigen onderzoek behoefde in te stellen naar het eventuele bestaan van een op het aangeboden onroerend goed drukkende erfdienstbaarheid en dat de koper door dit na te laten de schade niet (mede) aan zichzelf te wijten heeft. 5

In het arrest [.../...] uit 2012 had de makelaar uitdrukkelijk vermeld dat hij de gegevens omtrent de oppervlakte van het te verkopen goed uit andere stukken had overgenomen, en dat hij niet instond voor de juistheid hiervan. De Hoge Raad overwoog dat de vraag of een makelaar die bij een transactie betrokken is, gehouden is om zelfstandig te (laten) controleren of van de opdrachtgever of een derde ontvangen gegevens die onder zijn verantwoordelijkheid aan potentiële kopers worden meegedeeld, juist zijn, niet in haar algemeenheid kan worden beantwoord. Dat antwoord is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 6

Vgl. ook nog Rb Amsterdam 21 november 1984, ECLI:NL:RBAMS:1984:AC8604, NJ 1985/521, waarin is overwogen dat van een makelaar moet worden verwacht dat deze elementaire gegevens als de vraag of een erfpacht voortdurend dan wel tijdelijk is, zonder fouten doorgeeft aan de wederpartij met wie hij handelt, tenzij hij daarbij een mogelijk voorbehoud voor eventueel nog nodige recherche maakt.7

3.5

In deze rechtspraak gaat het om de zorgvuldigheid die de verkopende makelaar in acht moet nemen indien hij relevante informatie verstrekt. Kort gezegd, handelt de makelaar in beginsel onzorgvuldig door ongeclausuleerd dergelijke informatie te verstrekken indien hij weet of behoort te weten dat deze niet juist is.8 Er ligt in deze rechtspraak tot op zekere hoogte ook een oordeel besloten in hoeverre de makelaar bij het verstrekken van dergelijke informatie mag afgaan op het onderzoek dat hij zelf heeft verricht dan wel, zonder eigen onderzoek, op de informatie die hij heeft ontvangen. Het ligt mijns inziens in de rede dat ook het antwoord op de vraag of de verkopende makelaar (onderzoek moet doen naar en/of) ongevraagd bepaalde informatie moet verstrekken aan de koper, afhangt van de omstandigheden van het geval. Daarbij zal onder meer relevant zijn of de verkopende makelaar op de hoogte is of behoort te zijn van de werkelijke stand van zaken9 c.q. of de koper mocht verwachten dat de makelaar op een bepaald punt informatie zou verstrekken.10

3.6

Het middel erkent dat de vraag of een makelaar jegens de koper voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, dient te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, maar bepleit binnen dat kader dat er een algemene onderzoeks-, informatie- en/of waarschuwingsverplichting bestaat in verband met eventuele op de te koop aangeboden onroerende zaak rustende beperkte rechten11 of beslagen. De verkopende makelaar heeft bij het sluiten van de koopovereenkomst steeds jegens de (particuliere) koper een onderzoeks- of waarschuwingsplicht ter zake van het risico dat de verkochte zaak verhypothekeerd of beslagen is. 12 Volgens het in de s.t. zijdens [verzoeker] nrs. 2.1.2-2.1.7 ontwikkelde betoog − dat is geënt op het proefschrift van Dammingh13 − moet de verkopende makelaar toch al zijn opdrachtgever ervoor behoeden dat deze wanprestatie pleegt jegens de koper door een hypotheek of beslag niet te vermelden (art. 7:15 BW). Daartoe moet de makelaar onderzoek verrichten in onder meer de openbare registers en de (ver)koper op de hoogte te stellen van zijn bevindingen.

3.7

Dammingh spreekt, als ik het goed zie, over de situatie in Nederland. Het Gemeenschappelijk Hof heeft zijn opvatting over de rol van de makelaar op Curaçao mede gebaseerd op de raadpleegbaarheid van de registers aldaar door op te merken dat er geen online raadpleging bestaat. Partijen hebben daar nog iets over gezegd. Volgens Remax (s.t. nr. 3.5) is raadpleging van de registers aldaar niet eenvoudig. Volgens [verzoeker] (repliek nr. 2) valt dat wel mee. Voor het middel is deze discussie echter niet doorslaggevend, omdat het middel kennelijk het ontbreken van een mogelijkheid van online raadpleging van de registers geen relevant gegeven acht voor de verplichtingen van de verkopende makelaar jegens (ook) de koper. Bovendien, zo begrijp ik, ook als raadpleging bezwaarlijk zou zijn, staat dat er niet aan in de weg dat de makelaar de koper kan waarschuwen dat deze zelf de moeite van een controle moet nemen.

3.8

De Curaçaose registers waren onderwerp van HR 14 juni 2013 in verband met de plicht van de notaris.14 Deze had bij eerste inzage alleen het E-register geraadpleegd, maar niet ook het B-register. Daardoor was een eerste hypotheek over het hoofd gezien. De notaris was daarvoor aansprakelijk jegens de bank die meende een recht van eerste hypotheek te hebben verkregen. Immers:

“3.4.1 (…) Op de notaris rust in zijn hoedanigheid, uit hoofde van zijn taak bij het verlijden van een akte, een zwaarwegende zorgplicht ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de in die akte opgenomen rechtshandelingen (HR 28 september 1990, LJN AC0095 , NJ 1991/473 en HR 20 december 2002, LJN AF0198 , NJ 2003/325 ). Deze zorgplicht geldt ook voor de notaris op Curaçao. Dit brengt mee dat, zoals ook het hof heeft overwogen, van de notaris bij een recherche als de onderhavige een hoge mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht.”

3.9

De opvatting van het middel impliceert dat de positie van de verkopende makelaar ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst met een particuliere koper (in Curaçao) met betrekking tot de bezwaardheid van de zaak in wezen dezelfde is als die van de notaris bij de overdracht.15 Voor die gelijkstelling bestaat m.i. onvoldoende grond. Makelaar en notaris hebben een verschillende rol en derden zullen verschillende verwachtingen mogen hebben in dat opzicht. De rol van de notaris brengt mee dat op het moment van de levering controle plaats vindt of de zaak onbezwaard is. Bij het normale geval van gelijk oversteken is dat ook voldoende om de koper te beschermen, omdat de koopprijs eerst na deze controle door de notaris wordt vrijgegeven. Een controle van de verkopende makelaar ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst maakt deze controle door de notaris niet overbodig, omdat zich relevante ontwikkelingen kunnen voordoen tussen het moment van de koop en dat van de levering. Daaruit volgt ook dat de controle door de makelaar, zoals door het middel bepleit, maar een beperkt nut zou hebben (een omstandigheid waarop het Gemeenschappelijk Hof ook impliciet wijst). Bovendien zal in veel gevallen de koper ervan uitgaan dat de verkochte zaak met hypotheek bezwaard is – denk aan de typische koop van woonhuizen tussen particulieren in Nederland – maar dat geen probleem vinden, juist omdat de notaris zorg moet dragen voor een onbezwaarde overdracht door eerst de hypotheekhouder van de verkoper te voldoen en daarna het eventuele restant van de koopsom aan de verkoper te betalen.

3.10

De opvatting van het middel impliceert voorts dat de positie van de verkopende makelaar de facto lijkt op die van een garant voor de verkoper. Nu (i) de verkoper jegens de koper op grond van art. 7:15 lid 1 BW aansprakelijk is voor de daar bedoelde bijzondere lasten en beperkingen die de koper niet uitdrukkelijk heeft aanvaard en (ii) de verkopende makelaar jegens zijn opdrachtgever de verantwoordelijkheid heeft dat ten behoeve van de opdrachtgever de in art. 7:15 BW bedoelde informatie aan de koper wordt verstrekt, dient (iii) de makelaar ervoor te zorgen dat de koper deze informatie heeft bij gebreke waarvan hij onrechtmatig jegens de koper handelt (met als implicatie dat de koper ter zake van de juridische gebreken van art. 7:15 BW ook in zijn verhouding met de makelaar geen onderzoeksplicht heeft). Het middel projecteert aldus de verplichtingen van de verkoper jegens de koper in dit opzicht zonder voorbehoud op de zorgvuldigheid die de verkopende makelaar jegens de koper in acht moet nemen. Volgens het middel dient de schadelast uiteindelijk ook bij de makelaar komen te liggen (en niet bij de verkoper).16 Het middel gaat daarmee voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid van de verkoper en de koper, terwijl voorts de betrokkenheid van de verkopende makelaar bij de totstandkoming van de overeenkomst van geval tot geval kan verschillen (anders dan die van de notaris bij de uitvoering ervan).

3.11

In de s.t. zijdens [verzoeker] nr. 2.1.9 wordt nog aangevoerd dat, zonder een onderzoeks- en mededelingsplicht van de verkopende makelaar met betrekking tot hypotheekrechten jegens de koper, bij faillissement van de verkoper (i) de hypotheekhouder tot executie zal overgaan, (ii) de boedel wordt verrijkt met de koopsom, waarna de curator geen prikkel meer heeft om de makelaar aansprakelijk te stellen, zodat (iii) de koper met lege handen staat en (iv) de makelaar ondanks zijn gebrekkige werk buiten schot blijft. Dit argument veronderstelt gebrekkig werk van de makelaar, terwijl de vraag juist is of deze een onderzoeks- of mededelingsplicht heeft. Bovendien illustreert het argument dat de pijn niet zit in het feit als zodanig dat er ten tijde van de koop een hypotheek of beslag was, maar in de concrete afspraak dat in verband met de bouw de koopsom goeddeels ‘vooruit’ werd betaald zonder levering vooraf of zekerheid.

3.12

Onderdeel 1 loopt dus stuk op zijn algemeenheid. Dat geldt zowel voor de algemene onderzoeksplicht van de verkopende makelaar als voor de daarvan door het middel afgeleide algemene waarschuwingsplicht van de makelaar die zelf geen onderzoek heeft verricht.

Voor zover het middel ook zo begrepen zou moeten worden dat subonderdeel 1.2 het Hof verwijt niet te zijn ingegaan op een concrete stelling van [verzoeker] over de waarschuwingsplicht van de makelaar in dit geval (s.t. zijdens [verzoeker] nr. 2.2.1), faalt het omdat het Hof deze stelling (inleidend verzoekschrift nr. 7) kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft betrokken op de ongebruikelijkheid van het contract in verband met de betaling zonder zekerheid of levering vooraf.

3.13

Onderdeel 2 komt met elf subonderdelen op tegen het oordeel van het Hof over de onderzoeksplicht en/of waarschuwingsplicht in dit geval. Subonderdeel 2.0, dat geen klacht bevat, noemt onder (a) - (o) een aantal feiten waarvan het stelt dat deze in cassatie als vaststaand moeten worden aangenomen:

(a) [verzoeker] c.s. zijn particulieren die ter zake aan- en verkoop van onroerend goed niet kundig zijn,

(b) de koopovereenkomst en aannemingsovereenkomst van 7 mei 2008 die uitgingen van levering voor 1 april 2009 zijn tot stand gekomen door bemiddeling van [betrokkene 2],

(c) Remax en/of [betrokkene 2] hebben die koopovereenkomst en aannemingsovereenkomst opgesteld, welke ten kantore van Remax zijn ondertekend en vlak voor ondertekening op het kantoor van Remax nog zijn aangepast,

(d) de koop- en aannemingsovereenkomst waren ongewone en risicovolle contracten waren, omdat de koop- en aanneemsommen reeds voorafgaand aan de levering en dus zonder eigendomsoverdracht werden betaald,

(e) t/m (l) door mij samengevat: het handelen van [betrokkene 2] kan aan Remax worden toegerekend,

(m) en (n) door mij samengevat: Remax was betrokken bij de voorbereiding van de bouw,

(o) de notaris (Burgers) is niet vanaf het begin af aan betrokken geweest bij de verkoop, maar slechts in 2009 betrokken bij de opstelling van een akte ter vastlegging van [betrokkene 1] schuld aan [verzoeker] c.s.

3.14

Uit deze omstandigheden leidt het middel af dat Remax (mede via [betrokkene 2]) nauw betrokken was bij de totstandkoming, opstelling en uitvoering van de koopovereenkomst en de aannemingsovereenkomst van 7 mei 2008 die de door de uitgestelde levering tot 1 april 2009 het ook voor Remax voorzienbare gevaar in het leven riepen van executie door de reeds bestaande hypotheekhouder of beslaglegger voorafgaande aan de levering. De gevolgen van het intreden van dat gevaar waren voorzienbaar des te groter omdat voor de levering op het perceel zou worden gebouwd. Subonderdeel 2.1 betoogt dat het Hof heeft miskend dat onder deze omstandigheden op Remax een onderzoeksplicht rustte ter zake van op 7 mei 2008 bestaande hypotheekrechten en/of door derden gelegde beslagen, althans een waarschuwingsplicht voor het gevaar van voorafgaand aan de levering (op 1 april 2009) bestaande hypotheekrechten en/of door derden gelegde beslagen.

3.15.1

Ik stel voorop dat het Hof in rov. 4.4 en 4.5 geen onderscheid maakt tussen Remax (in de persoon van [betrokkene 3]) en [betrokkene 2] en hen, wat betreft de aansprakelijkheid van Remax, dus over één kam scheert.

3.15.2

Uit rov. 4.4 volgt dat niet naar eventuele bezwaardheid is gevraagd, dat er geen spontane mededelingen over niet-bezwaardheid zijn gedaan en dat Remax (respectievelijk [betrokkene 2]) niet op de hoogte was van de bezwaardheid en geen reden tot twijfel had in dat opzicht. Het middel stelt niet en de in subonderdeel 2.0 genoemde omstandigheden – nog los van de vraag of deze inderdaad alle vaststaan - impliceren evenmin, dat Remax wist of aanleiding had te twijfelen aan de onbezwaarde staat van het perceel.

3.15.3

Met name de door het middel onder b-d genoemde omstandigheden suggereren dat Remax ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten op de hoogte was van de risicovolle betalings- en leveringsvoorwaarden uit de aannemingsovereenkomst.

Het Hof oordeelt in rov. 4.5 dat Remax geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van risicovolle betalings- en leveringsvoorwaarden uit de aannemingsovereenkomst, erop wijzend (i) dat namens Remax bij pleidooi onweersproken is gesteld dat zij pas in 2008 na herhaald aandringen een exemplaar van de aannemingsovereenkomst heeft ontvangen van [verzoeker] en (ii) dat van verdergaande betrokkenheid van Remax en/of [betrokkene 2] dan het aanwezig zijn van [betrokkene 2] op het kantoor van Remax bij het ondertekenen door [verzoeker] en [betrokkene 1] van de aannemingsovereenkomst, niet is gebleken. Uit rov. 4.5 volgt dat naar het oordeel van het Hof Remax ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten niet op de hoogte was van de risicovolle betalings- en leveringsvoorwaarden uit de aannemingsovereenkomst.

3.15.4

Onder deze omstandigheden getuigt het oordeel dat op Remax in concreto geen onderzoeks- of waarschuwingsplicht rustte mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting zodat subonderdeel 2.1 faalt. Subonderdeel 2.2 klaagt naar mijn mening ten onrechte dat het Hof onvoldoende is ingegaan op door het middel als essentieel gekwalificeerde stellingen. Zie voorts bij 3.19.

3.16

Het middel valt vervolgens de bij 3.16 onder (i) en (ii) bedoelde overwegingen aan in de subonderdelen 2.3-2.11. Ik bespreek deze klachten zoveel mogelijk tezamen, waarbij ik opmerk dat subonderdeel 2.3 geen afzonderlijke bespreking behoeft.

3.17

Het Hof kon overweging (i) aan zijn oordeel ten grondslag leggen. Anders dan subonderdeel 2.4 aanvoert, staat daaraan niet in de weg dat een eerst bij pleidooi in hoger beroep betrokken stelling in beginsel niet bij de beoordeling van het geschil mag worden betrokken. Remax heeft bij Memorie van grieven betoogd dat zij niet op de hoogte was van de inhoud van de aannemingsovereenkomst (MvG, p. 5, derde en vierde alinea, p. 6, tweede en derde alinea, p. 8 ad grief 3, p. 9 ad grief 10 (“Remax kreeg geen kopie van die overeenkomst.”). Bij pleidooi heeft zij die stelling nader uitgewerkt met de stelling dat zij pas in 2008 na herhaald aandringen een exemplaar van de aannemingsovereenkomst heeft ontvangen van [verzoeker] (pleitaantekening p.4, laatste alinea). Een dergelijke uitwerking is toegestaan.17

3.18

Op de betrokkenheid van Remax (c.q. [betrokkene 2]) bij de totstandkoming/opstelling van de aannemingsovereenkomst ziet in het bijzonder de in subonderdeel 2.0 onder c gestelde omstandigheid.18 Het middel verwijst hiervoor naar stellingen van [verzoeker] in eerste aanleg.19 Remax heeft haar betrokkenheid bij de totstandkoming/opstelling van de aannemingsovereenkomst in appel gemotiveerd ontkend.20

In het licht van dit debat komt mij de overweging in rov. 4.5 onder (ii) niet als onvoldoende gemotiveerd voor. Het Hof kon oordelen dat van verdergaande betrokkenheid van Remax en/of [betrokkene 2] dan het aanwezig zijn van [betrokkene 2] op het kantoor van Remax bij het ondertekenen door [verzoeker] en [betrokkene 1] van de aannemingsovereenkomst, niet is gebleken.

Ik voeg hieraan nog toe dat in het verzoekschrift nr. 621 en de CvR contra Remax nrs. 10-12 (waarop subonderdeel 2.9 wijst) niet specifiek wordt ingegaan op de betrokkenheid van Remax (c.q. [betrokkene 2]) bij de totstandkoming/opstelling van de aannemingsovereenkomst.

3.19

De klacht van subonderdeel 2.5, dat overweging (i) niet afdoet aan de betrokkenheid van Remax bij de totstandkoming, opstelling en uitvoering van die aannemingsovereenkomst zoals die blijkt uit de in middelonderdeel 2.0 genoemde stellingen, faalt. Hieruit volgt immers niet dat het oordeel van het Hof onjuist of onbegrijpelijk is. Het Hof heeft een ander feitelijk oordeel gegeven over de mate van betrokkenheid van Remax (c.q. [betrokkene 2]) bij de totstandkoming/opstelling van de aannemingsovereenkomst dan [verzoeker] heeft bepleit. Enige betrokkenheid bij de uitvoering van die overeenkomst (CvR contra Remax nrs. 10-12 en de daar genoemde producties) doet daar niet aan af.

Het feit dat Remax contact heeft gehad met [verzoeker] over het perceel (rov. 4.1 onder c) staat uiteraard niet in de weg aan de overweging (ii) van rov. 4.5, dat van verdergaande betrokkenheid van Remax (c.q. [betrokkene 2]) dan het aanwezig zijn van [betrokkene 2] op het kantoor van Remax bij het ondertekenen door [verzoeker] en [betrokkene 1] van de aannemingsovereenkomst, niet is gebleken. Subonderdeel 2.6 dat klaagt over innerlijke tegenstrijdigheid, faalt daarom.

De overweging (ii) van rov. 4.5 moet worden gelezen in het licht van de vraag of Remax een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van risicovolle betalings- en leveringsvoorwaarden uit de aannemingsovereenkomst. Het Hof bedoelt er niet mee te zeggen, dat dit meer in het algemeen de enige betrokkenheid van Remax (c.q. [betrokkene 2]) is geweest. De subonderdelen 2.7, 2.8 en 2.9 missen daarom feitelijke grondslag.

Met zijn oordeel over de betrokkenheid van Remax (c.q. [betrokkene 2]) bij de totstandkoming/opstelling van de aannemingsovereenkomst, reageerde het Hof mede op de stellingen van Remax in appel (zie bij 3.17). De subonderdelen 2.10 en 2.11 missen daarom feitelijke grondslag.

3.20

De klachten van de onderdelen 1 en 2 dienen naar mijn mening te falen en daarmee faalt ook de voortbouwende klacht van onderdeel 3.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vgl. het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 22 januari 2013, rov. 4.1 onder a-h.

2 Voor zover in cassatie van belang. Zie het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao van 9 januari 2012, rov. 2.1-2.3 en het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 22 januari 2013, rov. 1.2-1.5.

3 Ook de in beide feitelijke instanties afgewezen vordering in vrijwaring van Remax tegen [betrokkene 2] speelt thans geen rol meer.

4 HR 4 februari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB6918 (Gerritsen/Zwaan) NJ 1977/278 m.nt. G.J. Scholten.

5 Zie de procedure na verwijzing inzake Gerritsen/Zwaan: Hof Amsterdam 7 april 1978, ECLI:NL:GHAMS:1978:AB9723, NJ 1979/377.

6 HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6162 ([.../...]), JOR 2012/136 m.nt. J.J. Dammingh, NJ 2012/290 m.nt. L.C.A. Verstappen.

7 Vgl. ter illustratie voorts Hof Arnhem 23 januari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:AZ7311, NJF 2007/363 (De verkopende makelaar heeft onjuiste informatie over de belastbaarheid van de vloeren verstrekt. De zaak betreft overigens de financiële afwikkeling tussen verkoper en makelaar, nadat de makelaar de schade had vergoed); Rb Zutphen 16 juli 2008, ECLI:NL:RBZUT:2008:BD8382, NJF 2008/424 (Verkopend makelaar moet de op het pand rustende bestemming van “bedrijfswoning” eigener beweging aan de koper melden, ook als hijzelf geen problemen verwacht met gebruik als “woning”); Rb Arnhem 14 juli 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BN2953, JBN 2011/4 m.nt. W.H. Huijgen, NJF 2010/334 (Verkopende makelaar wist dat het bijgebouw van de te verkopen woning volgens het bestemmingsplan niet als woning mocht worden gebruikt maar desondanks wekte hij in de verkoopbrochure de indruk dat het bijgebouw wel bewoonbaar was en corrigeerde hij die indruk niet tijdens bezichtigingen).

8 Vgl. G.J. Scholten in zijn NJ-noot onder Gerritsen/ZwaanVerstappen; W.G. Huijgen, Beroepsaansprakelijkheid van de makelaar, JBN 2011/4; Dammingh noot bij HR 17 februari 2012, JOR 2012/136, ([.../...]), nr. 1 en 6; Verstappen in zijn noot bij HR 17 februari 2012, NJ 2012/290 ([.../...]), nrs. 8 en 10.

9 Vgl. Rb Zuthpen 21 juni 2001, ECLI:NL:RBZUT:2001:AB2290, rov. 6.18-6.19 (Verkopende makelaar negeert bestaan van bouwkundig rapport waaruit ernstige gebreken blijken); Hof Den Bosch 5 december 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4053, NJF 2007/83, rov. 4.8.2, 4.9.2-4.9.3 (Zaak bleek asbest te bevatten. Verkopende makelaar behoefde jegens zijn opdrachtgever niet opdracht te geven tot bodemonderzoek na ingewonnen informatie bij gemeente of tot nader onderzoek aan huis nu er geen aanleiding was om te vermoeden dat er in de woning asbest is verwerkt en er tijdens de visuele inspectie van de makelaar en andere terzake deskundige personen ook overigens geen asbesthoudend of verdacht materiaal was waargenomen).

10 Vgl. Rb Alkmaar 13 oktober 2000, ECLI:NL:RBALK:2000:AH8250, KG 2000/222 (Functie als makelaar brengt mee, zeker wanneer de wederpartij niet van enig deskundig te achten bijstand voorzien is, dat hij in zekere zin die wederpartij van enige adequate voorlichting voorziet, vooral als het gaat om een bijzonder vergaande verplichting [koop zonder financieringsvoorbehoud] die gedaagden volgens hem op zich hebben genomen). Vgl voorts K.J.O. Jansen, Aansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking, NTBR 2013/7 i.h.b. par. 4.2.

11 Ik neem aan: in het bijzonder hypotheekrechten.

12 Vgl. de schriftelijke toelichting (s.t.) zijdens [verzoeker] nrs. 1.10 en 2.1.2; repliek nr. 1..

13 Het betoog is gebaseerd op J.J.H. Dammingh, Bemiddeling door de makelaar bij de koop en verkoop van onroerende zaken, 2002, p. 272-273.

14 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5721, NJ 2013/340. Zie ook de conclusie van A-G Spier onder 5.3.1.

15 Zo ook de s.t. zijdens Remax nr. 3.4. Vgl. ook het argument in de s.t. zijdens [verzoeker] nr. 2.1.12.

16 S.t. zijdens [verzoeker] nr. 2.1.8.

17 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/116.

18 Zie de weergave in de s.t. zijdens [verzoeker] nrs. 1.10 en 3.1.1-3.1.6, in het bijzonder onder 3.1.3 waarin omstandigheid c voorkomt.

19 Inleidend verzoekschrift nr. 2 en CvR contra Remax nr. 15 (zoals weergegeven in het vonnis van het Gerecht van 9 januari 2012 rov. 2.2) en in hoger beroep (MvA nr. 14).

20 Zie de weergave in de s.t. zijdens Remax nr. 4.2.

21 Ten overvloede: het bij het verzoekschrift overgelegde p.v. van aangifte (blad 3) bevat hierover wel een opmerking.