Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:659

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-05-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
14/00345
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1597, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 28.4 WOTS. Afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de vordering voor het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België. Maatstaf bij een verzoek a.b.i. art. 328 jo 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid, welke bepalingen hier krachtens art. 28, vierde lid, WOTS van overeenkomstige toepassing zijn, is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken. In het oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat zij het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België niet noodzakelijk achtte. De Rechtbank heeft dus de juiste maatstaf gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00345 W

Mr. Spronken

Zitting: 27 mei 2014

Conclusie inzake:

[verdachte = veroordeelde]

1. Bij vonnis van 20 december 2013 heeft de Rechtbank Amsterdam verlof verleend tot de tenuitvoerlegging van het Hof van Beroep Antwerpen (België) van 28 februari 2011 waarbij [veroordeelde] wegens deelneming aan een criminele organisatie is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. De rechtbank heeft [veroordeelde] eveneens veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.


Het Hof van Beroep Antwerpen heeft [veroordeelde] daarnaast veroordeeld tot een geldboete van € 5.500,- te vervangen door drie maanden hechtenis. Hoewel het toepasselijke verdrag wel in de mogelijkheid daartoe voorziet, hebben de Belgische autoriteiten klaarblijkelijk niet om de tenuitvoerlegging van dit deel van het vonnis verzocht.1

2. Mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de rechtbank het verzoek tot nader onderzoek naar de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België heeft afgewezen.

4. De vraag die hier speelt is of de veroordeelde in België al na tenuitvoerlegging van 1/3e van de opgelegde gevangenisstraf voor ‘voorlopige’ invrijheidstelling in aanmerking zou komen en niet pas na ommekomst van 2/3e van de opgelegde gevangenisstraf voor ‘voorwaardelijke’ invrijheidstelling. De strafrechtelijke positie van [veroordeelde] zou worden verzwaard als hij in Nederland pas in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling na 2/3e van de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden, terwijl hij in België na 1/3e van die gevangenisstraf voorlopige in vrijheid zou kunnen worden gesteld. De raadsman heeft aangevoerd dat beide opties in België mogelijk zijn en hij heeft bovendien aangegeven dat [veroordeelde] voor voorlopige invrijheidstelling in aanmerking zou kunnen komen omdat hij tot een vrijheidsstraf tot en met drie jaar is veroordeeld.

5. Ter zitting van de rechtbank van 6 december 2013 heeft de raadsman van de veroordeelde verzocht het onderzoek aan te houden in verband met ‘onduidelijkheid over de VI-datum’. Het proces-verbaal van de zitting houdt hierover het volgende in:

‘De raadsman van de veroordeelde voert het woord tot verdediging en verklaart, zakelijk

weergegeven, als volgt:

[…]

Het Belgische recht kent twee systemen inzake de vervroegde invrijheidstelling: de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling. Bij vrijheidsstraffen tot en met drie jaar beslist de gevangenisdirecteur over voorlopige invrijheidstelling. In de regel wordt een veroordeelde voorlopig in vrijheid gesteld nadat hij één derde van de vrijheidsstraf heeft ondergaan. Bij een voorlopige invrijheidstelling worden minder eisen gesteld dan bij een voorwaardelijke invrijheidstelling. De Belgische autoriteiten dienen het verschil tussen beide mogelijkheden op te helderen. Gevraagd moet worden wanneer en onder welke omstandigheden een veroordeelde in het algemeen en mijn cliënt in het bijzonder in aanmerking komt voor voorlopige invrijheidstelling. De mededeling in het verzoek dat cliënt pas na 2/3e van zijn straf in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling is onvoldoende.

Ik verzoek u om deze twee redenen - het ontbreken van het Belgische strafmaximum en de onduidelijkheid over de VI-datum - het onderzoek aan te houden, teneinde nadere informatie in te winnen bij de Belgische autoriteiten.

[…]

De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

[…]

De Belgische autoriteiten hebben heel concreet gemeld op welk moment de veroordeelde in België in aanmerking zou zijn gekomen voor invrijheidstelling. Hij zou na 2/3e van zijn straf in aanmerking zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze mededeling roept geen vragen op.

[…]

De raadsman reageert, zakelijk weergegeven, als volgt:

[…]

De mededeling dat cliënt na 2/3e van de straf in aanmerking zou zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling zegt niets over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling.

[…]

Aan de veroordeelde wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

[…]

Van een gevangenisstraf van 30 maanden moetje in België automatisch maar tien maanden uitzitten. Bij een straf vanaf drie jaar en één dag moetje om VI vragen. Ik moet dus nog vijf maanden en een paar dagen zitten.’

6. De rechtbank heeft het verzoek het onderzoek aan te houden afgewezen en daartoe in haar vonnis het volgende overwogen:

‘In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de mogelijkheden van vervroegde invrijheidstelling naar Belgisch recht ziet de rechtbank evenmin aanleiding tot aanhouding van de behandeling van de vordering. Het verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging houdt op dit punt het volgende in:

ln België zou [betrokkene], gelet op de veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie, na 2/3e van zijn straf in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat de rechtbank aanneemt dat deze, op het concrete geval van de veroordeelde toegespitste, mededeling juist is en gebaseerd is op een correcte toepassing van het Belgische recht. Daaruit volgt dat de veroordeelde naar het oordeel van de Belgische autoriteiten klaarblijkelijk niet in aanmerking zou komen voor een voorlopige invrijheidstelling na 1/3e van de straf. Het algemene betoog van de raadsman, dat erop neer komt dat het Belgische recht naast de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling ook de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling kent, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel.’

7. De afwijzing door de rechtbank van het verzoek om aanhouding van de zaak ten einde nadere informatie in te winnen bij de Belgische autoriteiten in verband met ‘onduidelijkheid over de VI-datum’, kan niet los worden gezien van de gegevens waarop de rechtbank haar oordeel inzake de werkelijke duur van de detentie in België moet baseren.

8. In de eerste plaats is daarbij van belang dat Nederland als partij bij het EVIGS zich heeft verplicht de in België opgelegde straf niet te verzwaren. Art. 44, tweede lid, EVIGS luidt als volgt:

‘In determining the sanction, the court shall not aggravate the penal situation of the person sentenced as it results from the decision delivered in the requesting State.’2

9. Bij de beoordeling van het middel moet verder in aanmerking worden genomen dat, zoals de Hoge Raad in een arrest van 9 november 1999 heeft overwogen, de werkelijke duur van de detentie in het buitenland — alhoewel gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling dat veelal in beginsel kenbaar is — dikwijls afhankelijk is van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging.3 Daaraan heeft de Hoge Raad in een arrest van 17 februari 2009 toegevoegd dat als het gaat om een verweer dat door de omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van de veroordeelde dreigt te worden verzwaard:

‘de rechter, indien een dergelijk verweer is gevoerd, ervan blijk moet geven te hebben onderzocht - zonodig onder het doen inwinnen van nadere inlichtingen bij de verzoekende staat - of een eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling waartoe in de verzoekende staat bij voortgezette tenuitvoerlegging zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid zou zijn overgegaan, van dien aard zou zijn geweest dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf in een nadeliger positie zou zijn komen te verkeren voor wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft’4

10. Bij het bepalen van de werkelijke duur van de detentie in het buitenland heeft de rechtbank zich gebaseerd op hetgeen daaromtrent door de Belgische autoriteiten was medegedeeld in het ‘Verzoek overname tenuitvoerlegging van een strafvonnis’ gedateerd 18 april 2013.

11. In de onderhavige zaak heeft de raadsman en ook de veroordeelde zelf gewezen op een andere, voor de veroordeelde gunstiger regeling namelijk de voorlopige invrijheidstelling.

12. De Belgische Federale minister van Justitie heeft wel informatie verschaft over de toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak van de veroordeelde maar niet aangegeven dat en waarom de veroordeelde niet in aanmerking zou komen voor voorlopige invrijheidstelling. Nu daarover geen informatie is verstrekt, kan het vertrouwensbeginsel er niet aan in weg staan dat de rechtbank nadere informatie verzoekt over de toepassing van de voorlopige invrijheidstelling. Voor zover de rechtbank de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie aldus heeft uitgelegd dat de veroordeelde niet in aanmerking komt voor voorlopige invrijheidstelling, acht ik het oordeel van de rechtbank, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.5

13. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank geen enkele aandacht besteed aan de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België na tenuitvoerlegging van 1/3e van de gevangenisstraf. De overweging van de rechtbank dat het ‘algemene betoog’ van de raadsman ‘onvoldoende aanknopingspunten biedt’, acht ik evenmin begrijpelijk nu de raadsman wees op een regeling die betrekking heeft op ‘vrijheidsstraffen tot en met drie jaar’ en de veroordeelde daar onder valt met zijn veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, in combinatie met de voorgestelde vraag aan de Belgische autoriteiten of zijn ‘cliënt in het bijzonder in aanmerking komt voor voorlopige invrijheidstelling’. De raadsman behoeft en kan die vraag niet goed vooraf beantwoorden. Het is bij uitstek een vraag die de Belgische autoriteiten kunnen en moeten beantwoorden en mijns inziens heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten hierover inlichtingen in te winnen.

14. Ik heb mij in onderhavige zaak afgevraagd of het door de raadsman gevoerde verweer en daarop gebaseerde verzoek tot het inwinnen van nadere inlichtingen over de Belgische procedure met betrekking tot voorlopige invrijheidstelling hout snijdt. Alhoewel dat voor onderhavige cassatieprocedure en voor mijn conclusie dat het middel gegrond is niet direct relevant is, wil ik de Hoge Raad de belangrijkste resultaten van mijn (beknopte) onderzoek niet onthouden.

15. De tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen, die in België als ‘strafuitvoering’ wordt aangemerkt, is gecompliceerd te noemen en weinig overzichtelijk. Met betrekking tot de uitvoering van straffen van meer dan zes maanden maar niet meer dan drie jaar schrijft Van den Wyngaert in haar handboek ‘Strafrecht & Strafprocesrecht’ onder meer het volgende:

‘Voor veroordeelden tot gevangenisstraffen van meer dan 6 maanden, maar niet meer dan 3 jaar, wordt geen toepassing gemaakt van de regels inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling. Zij komen in aanmerking voor ambtshalve voorlopige invrijheidstelling na een in de omzendbrief bepaald gedeelte van hun straf te hebben ondergaan.

[…]

Door al deze maatregelen en omzendbrieven worden straffen van in totaal minder dan 3 jaar in de praktijk amper of helemaal niet uitgevoerd.’6

16. Van den Berge wijst op de problemen die de strafuitvoering meebrengt voor de rechterlijke macht. Ik citeer zijn instructieve introductie van een artikel dat is gewijd aan de effectieve duur van de detentie:

‘De uitvoering van vrijheidsstraffen in België wordt gekenmerkt door een zeer variabel systeem, zowel wat betreft het type van invrijheidstelling, de modaliteit van uitvoering als de duur.
Het volgende voorbeeld toont dit op extreme manier aan. Iemand die in staat van wettelijke herhaling veroordeeld wordt tot 3 jaar gevangenisstraf wordt van ambtswege vrijgesteld na 1 jaar en kan deze straf ondergaan zonder 1 dag in de gevangenis doorgebracht te hebben. Indien diezelfde persoon in staat van wettelijke herhaling wordt veroordeeld tot 3 jaar en 1 dag gevangenisstraf dan kan hij slechts na 2 jaar en 1 dag vrijgesteld worden mits hij akkoord gaat met het naleven van voorwaarden binnen een bepaalde proeftermijn. Of hoe een veroordeling tot 1 dag meer, minstens tot een detentie van meer dan 1 jaar kan leiden.’7

17. Beide bronnen bieden steun aan de indruk dat in de Belgische praktijk gevangenisstraffen tot en met drie jaren niet ten uitvoer worden gelegd. Die indruk vindt bevestiging in de recente beantwoording door de Federale minister van Justitie van vragen in de Belgische Senaat waarbij zij is ingegaan op de gevolgen die het celtekort heeft (gehad) voor de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen. Uit de beantwoording blijkt voorts dat als de straffen al ten uitvoer worden gelegd, dit in de meeste gevallen niet in de gevangenis gebeurt maar door middel van elektronisch toezicht.

18. Met betrekking tot de strafuitvoering deelde de Belgische minister van Justitie op vragen in de Senaat het volgende mede:

‘Bij mijn ambtsaanvaarding [december 2011, AG] werden bepaalde straffen van minder dan drie jaar niet uitgevoerd, maar het was niet duidelijk welke wel werden uitgevoerd en welke niet. We hebben het systeem veranderd om alle straffen vanaf zes maanden uit te voeren. Dat was mogelijk door de capaciteit voor elektronisch toezicht uit te breiden van achthonderd tot 1600 enkelbanden. Omdat onze wachtlijsten gedaald zijn en we een operationele werkreserve hebben, hebben we nu de ruimte om straffen vanaf vier maanden uit te voeren.

[…]

Vanaf 1 februari worden alle straffen vanaf vier maanden uitgevoerd.

[…]

In 2013 werden 9000 straffen uitgevoerd voor veroordelingen tussen zes maanden en drie jaar: 5000 met elektronisch toezicht en 4000 in de gevangenis.’8

19. Met andere woorden: gevangenisstraffen van minder dan drie jaar werden in december 2011 niet uitgevoerd waarbij voor de Belgische Federale minister van Justitie zelf niet duidelijk was welke wel werden uitgevoerd en welke niet. Inmiddels is de situatie gewijzigd en worden sinds 1 februari 2014 straffen vanaf vier maanden uitgevoerd. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de straf (volledig) in de gevangenis ten uitvoer wordt gelegd. In dit verband wijs ik erop dat de veroordeelde in België twintig weken en 20 dagen heeft gezeten en toen op borgtocht in vrijheid is gesteld.9 Gelet op de praktijk waarover de minister spreekt, is het waarschijnlijk te noemen dat een gevangenisstraf van minder dan drie jaar met elektronisch toezicht wordt uitgevoerd. Bovendien blijft het de vraag of gevangenisstraffen tot en met drie jaren voor zover deze worden tenuitvoergelegd, reeds na ommekomst van 1/3e van de opgelegde straf worden opgeschort in het kader van de voorlopige invrijheidstelling.

20. Het middel is terecht voorgesteld.

21. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar de Rechtbank opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het verzoek d.d. 18 april 2013 van de Belgische Federale Minister van Justitie houdt onder meer het volgende in: ‘Betrokkene werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden voor drugs en deelneming aan een vereniging.’ […] Mag ik u, ingevolge het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen van 28 mei 1970, verzoeken het uitgesproken arrest tegen [veroordeelde] te willen laten uitvoeren en mij op de hoogte te houden van de uitkomst hiervan.’ Zie artt. 1 onder (d); 2 onder (b) en 45 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (hierna: EVIGS), ’s-Gravenhage 28 mei 1970, Trb. 1971, 137; in werking getreden op 26 juli 1974 (Trb. 1987, 162, p. 9), voor Nederland op 1 januari 1988, voor België op 1 oktober 2010, Trb. 2012, 122, p. 8-9. Overigens heeft de veroordeelde ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij een geldbedrag heeft moeten betalen om vrij te komen (proces-verbaal van de zitting van 6 december 2013, p. 3),

2 Zie hierboven noot 2.

3 HR 9 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1570, NJ 2000, 334 m.nt. A.H.J. Swart, rov. 4.4.1.

4 HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6607, rov. 2.3.Zie ook HR 14 september 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM4453, rov. 2.4.,

5 Ik wijs op een andere zaak waarin de Belgische autoriteiten uitdrukkelijk hebben aangegeven of de veroordeelde voor voorlopige dan wel voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt: HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7975 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Silvis ECLI:NL:PHR:2012:BS7975 sub 16 (HR deed het middel af met art. 81 RO).

6 C. Van den Wyngaert m.m.v. B. De Smet en S. Vandromme, Strafrecht & Strafprocesrecht, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu 2011, p. 530 (voetnoot weggelaten).

7 Y. Van den Berge, ‘Vrijheidsstraffen: de effectieve duur van de detentie’, F. Verbruggen e.a. (red.), Strafrecht als roeping. Liber Amicorum Lieven Dupont, Leuven: Universitaire Pers 2005, p. 667.

8 Senaat 2013/14, 5-284COM, Handelingen Commissie voor de Justitie, p. 25-26 (11 februari 2014).

9 Officier van Justitie, proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 6 december 2013, p. 2.