Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:657

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
13/06131
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1595
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht pleegperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/06131

Mr. Spronken

Zitting: 13 mei 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 19 februari 2013 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, 2. een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het plegen van deze misdrijven een gewoonte is gemaakt, 3. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk. Het hof heeft aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde reclasseringscontact verbonden. Tevens heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een aantal onder verdachte in beslag genomen voorwerpen en heeft het de vorderingen van vier benadeelde partijen toegewezen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.

2. Mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft namens verdachte vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, het verzoek tot het doen uitvoeren van een tegenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] heeft afgewezen.

4. Ten laste van verdachte is onder feit 1 bewezen verklaard dat

“hij, in de periode van 01 september 2008 tot en met 01 januari 2010 te Spijkenisse, meermalen, met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2002), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen, althans eenmaal:

- tongzoenen van [slachtoffer 2] en
- wrijven over de billen van [slachtoffer 2] en
- brengen van een hand van [slachtoffer 2] naar zijn, verdachtes, met kleding bedekte penis en leggen van die hand op zijn, verdachtes, met kleding bedekte penis en
- brengen en houden van een vinger in de vagina van [slachtoffer 2] en heen en weer bewegen van een vinger in de vagina van [slachtoffer 2]”.

5. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de inhoud van het op 6 januari 2011 afgenomen studioverhoor van de destijds achtjarige [slachtoffer 2], waarin zij vertelt over hetgeen is voorgevallen tussen verdachte en haar toen zij zes en zeven jaar oud was.

6. Over dit studioverhoor is door klinisch psycholoog J. van der Sleen op 23 augustus 2011 een rapport uitgebracht, dat onder meer inhoudt:

“De inhoud van de verklaring van [slachtoffer 2]

Met betrekking tot de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 2] valt het volgende op te merken:

Volledigheid
De verklaring is niet summier of vaag. Seksuele handelingen of details van seksuele handelingen ontbreken niet. Ook is de context waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden niet onduidelijk.

Accuraatheid
De verklaring van [slachtoffer 2] bevat geen onmogelijkheden of tegenstrijdigheden over de seksuele handelingen die zouden zijn verricht.
Er zijn geen problemen met de tijdlijn.
De handelingen worden niet binnen een onmogelijke context geplaatst.
Voor zover ik het kan overzien is de verklaring niet tegenstrijdig met de aangetroffen foto’s.
(…)
De verklaring van [slachtoffer 2] is niet tegenstrijdig met de verklaring van andere getuigen: [slachtoffer 2] vertelt met betrekking tot de seksuele handelingen dat [verdachte] deze onder andere verrichtte als de moeder van [betrokkene 1] uit was. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 16 februari 2011 blijkt dat [betrokkene 2] heeft verteld dat de situatie zich heeft voorgedaan dat zij met een vriendin uitging en dat [verdachte] dan bij de kinderen bleef.

Consistentie
De verklaring die [slachtoffer 2] tijdens het verhoor in de kindvriendelijke verhoorstudio aflegt, is niet tegenstrijdig met eerdere uitspraken die zij gedaan heeft. Volgens het proces-verbaal van het informatieve gesprek heeft [slachtoffer 2] bij de disclosure verteld/voorgedaan dat [verdachte] aan zijn vinger likte nadat hij deze in haar vagina had gedaan. Hier komt [slachtoffer 2] tijdens het verhoor in de kindvriendelijke studio niet mee. Zoals hierboven al genoemd is het zeer gebruikelijk dat een bepaald detail op een gegeven moment niet (meer) wordt genoemd, een zogenaamde omissie.

Er is geen sprake van een zich uitbreidend verhaal.
Er is geen sprake van een ‘opgedreund’ verhaal waarbij aanvullende vragen door [slachtoffer 2] niet beantwoord kunnen worden.

Al met al zijn er naar mijn oordeel geen problemen te ontdekken met betrekking tot de volledigheid, de accuraatheid en de consistentie van de verklaring van [slachtoffer 2].

De ontstaansgeschiedenis van de verklaring van [slachtoffer 2]

Zowel de moeder van [slachtoffer 2], de vriend van de moeder van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 2] vertellen over de manier waarop [slachtoffer 2] is gaan vertellen over het vermeende seksueel misbruik door verdachte [verdachte], de zogenaamde disclosure. Deze verklaringen komen vrij goed overeen. In alle drie de verklaringen komt naar voren dat [slachtoffer 2] al bij de disclosure verschillende handelingen benoemd heeft. Er lijkt dus geen sprake geweest van herhaaldelijke suggestieve vragen, langdurig aandringen of andere sturing totdat [slachtoffer 2] met een verhaal kwam.

Met betrekking tot het verhoor in de kindvriendelijke verhoorstudio de volgende opmerkingen:
- De verhoorder geeft de vereiste instructies aan [slachtoffer 2] voorafgaand aan het stellen van zaakgerichte vragen.
- De verhoorder geeft [slachtoffer 2] in het algemeen te weinig gelegenheid om uit zichzelf te vertellen.
- De verhoorder is een aantal malen suggestief in haar vraagstelling:
> (…): “Wat heeft die toen daar nog meer gedaan, toen die keer de laatste keer?” De vraag suggereert dat de verdachte nog meer gedaan heeft, terwijl dat juist de vraag is.
> (…): “Met z’n hand. En wat heeft die dan nog meer gedaan?” (…) “En verder? En verder, wat heeft dien dan nog verder gedaan?”
> (…) “Wil je dan eens voordoen hoe je precies moest gaan zitten op, in de douche zeg je hè?” [slachtoffer 2] heeft op dat moment niet gezegd dat de verdachte zei dat ze ‘moest’ zitten op een bepaalde manier. Ze heeft alleen verteld dat ze zat met de benen open.
Overwegend zijn de vragen echter in orde. Daarbij is er geen sprake van positieve feedback op ‘gewenste’ antwoorden en negatieve feedback op ‘ongewenste’ antwoorden, druk op [slachtoffer 2] om te vertellen of andere suggestieve opmerkingen.

Al met al is de kwaliteit van het verhoor echter niet zodanig dat de verklaring van [slachtoffer 2] tijdens het verhoor in de kindvriendelijke studio door een beïnvloedende werkwijze van de verhoorder kan zijn ontstaan.

De mogelijkheid dat de verklaring door onbewuste beïnvloeding van volwassenen in de omgeving van [slachtoffer 2] kan zijn ontstaan, wordt naar mijn oordeel dan ook niet ondersteund.

Voor de mogelijkheid dat er sprake is geweest van bewuste beïnvloeding van [slachtoffer 2] is geen ondersteuning te vinden in het dossier. Ook is in het dossier zoals dat er nu ligt maar mijn oordeel geen ondersteuning te vinden voor de mogelijkheid dat [slachtoffer 2] het verhaal zelf heeft verzonnen of voor een ander scenario waardoor het verhaal van [slachtoffer 2] tot stand kan zijn gekomen.

Conclusies met betrekking tot de verklaring van [slachtoffer 2]

In het dossier zoals dat er nu ligt zijn er naar mijn oordeel:
- Geen problemen te ontdekken met betrekking tot de inhoud (volledigheid, accuraatheid en consistentie) van de verklaring van [slachtoffer 2].
- Geen problemen te ontdekken met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van de verklaring van [slachtoffer 2].”

7.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2013 het volgende aangevoerd:

“[H]etgeen [slachtoffer 2] heeft gezegd kan niet zonder meer als betrouwbaar worden aangemerkt. (…) De oorzaken waarom de verklaring van [slachtoffer 2] niet betrouwbaar is, volgen wat mij betreft duidelijk uit het deskundigenrapport.

In het deskundigenrapport wordt vermeld dat er problemen zijn rondom de ontstaansgeschiedenis van de verklaring van [slachtoffer 2]. Die problemen zijn ontstaan omdat er twee belangrijke zaken niet correct zijn gegaan.

1.

De verhoorder geeft [slachtoffer 2] in het algemeen te weinig gelegenheid om uit zichzelf te vertellen.
2. De verhoorder is een aantal malen suggestief in haar vraagstelling. (…)

Maar, zo voegt zij eraan toe: “Overwegend zijn de vragen echter in orde”. Kennelijk vindt de deskundige dat het volstaat dat de vragen overwegend in orde zijn. Ik vind dit onbegrijpelijk. We hebben hier te maken met een kind. Een kind dat jaren na dato met een verklaring komt. En een kind dat net zoals alle andere kinderen beïnvloedbaar is. Er kan niet volstaan worden met vragen die “overwegend” in orde zijn. Alle vragen moeten in orde zijn. Ik merk op dat de suggestieve vragen juist gesteld worden op de momenten dat [slachtoffer 2] stil valt. Op cruciale momenten worden er aan haar vragen gesteld als “En verder, en verder”? De deskundige gaat wat mij betreft veel te gemakkelijk voorbij aan de mogelijkheid dat [slachtoffer 2] wel degelijk beïnvloed is door de suggestieve vragen.

Bovendien zijn de suggestieve vragen niet het enige probleem. Uit het deskundigenrapport blijkt ook dat de verhoorder [slachtoffer 2] gedurende het gehele verhoor te weinig gelegenheid geeft om uit zichzelf te vertellen. Het gaat mij om deze combinatie. Er was te weinig gelegenheid om uit zichzelf te vertellen én er was op cruciale momenten sprake van suggestieve vragen. Om vervolgens met die combinatie als deskundige te concluderen: “al met al is de kwaliteit van het verhoor echter niet zodanig dat de verklaring van [slachtoffer 2] tijdens het verhoor in de kindervriendelijke studio door een beïnvloedende werkwijze van de verhoorder kan zijn ontstaan”, vind ik onbegrijpelijk. (…)

In ieder geval is mijn conclusie dat de problemen die in het deskundigenrapport aan de orde worden gesteld, dusdanig zijn dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer 2] is beïnvloed. Ik verzoek u dan ook om de conclusie van de deskundige niet over te nemen.

Als u de conclusie wel overneemt, doe ik een deskundigenverzoek. De verklaring van [slachtoffer 2] is cruciaal en er zijn problemen rond de ontstaansgeschiedenis van haar verklaring. Als u de conclusie overneemt, acht ik het noodzakelijk dat een andere deskundige zich op basis van het studioverhoor uitlaat over de vraag welke conclusie er moet worden verbonden aan het feit dat [slachtoffer 2] onvoldoende uit zichzelf kon vertellen en het feit dat er op cruciale momenten suggestieve vragen aan haar zijn gesteld.”

8.

Het hof heeft ten aanzien van feit 1 het volgende overwogen:

“Het hof stelt voorop dat de klinisch psycholoog drs. J. van der Sleen in haar rapport d.d. 24 augustus 2011 heeft geconcludeerd dat er geen problemen te ontdekken zijn met betrekking tot de volledigheid, accuraatheid en consistentie van de verklaring van [slachtoffer 2]. Overwegend zijn de vragen in orde. Er is geen sprake van positieve feedback op ‘gewenste’ antwoorden en negatieve feedback op ‘ongewenste’ antwoorden, druk op [slachtoffer 2] om te vertellen of andere suggestieve opmerkingen. Afgezien van een aantal suggestieve vragen zijn er geen problemen te ontdekken met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van haar verklaring. De stelling dat [slachtoffer 2] is beïnvloed door haar moeder, stiefvader of de verhoorders wordt naar het oordeel van de psycholoog niet ondersteund en voor die stelling is ook naar ’s hofs oordeel geen grond aanwezig. Het hof is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] steun vindt in hetgeen haar moeder bij de politie heeft verklaard (…), omdat daaruit naar voren komt dat zij consistent is geweest in haar verklaring. Het hof heeft vastgesteld dat [slachtoffer 2] bovendien heel expliciet heeft verklaard over de handelingen die verdachte bij haar heeft gedaan, waaronder het met zijn vinger binnendringen in haar lichaam. Het hof is derhalve van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en als bewijs kan worden gebezigd. (…)

Het hof ziet geen noodzaak een deskundige te benoemen teneinde de totstandkoming van de verklaring van [slachtoffer 2] nader te onderzoeken, nu het hof zich voldoende voorgelicht acht. Derhalve wijst het hof [het] verzoek af.”

9.

Volgens vaste rechtspraak kan de eis van een eerlijke procesvoering meebrengen dat aan een verzoek om tegenonderzoek gevolg moet worden gegeven. Of zich een dergelijk geval voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van - bijvoorbeeld - de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die gewoonlijk wordt toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.1

10.

De raadsvrouw verbindt aan de bevindingen die in het deskundigenrapport van drs. Van der Sleen staan weergegeven kennelijk de conclusie dat [slachtoffer 2] te weinig gelegenheid heeft gehad uit zichzelf haar verhaal te vertellen en dat op cruciale momenten tijdens het verhoor suggestieve vragen zijn gesteld. Op basis van deze interpretatie van het rapport en uitgaande van de stelling dat alle vragen in orde moeten zijn, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer 2] is beïnvloed tijdens het verhoor.

11.

Die conclusie kan ik niet onderschrijven. Naar mijn mening heeft het hof terecht overwogen dat het rapport expliciet inhoudt dat geen problemen zijn te ontdekken met betrekking tot de inhoud (volledigheid, accuraatheid en consistentie) of de ontstaansgeschiedenis van [slachtoffer 2]’s verklaring. De gestelde vragen zijn overwegend in orde, er is geen sprake van positieve feedback op ‘gewenste’ antwoorden of van negatieve feedback op ‘ongewenste’ antwoorden en er is geen sprake van druk op [slachtoffer 2] om te vertellen of andere suggestieve opmerkingen. Weliswaar is een aantal keren een suggestieve vraag gesteld, maar dat dit op cruciale momenten zou zijn gebeurd, zoals de raadsvrouw meent, kan ik uit het rapport niet afleiden. Volgens drs. Van der Sleen hebben de suggestieve vragen kennelijk geen afbreuk gedaan aan de betrouwbaarheid van het verhoor als geheel, aangezien zij heeft geconcludeerd dat de kwaliteit van het verhoor niet zodanig is dat de verklaring van [slachtoffer 2] door een beïnvloedende werkwijze van de verhoorder kan zijn ontstaan. Bovendien is naar haar oordeel in het dossier geen steun te vinden voor de mogelijkheid dat [slachtoffer 2] bewust of onbewust is beïnvloed door volwassenen in haar omgeving.

12.

De gronden waarop het verzoek steunt, zijn naar mijn oordeel terug te voeren op een onjuiste lezing door de raadsvrouw van het deskundigenrapport van drs. Van der Sleen, waarbij zij in feite op de stoel van de deskundige gaat zitten. Ik acht het oordeel van het hof dat het geen noodzaak ziet een tweede deskundige benoemen om nogmaals de totstandkoming van de verklaring van [slachtoffer 2] te onderzoeken, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

13.

Het middel faalt.

14.

Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 2. Aangevoerd wordt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte kinderpornografisch materiaal heeft verspreid.

15.

Onder feit 2 is ten laste van verdachte kort gezegd bewezen verklaard dat hij in de periode van 1 april 2005 tot en met 12 november 2010 meermalen kinderporno heeft verspreid, vervaardigd en in bezit heeft gehad en dat hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

16.

In een geval als het onderhavige, waarin het hof in de bewezenverklaring onderscheiden alternatieven heeft opengelaten, namelijk “heeft verspreid en vervaardigd en in bezit gehad”, moet elk van die alternatieven door bewijsmiddelen worden ondersteund.2

17.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat op gegevensdragers die op de zolder van de woning van verdachte zijn aangetroffen, waaronder een computer, 401 kinderpornografische afbeeldingen afkomstig van het internet stonden en meer dan 100 kinderpornografische foto’s die in de woonomgeving van verdachte zijn gemaakt. Bewijsmiddel 25 houdt in dat circa 135 foto’s die zijn aangetroffen in het onderzoek ‘Rembrandt’ - waarmee blijkens de gedingstukken het onderzoek naar verdachte wordt bedoeld - zijn voorgelegd aan een internationaal politienetwerk. In aanmerking genomen dat de van het internet afkomstige afbeeldingen zonder meer (openbaar) toegankelijk zijn in het buitenland en er dus geen enkel belang bestaat om deze foto’s voor te leggen aan buitenlandse opsporingsinstanties, kan de conclusie worden getrokken dat de voorgelegde afbeeldingen door verdachte zelf gemaakte foto’s betroffen. Uit de ontvangen reacties bleek dat minimaal drie van die afbeeldingen, die voldoen aan de criteria van art. 240b Sr, zijn aangetroffen in onder andere het Verenigd Koninkrijk, Roemenië en Duitsland. Nu verdachte blijkens bewijsmiddel 7 de enige was die de computer op zolder gebruikte, is het kennelijke oordeel van het hof dat verdachte degene is geweest die in ieder geval drie zelfgemaakte kinderpornografische foto’s heeft verspreid, niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging is voldoende gemotiveerd.

18.

Het middel faalt.

19.

Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed omdat deze in strijd met art. 342, tweede lid, Sv slechts steunt op de verklaring van het slachtoffer. Daartoe wordt aangevoerd dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen van haar ouders slechts zijn gebaseerd op hetgeen het slachtoffer hen heeft verteld en dat het feit dat verdachte kinderpornografische foto’s heeft gemaakt van het slachtoffer in een te ver verwijderd verband staat tot de ten laste gelegde ontucht. Bovendien wordt geklaagd dat de begindatum van de bewezen verklaarde periode niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat niet onomstotelijk vast staat dat de foto’s van het slachtoffer op 24 mei 2010 zijn gemaakt en ook niet kan worden aangenomen dat met het maken van de foto’s ook de ontucht een aanvang heeft genomen.

20.

Bij de beoordeling van het middel is het navolgende van belang. Het tweede lid van art. 342 Sv houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Dit voorschrift betreft de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. De vraag of aan het zogenoemde bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel nader heeft gemotiveerd. Vereist is in ieder geval dat de verklaring van de getuige voldoende wordt ondersteund door bewijsmateriaal uit een andere bron, hetgeen het geval zal zijn als het verband tussen die verklaring en de overige bewijsgronden niet te ver verwijderd is.3

21.

Verder is van belang een onderscheid te maken tussen de voor het bewijs geldende minimumregels, waarvan art. 342 lid 2 Sv onderdeel uitmaakt, en het oordeel over de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring, in casu de verklaring van een kind. Als het gebezigde bewijs uitsluitend zou zijn gebaseerd op één getuigenverklaring, dan levert dat een schending op van art. 342 lid 2 Sv, ook al wordt die verklaring nog zo betrouwbaar geacht.4

22.

De vraag of er voldoende steunbewijs aanwezig is indien de bewezenverklaring zwaar leunt op de verklaring van één getuige, zoals vaak het geval is bij zedendelicten, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn daarvoor enige regels in de jurisprudentie geformuleerd. Zo moet het steunbewijs “voldoende steun” geven aan de verklaring van de getuige en mag er geen sprake zijn van “een te ver verwijderd verband”.5 Duidelijk is in ieder geval dat het steunbewijs in beginsel niet afkomstig mag zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat haar of hem is overkomen. Een dergelijke de auditu verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op.6 Wel zouden bepaalde waarnemingen die de getuige de auditu persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs kunnen opleveren. In dit verband heeft mijn ambtgenoot Hofstee in zijn conclusie voor HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158 opgemerkt dat eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt (bijvoorbeeld de seksuele handelingen) bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend kunnen zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis kunnen spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.7 Hofstee noemt als voorbeelden de fysieke of geestelijke staat waarin het jonge slachtoffer zich bevond, de kleding die het slachtoffer droeg of dagboekaantekeningen van het slachtoffer.

23.

Dan keer ik nu terug naar de bespreking van het middel.

24.

De bewezenverklaring van feit 3 luidt dat verdachte

“in de periode van 24 mei 2010 tot en met 10 februari 2011 te Spijkenisse, meermalen, althans eenmaal, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2006), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het

- uitkleden van [slachtoffer 1] en
- zich laten kietelen door [slachtoffer 1] en
- laten wrijven over zijn, verdachtes, billen en penis, door [slachtoffer 1] en
- wrijven over de vagina en billen van [slachtoffer 1].”

25.

In de aanvulling op het verkort arrest zijn de volgende bewijsmiddelen opgenomen die betrekking hebben op de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde:

“8. Een proces-verbaal van aangifte (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 20 februari 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 3], namens (…) [slachtoffer 1]:

Ik wil aangifte doen van het feit dat van [ons kind] [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2006, pornografische opnamen zijn gemaakt door een man die wij kennen als [verdachte]. Mocht het zo zijn dat blijkt dat deze opnamen ook verspreid zijn of dat hij [ons kind] seksueel misbruikt heeft, willen we dat hij daar ook voor gestraft wordt. Politieagenten hebben verteld dat er pornografische opnamen van mijn kinderen zijn gemaakt. Wij wonen in de [a-straat] in Spijkenisse. Bij ons in de wijk zijn een aantal kinderen in de leeftijd van (…) [slachtoffer 1] die met elkaar spelen. [betrokkene 1], de zoon van [verdachte] en [betrokkene 2], maakt ook deel uit van dat groepje kinderen. De kinderen spelen bij [verdachte] en [betrokkene 2] binnen en in de tuin.

9.

Een proces-verbaal van aangifte (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 9 juni 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 3], namens (…) [slachtoffer 1]:

Ik heb besloten aanvullend aangifte te doen van seksueel misbruik van mijn dochter [slachtoffer 1]. Mijn dochter [slachtoffer 1] heeft mij recent verteld dat [verdachte] haar heeft betast en dat zij op een seksuele manier aan hem moest zitten. Ik vroeg aan [slachtoffer 1] of [verdachte] wel eens aan haar had gezeten. Ik zag dat zij met haar hand bewoog richting haar kruis. Ik vroeg hierna aan [slachtoffer 1] of [verdachte] haar nog ergens anders had aangeraakt. [slachtoffer 1] zei hier en ik zag dat zij met haar hand op haar venusheuvel wees. Ik zag dat [slachtoffer 1] eerst haar hand op haar onderbroek legde. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer 1] diezelfde hand via haar broekspijpje onder haar onderbroek op haar geslachtsdeel legde. Ik vroeg daarbij of [verdachte] haar alleen over haar onderbroekje had aangeraakt of ook daaronder. [slachtoffer 1] zei "Ook zo" en ik zag dat zij haar hand onder haar onderbroek deed en daarmee over haar kruis wreef. Ik zag toen dat zij haar hand via het pijpje van haar kinderslip op haar geslachtsdeel legde. Mijn echtgenoot [betrokkene 4] zei tegen [slachtoffer 1]: "Dus [verdachte] heeft aan jou gezeten. Hoe ging dat dan?". [slachtoffer 1] maakte toen met haar hand weer dezelfde wrijvende beweging op haar onderbroek over haar kruis. [betrokkene 4] vroeg daarna aan [slachtoffer 1] of zij [verdachte] wel eens had geaaid. [slachtoffer 1] maakte toen met haar hand een wrijvende beweging op haar onderbuik. Die beweging was een op en neer gaande beweging, alsof zij met haar hand over een stijve penis wreef. (…)

10.

Een proces-verbaal van verhoor getuige (…).Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 11 juni 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:

Mijn dochter [slachtoffer 1] vertelde dat zij [verdachte] kent. Ik vroeg of hij wel eens iets met haar had gedaan. [slachtoffer 1] zei "over mijn bolletje en billen geaaid". Terwijl zij vertelde over haar billen, wreef zij met haar hand over haar geslachtsdeel. Toen vroeg ik zoiets van "heb je wel eens iets bij hem terug gedaan?". Toen wreef ze weer over haar geslachtsdeel en zei ze "bij zij". Ze bedoelt dan hem.

11.

Een geschrift, zijnde een uitgewerkte tekst van het studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 14 juni 2011 (…). Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

[verdachte] heeft iets bij mij gedaan. Hij heeft dat gedaan (wrijft met haar hand over haar geslachtsdeel). Ik heb dit bij hem gedaan en hij bij mij. Ik ging bij [betrokkene 1] spelen. Hij woont vlak bij ons. [verdachte] was daar. [verdachte] is de vader van [betrokkene 1]. Toen ging hij mij kietelen. Het was "op een hoge kamer" in het huis van [betrokkene 1]. Een hoge kamer is "trap trap trap trap trap". Verhoorder: "Allemaal trappen?" [slachtoffer 1]: "heel veel". Tot het plafond. Die hoge kamer is een andere kamer dan waar [betrokkene 1] slaapt. Er slaapt niemand in de hoge kamer. Met zijn hand wreef hij aan mijn billen. Ik vond het gewoon lekker toen [verdachte] zo ging wrijven bij mijn billen. Mijn kleren waren uit. [verdachte] had die uitgedaan. Hij ging mijn broek naar beneden doen. Dat gebeurde bij [betrokkene 1] thuis. Toen [verdachte] zo aan het wrijven was over mijn billen was [betrokkene 1] in zijn kamer. Niemand kan het gezien hebben. En [betrokkene 1]? "Ook niet. Die had straf". Ik moest [verdachte] ook kietelen. Ik moest [verdachte] wrijven op zijn billen.

12.

Een rapport van Kinterview advies & training forensische interview omtrent de beoordeling of het studioverhoor van [slachtoffer 1] op de juiste wijze heeft plaatsgevonden en of haar verklaring betrouwbaar is, d.d. 24 augustus 2011, opgemaakt en ondertekend door de deskundige J. van der Sleen, klinisch psycholoog, Rijksuniversiteit Groningen. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als relaas van deze deskundige:

Het verhoor van [slachtoffer 1] heeft in de kindvriendelijke verhoorstudio plaatsgevonden en is volgens de regels der kunst verricht. Er is geen reden om te veronderstellen dat de verklaring van [slachtoffer 1] door de verhoorder is beïnvloed. De verklaring die [slachtoffer 1] heeft afgelegd in de kindvriendelijke studio is niet tegenstrijdig met eerdere uitspraken van [slachtoffer 1]. De verklaring van [slachtoffer 1] is consistent.

13.

Een proces-verbaal van aanhouding (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als bevinding van de dienstdoende verbalisanten:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats], is op 11 februari 2011 aangehouden.

23.

Een proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goed met bijlage betreffende Meisje 3 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (…) -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

In het opsporingsonderzoek contra [verdachte] werd op donderdag 11 november 2010 op het adres [b-straat 1] te Spijkenisse binnengetreden en werden goederen in beslag genomen, waaronder [digitale gegevensdragers]. (…) Op 13 januari 2011 is door mij, verbalisant, een nader onderzoek ingesteld naar het aangetroffen materiaal.

Ik verbalisant zag dat een grote hoeveelheid privé of familieafbeeldingen vervaardigd waren van verdachte [verdachte], getuige [betrokkene 2] en hun kinderen [betrokkene 1] en [betrokkene 5]. (…) Ik zag dat in deze fotoverzameling een aantal foto’s voorkwam van een meisje in de leeftijd van ongeveer 4 jaar oud met blond lang haar. Het meisje heeft een blanke huidskleur en een slank postuur.
Het meisje wordt in dit proces-verbaal ‘meisje 3’ genoemd. Ik zag dat de opnames van meisje 3, zijn gemaakt op een speelveld. De opnames van meisje 3 zijn vermoedelijk gemaakt op 24 mei 2010. (…) Totaal zijn 10 afbeeldingen aangetroffen van meisje 3. Daarvan voldoen 4 afbeeldingen aan de criteria van artikel 240b Wetboek van Strafrecht. (…)

Afbeelding1
Meisje 3 is op deze afbeelding ongeveer 4 jaar oud. Het meisje zit gehurkt in het gras. Ze draagt een kort jurkje en roze sandalen en een roze onderbroek. Het meisje zit gehurkt bij een hondje. Van onderen vanuit het gras is een afbeelding vervaardigd van haar billen en vagina. Alleen haar voeten benen en geslachtsdelen zijn in beeld. Deze afbeelding is vermoedelijk vervaardigd op 24 mei 2010. (…) Afbeeldingen 2, 3, 4 zijn soortgelijke afbeeldingen als afbeelding 1. (…)

30.

Een proces-verbaal van bevindingen (…) Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

(…) Meisje 3 is [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum]/2006 te [geboorteplaats].”

26.

In zijn bewijsmotivering heeft het hof het volgende overwogen, waarbij hieronder slechts die overwegingen zullen worden aangehaald die betrekking hebben op de in het middel verdedigde stelling dat de bewezenverklaring uitsluitend is gebaseerd op de verklaring van het slachtoffer en derhalve in strijd is met het vereiste van art. 342 lid 2. De overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer, [slachtoffer 1], zullen daarom worden weggelaten:

‘Feit 3.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, het verweer gevoerd - zakelijk weergegeven - dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor bewezenverklaring van feit 3, zodat de verdachte ook van dat feit behoort te worden vrijgesproken.

[…]

De foto's van [slachtoffer 1] kunnen niet dienen als ondersteunend bewijs omdat daarop geen ontuchtige handelingen te zien zijn. Bovendien is, gelet op de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1] in de aangifte, de aangifte gedaan vanwege de ernstige gezichten van de rechercheurs die zij de dag voor de aangifte heeft gesproken. Er is naar de mening van de raadsvrouw geen bewijs voorhanden dat de kern van de tenlastelegging raakt.

[… de reactie van het hof op voormeld verweer, AG]

De verklaring van [slachtoffer 1] is weliswaar summier, maar staat niet op zichzelf. De verklaring van [slachtoffer 1] vindt steun in het bewijs van feit 2 voor zover dat feit ziet op de foto's die van haar zijn gemaakt. Uit deze foto's blijkt minst genomen de fascinatie van verdachte voor haar naakte geslachtsdelen. Het hof is voorts van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat er alternatieve scenario's zijn. Hieraan doet niet af dat de ouders van [slachtoffer 1] geen ontucht en/of gedragsverandering hebben waargenomen. Dat de ouders van [slachtoffer 1] eerst aangifte hebben gedaan nadat zij de ernstige gezichten van de verbalisanten zagen, is niet aannemelijk geworden. Daarentegen lijkt de aanleiding voor het doen van aangifte gelegen in het feit dat [slachtoffer 1] niet alleen aan haar ouders heeft verteld wat de verdachte bij haar heeft gedaan, maar ook heeft voorgedaan wat er is gebeurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voordoen van seksuele handelingen niet past bij kinderen van de leeftijd van [slachtoffer 1].

[….]

De verklaring van [slachtoffer 1] wordt voorts ondersteund door de verklaring van haar ouders.

Het feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.’

27.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het hof, naast de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring tijdens het studioverhoor (bewijsmiddel 11), de volgende bewijsmiddelen heeft gebruikt, die op zichzelf voldoen aan de criteria op grond waarvan daaraan zelfstandige betekenis kan worden toegekend om als steunbewijs te dienen, zoals hiervoor onder 22 besproken:

  • -

    de verklaringen van de moeder ([betrokkene 3]) en de vader ([betrokkene 4]) van [slachtoffer 1], voor zover dit hun eigen waarneming betreft hoe [slachtoffer 1] heeft voorgedaan wat verdachte met haar zou hebben gedaan;

  • -

    de foto’s die verdachte van [slachtoffer 1] heeft gemaakt, waarop afbeeldingen van haar billen en vagina staan.

Deze gegevens kunnen als voldoende zelfstandig steunbewijs gelden voor de verklaring van het slachtoffer. Het feit dat verdachte als kinderpornografisch aan te merken foto’s heeft gemaakt van de billen en vagina van het slachtoffer staat mijns inziens niet in een te ver verwijderd verband tot de aan hem tenlastegelegde ontucht met haar. De verklaringen van de ouders, voor zover zij daarin weergeven hoe hun dochter heeft voorgedaan wat er is gebeurd, zijn geen gereproduceerde verklaringen van wat hun dochter hen heeft verteld, maar betreffen zelfstandige waarnemingen die steun kunnen bieden voor de bewezenverklaring. Ook al had het hof zijn bewezenverklaring nog beter kunnen onderbouwen, door bijvoorbeeld gebruik te maken van schakelbewijs nu de ten laste gelegde feiten zich daartoe voldoende lenen, is er bij de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv en is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

28.

Met de tweede deelklacht, over de begindatum van de bewezen verklaarde periode, heeft de steller van het middel in beginsel wel een punt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan namelijk niet worden afgeleid wanneer de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden. Het hof heeft kennelijk op basis van het in bewijsmiddel 23 verwoorde vermoeden geoordeeld dat verdachte de kinderpornografische foto’s van het slachtoffer op 24 mei 2010 heeft gemaakt, hetgeen niet onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat het slachtoffer is geboren op 23 november 2006 en haar leeftijd op de foto’s op ongeveer vier jaar wordt geschat. Maar de steller van het middel betoogt terecht dat het feit dat verdachte op die datum kinderpornografische foto’s van het slachtoffer heeft gemaakt niet zonder meer betekent dat de ontucht op die datum een aanvang heeft genomen. De gebezigde bewijsmiddelen sluiten niet uit dat de ontuchtige handelingen reeds daarvoor, dus voor de bewezen verklaarde periode hebben plaatsgevonden.

29.

Naar het niet onbegrijpelijke en voldoende gemotiveerde oordeel van het hof staat vast dat verdachte op enig moment de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen bij het slachtoffer heeft gepleegd. Uit het feit dat het slachtoffer hierover zelf heeft verklaard, kan worden geconcludeerd dat het moet zijn gebeurd op een moment dat zij een leeftijd had die haar in staat stelde een bewuste herinnering te produceren. Gelet op haar geboortedatum stel ik voor dat de Hoge Raad de bewezenverklaring verbeterd leest, in die zin dat de pleegperiode overeenkomstig de tenlastelegging luidt “tussen 1 januari 2009 en 10 februari 2011”. Hierdoor worden de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aangetast en vervalt het belang bij cassatie.

30.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

31.

Het vierde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn. Het cassatieberoep is op 5 maart 2013 ingesteld en de stukken van het geding zijn pas op 19 november 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

32.

De in de schriftuur vermelde gegevens zijn juist. Dit brengt mee dat de door de Hoge Raad in een zaak als de onderhavige, waarin de verdachte zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep in hechtenis bevindt, op zes maanden gestelde inzendtermijn8 met anderhalve maand is overschreden. Het middel is daarom terecht voorgesteld.

33.

Ambtshalve merk ik op dat verdachte zich ten tijde van de aanzegging in cassatie ook nog in detentie bevond, dat al meer dan veertien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep en dat de overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling in cassatie kan worden gecompenseerd. Dit zal moeten leiden tot vermindering van de opgelegde straf, rekening houdend met de mate van de overschrijding van de redelijke termijn.

34.

De eerste drie middelen falen. Het eerste middel kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. Het vierde middel slaagt.

35.

Ambtshalve wijs ik nog op het volgende. Bij de Wet van 17 november 20119 is art. 14b Sr zodanig gewijzigd dat is voorzien in een proeftijd van maximaal drie jaren ten aanzien van alle algemene en bijzondere voorwaarden. Ten tijde van de bewezen verklaarde feiten, die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet, bedroeg de maximale proeftijd wat betreft de naleving van de bijzondere voorwaarde “het gedrag van de veroordeelde betreffende”, waaronder de verplichting van reclasseringscontact, twee jaren.10 Toepassing van de gewijzigde sanctieregeling in de voorliggende zaak werkt niet ten gunste van verdachte, dus door een proeftijd van drie jaren op te leggen heeft het hof ten onrechte toepassing gegeven aan art. 14b Sr zoals die bepaling na 1 april 2012 is komen te luiden. Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven. Ik stel voor dat de Hoge Raad deze misslag herstelt.

36.

Deze conclusie strekt tot verbeterde lezing van de bewezenverklaring van feit 3, verlaging van de opgelegde straf in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vermindering van de duur van de proeftijd tot twee jaren en verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228, NJ 2005, 514 m.nt. Mevis, rov. 3.5; HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3886, rov. 3.3.

2 HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, rov. 3.4.2; HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230, rov. 4.4.

3 HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704; HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009, 496 m.nt. Borgers; HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010, 512 m.nt. Borgers; HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2440, NJ 2010, 513 m.nt. Borgers; HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010, 612 m.nt. Borgers; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013, 279 m.nt. Reijntjes; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158.

4 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010, 515 m.nt. Borgers, rov. 2.5.

5 Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2012, p. 713-714 en ook HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012, 252, m.nt. Schalken.

6 Corstens/Borgers, a.w. p. 714.

7 Conclusie Hofstee bij HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, met name onder punt 18.

8 HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000, 721 m.nt. De Hullu; HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis.

9 De Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2011, 545, in werking getreden op 1 april 2012.

10 HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:3999, NJ 2008, 146 m.nt. Keijzer.