Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:655

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
13/03745
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1593, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Deelneming, artt. 47 t/m 51 Sr. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2011:BP6581. Uit de door het Hof vastgestelde f&o kan niet volgen dat verdachte wat betreft het opzettelijk verkopen van twee kg hennep en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedragingen. De door het Hof in dit verband in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden, welke er op neerkomen dat verdachte gelet op zijn functie als bedrijfsleider binnen de growshop over deze gedragingen “vermocht te beschikken of deze al dan niet plaatsvonden en welker plaatsvinden hij blijkens de gang van zaken aanvaarde dan wel placht te aanvaarden”, welke omstandigheden eraan zouden kunnen bijdragen dat verdachte als “functionele dader” van die gedragingen wordt aangemerkt, zijn onvoldoende om een dergelijke bewuste en nauwe samenwerking te kunnen aannemen. De bewezenverklaring is dus in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03745

Mr. Machielse

Zitting 13 mei 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 4 februari 2013 voor drugsdelicten (feiten 1, 2, 3 en 6) en misdrijven van de Wet Wapens en munitie (feiten 5 en 7) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. Tevens heeft het hof de verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer van in het arrest genoemde voorwerpen uitgesproken.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel komt op tegen het bewijs van het medeplegen van feit 1. Het tweede middel betoogt hetzelfde voor feit 2, voor zover het de hoeveelheid hennep betreft die in de auto van [betrokkene 1] is gevonden. Het hof heeft in zijn arrest een overweging gewijd aan het bewijs van de feiten 1 en 2, maar deze overweging is ontoereikend en innerlijk tegenstrijdig. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2. De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 luidt aldus:

"(dat)

1. hij, op 16 juli 2009, te Naarden, tezamen en in vereniging met ander(en), opzettelijk heeft verkocht, in (een) pand gelegen aan de [a-straat] (nummer 9-11), een hoeveelheid van 2 kilogram hennep en/of delen van hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. hij, op 16 juli 2009, te Naarden, tezamen en in vereniging met ander(en), opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan de [a-straat] (nummer 9-11) een grote hoeveelheid van 12 kilogram hennep en in (een) pand gelegen aan de [b-straat] (nummer 27-13), een grote hoeveelheid van 1185 hennepstekken zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."

3.3. De bewezenverklaring heeft het hof door de volgende overwegingen doen voorafgaan:

"Bewijsoverwegingen feit 1, 2 en 3

Het hof leidt in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden af dat deze feiten ten laste van verdachte bewezen zijn:

* Verdachte was bedrijfsleider van de growshop [A].

* De 5,3 kilo hennep zijn aangetroffen in de [A]. De hennepstekken zijn aangetroffen in het pand om de hoek bij de growshop, aan de [b-straat] 27-13 te Naarden, dat wordt gebruikt als opslagruimte van [A].

* In de woning van verdachte zijn diverse bonnen met notities en aantekeningen aangetroffen. Uit op een aantal daarvan vermelde getallen (tussen 2.700 en 3.300) en aanduidingen ("wiet", "haze", "gruis", "nat", "mooi", "niet mooi", "wordt gedroogd") leidt het hof af dat deze betrekking hebben op de verkoop van hennep. Soortgelijke bonnen zijn aangetroffen in de [A].

* Op het kantoor bij [A] zijn overzichtlijsten - in ieder geval van 2006 - aangetroffen met daarop vermeld bij "stuksprijs" bedragen tussen € 1,60 en € 2,75 en bij "aantal" hoeveelheden van 84 of 100 stuks of een veelvoud daarvan. Deze lijsten zien op de periode 18 augustus 2006 tot en met 23 oktober 2006. Voorts zijn bij de doorzoekingen op 16 juli 2009, bij [A] en op de [c-straat 1] te Bussum handgeschreven bonnen aangetroffen. Deze bonnen vermelden data gelegen in de periode 25 juli 2008 tot en met 21 augustus 2008 danwel de periode februari 2009 tot en met juni 2009. Op deze bonnen staan bedragen genoemd tussen de € 1,50 en € 2,75 en hoeveelheden van 84 of 100 stuks of een veelvoud daarvan. Op de [b-straat] 27-13 zijn dozen met daarin 84 stekjes aangetroffen.

* Een gedeelte van de hierboven genoemde handgeschreven bonnen is gemarkeerd met de lettercode "MI" of "PL". [betrokkene 2] heeft verklaard dat als hij een transactie binnen [A] afhandelde hij van [verdachte] de letters MI op de bon moest zetten. Verder heeft [betrokkene 2] verklaard dat de bijnaam van [betrokkene 1] "Plakkie" is en de letters "PL" op de bonnen voor "Plakkie" staan.

* [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] hebben - zakelijk weergegeven - verklaard dat verdachte betrokken is bij de stekkenkoop en -verkoop in [A]. Het hof heeft geen aanleiding op dit punt aan hun verklaringen te twijfelen.

* In een ruimte binnen de garage van verdachte is een inrichting aangetroffen welke geschikt was voor het herpakken van hennep, terwijl in de ruimte verschillende materialen werden aangetroffen die hierop duiden.

* In de administratie van [medeverdachte 7], welke bestond uit een groot aantal notities en berekeningen, zijn bonnen aangetroffen met daarop de naam van growshop [A] met daarop met pen geschreven de aantekening "Rally". Bij de doorzoeking bij [A] is in het kantoor een lijst, getiteld POF-lijst, d.d. 9 juni 2006 aangetroffen. Op deze lijst komt ook de naam "Rally" voor. Verdachte heeft verklaard dat hij misschien de naam "Rally" heeft bedacht en dat hiermee [medeverdachte 7] werd bedoeld.

Uit een en ander leidt het hof voor wat betreft de positie van verdachte af dat hij bij de handel in hennep een centrale positie had en dat hij over de gedragingen in dat kader vermocht te beschikken en dat hij blijkens de gang van zaken het plaatsvinden daarvan aanvaardde dan wel placht te aanvaarden. Onder bedoeld aanvaarden begrijpt het hof mede het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.2

Hieruit volgt in de eerste plaats dat het hof feit 3 - kort gezegd de handel in de periode 2006 - 2009 - bewezen acht. De feiten 1 en 2 zien op gedragingen op 16 juli 2009. Er zijn weliswaar geen bewijsmiddelen waaruit blijkt van enige directe betrokkenheid van verdachte, hetzij als medepleger hetzij als pleger, op de dag van het feit zelf, nu verdachte niet aanwezig maar vanaf begin juli met vakantie was.3 De aanwezigheid van de hoeveelheden hennep en de hennepstekken behoorde evenwel gelet op de functie van verdachte binnen [A], tot de gedragingen waarover verdachte vermocht te beschikken of deze al dan niet plaatsvonden en welker plaatsvinden hij blijkens de gang van zaken aanvaardde dan wel placht te aanvaarden. Hetzelfde geldt voor de verkoop van de twee kilo hennep door [betrokkene 1] op 16 juli 2009. [betrokkene 1] heeft bij zijn verhoor door de rechter-commissaris weliswaar verklaard dat hij alleen heeft gehandeld. Het hof acht dit op grond van het bovenstaande - hennepverkopen behoorden tot de gewone gang van zaken en verdachte functioneerde daarin als leidinggevende - echter niet aannemelijk. Nu niet gebleken is van instructies van verdachte dat er in de periode waarin hij met vakantie was geen (ver)kopen zouden plaatsvinden, heeft verdachte ook niet de zorg betracht die in redelijkheid kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de feiten. Dat geldt naar het oordeel van het hof op dezelfde gronden ook voor de in de zich in het pand van de [A] bevindende auto van [betrokkene 1] aangetroffen hoeveelheid. [betrokkene 1] was degene die op 16 juli 2009 de twee kilo hennep heeft verkocht."

3.4. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het pand [b-straat] 27-13 wordt gebruikt voor de opslag van de growshop [A]. Verdachte heeft de sleutel van het pand (bewijsmiddel 1). Verdachte wordt door getuigen de bedrijfsleider genoemd (bewijsmiddel 2, 4, 7). Hij werkt in de [A] (bewijsmiddel 3 en 4). In de [A] kon je hennepstekjes kopen (bewijsmiddel 4 en 5). Op 16 juli 2009 heeft een pseudo koper in de [A] voor € 7000 twee kilo hennep gekocht (bewijsmiddel 8, 9). Op 16 juli 2009 is toen binnengetreden in de [A] aan de [a-straat] 9-11 te Naarden. In de werkplaats zijn twee zakken hennep aangetroffen, in een in de garage van het pand geparkeerde auto drie zakken (bewijsmiddel 10, 13). Deze auto was van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 17), die werkzaam is in de [A] (bewijsmiddel 3) en die de hennep aan de pseudo koker heeft verkocht (bewijsmiddel 8). Toen in de [A] werd binnengetreden was verdachte daar aanwezig (bewijsmiddel 16). In de [b-straat] 27-13 te Naarden zijn op 16 juli 2009 1185 hennepstekken gevonden (bewijsmiddel 11). In de garage bij de woning van verdachte, [c-straat 1] te Bussum, zijn benodigdheden voor het herpakken van hennep aangetroffen (bewijsmiddel 16). Op meerdere genoemde locaties is administratie gevonden die gelieerd is aan de handel die werd bedreven (bewijsmiddel 17 tot en met 25).

3.5. De gebezigde bewijsmiddelen bieden voldoende steun voor het opzettelijk aanwezig hebben door verdachte van de hennepstekken die op 16 juli 2009 zijn aangetroffen in de [b-straat] en van de twee zakken hennep die zijn gevonden in de werkplaats van de [A]. Maar voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de in de auto van [betrokkene 1] gevonden hennep biedt de bewijsvoering geen aanknopingspunten. Hetzelfde geldt voor de verkoop op 16 juli 2009 van de hennep aan de pseudo koper. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet van enigerlei betrokkenheid van verdachte bij deze verkoop. De enkele omstandigheid dat verdachte bedrijfsleider was van de [A] en verantwoordelijk voor hetgeen daar gebeurde, is onvoldoende om een bewuste en nauwe samenwerking bij deze verkoop kunnen aannemen.4 Dat verdachte het personeel instrueerde en de administratie voerde, is evenmin voldoende om aan te kunnen nemen dat verdachte die verkoop aan de pseudokoker heeft aanvaard of dat hij zo een verkoop placht te aanvaarden.5 En ook als verdachte wel over die verkoop kon beschikken en die zou hebben aanvaard, is dat nog onvoldoende voor het aannemen van een bewuste en nauwe samenwerking.6

Het eerste middel slaagt en ook het tweede middel is gegrond voor zover het betreft de hennep die in de auto van [betrokkene 1] is aangetroffen.

4.1. Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn nu het cassatieberoep is ingesteld op 14 februari 2013 en het dossier eerst in november 2013 ter administratie van de Hoge Raad is ontvangen.

4.2. Tussen het instellen van het cassatieberoep op 14 februari 2013 en de ontvangst van het dossier op 8 november 2013 zijn acht maanden en 25 dagen verstreken. Aldus is de door de Hoge Raad op acht maanden – en niet op zes maanden zoals de steller van het middel klaarblijkelijk aanneemt – gestelde termijn voor inzending overschreden. Als de Hoge Raad mijn oordeel over het eerste en tweede middel deelt zal de rechter die opnieuw zal moeten oordelen met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening kunnen houden.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de veroordeling voor de feiten 1 en 2 en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nrs. 13/05142 ([medeverdachte 8]), 13/00699 ([medeverdachte 3]), 13/00704([medeverdachte 4]), 13/00617 ([medeverdachte 1]), 13/00692 ([medeverdachte 5]), 13/02775 ([medeverdachte 6]) en 13/01079([medeverdachte 7]), waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Vgl. HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 (IJzerdraad), HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest) (in verband met daderschap rechtspersoon). (AM: voetnoot door het hof aangebracht).

3 AM: deze vaststelling berust klaarblijkelijk op een vergissing gelet op de inhoud van bewijsmiddel 16.

4 HR 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2932; HR 23 maart 2010, NJ 2010, 196 m.nt. Mevis.

5 HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2344.

6 HR 24 mei 20110, NJ 2011, 481 m.nt. Keijzer.