Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:646

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-04-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
13/01804
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1584, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01804 B

Zitting: 1 april 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De Rechtbank te Dordrecht heeft bij beschikking van 22 oktober 2012 met kenmerk RK 10/132
    - klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek de officier van justitie te bevelen op geen enkele wijze gebruik te maken van de hem in het kader van het klaagschrift ter beschikking gestelde, bij klaagsters in beslag genomen stukken, totdat onherroepelijk op het klaagschrift is beslist;
    - het klaagschrift ongegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op door de rechtercommissaris geselecteerde documenten die zich bevinden achter de respectieve beslaglijsten/overzichten geletterd C als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van inspecteur [verbalisant 1] van 26 juni 2012;
    - het klaagschrift gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de overige onder klager in beslag genomen voorwerpen en heeft opgeheven het daarop gelegde beslag en de teruggave van die voorwerpen aan klager gelast.

  2. Tegen deze uitspraak is namens klager cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens klager heeft mr. D.S. Schreuders, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4 De ontvankelijkheid van het beroep

4.1.

De onderhavige beklagprocedure vindt haar oorsprong in een rechtshulpverzoek van Mauritius aan Nederland. Dat verzoek heeft betrekking op de verdenking dat [A] B.V. en [B] B.V. (hierna: [A]) zich in Mauritius hebben schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het betalen van steekpenningen. Ook [klager] (klager in deze zaak) en [betrokkene 1] – beiden werknemers van [A] – worden in dat verzoek als verdachten aangemerkt. Op grond van de informatie die door Mauritius is verstrekt, heeft het Nederlandse openbaar ministerie besloten een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen [A], [klager] en [betrokkene 1] wegens onder meer verdenking van overtreding van art. 177 en 177a Sr. De Rechtbank stelde in de parallelle verlofprocedure (art. 552p lid 2 Sv) vast dat het rechtshulpverzoek mede betrekking heeft op andere strafbare feiten, in het bijzonder – zo begrijp ik - op passieve ambtelijke corruptie begaan door Mauritiaanse (rechts)personen.

4.2.

Door klager is tevens cassatieberoep ingesteld tegen de separate beschikking waarin is beslist op de vordering ex art. 552p lid 2 Sv. Geen van beide beschikkingen is derhalve onherroepelijk, zodat zich op dit punt geen ontvankelijkheidsprobleem voordoet (vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:227).

4.3.

Iets anders is dat, als het cassatieberoep tegen de ex art. 552p Sv gegeven beschikking wordt verworpen, het de vraag is of klager nog wel belang heeft bij het onderhavige cassatieberoep. In dit verband is van belang dat de verdediging ervoor heeft gekozen om in beide cassatieprocedures verschillende cassatiemiddelen voor te stellen. Daarvan kan in ieder geval worden gezegd dat het consequent is. De verdediging stelt zich namelijk op het standpunt dat de beklagprocedure en de verlofprocedure weliswaar samenhangen, maar “dat in een cassatieprocedure tegen een 552p Sv-beschikking (...) ander vragen aan bod [komen] dan in een 552a Sv-procedure” (zie in het bijzonder het tweede middel in de verlofprocedure). Dat is een aanvechtbaar standpunt, aangezien de verlofverlening impliceert dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet, terwijl de vraag naar eventuele vormverzuimen tegenwoordig in de sleutel moet worden gezet van de vraag naar dat belang van de strafvordering (zie HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735 ). Op vormverzuimen die niet aan verlofverlening in de weg staan, kan daarom ook in de beklagprocedure niet met succes een beroep worden gedaan.

4.4.

Nu ligt het in de onderhavige zaak in zoverre anders dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de doorzoeking die naar aanleiding van het rechtshulpverzoek plaatsvond, mede in het kader van het Nederlandse onderzoek tegen [A] c.s. geschiedde. De eventuele onherroepelijkheid van de 552p Sv-beschikking maakt dus niet dat klager belang mist bij het cassatieberoep voor zover dat betrekking heeft op de inbeslagneming in de Nederlandse strafzaak. Dat klager betwist dat de inbeslagneming ook in de Nederlandse strafzaak heeft plaatsgevonden, maakt dat denk ik niet anders.2

4.5.

Een en ander brengt mee dat de eventuele verwerping van het cassatieberoep in de art. 552p Sv-procedure niet betekent dat het belang bij het onderhavige cassatieberoep geheel komt te ontbreken. Wel kan het zijn dat het belang bij bepaalde middelen, die uitsluitend betrekking hebben op de inbeslagneming in de Mauritiaanse zaak, daardoor komt te ontbreken.

5 Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de doorzoeking die bij klaagsters heeft plaatsgevonden zowel in het kader van het rechtshulpverzoek als in het kader van het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek geschiedde.

5.2.

De Rechtbank heeft in haar beschikking als volgt overwogen:

“3.2 De rechtbank stelt als haar oordeel voorop dat de doorzoeking bij klager zowel heeft plaatsgevonden in het kader van het Mauritiaanse rechtshulpverzoek als in het kader van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Uit het dossier en het onderzoek in raadkamer blijkt dat de officier van justitie ook in het kader van een Nederlands onderzoek heeft gevorderd dat bij klager doorzoeking zou plaatsvinden. Uit het proces-verbaal dat vervolgens van deze doorzoeking is opgemaakt, volgt dat zij plaatsvindt onder leiding van de rechter-commissaris. Het betreft derhalve een doorzoeking in de zin van art. 110 (jo. art. 125i) Sv. Dat de rechter-commissaris hiertoe niet schriftelijk heeft besloten, doet daaraan niet af.”

5.3.

Door de steller van het middel wordt niet betwist dat de officier van justitie in het Nederlandse onderzoek heeft gevorderd dat bij [A] c.s. doorzoeking zou plaatsvinden.3 Wel betwist wordt dat die vordering door de R-C is gehonoreerd. Daarbij wordt erop gewezen dat in het dossier geen beschikking van die strekking is te vinden, terwijl zich in het dossier wel per verdachte een beschikking bevindt waarin de R-C bewilligt in de vordering die in het kader van het rechtshulpverzoek is gedaan.

5.4.

Ik stel voorop dat art. 110 Sv niet vereist dat de vordering van de officier van justitie wordt toegewezen in de vorm van een op schrift gestelde beschikking die aan de doorzoeking voorafgaat. Het gaat in art. 110 Sv om een bevoegdheid van de R-C die de R-C op vordering van de officier van justitie kan uitoefenen. Vereist is dus enkel dat de vordering is gedaan. Het ontbreken van een toewijzende beschikking vormt daarom enkel een aanwijzing van feitelijke aard dat aan de vordering geen gevolg is gegeven. Daar tegenover kunnen andere aanwijzingen staan op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de vordering wel degelijk is gehonoreerd. Ik merk daarbij op dat het ook zo zou kunnen zijn dat de beschikking wel is gegeven, maar zoek is geraakt.4

5.5.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de argumentatie van de Rechtbank tekortschiet. Het feit dat, zoals uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt, de doorzoeking plaatsvond onder leiding van de R-C zegt inderdaad op zichzelf niets over de vraag of die doorzoeking mede in het kader van het Nederlandse onderzoek werd verricht.5 Ik meen echter dat de Rechtbank zich hier kennelijk wat ongelukkig heeft uitgedrukt. Ik wijs daarbij op het volgende.

5.6.

In het dossier trof ik twee processen-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming aan die betrekking hebben op respectievelijk het adres [a-straat 1] te Papendrecht (woning [betrokkene 1]) en het adres [b-straat 1] te Papendrecht (kantoorpand [A]). Deze processen-verbaal zijn ondertekend door de R-C in de Rechtbank Dordrecht en vermelden de volgende zaakskenmerken: “Lurisnummer: KLR-I-2008069974” en “RC-nr. 09/624”. Beide processen-verbaal vermelden voorts de namen van de vier verdachten. Een verschil is dat in het proces-verbaal dat betrekking heeft op het adres [a-straat 1] te Papendrecht bij de namen ook parketnummers zijn vermeld: 11/993351-09 ([klager]), 11/993352-09 ([betrokkene 1]), 11/993353-09 ([A] B.V.) en 11/993354-09 [B] BV). Het parketnummer 11/993353-09 is eveneens vermeld op de beslaglijsten die betrekking hebben op het adres [b-straat 1] te Papendrecht (kantoorpand [A]). De genoemde parketnummers komen overeen met de parketnummers die staan vermeld op de door mij in het dossier aangetroffen drie (aanvullende) vorderingen tot doorzoeking (betrekking hebbend op resp. [betrokkene 1], [klager] en [A] B.V.) die door de officier van justitie in het kader van het Nederlandse onderzoek zijn gedaan.

5.7.

In het dossier trof ik voorts een proces-verbaal van doorzoeking aan dat betrekking heeft op het adres [c-straat 1] te Tiel (woning klager). Dit proces-verbaal is ondertekend door de R-C in de Rechtbank Arnhem en vermeldt als zaakskenmerken: “Parketnummer: 11/993354-09, 11/993353-09 en 11/993352-09” en “RC-nummers Arnhem: 09/1367, 09/1368 en 09/1369”.6 Volledigheidshalve meld ik dat ik ook nog een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming aantrof dat is opgemaakt en ondertekend door opsporingsambtenaren en dat betrekking heeft op het kantoorpand van [A] en dat als parketnummer vermeldt: 11/993352-09. Van al deze processen-verbaal vermeldt alleen het proces-verbaal dat door de R-C in de Rechtbank Arnhem is opgemaakt met zoveel woorden dat de doorzoeking met toepassing van art. 110 Sv is verricht.

5.8.

De Rechtbank heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het genoemde lurisnummer betrekking heeft op het rechtshulpverzoek en dat de genoemde parketnummers betrekking hebben op het Nederlandse onderzoek. Uit het feit dat bijna alle processen-verbaal van doorzoeking deze parketnummers vermelden, heeft de Rechtbank kennelijk en eveneens niet onbegrijpelijk afgeleid dat “deze doorzoeking” – dat wil zeggen de door de officier van justitie in de Nederlandse strafzaak gevorderde doorzoeking – inderdaad heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft de Rechtbank mede in aanmerking genomen dat – zoals in de bedoelde processen-verbaal in elk geval impliciet besloten ligt – het ook in zoverre ging om doorzoekingen op basis van art. 110 Sv (en dus niet om doorzoekingen die buiten de R-C om zijn verricht). Het middel berust dus in zoverre op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking.

5.9.

Voor het overige geldt dat het middel tevergeefs opkomt tegen een feitelijk oordeel van de Rechtbank dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Ik wijs in dit verband nog op het zich bij de stukken bevindende “Proces-verbaal gang van zaken selectie inbeslaggenomen materiaal doorzoekingen 25 november 2009” dat is opgemaakt door de R-C in de Rechtbank Dordrecht op 28 juni 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in dat “de drie doorzoekingen zijn gebaseerd geweest op zowel het rechtshulpverzoek van Mauritius als op basis van de vordering op grond van de artikelen 94 en 110 Sv van de officier van justitie naar aanleiding van de verdenking van de artikelen 177, 177a en 225 Sr”. Beter dan de R-C heeft de Rechtbank het klaarblijkelijk niet willen weten. Dat is niet onbegrijpelijk.7

5.10.

Het middel faalt.

6 Het tweede middel

6.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank klager ten onrechte deels niet-ontvankelijk heeft verklaard met als argument dat beklag schriftelijk gedaan moet worden, terwijl klaagsters een klaagschrift hebben ingediend.

6.2.

Met betrekking tot de hierboven onder 1, eerste gedachtestreepje weergegeven beslissing tot gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van klager, houdt de beschikking van de Rechtbank het volgende in:

“3.5 Klager heeft tijdens het onderzoek in raadkamer verzocht de officier van justitie te bevelen op geen enkele wijze gebruik te maken van de hem in het kader van het klaagschrift ter beschikking gestelde, bij klaagsters in beslag genomen stukken, totdat onherroepelijk op het klaagschrift is beslist. De rechtbank verklaart klaagsters in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank overweegt daartoe dat een beklag als bedoeld in art. 552a Sv, zoals die bepaling ook voorschrijft, schriftelijk moet worden gedaan. De wet kent niet de mogelijkheid dat een verzoek over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen mondeling wordt gedaan; in een dergelijk beklag kunnen klaagsters niet worden ontvangen (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, r.o. 2.3).”

6.3.

Het door de Rechtbank bedoelde verzoek lijkt te zijn gebaseerd op de opvatting dat de officier van justitie geen gebruik mag maken van de inbeslaggenomen stukken zolang het in art. 552p lid 2 Sv bedoelde verlof niet onherroepelijk is verleend.8 Ik merk op dat die opvatting mij niet juist voorkomt voor zover het gaat om stukken die (ook) in het kader van het Nederlandse onderzoek in beslag zijn genomen. Het ontbreken van een onherroepelijk verlof belet de officier van justitie in dat geval alleen om de stukken over te dragen aan de buitenlandse autoriteiten.

6.4.

Maar wat daarvan ook zij, bij het middel heeft de klager – nu ik heb geconcludeerd dat de cassatieberoepen die in de verlofprocedure zijn ingesteld, dienen te worden verworpen – naar mijn oordeel geen belang. Die verwerping heeft immers tot gevolg dat het verleende verlof onherroepelijk is geworden, zodat aan het verlangde verbod de zin is komen te ontvallen.

6.5.

Het middel faalt derhalve.

7 Het derde middel

7.1.

Het middel komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verweren van klager buiten bespreking kunnen blijven voor zover deze verweren betrekking hebben op documenten en gegevens die niet onder klager zijn inbeslaggenomen of vastgelegd.

7.2.

De Rechtbank heeft in haar beschikking voor zover hier van belang het volgende overwogen:

“De rechtbank laat verweren met betrekking tot onder [A] in beslag genomen voorwerpen en daar vastgelegde digitale gegevens onbesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat die de reikwijdte van het onderhavige klaagschrift te buiten gaan, aangezien dit immers betrekking heeft op bepaalde in klagers woning in beslag genomen voorwerpen.”

7.3.

De uitleg die de Rechtbank aan het namens de klager ingediende klaagschrift heeft gegeven is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is die uitleg gelet op de tekst van het klaagschrift naar mijn oordeel allerminst.

7.4.

Voor zover het ingediende klaagschrift mede moet worden opgevat als een klaagschrift ex art. 552p lid 4 Sv, ligt het mogelijk anders. In zijn hoedanigheid van verdachte heeft de klager er in die procedure belang bij dat het in zijn zaak inbeslaggenomen bewijsmateriaal niet ter beschikking wordt gesteld van de officier van justitie. In de separate beschikking die de Rechtbank in de verlofprocedure heeft gegeven, komt een beperkende overweging als waartegen het middel zich keert, echter niet voor. In de middelen die de klager in de desbetreffende cassatieprocedure heeft voorgesteld, hierover dan ook niet geklaagd.

7.5.

Het middel faalt.

8. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken 13/00232 B, 13/00231 B en 13/01803 B, waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Wie scherp zou willen slijpen, zou misschien kunnen aanvoeren dat, nu klager betwist dat er in de Nederlandse strafzaak een doorzoeking is verricht, het gedane beklag kennelijk geen betrekking heeft op de inbeslagneming in de Nederlandse strafzaak. De Rechtbank, die in de bestreden beschikking zowel een oordeel uitspreekt over de vraag welke documenten/gegevens voor de waarheidsvinding in de Mauritiaanse zaak van belang zijn als over de vraag welke documenten/gegevens van belang zijn voor de Nederlandse strafzaak, heeft kennelijk geoordeeld dat het ingediende bezwaarschrift ook betrekking heeft op de inbeslagneming in de Nederlandse strafzaak. Dat oordeel wordt in cassatie niet aangevochten.

3 Ik trof de vordering, die volgens de Rechtbank op 2 november 2009 is gedaan, niet in het dossier aan. Wel een aanvullende vordering van 13 november 2009, waarin melding wordt gemaakt van “de eerdere vordering, gedateerd 2 november 2009”.

4 Bij de stukken van het geding bevindt zich een fax van het Functioneel Parket d.d. 21 oktober 2010 gericht aan de R-C waarin melding wordt gemaakt van het feit dat de desbetreffende beschikking zich niet (meer) “in onze stukken” bevindt en waarin om toezending van een kopie wordt verzocht.

5 Ook voor de doorzoeking die plaatsvindt naar aanleiding van een verzoek om rechtshulp geldt dat de R-C daarbij gebruik maakt van de bevoegdheid die hem in art. 110 Sv is toegekend. Zie de artt. 552n en 552o Sv.

6 Dat telkens maar drie nummers worden vermeld, vindt zijn verklaring kennelijk hierin dat [A] als één verdachte is geteld: “[A] B.V.) en/of [B] BV”. Dat de vermelde parketnummers niet helemaal corresponderen (het parketnummer dat betrekking heeft op de strafzaak tegen klager ontbreekt) zal een misslag zijn.

7 Ik merk, enigszins buiten de orde, nog op dat de hele kwestie mij van minder belang lijkt dan de verdediging heeft willen doen voorkomen. Naar het mij voorkomt staat namelijk geen rechtsregel eraan in de weg dat stukken die na bekomen verlof ex art. 552p lid 2 Sv aan de officier van justitie ter beschikking zijn gesteld, door die officier van justitie mede worden gebruikt voor de waarheidsvinding in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek.

8 Van het gedane verzoek wordt noch in het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling, noch in de aldaar overgelegde pleitnota van mr. Schreuders melding gemaakt. Wel is een dergelijk verzoek te vinden in de pleitnota die in de gelijktijdig behandelde beklagzaak inzake [A] is overgelegd.