Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:636

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
13/01109
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1575, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring h.b. Verschoonbare termijnoverschrijding? Verdachte verschijnt t.tz. in h.b. maar voert niet aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De opvatting van het middel dat het Hof gehouden was ambtshalve te onderzoeken of de overschrijding verschoonbaar was vindt geen steun in het recht. HR merkt nog op dat v.zv. het middel klaagt dat het Hof gehouden was te onderzoeken of de zaak op de voet van art. 423 Sv naar de Pr moest worden teruggewezen, het de rechtspraak van de HR m.b.t. personen die een kernrol vervullen bij het o.t.tz. miskent. I.c. doet zich immers niet de situatie voor dat verdachte bij het o.t.tz. niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de tz. en zich evenmin een omst. heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01109

Mr. Machielse

Zitting 13 mei 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 1 februari 2013 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

2. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat verdachte wist van de behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg op 24 februari 2012 en te laat hoger beroep heeft ingesteld.

3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

"Op een vraag van de advocaat-generaal antwoordt de verdachte - zakelijk weergegeven -:

U vraagt mij waarom ik niet op de terechtzitting in eerste aanleg ben verschenen. Ik zat toen op Curaçao in verband met de ziekte van mijn vader. Ik heb de rechtbank twee weken voor de terechtzitting van 24 februari 2010 gebeld en gezegd dat ik verhinderd was. Mij is toen verteld dat de behandeling toch door zou gaan. Ik wist dus wel tevoren van de behandeling op 24 februari 2010."

3.2. Het hof heeft in zijn arrest de niet-ontvankelijkverklaring van het ingestelde hoger beroep aldus gemotiveerd:

"De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 24 februari 2012 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is op 26 januari 2012 aan de griffier uitgereikt, nadat uitreiking op het GBA-adres niet is gelukt en de verdachte de dagvaarding evenmin heeft opgehaald op het postkantoor. Voorts is op 26 januari 2012 een afschrift van de dagvaarding verstuurd naar het GBA -adres van de verdachte.

De verdachte is op 24 februari 2012 bij verstek veroordeeld door de politierechter.

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tevoren wist van de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg op 24 februari 2012, maar dat hij hierbij niet aanwezig kon zijn in verband met ziekte van zijn vader. De verdachte heeft verklaard dat hij de rechtbank twee weken voor de terechtzitting telefonisch van die verhindering op de hoogte heeft gebracht, doch dat hem toen is medegedeeld dat de behandeling toch door zou gaan.

Bij deze stand van zaken gold voor de verdachte op grond van het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering een appeltermijn van veertien dagen, te rekenen vanaf de datum waarop uitspraak was gedaan.

De verdachte heeft op 15 oktober 2011 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard."

3.3. De steller van het middel wijst erop dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkens het proces-verbaal heeft verklaard over de terechtzitting in eerste aanleg van 24 februari 2010. Het hof heeft daar zelf 24 februari 2012 van gemaakt en aldus de verklaring van verdachte gedenatureerd. Bovendien blijkt niet dat verdachte op 15 oktober 2011 hoger beroep heeft ingesteld, zodat in het ongewisse blijft of verdachte toch niet binnen 14 dagen na de eerste aanleg hoger beroep heeft ingesteld.

3.4. Het uittreksel Justitiële Documentatie op naam van verdachte, dat zich in het dossier bevindt, vermeldt slechts één strafzaak betreffende artikel 9 lid 1 Wegenverkeerswet 1994, in welke zaak de politierechter te Haarlem op 24 februari 2012 vonnis heeft gewezen. Een rechterlijke beslissing van 24 februari 2010 is op het uittreksel niet te vinden. Ik neem daarom aan dat er sprake is geweest van een vergissing van de voorzitter en griffier die het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep van 1 februari 2013 hebben vastgesteld. Evenmin kan juist zijn dat verdachte op 5 oktober 2011 hoger beroep zou hebben ingesteld tegen het vonnis van 24 februari 2012, zoals het hof wel in zijn arrest heeft overwogen. De appelakte die zich in het dossier bevindt, houdt in dat verdachte zich op 12 april 2012 heeft vervoegd aan de griffie van de rechtbank te Haarlem om hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis dat de politierechter te Haarlem op 24 februari 2012 heeft gewezen. Ervan uitgaande dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij op de hoogte was van de zitting van 24 februari 2012 in eerste aanleg en dat inderdaad het appel is ingesteld op 12 april 2012 is, wat er ook zij van de overwegingen van het hof voor zover daarin een datum van 5 oktober 2011 - en niet zoals de steller van het middel vermeldt 15 oktober 2011 - is genoemd, het hoger beroep toch niet ontvankelijk.

4. Nu het eerste middel naar mijn oordeel tevergeefs is voorgesteld, behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien Uw Raad daar anders over mocht denken, houd ik mij voor een aanvullende conclusie gereed.

5. Het eerste middel faalt en het tweede middel behoeft daarom geen bespreking. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden