Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:635

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-05-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
13/00240
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1574, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid OM in strafvervolging. Art. 316, 350.1 (oud) en 353 Sr. Uitsluiting strafvervolging van dader of medeplichtige die de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd. Gelet op het wettelijk kader en de vaststellingen van het Hof, is ’s Hofs kennelijke oordeel dat het OM kan worden ontvangen in de strafvervolging van het onder 3 tlgd. niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00240

Zitting: 27 mei 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 21 december 2012 de verdachte ter zake van 2. subsidiair “poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot” en 3 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 162 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijke met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens de verdachte heeft T.M.M. Tuhalauruw, administratief medewerker van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.J. van Weerden, advocaat te Almere, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel betreft feit 2 en klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het bewezenverklaarde opzet niet kan volgen.

4. Anders dan het middel wil kan uit ’s hofs bewijsvoering genoegzaam worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster [betrokkene] houdt o.a. in:

“Ik zag dat [verdachte] het kapmes omhoog hief. Ik zag dat [verdachte] met dat kapmes op mij insloeg” en “Ik voelde dat [verdachte] op mij inhakte. Door te proberen die slagen met dat kapmes af te weren, hief in mijn linkerhand voor mijn gezicht. Ik voelde en ik zag dat [verdachte] met dat kapmes op mijn linkerhand sloeg” (bewijsm. 1).

In deze toedracht ligt verdachtes opzet besloten.

5. Het middel faalt.

6. Het tweede middel betreft feit 3 en klaagt dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vervolging van de tenlastegelegde vernieling.

7. Ten laste van de verdachte is – kort gezegd – bewezenverklaard dat hij op 25 augustus 2010 goederen ten dele toebehorende aan [betrokkene] heeft vernield (art. 350 Sr).

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juni 2012 houdt, voor zover van belang, in:

“De voorzitter stelt vast dat een klacht, ex artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht, geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier”

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 december 2012 houdt, voor zover van belang, in:

“De voorzitter deelt mee dat het onderzoek ter terechtzitting van 8 juni 2012 werd gesloten, doch bij tussenarrest van 22 juni 2012 werd heropend, aangezien het hof zich onvoldoende voorgelicht achtte. Bij genoemd tussenarrest is de oproeping van aangeefster [betrokkene] als getuige bevolen.

De samenstelling van het hof is thans anders dan ter terechtzitting van 8 juni 2012. De advocaat-generaal en de raadsvrouw gaan er desgevraagd mee akkoord dat het onderzoek wordt hervat in de stand, waarin het zich bij de sluiting daarvan op 8 juni 2012 bevond.

De advocaat-generaal draagt de zaak op verzoek van de voorzitter opnieuw voor.

(…)

De advocaat-generaal requireert als volgt, zakelijk weergegeven:

(…)

De raadsvrouw voert als volgt het woord ter verdediging, zakelijk weergegeven:

(…)

Wat de vernieling betreft, er bevindt zich geen klacht in het dossier, terwijl cliënt en [betrokkene] destijds nog met elkaar waren gehuwd. Het is wel zo dat uw hof uitdrukkelijk aan [betrokkene] heeft gevraagd of zij vervolging wilde, maar dan nog geldt dat ze gezamenlijk eigenaar waren van de vernielde goederen. Mijns inziens is er dan geen strafbaar feit gepleegd.

De advocaat-generaal repliceert als volgt, zakelijk weergegeven:

Ook al is er sprake van een gemeenschappelijke huishouding, dan blijft het nog vernieling.”

10. Art. 316 Sr luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige uitgesloten.

2. Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, heeft de vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd

3. (…)”

11. Art. 353 Sr luidt:

“De bepaling van artikel 316 is op de in deze titel omschreven misdrijven van toepassing.”

12. Met de – in art. 316 Sr besloten liggende – bijzondere regeling voor de vervolgbaarheid van bepaalde delicten heeft de wetgever enerzijds beoogd een confrontatie te voorkomen van mensen die zeer innig op elkaar betrokken zijn; anderzijds heeft hij rekening willen houden met de bijzondere betrekking tussen de bedoelde personen wat het beheer van hun vermogens betreft.1

13. Art. 353 Sr verklaart art. 316 Sr van overeenkomstige toepassing op de misdrijven die zijn omschreven in titel XXVII van het Wetboek van Strafrecht. Een van de in die titel vermelde misdrijven is “vernieling” (art. 350 Sr). De in art. 316, eerste lid, Sr genoemde vervolgingsuitsluitingsgrond geldt dus ook ingeval goederen zijn vernield of beschadigd van een echtgenoot of geregistreerde partner. Daarvan was in casu sprake. Waar het hof de verklaring van de aangeefster noemt, spreekt het immers van “haar echtgenoot, met wie samenwoning was beëindigd althans ten minste onderbroken”.2Ook de bewezenverklaring van feit 2, begaan op dezelfde dag, en de kwalificatie daarvan (poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot) maakt duidelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte en de aangeefster ten tijde van de vernieling echtelieden waren. Uit het bestreden arrest, noch uit het dossier heb ik kunnen afleiden dat de verdachte en de aangeefster gescheiden waren van tafel en bed als bedoeld in de artt. 1:169 e.v. BW, of dat zij gehuwd waren met een regime van volledige scheiding van goederen.

14. Toegegeven zij dat het verweer van de verdediging te wensen overlaat. Zo wordt aan het verweer niet de conclusie verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte terzake van de vernieling. Nu het verweer een zgn. preliminair verweer betreft, is het bovendien te laat – immers na de voordracht van de advocaat-generaal bij het hof – gevoerd. Het voorgaande neemt niet weg dat het hof een zelfstandige taak heeft in de beoordeling van de vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Gelet op hetgeen onder 13 is overwogen en mede in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, is het (impliciete) oordeel van het hof om het openbaar ministerie voor wat betreft feit 3 ontvankelijk te verklaren, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

15. Het middel slaagt.

16. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft feit 3 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 525, alsmede CAG Knigge van 12 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ5725.

2 Uit de verklaring van de aangeefster afgelegd bij de politie d.d. 25 augustus 2010 blijkt dat de aangeefster en de verdachte sinds april 2009 niet meer samenwoonden.