Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:632

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-07-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
13/02961
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2668
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Tiende middel van verdachte. De door de bp-en gevorderde kosten voor rechtsbijstand. V.zv. het middel erover klaagt dat de toegewezen kosten deels zijn gemaakt t.b.v. bp-en die in hun vorderingen geheel of gedeeltelijk n-o zijn verklaard, miskent het middel dat die enkele omstandigheid niet eraan in de weg staat dat de uitspraak een beslissing dient te bevatten over de verwijzing in de door de bp-en gemaakte kosten en voorts dat die enkele omstandigheid niet meebrengt dat het Hof gehouden was de t.b.v. die bp-en gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk af te wijzen. Voor het overige faalt het middel omdat het miskent dat de wettelijke voorschriften m.b.t. de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AB1819, rov. 5.9.4).

2. Tweede en vijfde middel van de bp-en. N-o verklaring van de vorderingen van de kinderen, daarin vertegenwoordigd door hun ouders, t.z.v. geleden materiële schade. De bestreden uitspraak bevat niet een motivering van deze n-o verklaring. 's Hofs oordeel is in zoverre zonder motivering niet begrijpelijk. Dit leidt evenwel niet tot cassatie nu thans reeds vaststaat dat na verwijzing of terugwijzing van de zaak de vorderingen van de bp-en op de voet van art. 361.3 Sv in verbinding met art. 415 Sv in zoverre n-o zullen worden verklaard op de grond dat vorderingen als de onderhavige een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Immers, het Hof dat na verwijzing of terugwijzing op de vorderingen van de bp-en dient te beslissen, zou dan per bp per onderdeel van de gevorderde vergoeding t.z.v. geleden materiële schade moeten vaststellen of het betreft schade van het kind die als rechtstreekse schade i.d.z.v. art. 51f.1 Sv is aan te merken, dan wel verplaatste schade in de zin van art. 6:107 BW of schade van de ouder(s) zelf. In redelijkheid kan niet anders worden geoordeeld dan dat dit – in deze zaak – een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Op diezelfde grond dat die vaststelling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, kan ook het tweede middel – dat is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de bp-en n-o zijn in hun vorderingen voor zover zij aanspraak maken op kosten die moeten worden aangemerkt als verplaatste schade i.d.z.v. art. 6:107 BW – niet tot cassatie leiden.

Middelen voor het overige: art. 81.1 RO. Ambtshalve: vermindering van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02961

Mr. Harteveld

Zitting 1 juli 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]


1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 26 april 2013 veroordeeld tot negentien jaren gevangenisstraf en voorts gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege wegens het begaan van tachtig zedendelicten begaan jegens jonge tot zeer jonge kinderen (feiten 1 tot en met 80), alsmede wegens het bezit, verspreiden en vervaardigen van een enorme hoeveelheid kinderpornografie en het daarvan een gewoonte maken (feiten 81 en 82). Voorts heeft het Hof beslist ten aanzien van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en ten aanzien van de vorderingen van zesenvijftig benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest en de bijbehorende Bijlage III vermeld.De zaak is in de media bekend onder de naam ‘de Amsterdamse Zedenzaak’, waarbij verdachte (in de pers veelal aangeduid als Robert M. of Roberts M.) vooral, zo volgt uit de door het Hof gewezen uitspraak, vanuit zijn werkzaamheden bij een kinderdagverblijf en het vertrouwen dat hij daarmee bij ouders verkreeg gedurende een periode van vier jaren de bewezen verklaarde feiten heeft begaan, deels met zijn toenmalige partner en anderen.1

2. Verdachte heeft vanuit zijn detentie op 2 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld, op de wijze als is voorzien in art. 451a Sv.2 Namens hem heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur tien middelen van cassatie voorgesteld.

3. Mr. R. Korver, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld namens een groot aantal benadeelde partijen, in deze strafzaak aangeduid met de kinddossiernummers 1, 4, 5, 10, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 23, 27 (de moeder), 29, 30, 31, 32, 33, 34, 36, 37, 38, 43, 47, 51, 60, 61, 65, 67, 72, 81, 86, 87, 90, 99, 106, 107, 109, 120, 124, 125, 128, 136, 138 en 139.3

Namens deze benadeelde partijen heeft mr. Korver tevens schriftelijk commentaar gegeven op het negende en het tiende middel dat namens verdachte is voorgesteld en de raadsman van verdachte heeft op de namens benadeelde partijen ingediende middelen schriftelijk gereageerd.

4. Eerst zal ik de namens verdachte voorgestelde middelen bespreken; daarna de middelen die namens bovengenoemde benadeelde partijen zijn ingediend.

De namens verdachte voorgestelde middelen

Middel I Verdachte

5.1. Het eerste middel klaagt dat in de aanvulling met de bewijsmiddelen niet met voldoende mate van nauwkeurigheid is aangegeven in verband met welke van de 82 bewezenverklaarde feiten de bewijsmiddelen zijn gebezigd en evenmin voldoende is aangegeven op welke pagina’s van de tot het bewijs gebezigde stukken de in de aanvulling opgenomen passages zijn terug te vinden. Voor de verdediging wordt daarmee de controlefunctie in cassatie bemoeilijkt en vertraagd en daarom is de bewezenverklaring niet naar behoren gemotiveerd.

5.2. De steller van het middel kan worden toegegeven dat een meer specifieke verwijzing naar de desbetreffende paginanummers de helderheid van de bewijsmotivering ten goede zou zijn gekomen, maar dat betekent nog niet dat de aanvulling niet voldoet aan de eisen van art. 359 lid 3 Sv. De aanvulling bevat immers de inhoud der bewijsmiddelen, houdende de redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaarde feiten.

Een nauwkeuriger pagina-aanduiding wordt met het oog op de inzichtelijkheid van de bewijsvoering en de controle daarop in cassatie met name vereist voor de bewijsoverweging op de zgn. Promis-wijze4. Anders dan bij een aanvulling op het vonnis of arrest, worden in een ‘Promis-motivering’ de essentialia van de bewijsmiddelen samengevat in een lopend verhaal en bevat het vonnis of arrest aldus de weergave van die onderdelen van de bewijsmiddelen die de rechter redengevend acht voor de bewezenverklaring, met in de voetnoten de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. Voorts geldt dat indien een nadere bewijsoverweging door het Hof wordt opgenomen en de daartoe in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet in de aanvulling met bewijsmiddelen zijn opgenomen, een nauwkeurige bronvermelding van het wettelijk bewijsmiddel is vereist.5

Het middel bepleit dat ook in de aanvulling van de bewijsmiddelen een nauwkeuriger paginering vereist is. In sommige bewijsmiddelen is de pagina-aanduiding door het Hof inderdaad dermate ruim dat het even zoeken is, maar gesteld noch gebleken is dat de tot het bewijs gebezigde passages níet in de desbetreffende bewijsmiddelen zijn opgenomen. Om dan over de band van art. 6 EVRM en de controlefunctie in cassatie te komen tot de beslissing dat de bewijsmotivering ontoereikend is, lijkt mij een brug te ver.

Voor een deel van de bewijsmiddelen is de voldoende mate van nauwkeurigheid overigens reeds gegeven, doordat het de omschrijvingen betreft van met nummers aangeduide en dus eenvoudig in het relaas terug te vinden bestanden.

Ten overvloede merk ik op dat ook indien het middel hier ten aanzien van een deel van de bewijsvoering een terechte klacht zou behelzen, geldt dat casseren op dit punt enkel zou leiden tot het alsnog noemen van de precieze paginanummers, die de steller van het middel zo te lezen inmiddels overigens ook zelf heeft achterhaald. Met het oog op de ontwikkelingen in de cassatierechtspraak met het in werking getreden art. 80a RO heeft te dezen te gelden dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de motivering van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht.6 De twee daartoe in het middel genoemde uitspraken van het EHRM7 zien op andere situaties en doen aan het voorgaande niet af. Dat de strafzaak zeer omvangrijk is en derhalve ’s Hofs arrest en de daarop gegeven aanvulling evenzeer, lijkt me overigens geen aan het Hof te wijten omstandigheid. Het middel faalt.

Middel II Verdachte

6.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van de feiten 33 en 44 tot en met 80 ten onrechte, althans ontoereikend heeft gemotiveerd door deze mede te baseren op “de feiten ten aanzien van seksueel misbruik waarvoor het bewijs gevonden kan worden in de bekennende verklaring(en) van de verdachte én in opnamen (de feiten 1 t/m 32 en 34 t/m 43)”. Zonder dit “schakelbewijs” steunt de bewezenverklaring van deze feiten uitsluitend op de verklaring(en) van verdachte en is de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Voorts komt het middel op tegen ‘s Hofs verwerping van een dienaangaand namens verdachte gevoerd verweer.

6.2. Het middel berust op een te beperkte lezing van de bestreden overwegingen van het Hof. Het Hof heeft immers overwogen dat het de overtuiging heeft bekomen dat verdachte de onder 1 tot en met 80 tenlastegelegde feiten heeft begaan door:

a. verdachtes gedetailleerde bekennende verklaringen met daarin ook zijn specifieke modus operandi bij het seksueel misbruik;

b. de omstandigheid dat deze modus operandi wordt bevestigd door de opnamen die ten aanzien van een deel van de feiten zijn gemaakt en waarop ook de chatlogs en de verklaringen van kennissen/internetcontacten betrekking hebben;

waarbij het Hof vervolgens heeft overwogen dat met name de opnamen daarbij gewicht in de schaal leggen, omdat deze onafhankelijk van de eigen verklaringen van verdachte tot stand zijn gekomen.

Het middel zet de overwegingen van het Hof enkel in de sleutel van een gebrek aan wettig (schakel)bewijs omdat de bewijsvoering in zoverre in wezen enkel berust op de verklaringen van verdachte. Daarbij wordt eraan voorbij gezien dat het Hof de bevestiging voor verdachtes kenmerkende modus operandi nu juist met name heeft gezien in de gemaakte opnamen van het seksueel misbruik en daarop zijn de handelingen los van verdachtes verklaringen waarneembaar. Natuurlijk dient, zeker naar huidig inzicht, geen overspannen bewijskracht te worden toegekend aan schakelbewijs8, maar daarvan is in de onderhavige zaak ook geen sprake. Juist vanwege de enorme hoeveelheid feiten waarbij een zeer herkenbaar en gelijksoortig gedragspatroon is vastgesteld aan de hand van verdachtes verklaringen, chatlogs, de verklaringen van kennissen/internetcontacten alsmede ook en met name aan de hand van gemaakte filmopnamen van het misbruik, acht ik het oordeel van het Hof om dit patroon tevens in de bewijsvoering ten aanzien van de andere feiten in aanmerking te nemen niet onbegrijpelijk en, ook in het licht van het gevoerde verweer, toereikend gemotiveerd. Het middel berust op een te beperkte lezing van de bestreden overwegingen en mist derhalve feitelijke grondslag.

Middel III Verdachte

7.1. Het derde middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten bij de bewezenverklaring van de volgende 26 feiten: 1, 2, 4, 6, 7, 8, 9, 12, 17, 20, 23, 25, 27, 30, 31, 32, 34, 35, 36, 37, 39, 40, 41, 43, 66 en 76. Het heeft immers bij de bewezenverklaarde feitelijke handelingen geen keuze gemaakt en telkens “en/of” laten staan, zodat de mogelijkheid open blijft dat de feitelijke handelingen enkel bestonden uit ontuchtige handelingen in de zin van 247 Sr in plaats van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het kind zoals strafbaar gesteld in art. 244 Sr.

7.2. Het Hof heeft voor zover hier van belang de bewezenverklaarde feiten als volgt gekwalificeerd:9

- Ten aanzien van de feiten 1, 6, 7, 12, (13, 15,) 20, 32, 34, 35, 36, 37, 41, 43, (44, 50, 53,) 66, 76 (en 80) telkens:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

- Ten aanzien van de feiten 8, 17, 23, 25, 27, 30, 31 en 40 telkens:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, en het feit begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

- Ten aanzien van de feiten 2, 4, 9 en 39 telkens:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vóór 1 januari 2010)

en

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, en het feit begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vanaf 1 januari 2010).10

7.3. Met de klacht dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging van deze feiten heeft verlaten, zal bedoeld zijn dat de tenlastelegging is toegesneden op art. 244 Sr en dat de bewezenverklaarde handelingen, door een keuze tussen “en/of” in de bewezenverklaring achterwege te laten, ook uitsluitend uit ontuchtige handelingen in de zin van art. 247 Sr kunnen hebben bestaan. Aldus zou het Hof ten laste van verdachte iets anders bewezen hebben verklaard dan hem in zoverre ten laste was gelegd.

7.4. Deze klacht is ongegrond. Met de bewezenverklaring van de telkens “op tijdstippen in de periode (…)” begane feiten in samenhang bezien met ’s Hofs bewijsvoering en kwalificatie, heeft het Hof onmiskenbaar bedoeld dat verdachtes gepleegde handelingen jegens deze kinderen meermalen mede het seksueel binnendringen omvatten, maar dat niet is vastgesteld dat iedere keer dat het kind werd misbruikt exact dezelfde seksuele handelingen werden verricht. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Ten laste van verdachte is in zoverre ook niet iets anders bewezen verklaard dan hem ten laste is gelegd, zodat van grondslagverlating geen sprake is. Het middel faalt.

Middel IV Verdachte

8.1. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten aanzien van de feiten 2, 3, 4, 9, 10, 11, 39 en 45 bij de kwalificatie voor een deel van de bewezenverklaarde periode de strafverzwarende omstandigheid van art. 248 Sr zoals in werking getreden op 1 januari 2010 heeft betrokken, terwijl uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen ook op of na 1 januari 2010 hebben plaatsgevonden.

8.2. De kwalificatie van de feiten 2, 4, 9 en 39 is hiervoor onder 7.2 weergegeven. Het Hof heeft voorts de feiten 3, 10 en 11 als volgt gekwalificeerd:

- Ten aanzien van feit 3:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vóór 1 januari 2010)

en

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, en het feit begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vanaf 1 januari 2010);

-Ten aanzien van feit 10:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vóór 1 januari 2010)

en

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, en het feit begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vanaf 1 januari 2010);

- Ten aanzien van feit 11:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vóór 1 januari 2010)

en

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, en het feit begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vanaf 1 januari 2010);

- Ten aanzien van feit 45:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen (voor zover het feit is begaan vóór 1 januari 2010)

en

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, en het feit begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige (voor zover het feit is begaan vanaf 1 januari 2010).

8.3. Art. 248 Sr bevat strafverzwarende omstandigheden bij de misdrijven tegen de zeden. Tot 1 januari 2010 zag deze strafverzwaringsgrond alleen op het ingetreden gevolg, maar sinds die datum zijn daaraan andere gronden toegevoegd.11 De strafverzwaring verschilt sindsdien naar gelang het aantal daders (lid 1), de relatie tot het slachtoffer (lid 2) en het ingetreden gevolg; ten hoogste 15 jaar bij zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar en 18 jaar bij de dood (lid 3 en 4).12 Het Hof heeft bij de feiten 2, 3, 4, 9, 10, 11, 39 en 45 - voor zover deze feiten zijn begaan vanaf 1 januari 2010 - als grond voor strafverzwaring in aanmerking genomen dat het zedendelict is begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. De maximumstraf kan dan met een derde worden verhoogd.

8.4. Geklaagd wordt dat de bewijsvoering van deze feiten de mogelijkheid open laat dat de bewezenverklaarde handelingen alleen vóór 1 januari 2010 hebben plaatsgevonden.

Bij de feiten 2, 3, 4, en 39 lees ik de bewijsvoering anders dan de steller van het middel en is door het Hof zonder meer toereikend vastgesteld dat het misbruik zowel voor als na 1 januari 2010 plaatsvond, gelet op de vastgestelde oppasperiode en voorts het aantal malen misbruik (feiten 2 en 3); het aantal gemaakte opnamen versus de oppasfrequentie (feit 4); en de verklaring van verdachte dat hij het iedere keer deed als hij daar oppaste (feit 39). Geenszins valt in te zien waarom het Hof in zoverre niet (ook) de per 1 januari 2010 in werking getreden strafverzwaringsgrond van art. 248 lid 2 Sr kon toepassen.

8.5. Ten aanzien van de feiten 9, 10 en 11 ligt dat iets anders. Bij die feiten houden de bewijsmiddelen de oppas/crècheperiode in waarin het kind aan verdachte was toevertrouwd, alsmede verdachtes verklaringen wat hij de desbetreffende kinderen op de crèche en/of thuis heeft misdaan. Ook voor deze feiten acht ik evenwel toereikend gemotiveerd dat deze handelingen zowel voor als na de inwerkingtreding van art. 248 lid 2 Sr hebben plaatsgevonden. De bewezenverklaarde periode waarin het kind aan verdachte was toevertrouwd beslaat telkens data van voor en na 1 januari 2010 en niet - ik veroorloof mij te zeggen ‘geenszins’ - is gebleken dat verdachte vanaf 1 januari 2010, toen de specifieke strafverzwaring kracht van wet kreeg, bij zijn oppas/crèchewerkzaamheden het misbruik van de desbetreffende kinderen spontaan staakte. Daartoe neem ik mede in aanmerking de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd (bewijsmiddel 1), inhoudende:

- dat verdachte wist dat hij betrapt zou worden maar er niet mee kon ophouden;

- dat het elke keer gemakkelijker werd tot het gewoon werd;

- dat hij opnames daarvan maakte en deze aan mensen doorstuurde en op internet zette;

- dat als hij van een bepaald kind ongeveer 200 opnamen had, dat dit betekende dat hij daar veel over de vloer kwam.

8.6. Het hiervoor onder 8.5 uiteengezette geldt ook voor de bewijsvoering voor feit 45, maar deze houdt minder dan in bij de feiten 9, 10 en 11. De bewijsvoering voor feit 45 houdt immers kort gezegd alleen in dat het een keer of drie op de crèche is gebeurd (handelingen in de categorie 1 en 2), in de periode van oktober 2009 tot januari 2010. Voor zover de bewijsvoering in zoverre te kort zou schieten, heeft verdachte evenwel onvoldoende rechtens te respecteren belang bij deze klacht. Of ten aanzien van feit 45 nu wel of niet vaststaat dat verdachte deze handelingen (ook) na 1 januari 2010 heeft begaan, maakt gelet op de veelheid van bewezenverklaarde feiten en het “strafplafond” van art. 57 lid 2 Sr en mede gelet op de speciale cumulatieregeling van art. 10 lid 3 Sr in de onderhavige zaak geen rechtens relevant verschil.13 Dat laat zich met een korte berekening als volgt toelichten. In de onderhavige zaak is de hoogste maximumstraf gesteld op het misdrijf van art. 244 Sr: 12 jaar, welk strafmaximum met een derde wordt vermeerderd door de toepassing van de delictgerelateerde strafverhogingsgrond van art 248 Sr. Dan geldt een maximumstraf van 16 jaar. Daarboven is sprake van meerdaadse samenloop van de bewezenverklaarde misdrijven zodat art. 57 lid 2 Sr - met een ‘algemene’ verhoging van het maximum met één derde - toepassing kent. Het resultaat is ingevolge art. 10 lid 3 Sr een wettelijk strafplafond van een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaar en vier maanden. Gevoeglijk kan daarom worden aangenomen dat de al dan niet terecht aangenomen wettelijke grond voor strafverhoging van art. 248 Sr bij één van de bewezenverklaarde feiten in het licht van de overige bewezenverklaarde feiten en het te dezen geldende wettelijk strafmaximum geen rechtens relevant verschil maakt en dat deze klacht dus niet tot cassatie kan leiden.

8.7. Het middel is in alle onderdelen tevergeefs voorgesteld.

Middel V Verdachte

9.1. Het vijfde middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot strafvermindering.

9.2. Het middel keert zich tegen de volgende overweging van het Hof:

“De verdediging heeft, deels onder verwijzing naar jurisprudentie, aangevoerd dat de volgende factoren een matigende invloed dienen te hebben op de strafmaat.

(…)

6.

De rol van de autoriteiten/politici rond dit proces

Er is geen grote terughoudendheid betracht ten aanzien van de onschuldpresumptie van de verdachte, gelet op de uitlating van burgemeester Van der Laan dat er zoveel bewijs is dat daar geen zorgen over hoeft te worden gemaakt en het twitterbericht van de politicus Wilders dat misbruik van ruim 30 peuters walgelijk is en de dader nooit meer mag vrijkomen.

(…)

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

(…)

Ad 2 tot en met 6

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat de verdachte in grote mate heeft meegewerkt aan het opsporingsonderzoek. Zonder de uitgebreide en gedetailleerde verklaringen van de verdachte over het misbruik en zonder de door hem verstrekte wachtwoorden waarmee kinderpornografisch materiaal kon worden achterhaald, zou deze strafzaak bij lange na niet in de huidige omvang aan de orde zijn geweest. In zijn algemeenheid is goed voorstelbaar dat een dergelijke mate van medewerking een enigszins strafmatigende werking heeft. Daarvan kan hier echter geen sprake zijn. Deze strafzaak betreft immers zo vele kinderen, die in totaal zo verschrikkelijk vele malen ernstig seksueel zijn misbruikt en waarvan zulke enorme hoeveelheden kinderpornografisch materiaal zijn gemaakt, dat de medewerking van de verdachte daartegen geenszins kan opwegen. Tegen die achtergrond bezien valt de coöperatieve houding van de verdachte na diens aanhouding in het niet. Datzelfde geldt voor de overige door de verdediging aangedragen punten. Het hof acht daarom geen ruimte aanwezig voor strafmatiging.”

9.3.

Geklaagd wordt dat ’s Hofs motivering tekort schiet, omdat in het midden wordt gelaten of sprake is van een schending van de onschuldpresumptie als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM. Met een beroep op de zaak EHRM 24 mei 2011, Konstas tegen Griekenland, appl.nr. 53466/07 wordt geklaagd dat de gewraakte uitlatingen in de media wel een schending van art. 6 lid 2 EVRM opleveren en dat voorts, doordat het Hof dit in het midden laat, sprake is van schending van art. 13 EVRM.

9.4.

In de uitspraak van het EHRM Konstas tegen Griekenland ging het om uitlatingen die kort na de uitspraak in eerste aanleg (het Hof van Assisen te Athene) door drie ministers in het parlement waren gedaan, hangende het hoger beroep. Het EHRM constateerde dat de uitlatingen in dat geval14 een schending van de in art. 6 lid 2 EVRM vervatte onschuldpresumptie opleverden. De zaak moest immers nog in hoger beroep worden beoordeeld en het EHRM oordeelt - onder verwijzing naar eerdere arresten - dat niet alleen de rechtsprekende instantie, maar iedere vertegenwoordiger van de Staat zich dient te onthouden van verklaringen inhoudende dat een persoon schuldig is aan een strafbaar feit alvorens zijn schuld door een gerechtelijke instantie is vastgesteld. De onschuldpresumptie is er met name om de rechten van de verdediging te garanderen en beschermt ook de waardigheid van de beschuldigde wiens schuld nog niet in rechte is komen vast te staan. Of de uitlatingen een schending opleveren, wordt enerzijds beoordeeld aan de hand van de strekking (“the real meaning”) van de gebezigde bewoordingen en anderzijds van de context waarin deze zijn geuit (§ 32-33). Het EHRM heeft derhalve beoordeeld of de ministers de uitspraken onder omstandigheden en op een zodanige wijze hebben gedaan dat daarmee de beoordelingsruimte van de appelinstantie is aangetast en te dezen geoordeeld dat met de uitlatingen inderdaad een ongeoorloofd voorschot is genomen op de hernieuwde beoordeling.15

Voorts was in de zaak Konstas tegen Griekenland de schending van art. 13 EVRM - kort gezegd het recht op een effectief rechtsmiddel - gelegen in de omstandigheid dat veertien jaar na het instellen van het hoger beroep, op het moment dat het EHRM zich boog over de zaak, het hoger beroep nog immer niet was aangevangen.

9.5.

Dat uitlatingen door een burgemeester of politicus een schending van de onschuldpresumptie kunnen opleveren, kan inderdaad aan de rechtspraak van het EHRM worden ontleend. Dat het Hof in de onderhavige zaak bijgevolg niet in het midden kon laten of sprake was van een dergelijke schending en dat dit een schending van art. 13 EVRM oplevert, valt evenwel aan de jurisprudentie van het EHRM niet te ontlenen. Voor die opvatting heb ik ook geen ander aanknopingspunt van belang gevonden. In de overwegingen van het Hof ligt als oordeel besloten dat ook indien sprake is van schending van de onschuldpresumptie, dat die schending niet tot strafmatiging kan leiden gelet op de enorme ernst en omvang van de zaak; bij schending zou het Hof derhalve met de constatering van die schending hebben volstaan. Dat het Hof aldus het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot strafvermindering heeft verworpen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.

Middel VI Verdachte

10.1. Het zesde middel klaagt dat de beslissing van het Hof om in het arrest niet te adviseren dat de terbeschikkingstelling eerder dient aan te vangen dan de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling onbegrijpelijk is.

10.2. De bestreden uitspraak houdt in zoverre het volgende in:

“Met betrekking tot de aanvang van de TBS is het navolgende van belang.

Indien aan een verdachte, naast TBS met dwangverpleging, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, vangt de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling in de regel aan op het moment dat twee derde van de gevangenisstraf is geëxecuteerd.

Ingevolge artikel 37b lid 2 Sr kan de rechter in zijn uitspraak een advies opnemen omtrent het tijdstip waarop de TBS volgens de rechter zou dienen aan te vangen. De verdediging heeft het hof verzocht van deze bevoegdheid gebruik te maken en als advies in het arrest op te nemen dat de TBS van de verdachte op een veel vroeger tijdstip moet aanvangen dan het tijdstip waarop twee derde van de op te leggen gevangenisstraf is geëxecuteerd.

Het hof onderkent dat de behandeling van de verdachte zeer waarschijnlijk effectiever en succesvoller zal zijn indien deze op (relatief) korte termijn aanvangt.

Voormelde deskundigen Stam en Van Gestel hebben hierover in hun rapport het volgende opgemerkt:

Vanuit gedragskundig oogpunt is het wenselijk zo vroeg mogelijk na vaststelling van een stoornis over te gaan tot behandeling. Dit vergroot de kans op succes, vanuit forensisch perspectief met name ten aanzien van het recidiverisico, en kan ook de duur van de behandeling bekorten. Een langdurige gevangenisstraf hoeft een succesvolle behandeling niet uit te sluiten, maar kan van negatieve invloed zijn op de kans op succes en op de duur van de behandeling.

Masthoff heeft zich op dit punt als volgt uitgelaten:

Bij [verdachte] wordt thans voldaan aan een aantal voorwaarden om te komen tot een potentieel doelmatige behandeling (...). Of deze gunstige factoren toekomstbestendig zijn valt a priori niet (met zekerheid) vast te stellen, echter aannemelijk is dat een lange gevangenisstraf deze variabelen negatief zal beïnvloeden. Verder is het van belang op te merken dat binnen de detentiesetting (thans binnen een PPC) weliswaar in bepaalde mate diagnostiek en behandeling geboden kan worden (en momenteel ook aan de verdachte geboden wordt), doch dat hieraan een evident plafond zit. Met andere woorden: een PPC kan specifiek gericht op de problematiek van [verdachte] niet het optimale behandeltraject bieden, hoogstens een aanzet daartoe (...). Indien het penologische perspectief buiten beschouwing zou worden gelaten, ware het vanuit behandelperspectief het beste dat [verdachte] zo spoedig mogelijk zou kunnen aanvangen met een passend klinisch TBS-traject.

Zoals uit voornoemde citaten naar voren komt, vloeit de gestelde wenselijkheid van een spoedige behandeling louter voort uit het door de deskundigen gehanteerde behandelperspectief en zijn andere factoren, bijvoorbeeld de ernst van de feiten, door hen - terecht - buiten beschouwing gelaten. Het hof kan aan dergelijke andere factoren evenwel niet voorbijgaan. In het bijzonder de ernst van de feiten, de omvangrijke schaal waarop die hebben plaatsgevonden, de schade die aan kinderen is berokkend en het leed dat gezinnen is aangedaan, brengen naar het oordeel van het hof mee dat moet worden afgezien van een advies dat strekt tot aanvang van de TBS voordat de verdachte twee derde van de op te leggen gevangenisstraf heeft uitgezeten. De door de verdediging aangehaalde jurisprudentie kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat de daarin aan de orde zijnde gevallen zodanig afwijken van de onderhavige zaak - voor wat betreft de soort strafbare feiten, de al dan niet bestaande grootschaligheid, de aard van de stoornis(sen) - dat die daarmee niet op één lijn kunnen worden gesteld.”

10.3. Ingevolge art. 37b lid 2 Sr kan de rechter bij de last tot TBS met bevel tot dwangverpleging in combinatie met de oplegging van een gevangenisstraf in het vonnis of arrest een advies opnemen omtrent het tijdstip waarop de TBS met dwangverpleging dient aan te vangen. Dat is een bij wet geboden mogelijkheid, waarvan de feitenrechter gebruik kan maken indien de zaak zich naar zijn oordeel daarvoor leent. Ook indien de rechter een dergelijk advies geeft, is het uiteindelijk de Minister van Veiligheid en Justitie die daarop beslist. Als dat afwijkt van het in het vonnis gegeven advies, staat voor de veroordeelde beroep open bij de sectie TBS van de RSJ.16

10.4. In de onderhavige zaak heeft het Hof geoordeeld dat het niet zal adviseren tot een eerdere aanvang van de TBS en daartoe in het bijzonder in aanmerking genomen de ernst van de feiten, de omvangrijke schaal waarop die hebben plaatsgevonden, de schade die aan kinderen is berokkend en het leed dat gezinnen is aangedaan. Dat het Hof op grond van die factoren anders oordeelt dan de verdediging voorstaat, is niet onbegrijpelijk. Juist de combinatie met de oplegging van een gevangenisstraf maakt dat er, kort gezegd, ook reden en plaats is voor vergelding en niet uitsluitend of grotendeels voor behandeling. Het Hof heeft dan ook terecht overwogen dat de deskundigen weliswaar een spoedige behandeling voorstaan vanuit het door hen te hanteren behandelperspectief, maar dat het Hof in het kader van de strafoplegging bij het al dan niet verstrekken van een advies als bedoeld in art. 37b lid 2 Sr ook andere factoren in ogenschouw dient te nemen. Gelet op de aan de feitenrechter bij de strafoplegging voorbehouden vrijheid tot het al dan niet verstrekken van een dergelijk advies en de daaraan ten grondslag gelegde toereikende motivering naar aanleiding van het gevoerde verweer faalt ook dit middel.

Middel VII Verdachte

11.1. Het zevende middel komt op tegen de beslissing van het Hof om verdachtes diploma SPW, de verklaring omtrent het gedrag en het diploma eerste hulp aan kinderen verbeurd te verklaren.

11.2. Het Hof heeft deze beslissing tot verbeurdverklaring als volgt toegelicht:

“Verbeurdverklaring

(…)

Het diploma SPW, de verklaring omtrent het gedrag en het diploma eerste hulp aan kinderen zijn in beslag genomen voorwerpen die aan de verdachte toebehoren en die hij in het kader van de voorbereiding van het misbruik heeft verworven, zodat deze zullen worden verbeurdverklaard op de grond dat met behulp daarvan de feiten 1 tot en met 80 zijn voorbereid.”

11.3. Een oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen behoeft niet te worden gestaafd door de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen, maar dient wel te berusten op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.17 De stukken van het geding houden voor zover voor de verbeurdverklaring van deze documenten van belang, het volgende in.

a. De bewijsmiddelen 1, 4 en 5 tezamen bezien, is verdachte vanaf zijn eerste stage bij de crèche in de lente van 2007 begonnen met het seksueel misbruiken van kinderen en is hij daar (tot zijn aanhouding) niet mee opgehouden.

b. In de bestreden uitspraak houdt ’s Hofs strafmotivering onder meer in:

“De verdachte ging berekenend te werk. De oppasadressen werden door hem bekeken op geschiktheid voor te plegen misbruik, bijvoorbeeld om te bezien of er een geschikte kamer aanwezig was, of er gordijnen waren die dicht konden en daardoor inkijk beletten, of de commode de juiste hoogte had en of er cola in huis was om eventuele geuren/sporen van het misbruik te verdoezelen. Ook kwam het voor dat hij tijdens het oppassen een broek voorzien van speciale zakken droeg, waarin hij zakjes met glijmiddel kon verstoppen. In een aantal gevallen liet hij de ouders ruim voordat zij thuiskwamen hem daarover berichten, zodat het risico op betrapping was uitgesloten.

Hij heeft bij de politie verklaard dat hij tijdens zijn werk op de crèches bewust een vertrouwensband met een aantal ouders opbouwde, waarna hij door die ouders ook als oppas bij hen thuis werd gevraagd. Het door de ouders in hem gestelde vertrouwen werd vervolgens door hem op een uiterst pijnlijke manier beschaamd.”

11.4. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk de onder verdachte inbeslaggenomen documenten gekoppeld aan verdachtes werkzaamheden bij de kinderopvang, in die zin dat het verkrijgen van de diploma’s en de verklaring omtrent gedrag (‘VOG’) daartoe was vereist. Een deel van het misbruik vond plaats op de crèches waar verdachte werkte en voorts heeft verdachte (met name) kinderen thuis misbruikt als hij daar oppaste. Daartoe was het vertrouwen van de ouders benodigd en dat won verdachte - mede - met de certificering als medewerker van de kinderopvang. Aldus bezien acht ik het oordeel van het Hof dat de twee diploma’s en de VOG voorwerpen zijn met behulp waarvan (een deel van) de feiten zijn voorbereid in de zin van art. 33a lid 1 onder c Sr niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en voorts verweven met een niet onbegrijpelijke feitelijke waardering. Deze staat de steller van het middel anders voor, maar dat is in cassatie tevergeefs. In het middel wordt in de kern bezien gesteld dat verdachte juist zijn opleiding en werkzaamheden met kinderen aanving om een andere wending te geven aan zijn pedoseksuele gevoelens voor zeer jonge kinderen. Die gestelde intentie neemt evenwel niet weg dat zodra verdachte niet meer met kinderen van vier jaar en ouder werkte maar op een crèche met (zeer) jonge kinderen, het misbruik is begonnen en dat juist die werkzaamheden en de daarvoor benodigde opleidingen en VOG maakten dat verdachte de bewezenverklaarde feiten kon begaan. Dat komt genoegzaam naar voren uit het onderzoek ter terechtzitting. Dat verdachte in zijn keuze tot opleiding en werk “dubbel” is geweest in relatie tot zijn pedoseksuele voorkeuren, net als, volgens zijn eigen verklaringen, zijn liefde en zorg voor de kinderen versus zijn lustbeleving ten koste van hen, doet aan de begrijpelijkheid van ’s Hofs beslissing tot verbeurdverklaring niet af. Het middel faalt.

Middel VIII Verdachte

12.1. Het achtste middel komt op tegen ’s Hofs beslissing tot de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen.

12.2. Het Hof heeft van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen bevolen dat deze worden onttrokken aan het verkeer:

“3975720 2 x S[c]andisk SD kaart; 3975723 6x cd; 3975727 VHS videoband; 3975763 5 x cd; 3975770 74 x diskette/floppy; 3964636 Coolermaster PC; 3964644 Lenovo Thinkpad laptop; 3964649 Asus laptop wit; 3964652 PC Eee wit, X12; 3964655 externe harddisk Xcraft; 3964661 Samsung telefoon; 3964682 Seagate harde schijf; 3964958 usb-stick KvK; 3964963 usb-stick KvK; 3964969 geheugenkaart Emtec Class 4gb; 3964977 videocamera Canon Legriafs20; 3964987 Fujitsu Siemens Pocket loox; 3964993 geheugenkaart Kingston 2gb; 3964996 harddisk M100710030810; 3964998 fotocamera Canon; 3965000 geheugenkaart Sandisk Ultra 2gb; 3965004 telefoon Sony Ericsson; 3965007 telefoon Nokia, zwart; 3965008 telefoon Nokia, N86; 3965010 geheugenkaart Nokia 256mb; 3965012 telefoon Panasonic, grijs; 3965013 cd-rom RW 700MB; 3965043 78 x cd-rom; 3965061 5 x dvd uit tv-meubel; 3965065 4 x videoband uit tv-meubel; 3965077 155 x cd-rom uit tv-meubel; 4080833 114 x dia, inclusief fotoserie baby; 4080746 Acer Aspire Notebook (computer); 4076263 cd-rom, wit, info Yahoo uit USA; 4064400 cd”.

12.3. Deze beslissing heeft het Hof als volgt gemotiveerd:

“Onttrekking aan het verkeer

Onder de verdachte zijn onder meer telefoons en camera's in beslag genomen, alsmede computers, externe harde schijven, USB-sticks, geheugenkaarten, cd's en cd-roms, videobanden en diskettes, welke nog niet zijn teruggegeven. De verdachte heeft naar eigen zeggen telefoons en camera's gebruikt om zijn seksueel misbruik van kinderen op te nemen, waarna de beelden werden opgeslagen op gegevensdragers. Op grond hiervan beschouwt het hof voormelde voorwerpen als een gezamenlijkheid van voorwerpen met betrekking tot welke het onder 81 bewezen verklaarde feit is begaan, welke gezamenlijkheid van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Deze voorwerpen [zullen] worden onttrokken aan het verkeer.”

12.4. Gelet op de aanduiding van de te onttrekken voorwerpen in het dictum in samenhang gelezen met de gebezigde bewijsmiddelen, kan het niet anders dan dat het Hof kennelijk abusievelijk heeft nagelaten te vermelden dat de onttrekking aan het verkeer niet alleen betrekking heeft op het onder 81 bewezenverklaarde, maar tevens op het onder 82 bewezenverklaarde. Deze feiten zijn als volgt gekwalificeerd:

- Ten aanzien van feit 81:

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreiden en vervaardigen,

en

Een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben;

en van het plegen van deze misdrijven een gewoonte maken,

-Ten aanzien van feit 82:

Medeplegen van een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, in bezit hebben, en van dit misdrijf een gewoonte maken.

12.5. Anders dan in het middel lijkt te worden gesteld, heeft het Hof de tot het bewijs gebezigde verklaringen die betrekking hebben op de voorwerpen met betrekking tot welke de feiten 81 en 82 zijn begaan aldus kunnen begrijpen, dat de daarin genoemde voorwerpen de - met meer precisie - aangeduide voorwerpen op de beslaglijst betreffen die onder verdachte in beslag genomen zijn. Daarmee is het falen van het middel al grotendeels gegeven. Dat het Hof voorts bij de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van alle hiervoor onder 12.2 genoemde voorwerpen de gezamenlijkheid van de voorwerpen in ogenschouw heeft genomen, acht ik in het licht van de omschrijving van de voorwerpen en de vaststelling dat deze alle onder verdachte in beslag zijn genomen feitelijk en niet onbegrijpelijk, omdat bewezen is verklaard dat verdachte van het (mede)plegen van deze feiten een gewoonte heeft gemaakt. Zo oordeelde de Hoge Raad ook bij inbeslaggenomen instrumenten, waarvan een deel was gebruikt bij het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst, dat de rechtbank dit als een noodzakelijk geheel voor het uitoefenen van verdachtes beroep kon zien.18Het middel faalt.

Middel IX Verdachte

13.1. Het negende middel klaagt, mede gezien de daarop gegeven toelichting, dat het Hof de namens verdachte gevoerde verweren met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen zonder nadere motivering heeft verworpen en dat aldus de beslissingen van het Hof op die vorderingen niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed. De gevoerde verweren laten zich, aldus het middel, als volgt samenvatten:

a. de beoordeling van de vorderingen leveren een onevenredige belasting voor het strafgeding op;

b. art. 8 EVRM biedt geen grondslag voor de vorderingen;

c. de daadwerkelijk geleden schade is onvoldoende komen vast te staan; en

d. er blijkt niet zonder meer van enig causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade aan de kinderen.

13.2. Anders dan het middel wil, behelst de bestreden uitspraak een toereikende weerlegging van de namens verdachte gevoerde verweren. Daartoe puntsgewijs het volgende.

Ad a. De beoordeling van de vorderingen leveren een onevenredige belasting voor het strafgeding op.

Bij het verweer dat de beoordeling van de vorderingen een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren, ging het de verdediging om het deel van de vorderingen waarin het de schadevergoeding van de ouders als slachtoffer in de zin van art. 51a e.v. Sv betreft. Betoogd is19 dat de strafzaak zich niet leent om civiele grenzen te verleggen en dat het feit dat principiële aspecten worden opgeworpen reden voor de strafrechter moet zijn om tot niet-ontvankelijkheid te beslissen.

Ingevolge art. 361 lid 3 Sv - ook van toepassing in hoger beroep (art. 415 lid 1 Sv) - kan de rechter ambtshalve of op verzoek van de verdediging of op vordering van de advocaat-generaal bij het hof bepalen dat de benadeelde partij deels of geheel niet in de vordering kan worden ontvangen, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Deze maatstaf is ingevoerd bij de op 1 januari 2011 in werking getreden Wet versterking positie slachtoffer in het strafproces (Stb. 2010, 1) en kent onmiddellijke werking.20 Met deze nieuwe, aan het onderzoeksproject Strafvordering 2001 ontleende maatstaf is beoogd, zo volgt uit de wetsgeschiedenis:

"te bewerkstelligen dat de strafrechter zoveel als mogelijk - en vaker dan nu het geval is - inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist. Het enkele feit dat een vordering wordt betwist, niet onmiddellijk met voldoende bewijsmiddelen wordt onderbouwd of dat er bijvoorbeeld een enkele getuige of deskundige moet worden gehoord of het gevorderde bedrag hoger is dan gemiddeld, mag geen reden (meer) zijn de vordering om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe wordt voorgesteld het criterium «eenvoudig van aard» te vervangen door het strengere criterium «onevenredige belasting». Dat de omvang van de schade – ook immateriële – wellicht vaker dan nu het geval is zal worden bepaald door schatting, acht de indiener geen groot bezwaar. De voordelen voor het slachtoffer zijn immers groot.”21

[2.]Voor het niet-ontvankelijk verklaren van de vordering is derhalve met de maatstaf van een onevenredige belasting voor het strafgeding minder grond beoogd.22 Het oordeel dat een vordering van de benadeelde partij al dan niet een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.23

In de onderhavige zaak heeft het Hof na de overwegingen dat het de ouders niet als slachtoffers in de zin van art. 51a Sv kan aanmerken, waarover hierna meer, beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover dit de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de kinderen zelf betreft. Voor het overige, het deel waarop met het gevoerde verweer werd gedoeld, zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaard, zij het niet op grond van art. 361 lid 3 Sv. Dat is dus dezelfde uitkomst. Welk rechtens te respecteren belang verdachte in zoverre bij zijn cassatieklacht heeft, vermag ik niet in te zien. Voor zover het in hoger beroep gevoerde verweer berust op de opvatting dat reeds vanwege de opgeworpen rechtsvraag of de ouders als slachtoffer in het strafrecht kunnen worden aangemerkt, zij niet in de vorderingen kunnen worden ontvangen, laat ik niet onvermeld dat deze opvatting mijns inziens onjuist is en dat het Hof het gevoerde verweer slechts had kunnen verwerpen. De vraag of de ouders slachtoffer zijn in de zin van art. 51a e.v. Sv is immers een strafrechtelijke rechtsvraag. Niet valt in te zien, ook niet met het oog op het accessoire karakter van de vordering van de benadeelde partij binnen het strafgeding, waarom de feitenrechter het moeten beoordelen van die rechtsvraag als een zo grote belasting voor het strafgeding had moeten zien dat het deswege de benadeelde partijen naar de civiele rechter zou dienen te verwijzen.

Ad b. Art. 8 EVRM biedt geen grondslag voor de vorderingen.

Dat bij ernstige gedragingen zoals het maken, bezitten en verspreiden van afbeeldingen van seksuele gedragingen met een kind fundamentele waarden en essentiële aspecten van het privéleven in het geding zijn, staat mijns inziens buiten kijf en wordt ook niet door de verdediging in hoger beroep (en cassatie) aangekaart.24 Het gaat de verdediging bij het - volgens het middel niet verworpen - verweer in hoger beroep erom dat, anders dan door de raadslieden van de ouders is gesteld, art. 8 EVRM geen directe werking heeft tussen burgers en dat bij uitstek de civiele rechter bekwaam is een dergelijke beslissing van principiële aard te nemen. Ook daarom is namens verdachte in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen bepleit.

Het Hof heeft te dezen overwogen:

“De vorderingen op grond van schending van het recht op privacy

Door het maken, bezitten en verspreiden van afbeeldingen van seksuele gedragingen met een kind is inbreuk gemaakt op het recht op het privéleven van het kind dat wordt beschermd in artikel 8 lid 1 van het EVRM. Het op deze grond gevorderde bedrag (per kind veelal € 8.000,-) komt geheel voor toewijzing in aanmerking, met name omdat de afbeeldingen zijn gedeeld met derden en niet valt uit te sluiten dat die beelden langdurig zullen blijven bestaan op het internet. In de gevallen waarin bij [medeverdachte] wettig en overtuigend bewezen wordt geacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van het misdrijf van artikel 240b Sr, zal hij worden veroordeeld tot betaling van € 500,- per kind, nu het bij hem uitsluitend het bezit van het kinderpornografisch materiaal betreft en niet ook het maken of verspreiden ervan. Tot betaling van dit bedrag van € 500,- zullen beide verdachten hoofdelijk worden veroordeeld, met dien verstande dat indien en voor zover een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd.”

Art. 8 EVRM beschermt (voor zover hier van belang) het recht op privéleven. Niet alleen zijn de lidstaten gehouden dit recht actief te eerbiedigen, maar ook de rechtspraak binnen die lidstaten is gehouden bij een beroep op schending van art. 8 EVRM actief te toetsen of daarvan sprake is. In zoverre is derhalve, net als bijvoorbeeld bij art. 6 EVRM, wel sprake van een ‘directe werking’ van dit mensenrecht en kan het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer ook in civielrechtelijke relaties worden ingeroepen. In het burgerlijk recht kan schending van de privacy als vervat in art. 8 EVRM derhalve, bijvoorbeeld, een onrechtmatige daad opleveren in de zin van art. 6:162 BW. Een dergelijke beoordeling vindt niet alleen plaats bij geschillen tussen overheid en burger (‘de onrechtmatige overheidsdaad’), maar tevens bij geschillen tussen burgers en/of rechtspersonen waarin met een beroep op art. 8 EVRM wordt aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatige daad.25 Dat het Hof in afwijking van het gevoerde verweer een dergelijke schending in de onderhavige zaak heeft vastgesteld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Reden voor niet-ontvankelijkheid en verwijzing naar de burgerlijke rechter levert deze rechtens evidente kwestie niet op. In het licht van de vastgestelde feiten en omstandigheden is het oordeel van het Hof ook niet onbegrijpelijk en meer respons van de zijde van het Hof was in dezen niet vereist.

Ad c. De daadwerkelijk geleden schade is onvoldoende komen vast te staan.

In de stukken van het geding en de overgelegde pleitnota tref ik niet aan dat dit verweer namens verdachte in hoger beroep is gevoerd, zodat deze klacht feitelijke grondslag mist. Daarenboven merk ik nog op dat de schadevergoeding van de geleden immateriële schade aan de hand van de vastgestelde feiten en omstandigheden naar billijkheid wordt geschat en dat ’s Hofs toekenning van die schadevergoeding per kind binnen die marges is gebleven.

Ad d. Er blijkt niet zonder meer van enig causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade aan de kinderen.

Ook hier geldt dat ik dit verweer niet heb kunnen ontwaren in de stukken van het geding en in het middel wordt dit evenmin nader aangeduid of toegelicht. Er zijn wel bewijsverweren gevoerd, maar het Hof behoefde het daarbij aangevoerde niet te verstaan als een verweer dat tevens ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen is gevoerd. Voor zover geklaagd wordt dat het Hof niet op dit verweer heeft gerespondeerd geldt derhalve, net als bij c), dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist.

13.3. Het middel faalt in alle onderdelen.

Middel X Verdachte

14.1. Het tiende middel is tijdig bij aanvullende schriftuur voorgesteld en klaagt dat het Hof niet, althans ontoereikend heeft gerespondeerd op het verweer dat de door de benadeelde partijen gevorderde kosten van rechtsbijstand niet onder het bereik van art. 592a Sv vallen, althans dat de beslissing van het Hof tot toekenning van deze kosten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

14.2. Namens verdachte is dienaangaande het volgende aangevoerd:

“Er is een groot verschil in de gevorderde proceskosten. Ex artikel 592a Sv gaat het om kosten van de benadeelde partij. Niet om de kosten van een slachtoffer, of om kosten van de ouders van een slachtoffer. De "benadeelde partij" is in zoverre beperkter. Kosten voor het bijwonen van de terechtzitting, voor het opstellen van spreekrechtverklaringen e.d. vallen in onze visie volgens de wetgever niet onder het bereik van artikel 592a Sv."

14.3. Het Hof heeft het volgende overwogen en beslist:

“Kosten van rechtsbijstand

De op dit onderdeel gevorderde bedragen voor de rechtsbijstand die door onderscheidenlijk mrs. Korver, Soeteman en Julius is verleend, zullen worden toegewezen. Het hof ziet, anders dan door de verdediging is bepleit, geen aanleiding het liquidatietarief toe te passen, aangezien dit standaardtarief onvoldoende recht doet aan de uitzonderlijke aard en omvang van deze zaak. Het hof acht geen der gevorderde bedragen buitensporig en door de specificaties en declaraties is genoegzaam aangetoond dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.”

14.4. Art. 592a Sv luidt als volgt:26

“Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335artikel 333 d3oet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid artikel 51g, vierde lidbedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.”

14.5. De door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in art. 361, vijfde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Gelet op de aard van die kosten, staat het de rechter in hoger beroep vrij wat de verwijzing in die kosten betreft een hoger bedrag in aanmerking te nemen dan het bedrag van de in eerste aanleg toegewezen kosten.27 De vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van een benadeelde partij behoort niet minder volledig te zijn dan in een civiele procedure het geval pleegt te zijn. Een redelijke uitleg van art. 592a Sv brengt dan ook mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures, die van art. 237 e.v. Rv.

Het gaat derhalve om een kostenvergoeding waarbij de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt voor rekening kan laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte (art. 237 lid 1 Rv).28 Bij vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand als bedoeld in art. 592a Sv geldt derhalve kort gezegd dat de rechter met die kosten volledig rekening dient te houden, tenzij het onnodig gemaakte kosten betreft.29 Voorts is de rechter bij de beslissing tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand niet gebonden aan het in overleg tussen de Nederlandse Orde van Advocaten en vertegenwoordigers van de rechterlijke macht vastgestelde "Liquidatietarief rechtbanken en hoven" - voor zover deze richtlijn zich al leent voor directe toepassing op de door een raadsman verrichte werkzaamheden ten behoeve van een benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd - reeds omdat dit geen recht is in de zin van art. 79 RO.30

14.6. Het middel berust op de opvatting dat, met het oog op wat door het Hof is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, de daaraan gemaakte kosten voor rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen op grond van art. 592a Sv. Gelet op hetgeen hiervoor uiteengezet, is die opvatting onjuist. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat van onnodig gemaakte kosten van rechtsbijstand in deze zaak geen sprake is; kennelijk ook niet voor zover het de kosten voor rechtsbijstand zou betreffen die betrekking hebben op het niet toegewezen deel van de vorderingen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de in het middel opgeworpen rechtsklacht faalt. Voor zover het middel met betrekking tot het aantal zittingsdagen berust op de opvatting dat alleen de kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding op grond van art. 592a Sv in aanmerking komen voor zover ter terechtzitting de vordering aan de orde is en niet voor zover de rest van de zaak behandeld wordt en de (wettelijk vertegenwoordigers van de) benadeelde partijen daarbij worden bijgestaan door een advocaat, deze opvatting onjuist is. Een andersluidende opvatting zou niet stroken niet met de rol van de benadeelde partij binnen het strafproces, de wettelijk vertegenwoordiger(s) van de benadeelde partij incluis. Alleen indien sprake is van onnodig gemaakte kosten - en dan gaat het om kosten waarbij het voor een rechtsgeleerd raadsman duidelijk is dat deze kosten op voorhand onnodig zijn - komen deze kosten niet voor vergoeding op grond van art. 592a Sv in aanmerking. Dat het Hof in de onderhavige zaak kennelijk heeft geoordeeld dat daarvan geen sprake is, acht ik niet onbegrijpelijk (zie tevens hierna bij de bespreking van de middelen van (een deel van) de benadeelde partijen).

14.7. Voor zover voorts wordt geklaagd over ’s Hofs ontoereikende respons op het gevoerde verweer over de hoogte van de kosten voor rechtsbijstand en dat de beslissing tot het niet hanteren van het liquidatietarief ontoereikend is gemotiveerd, stuit het middel af op HR 11 september 2012, ECHLI:NL:HR:2012:BX4442. De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich immers niet uit tot de daarin opgenomen beslissingen omtrent het bedrag van de kosten van rechtsbijstand en evenmin tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend.31

Conclusie middelen verdachte

15.

De namens verdachte voorgestelde middelen zijn alle tevergeefs voorgesteld.

Beoordeling van de namens benadeelde partijen voorgestelde middelen

16.1. Alvorens de door mr. Korver vijf namens benadeelde partijen ingediende middelen van cassatie te bespreken, geef ik de relevante overwegingen van het Hof uit de bestreden uitspraak weer.

16.2. Het Hof heeft voor zover hier van belang, ’s Hofs voetnoten incluis, het volgende overwogen:

“De vorderingen tot schadevergoeding van de ouders

Inleidende opmerkingen

Het is onmiskenbaar dat de handelingen van de verdachte een enorme impact hebben gehad - en nog steeds hebben - op de gezinnen waartoe de misbruikte kinderen behoren. De lichamelijke en seksuele integriteit van de kinderen is ernstig geschonden en vele kinderen zijn psychisch mogelijk voor het leven getekend. Voor de ouders is de wetenschap van het misbruik van hun kind een traumatische aangelegenheid, ook in de gevallen dat bij de desbetreffende kinderen destijds en momenteel geen fysieke afwijkingen of gedragsveranderingen waarneembaar zijn.

Hun schuldgevoel is groot, hoe onterecht dat gevoel ook is. Velen van hen hebben posttraumatische stressklachten ontwikkeld, tal van ouders hebben zich onder behandeling moeten stellen. De zware emotionele belasting heeft voor veel ouders (soms blijvend) negatieve gevolgen gehad op het gebied van werk en opleiding, de onderlinge relatie tussen de ouders en de relaties met familie en vrienden zijn onder druk komen te staan, hun vertrouwen in de medemens is sterk afgenomen en de opvoeding van de kinderen heeft een beladen dimensie gekregen. Vele ouders hebben aan het leed dat zij hebben ondervonden en nog steeds ondervinden, op indrukwekkende wijze uiting gegeven ter terechtzitting in hoger beroep bij gelegenheid van de uitoefening van hun spreekrecht. Door kinderarts Landsmeer-Beker, kinderpsycholoog Lamers-Winkelman en kinderpsychiater Vogtländer is vanuit hun expertise verslag gedaan van de mogelijke gevolgen van seksueel misbruik van zeer jonge kinderen, waarbij onder meer is ingegaan op de symbiotische verhouding tussen ouders en kinderen beneden de twee/drie jaar, op de invloed die seksueel misbruik op zeer jeugdige leeftijd kan hebben op de ontwikkeling van de hersenen van het kind, en op de noodzaak van adequate psychosociale behandeling en begeleiding van de ouders om hen in staat te stellen te zorgen voor het welzijn van hun misbruikte kind. In de ruime zin van het woord zijn de ouders dan ook zonder meer als slachtoffer te beschouwen en het hof wenst te beklemtonen dat de ouders daarin alle erkenning en respect verdienen. Dat geldt ook voor de ouders die zich niet hebben willen mengen in de strafprocedure en zich daarom niet hebben laten vertegenwoordigen door een advocaat of door slachtofferhulp, geen gebruik hebben gemaakt van het spreekrecht en geen vordering tot schadevergoeding hebben ingediend.

Vanwege de bijzondere positie van de ouders wier kinderen de ten laste gelegde feiten betreffen, heeft het hof een aanzienlijk deel van de behandeling besteed aan de bespreking van de gevolgen van het seksueel misbruik van kinderen voor de ouders en andere gezinsleden. Gedurende drie dagen heeft het hof de ouders gelegenheid gegeven hun spreekrecht uit te oefenen. Ook zijn de drie hiervoor genoemde deskundigen uitvoerig gehoord ter terechtzitting in hoger beroep, nadat zij reeds in eerste aanleg deskundigenrapporten hadden uitgebracht en op de terechtzitting van de rechtbank zijn bevraagd. Aan de toelichting van de vorderingen tot schadevergoeding door de advocaten is eveneens een zittingsdag besteed. Ter vergelijking: de bespreking van de feiten met beide verdachten en de behandeling van hun persoonlijke omstandigheden, inclusief het horen van twee deskundigen, heeft drie dagen in beslag genomen. Het moge derhalve duidelijk zijn dat het hof recht heeft willen doen aan de grote impact die deze zaak niet alleen op de kinderen maar ook op de ouders heeft gehad. De bereidheid daartoe is overigens van de kant van het openbaar ministerie niet minder geweest.

De door vele ouders ingediende vorderingen tot schadevergoeding zien op geleden materiële en immateriële schade die aan de ouders en hun kinderen is toegebracht door de verdachte. Daaraan is in het bijzonder ten grondslag gelegd dat de verdachte door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op in het EVRM gegarandeerde grondrechten. Dergelijke vorderingen tot schadevergoeding zijn bij uitstek civielrechtelijk van aard. Het is het civiele ofwel burgerlijk (proces)recht dat voorziet in de regels voor de vaststelling van de rechtsverhouding tussen burgers onderling en de eventueel daaruit voortvloeiende verplichting tot schadevergoeding. Het strafrecht ziet niet op de verhouding tussen burgers onderling. In de strafrechtelijke procedure is weliswaar voorzien in een rechtsingang voor de beoordeling van civielrechtelijke vorderingen, maar deze rechtsingang heeft slechts een beperkt bereik: zij staat alleen open voor slachtoffers van strafbare feiten. Voordat het hof in deze strafzaak kan toekomen aan de vraag of aan de ouders of de kinderen naar burgerlijk recht een aanspraak op schadevergoeding toekomt, moet dus eerst worden beoordeeld of zij voldoen aan de specifieke criteria voor slachtofferschap als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering. Dat dit voor de kinderen het geval is, staat buiten kijf en behoeft dan ook geen nadere bespreking. De vraag of ook de ouders slachtoffer zijn, zal het hof hierna bespreken.

De civielrechtelijke positie van de ouders

Inzake het vorderen van schadevergoeding ter zake van de door [verdachte] gepleegde feiten zijn voor wat betreft de ouders drie civielrechtelijke posities te onderscheiden:

a. namens hun kind(eren) ter zake van de door het kind zelf geleden immateriële schade en vermogensschade; de ouders treden hier op als de wettelijke vertegenwoordigers van het kind;

b. voor zichzelf, op de grond dat de verdachte (ook) jegens de ouders onrechtmatig heeft gehandeld;

c. voor zichzelf, op de grond dat de ouders als gevolg van de feiten kosten hebben gemaakt ten behoeve van hun kind(eren), waarbij het gaat om kosten die het kind, als het ze zelf zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen (de zogenaamde verplaatste schade).

Niet in geschil is dat de ouders in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger schadevergoeding kunnen vorderen (positie a).

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de ouders geen slachtoffer zijn in de zin van het Wetboek van Strafvordering en dat zij daarom geen aanspraak kunnen doen gelden op vergoeding van eigen schade (positie b). Wel zouden naar het oordeel van de advocaten-generaal veel door de ouders gemaakte kosten binnen het strafproces vergoed kunnen worden als verplaatste schade (positie c). Zij hebben daartoe verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2002, LJN AE2642. Naar het oordeel van het hof miskennen zij daarmee echter dat - ook blijkens genoemd arrest - moet worden onderscheiden tussen enerzijds de civielrechtelijke mogelijkheden tot schadevergoeding (voor de verplaatste schade betreft dit artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek) en anderzijds de beperkte mogelijkheden om die civielrechtelijke aanspraken binnen een strafrechtelijke procedure geldend te maken (de criteria voor slachtofferschap van de artikelen 51a e.v. Sv). In het genoemde arrest valt niet te lezen dat volgens de Hoge Raad vergoeding van verplaatste schade zonder meer binnen een strafrechtelijke procedure kan worden gevorderd. Dit brengt mee dat de vorderingen van de ouders die zien op zowel positie b als positie c bezien moeten worden in het licht van het antwoord op de vraag of de ouders voldoen aan de strafvorderlijke criteria voor slachtofferschap.

Zijn de ouders slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering?

Namens een groot deel van de ouders is door mr. Korver betoogd dat de ouders als slachtoffer moeten worden beschouwd in de zin van de artikelen 51a e.v. Sv. Blijkens zijn betoog gaat het hem er in het bijzonder om dat de ouders in de hoedanigheid van slachtoffer recht hebben op vergoeding van geleden materiële en immateriële schade en derhalve als benadeelde partij kunnen optreden en dat de erkenning van de ouders als slachtoffer bijdraagt aan de verwerking van hun leed.

Het openbaar ministerie en de verdediging hebben betoogd dat de ouders geen slachtoffer in de zin van artikel 51a e.v. Sv zijn, hetgeen ertoe leidt dat zij in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover deze niet de zogeheten verplaatste schade betreffen. De raadslieden hebben voorts de niet-ontvankelijkheid bepleit op de grond dat de beoordeling van de vorderingen vanwege de gecompliceerde civielrechtelijke problematiek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Voor de beoordeling van deze kwestie is het van belang te bezien wat de achtergrond is van de huidige wettelijke regeling en hoe de begrippen slachtoffer en benadeelde partij zich tot elkaar verhouden.

Wettelijk kader

In artikel 51a lid 1 Sv is, met de inwerkingtreding op 1 april 1993 van de zogeheten Wet Terwee32, de benadeelde partij als procesdeelnemer geïntroduceerd. Voordien heette deze "beledigde partij".

Artikel 51a lid 1 Sv kwam als volgt te luiden:

"Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces ".

In de Memorie van Toelichting is over deze bepaling opgemerkt:

"Volgens dit artikel kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering voegen in het strafproces (...). Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces." 33

Daaraan is toegevoegd dat het wetsvoorstel op dit punt geen wijziging bracht ten opzichte van de positie van de beledigde partij.

Op aandringen van de vaste kamercommissie van Justitie is, voor het geval het slachtoffer door het strafbare feit was overleden, de kring van voegingsgerechtigden uitgebreid tot de directe nabestaanden en degenen die met het slachtoffer in gezinsverband samenwoonden mits het slachtoffer geheel of grotendeels in hun levensonderhoud voorzag. De minister van Justitie overwoog daarbij:

"Hoewel de overtreden strafbepaling wellicht niet primair hun belangen beoogt te beschermen, maakt het delict daar wel inbreuk op. Het leven van de echtgeno(o)t(e) en de minderjarige kinderen van het overleden slachtoffer kan drastisch worden gewijzigd door het delict". 34

In 2005 is het spreekrecht ingevoerd voor slachtoffers van bepaalde ernstige strafbare feiten.35 Daarmee werd het slachtoffer wettelijk toegelaten als procesdeelnemer in de strafrechtelijke procedure. Over de kring van spreekgerechtigden houdt de Memorie van Toelichting het volgende in:

"Het slachtoffer is de eerst aangewezene om van het spreekrecht gebruik te maken. Volgens het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie is een slachtoffer: 'De natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden '. Is het slachtoffer overleden, dan komt aan de nabestaanden dat recht toe (...)". 36

In zijn reactie op het advies van de Raad van State heeft de indiener van het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van het spreekrecht - toenmalig Tweede Kamerlid Dittrich - zich als volgt uitgelaten over het slachtoffer (aan wie het spreekrecht zou toekomen):

"In de tekst van de toelichting is verwerkt dat voor wat betreft de reikwijdte van het begrip slachtoffer wordt aangeknoopt bij degene, die ingevolge de notitie van de minister van justitie van 26 juni 2000 (...) als slachtoffer wordt beschouwd. In beginsel is dit degene, jegens wie de verdachte het misdrijf heeft gepleegd. Bij geweldsdelicten is dit degene, die de verwondingen heeft opgelopen. Bij zedenzaken is het degene, tegen wiens lichaam het seksueel misbruik zich heeft gericht. Bij levensdelicten is het slachtoffer degene die vermoord is of gedood. Bij een misdrijf ex art. 6 Wegenverkeerswet is het slachtoffer degene, die als gevolg van de gedraging in het verkeer de dood heeft gevonden". 37

Het spreekrecht kreeg zijn beslag in artikel 302 Sv.38 In artikel 336 Sv is de groep van nabestaanden omschreven en één van hen was bevoegd het spreekrecht uit te oefenen als het slachtoffer was overleden.39 De tekst van artikel 51a Sv bleef ongewijzigd.

De (beperkte) groep spreekgerechtigde nabestaanden, uit wier midden één persoon het woord mocht voeren, kwam niet geheel overeen met de (beperkte) groep nabestaanden die zich als benadeelde partij met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces kon voegen. Daardoor was het mogelijk dat de spreekgerechtigde nabestaande niet dezelfde was als de nabestaande(n) die zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces voegde(n).

Op 1 januari 2011 werden het slachtoffer en de benadeelde partij ondergebracht in één Titel in het Wetboek van Strafvordering. De desbetreffende bepalingen kwamen, voor zover hier van belang, als volgt te luiden:

- artikel 51a lid 1 Sv:

"Als slachtoffer wordt aangemerkt degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Met het slachtoffer wordt gelijkgesteld de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden."

- artikel 51e lid 1 Sv:

"Het slachtoffer of een nabestaande kan op de terechtzitting een verklaring afleggen over de gevolgen die de strafbare feiten genoemd in het vierde lid bij hem teweeg hebben gebracht." 40

- artikel 51f lid 1 Sv:

"Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces." 41

De wetswijziging in 2011 was gestoeld op de gedachte dat de positie van het slachtoffer diende te worden versterkt, hetgeen ertoe leidde dat een aantal rechten die eerder uitsluitend toekwamen aan de benadeelde partij als rechten van slachtoffers in het algemeen zijn gaan gelden: recht op informatie over de procedure, recht op inzage in het dossier, recht op rechtsbijstand en bijstand van een tolk. Daaraan werd toegevoegd het recht op toevoeging van stukken aan het dossier, zoals schriftelijke slachtofferverklaringen.

Voor wat betreft het begrip slachtoffer is in de Memorie van Toelichting gewezen op het hiervoor al genoemde EU-Kaderbesluit en de daarin opgenomen definitie. Het gaat dan, zoals ook naar oud recht het geval was, om degene die rechtstreeks door het strafbare feit is getroffen. En van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden bepaling wordt beschermd, hetgeen in het algemeen niet het geval is bij rechtsopvolgers of derdebelanghebbenden.42

Die omschrijving van het begrip slachtoffer is nadien niet gewijzigd. Wel is op 1 september 2012 de kring van spreekgerechtigden uitgebreid, waardoor thans de ouders van jeugdige slachtoffers ter terechtzitting een eigen spreekrecht kunnen uitoefenen43, maar daarmee is de groep slachtoffers niet verruimd. In de Memorie van Toelichting is ten aanzien hiervan opgemerkt:

"Met dit spreekrecht worden de ouders niet erkend als (indirect) slachtoffer, maar krijgen zij (...) een gelijkwaardig recht als het slachtoffer". 44

Beoordeling

De voorgaande weergave van de wetsgeschiedenis kan, voor zover hier van belang, als volgt worden samengevat.

Slachtoffers van delicten zijn sinds 2011 als afzonderlijke procesdeelnemers in het Wetboek van Strafvordering opgenomen. De hun toegekende rechten kunnen in beginsel alleen door henzelf worden uitgeoefend, al dan niet via een advocaat die hen bijstaat of iemand die hen vertegenwoordigt. Daarop bestaan twee uitzonderingen: 1) ook anderen dan de slachtoffers kunnen het spreekrecht uitoefenen, en 2) indien het slachtoffer is overleden, komen bepaalde rechten aan de nabestaanden toe. Het is alleen het slachtoffer dat een vordering tot schadevergoeding kan indienen.

Zoals uit de wetgeschiedenis naar voren komt, heeft de wetgever aan het begrip slachtoffer een beperkte betekenis toegekend door alleen degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade heeft geleden, dat wil zeggen degene die getroffen is in het belang dat de overtreden bepaling beoogt te beschermen, als slachtoffer te beschouwen. Deze (beperkte) uitleg heeft tijdens de parlementaire behandeling van de onderscheiden wetsvoorstellen nimmer ter discussie gestaan.

Uit het voorgaande volgt dat het bij de slachtoffers van misdrijven als de onderhavige slechts kan gaan om de minderjarigen die fysiek misbruikt zijn (de misdrijven van de artikelen 244 en 247 Sr) en de kinderen van wier misbruik beeldopnamen bestaan (het misdrijf van artikel 240b Sr). Uit tekst noch wetsgeschiedenis van deze strafbepalingen kan volgen dat met deze strafbaarstellingen tevens is beoogd de belangen van de ouders, zoals het recht op respect voor hun familieleven, waarop in deze zaak een beroep wordt gedaan, te beschermen.

De door mr. Korver voorgestane grammaticale interpretatie van de artikelen 51a e.v. Sv kan alleen dan het door hem gewenste effect bewerkstelligen indien een extensieve opvatting van het begrip "rechtstreeks" in de artikelen 51a lid 1 en 51f lid 1 Sv wordt gehanteerd met volledig voorbijgaan aan de totstandkoming van die bepalingen en de bedoeling van de wetgever. Dat is een wijze van interpretatie waaraan geen legitieme betekenis kan worden gehecht. Ook in de door mr. Korver gevolgde redenering dat de ouders als rechtstreeks gevolg van de misdrijven schade hebben geleden en om die reden slachtoffer zijn als bedoeld in de artikelen 51a e.v. Sv - voor welke redenering hij steun vindt in de opinies van vele deskundigen - worden de wetgeschiedenis en bedoeling van de wetgever opzij gezet.

De omstandigheid dat het in de visie van de wetgever nodig was de positie van de nabestaanden afzonderlijk te regelen, duidt erop dat de nabestaanden zonder een dergelijke regeling niet als slachtoffer c.q. benadeelde partij zouden kunnen worden beschouwd. Daaruit volgt dat het ontbreken van een soortgelijke wettelijke voorziening voor ouders niet mag worden omzeild door uitbreiding van de groep slachtoffers naar analogie. Dit wordt niet anders indien, zoals door mr. Korver naar voren is gebracht, moet of kan worden aangenomen dat de schade van het kind ook de schade van de ouders is, gezien de onlosmakelijke verbondenheid tussen ouders en kinderen.

Mr. Korver heeft in zijn betoog gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad over de benadeelde partij in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen (SvNA).45 Artikel 206 lid 1 van dat Wetboek houdt in dat "ieder, die door het strafbare feit van een ander schade heeft geleden", zich kan opgeven als benadeelde partij. Daarin ontbreekt dus de beperkende voorwaarde dat sprake is van schade die het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit. De Hoge Raad overwoog hieromtrent:

"Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de regeling in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen vallen geen aanknopingspunten te ontlenen dat, niettegenstaande de tekst, de wetgever heeft beoogd eenzelfde beperking aan te brengen als voorzien in (de voorlopers van) het Nederlandse art. 5JfSv. Ook het systeem van de wettelijke regeling noopt niet ertoe aan te nemen dat zodanige beperking is bedoeld. Het voorgaande brengt mee dat ook een nabestaande/erfgenaam van het slachtoffer van een strafbaar feit van een ander zich kan opgeven als benadeelde partij indien deze nabestaande/erfgenaam door dat strafbare feit schade heeft geleden als bedoeld in art. 206 SvNA."

Het is derhalve het ontbreken van voornoemde beperking die het mogelijk maakt het begrip slachtoffer in artikel 206 lid 1 SvNA ruimer op te vatten dan dat begrip in de artikelen 51a e.v. Sv. De omstandigheid dat het recht van de voormalige Nederlandse Antillen ook op dit punt anders luidt dan het Nederlandse recht is inherent aan de staatsrechtelijke inrichting van het Koninkrijk. Steun voor het standpunt van mr. Korver valt dus aan dit arrest van de Hoge Raad niet te ontlenen.

De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat het aan de wetgever is te bepalen of de ouders als slachtoffer hebben te gelden. Het hof zou zijn (rechtsprekende) bevoegdheid te buiten gaan als het op eigen houtje de ouders als zodanig zou beschouwen.

Door mr. Korver is nog een beroep gedaan op internationale regelgeving, een internationaal advies en een aangekondigde wijziging van het Wetboek van Strafvordering. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 15 november 2012 is de EU-Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten van slachtoffers van strafbare feiten van 25 oktober 2012 (2012/29/EU) in werking getreden. Deze Richtlijn dient uiterlijk 16 november 2015 te zijn geïmplementeerd in het Nederlandse recht. Die Richtlijn kan derhalve thans niet worden geacht rechtstreekse werking te hebben, maar het hof hecht eraan de Richtlijn toch inhoudelijk te bezien.

In artikel 2 lid 1 sub a van de Richtlijn wordt het begrip slachtoffer als volgt gedefinieerd:

i) een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economische nadeel, heeft geleden;

ii) familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die personen.

Geconstateerd kan worden dat de definitie van het begrip slachtoffer onder i) zeer nauw aansluit bij de omschrijving in artikel 51a Sv en dat daarnaast alleen nabestaanden als slachtoffer worden erkend. Het hof ziet dan ook niet in hoe de Richtlijn er desalniettemin toe zou nopen de ouders als slachtoffer te beschouwen. Een niet-bindend advies van een internationale organisatie als het Europees Economisch en Sociaal Comité, dat ervoor pleit het begrip slachtoffer ruimer te definiëren46, kan niet meebrengen dat op voorhand wordt afgeweken van hetgeen de Richtlijn bepaalt of van hetgeen rechtens is in Nederland. Het vóór de EU-Richtlijn geldende Kaderbesluit47 noopt naar het oordeel van het hof evenmin tot de door de mr. Korver bepleite uitleg.

Bij brief van 22 februari 2013 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zijn visie op het slachtofferbeleid van de overheid op hoofdlijnen uiteengezet.48 In dat verband heeft hij de Tweede Kamer aangekondigd in 2013 een wetsvoorstel te zullen indienen waarin de ouders van minderjarige slachtoffers de mogelijkheid krijgen zich te voegen in het strafproces. Door mr. Korver is betoogd dat op deze voorgenomen wetswijziging kan worden geanticipeerd, zodat op basis daarvan de ouders ook naar huidig recht als slachtoffer kunnen gelden.

Het hof stelt voorop dat het hier niet meer betreft dan de aankondiging van een wetsvoorstel door de Staatssecretaris. Dat wetsvoorstel is er nog niet, laat staan dat de Eerste en Tweede Kamer daarmee hebben ingestemd, terwijl de parlementaire besluitvorming ook tot een geheel ander eindresultaat kan leiden dan de Staatssecretaris voor ogen stond. De bepleite anticiperende interpretatie vindt dan dus plaats in het luchtledige en komt neer op ontoelaatbare bemoeienis van het hof met het wetgevingsproces.

De stelling dat de wetgever niet had kunnen bevroeden dat een zaak van de aard en omvang als de onderhavige zich ooit in Nederland zou voordoen en de bewering dat thans "sprake is van een omslag" in de samenleving, kunnen juist zijn, maar dat zijn juist argumenten die door de wetgever moeten worden gewogen, het zijn geen argumenten om de rechter op de stoel van de wetgever te doen plaatsnemen. Het hof brengt in herinnering dat bij de uitbreiding van het spreekrecht in 2012 bewust niet is gekozen voor uitbreiding van de kring van slachtoffers tot de ouders. En terzijde zij opgemerkt dat de aankondiging van de Staatssecretaris impliceert dat a) in zijn ogen de ouders niet als slachtoffer een vordering tot schadevergoeding kunnen indienen, en b) het aan de wetgever is daar verandering in te brengen.

Slotsom

Het voorgaande brengt mee dat ouders in de onderhavige strafrechtelijke procedure niet kunnen worden ontvangen in hun eigen vorderingen. Dit betekent geenszins dat de verdachte niet aansprakelijk zou zijn voor de door de ouders in zoverre gestelde schade, maar dat het aan de burgerlijke rechter is om die aansprakelijkheid vast te stellen. Dit geldt zowel voor de schade die de ouders zelf hebben geleden als voor de kosten die zij ten behoeve van de kinderen hebben gemaakt en die als zogeheten verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. Aangezien het ook bij een op die bepaling gebaseerde vordering gaat om een vordering van de ouders uit eigen hoofde en niet om een vordering van de kinderen zelf, staat ook hier de omstandigheid dat de ouders geen slachtoffer zijn in de zin van de artikelen 51a e.v. Sv in de weg aan de ontvankelijkheid van hun vorderingen in zoverre.

Op grond van het hiervoor overwogene moet geconcludeerd worden dat het hof slechts bevoegd is de vorderingen tot vergoeding van de door de kinderen geleden immateriële schade - welke vorderingen door de ouders als hun wettelijke vertegenwoordigers zijn ingediend - inhoudelijk te beoordelen. De toe te kennen schadevergoeding moet daardoor noodzakelijkerwijs aanzienlijk lager uitvallen dan de gevorderde bedragen. Bovendien zal daardoor slechts in beperkte mate gebruik kunnen worden gemaakt van de in artikel 36f lid 6 Sr voorziene voorschotregeling. Het hof kan zich voorstellen dat dit als teleurstellend en frustrerend zal worden ervaren door de ouders en anderen, temeer nu ook het hof van oordeel is dat de ouders in de ruime zin van het woord als slachtoffers van de bewezen verklaarde feiten moeten worden beschouwd. Dat neemt echter niet weg dat het hof gehouden is tot toepassing van de thans geldende, beperkte opvatting van slachtofferschap in het Wetboek van Strafvordering. Het hof hecht eraan in dit verband nog op te merken dat weliswaar het recht op een door de Staat te verstrekken voorschot aan slachtoffers op grond van artikel 36f lid 6 Sr aan beperkingen onderhevig is, maar dat het de Staat vanzelfsprekend vrijstaat buiten die bepaling om te voorzien in een (voorschot op een) tegemoetkoming in de schade van de ouders.

De vorderingen tot schadevergoeding van de kinderen

In de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de kinderen is onderscheid aangebracht tussen schending van de lichamelijke integriteit van het kind en schending van het recht op privacy. De ouders zijn in zoverre ontvankelijk in de vorderingen, aangezien dit immateriële schade betreft die door het kind rechtstreeks is geleden door de door [verdachte] en -deels door - [medeverdachte] gepleegde feiten. Het vaststellen van de geleden schade levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof is van oordeel dat causaal verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van [verdachte] en de schade van elk kind, zoals hierna zal worden toegelicht.

De vorderingen op grond van schending van de lichamelijke integriteit van het kind

Het hof is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en (de beschrijving van) de beelden van het seksueel misbruik kan worden aangenomen dat de zeer jeugdige kinderen door het seksuele misbruik door [verdachte] in hun persoon zijn aangetast en als gevolg daarvan leed hebben ondervonden. Het is immers evident dat [verdachte] de lichamelijke integriteit van de kinderen op zeer grove wijze heeft geschonden.

Waar sprake is geweest van seksueel binnendringen als bedoeld in artikel 244 Sr, zullen de onderscheiden vorderingen op dit onderdeel integraal worden toegewezen; veelal gaat dit om een bedrag van € 8.000,- per kind. Indien sprake is geweest van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 247 Sr, zullen de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, waarbij het hof rekening heeft gehouden met de aard en ernst van de gepleegde ontuchtige handelingen. Daarbij zal per kind een ondergrens van € 2.000,- worden gehanteerd en een bovengrens van € 6.000,-.

De vorderingen op grond van schending van het recht op privacy

Door het maken, bezitten en verspreiden van afbeeldingen van seksuele gedragingen met een kind is inbreuk gemaakt op het recht op het privéleven van het kind dat wordt beschermd in artikel 8 lid 1 van het EVRM. Het op deze grond gevorderde bedrag (per kind veelal € 8.000,-) komt geheel voor toewijzing in aanmerking, met name omdat de afbeeldingen zijn gedeeld met derden en niet valt uit te sluiten dat die beelden langdurig zullen blijven bestaan op het internet. In de gevallen waarin bij [medeverdachte] wettig en overtuigend bewezen wordt geacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van het misdrijf van artikel 240b Sr, zal hij worden veroordeeld tot betaling van € 500,- per kind, nu het bij hem uitsluitend het bezit van het kinderpornografisch materiaal betreft en niet ook het maken of verspreiden ervan. Tot betaling van dit bedrag van € 500,- zullen beide verdachten hoofdelijk worden veroordeeld, met dien verstande dat indien en voor zover een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd.

Kosten van rechtsbijstand

De op dit onderdeel gevorderde bedragen voor de rechtsbijstand die door onderscheidenlijk mrs. Korver, Soeteman en Julius is verleend, zullen worden toegewezen. Het hof ziet, anders dan door de verdediging is bepleit, geen aanleiding het liquidatietarief toe te passen, aangezien dit standaardtarief onvoldoende recht doet aan de uitzonderlijke aard en omvang van deze zaak. Het hof acht geen der gevorderde bedragen buitensporig en door de specificaties en declaraties is genoegzaam aangetoond dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Wettelijke rente

Het hof acht de vorderingen ten aanzien van de wettelijke rente toewijsbaar. Als ingangsdatum zal worden uitgegaan van de datum van het seksueel misbruik in het geval dat dat eenmalig op een vast te stellen dag heeft plaatsgevonden; in de andere gevallen wordt de ingangsdatum bepaald op de laatste dag van de bewezen verklaarde periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden.

De schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de maatregel van artikel 36f Sr aan [verdachte] opleggen met betrekking tot de toe te wijzen onderdelen van de vorderingen als extra waarborg dat de schadevergoeding daadwerkelijk zal worden betaald.

Het hof ziet, evenals de rechtbank heeft gedaan, in de duur van de op te leggen sancties en de daarmee verband houdende te verwachten beperkte financiële ruimte van [verdachte] voor het betalen van de toegewezen bedragen, aanleiding af te wijken van de maximaal toegestane vervangende hechtenis van 365 dagen. De vervangende hechtenis zal per benadeelde partij steeds op één dag worden gesteld, om te voorkomen dat de vervangende hechtenis niet meer het karakter draagt van extra waarborg voor de betalingsverplichting, maar eerder als punitieve vrijheidsbeneming moet worden aangemerkt.”

Middel I Benadeelde partijen:

17.1. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de ouders van de kinderen niet als slachtoffer in de zin van art. 51a Sv zijn aangemerkt. Daartoe wordt gesteld dat het Hof had moeten anticiperen op de EU-richtlijn 2012/29/EU, alsmede dat het Hof ontoereikend gemotiveerd is voorbij gegaan aan de rechtstreekse werking van art. 3 IVRK, dan wel aan de verdragsconforme uitleg en toepassing van die bepaling. Aan het middel ligt ten grondslag dat, mede gelet op het oordeel van deskundigen, het vanwege de symbiotische verhouding tussen ouders en zeer jonge kinderen voor een effectief verwerkingsproces en aldus in het belang van het kind is om de ouders als slachtoffer in het strafproces te erkennen.

17.2. Anders dan de steller van het middel wil, heeft het Hof in de hiervoor onder 16.2 geciteerde overwegingen toereikend gemotiveerd uiteengezet waarom de ouders onder de huidige regelgeving niet als slachtoffer in de zin van art. 51a Sv zijn aan te merken en zich derhalve niet in die hoedanigheid op grond van art. 51f Sv als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen. De vorderingen van benadeelde partijen dienen weliswaar inhoudelijk bezien te worden beoordeeld aan de hand van de regels van het burgerlijk recht, maar procesrechtelijk bezien zijn de mogelijkheden voor ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in zoverre binnen het strafrecht - in ieder geval thans nog - beperkt.49 Met name gelet op de formulering van art. 51a Sv en de in de overwegingen van het Hof opgenomen wetsgeschiedenis, geeft het oordeel van het Hof dat de ouders geen slachtoffer zijn in de zin van art. 51a Sv geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het Hof dat het (thans) niet aan de rechter is om van de nog vrij recent uitdrukkelijk door de wetgever beoogde beperkte opvatting van het begrip slachtoffer in de zin van art. 51a Sv af te wijken acht ik ook niet onbegrijpelijk, te meer nu de formulering van art. 51a Sv thans ook niet de ruimte voor een dergelijk ruimer slachtofferbegrip biedt en bij een casuïstieke verruiming van de reikwijdte van art. 51a Sv de gevolgen daarvan voor de rechtspraktijk niet vallen te overzien. Een andersluidend oordeel van het Hof zou derhalve de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan. Een recent ter consultatie voorgelegd conceptwetsvoorstel50 biedt steun aan deze opvatting. Het betreft nog een voorontwerp en stelt voor te voorzien in een regeling voor vergoeding van (onder meer, naast bijvoorbeeld het verhalen van zorgkosten) affectieschade voor naasten. Daarmee wordt beoogd zowel erkenning te verschaffen aan het door naasten ondervonden leed als ook genoegdoening in die zin dat tevens het geschokte rechtsgevoel van de naasten wordt verzacht. De Staatssecretaris licht voorts nog toe, ik citeer uit de Memorie van Toelichting, p. 8 en 25-27:

“Naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak heb ik de Tweede Kamer toegezegd het mogelijk te maken dat ouders van minderjarige kinderen die als gevolg van een strafbaar feit ten behoeve van hun kind kosten hebben gemaakt zich kunnen voegen in het strafproces om deze kosten op de dader te verhalen (Kamerstukken II 2012-2013, 33 552, p. 5). Dat is nu niet mogelijk omdat artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen slachtoffers zelf de mogelijkheid biedt om de schade die zij hebben geleden, in het strafproces als benadeelde partij op de dader te verhalen, aangevuld met enkele bepalingen voor nabestaanden van overleden slachtoffers (zie Hof Amsterdam 26 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885). Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid dat naasten en nabestaanden zich kunnen voegen als benadeelde partij in het strafproces ter zake van de vergoeding van affectieschade. Die mogelijkheid wordt ook geopend voor derden voor de kosten die zij ten behoeve van het slachtoffer van een strafbaar feit hebben gemaakt. Dit betreft de kosten die zij op grond van artikel 6:107 lid 1 BW kunnen vorderen in plaats van de gekwetste zelf. Het gaat hier dus om verplaatste schade. De totaliteit van de door de dader te vergoeden schade wordt door de aanspraak van de derde niet verhoogd.

Artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) biedt de mogelijkheid om ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, Sv een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Door aanpassing van artikel 36f, eerste lid, Sr wordt het ook mogelijk gemaakt om ten behoeve van naasten en nabestaanden ter zake van hun vordering tot vergoeding van affectieschade en ten behoeve van derden voor hun vordering ter zake van voor het slachtoffer gemaakte kosten, een dergelijke maatregel op te leggen.

(…)

Artikel 51f Sv bepaalt in het eerste lid dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Het tweede lid voorziet daarnaast in de mogelijkheid van voeging door diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en door de personen die ingevolge artikel 6:108 BW aanspraak maken op vergoeding van begrafeniskosten en gederfd levensonderhoud. Het tweede lid voorziet nog niet in de mogelijkheid dat naasten van een overleden slachtoffer of van een slachtoffer met ernstig en blijvend letsel zich voegen ter zake van hun vordering tot vergoeding van affectieschade zoals die in dit voorstel wordt geregeld. Daaraan kan echter wel behoefte bestaan. Gelet op de opzet van het voorstel behoeft een dergelijke vordering ook niet snel als te ingewikkeld voor afdoening in het kader van het strafproces te worden beschouwd (vgl. art. 361, derde lid, Sv).

Het nieuw voorgestelde tweede lid voorziet eveneens in de mogelijkheid voor derden om zich in het strafproces te kunnen voegen ter zake van kosten die zij ten behoeve van het slachtoffer hebben gemaakt. Artikel 6:107 BW biedt de civielrechtelijke grondslag voor het verhaal van de meeste van door bijvoorbeeld ouders ten behoeve van hun kind gemaakte kosten. Het bepaalt dat derden die ten behoeve van het slachtoffer kosten hebben gemaakt, deze rechtstreeks op de dader kunnen verhalen indien het slachtoffer, als deze zelf de betreffende kosten zou hebben gemaakt, die ook op de dader had kunnen verhalen; de al eerder genoemde ‘verplaatste schade’. Denk bijvoorbeeld aan kosten ter zake van de medische behandeling en begeleiding van een misbruikt kind, of aan de kosten van vervanging van een bank waarop het kind is misbruikt. De voorgestelde aanpassing van artikel 51f, tweede lid, Sv maakt het voor deze derden mogelijk om deze kosten in het strafproces op de dader te verhalen. De rechtvaardiging hiervoor is dat als niet deze derden maar het slachtoffer zelf deze kosten had gemaakt, hij zich ter zake daarvan als benadeelde partij eveneens had kunnen voegen. Voor het verhaal van deze kosten geldt de algemene voorwaarde dat de behandeling van deze vorderingen het strafproces niet onevenredig mag belasten, hetgeen ook als voorwaarde geldt als het slachtoffer deze vorderingen had ingesteld.

Denkbaar zou zijn geweest om deze mogelijkheid te beperken tot alleen de ouders, echtgenoten en partners van het slachtoffer, zodat niet alle derden die ten behoeve van het slachtoffer kosten hebben gemaakt zich kunnen voegen. Niet uitgesloten is echter dat ook andere derden (grootouders, broers en zussen) om zeer begrijpelijke redenen ten behoeve van het slachtoffer kosten hebben gemaakt, in welk geval het ook te rechtvaardigen is dat deze kosten in het strafproces op de dader kunnen worden verhaald.

Artikel 36f, eerste lid, Sr biedt de mogelijkheid om ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, Sv een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Door aanpassing van artikel 36f, eerste lid, Sr wordt het ook mogelijk gemaakt om ten behoeve van naasten en nabestaanden ter zake van hun vordering tot vergoeding van affectieschade en ten behoeve van derden voor hun vordering ter zake van voor het slachtoffer gemaakte kosten, een dergelijke maatregel op te leggen. Hierbij is ook artikel 36f, zesde lid, Sr van belang. Daarin is – kort gezegd – bepaald dat, wanneer de veroordeelde na acht maanden geheel of gedeeltelijk niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de Staat het resterende bedrag uitkeert aan het slachtoffer. In het Uitvoeringsbesluit voorschot schadevergoedingsmaatregel is dit uitgebreid met de mogelijkheid van uitkering aan nabestaanden. Dit betekent dat in het geval er een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd ter zake van de vergoeding van affectieschade, een nabestaande na acht maanden ook aanspraak kan maken op uitkering van het niet voldane bedrag. Het Uitvoeringsbesluit zal zodanig worden aangepast dat ook naasten ter zake van de vergoeding van affectieschade en derden ter zake van door hen ten behoeve van het slachtoffer gemaakte kosten, aanspraak kunnen maken op uitkering.”

Ook deze toelichting maakt inzichtelijk dat het Hof in de onderhavige zaak op juiste gronden heeft geoordeeld dat aan verruiming van de reikwijdte van art. 51a en 51f Sv eerst een - nu in voorfase aangevangen - parlementaire weg vooraf behoort te gaan en dat het niet aan de rechter is reeds daaraan voorafgaand een verruiming aan te nemen van de eerder nadrukkelijk door de wetgever beoogde beperkte opvatting met betrekking tot wie als slachtoffer in het strafproces kan worden aangemerkt en zich als benadeelde partij kan voegen.

17.3. Voor zover geklaagd wordt dat het Hof gelet op de EU-richtlijn 2012/29/EU51 een ander oordeel had moeten zijn toegedaan, faalt deze klacht reeds gelet op de implementatietermijn die is verbonden aan de Richtlijn. In artikel 27 van de Richtlijn is immers voor de lidstaten voorzien in een termijn tot 16 november 2015 om met (het in werking treden van) de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan deze richtlijn te voldoen. Gesteld dat de Richtlijn - los van het hiervoor onder 17.2 genoemde conceptwetsvoorstel - tot een ruimere kring van slachtoffers binnen het strafproces aanleiding geeft, geldt dat uit het stellen van die termijn en de daarbij gebezigde formulering blijkt dat de Europese regelgever (juist) aanvaardt dat zich de situatie kan voordoen dat de wetgeving van een lidstaat op dit moment nog niet voldoet aan de door de Richtlijn gestelde eisen.52 Voorts: van een ongeoorloofde inbreuk op art. 3 IVRK is met dit oordeel van het Hof geen blijk gegeven.

17.4. Het middel faalt.

Middel II en V Benadeelde partijen:

18.1. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de gevorderde vergoeding van geleden materiële schade, zoals de reiskosten en vervanging van meubilair, niet als verplaatste schade in de zin van art. 6:107 BW voor vergoeding in aanmerking komt. Het vijfde middel klaagt, in samenvattende zin, dat een aantal gevorderde kosten van de benadeelde partijen materiële schade betreft die als rechtstreeks door het kind geleden schade heeft te gelden en die de ouders als wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige kinderen hebben gemaakt, omdat zij daartoe gehouden waren op grond van art. 1:247 BW. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

18.2. Het gaat de steller van het middel om de volgende posten:

a. de reiskosten, porto- en telefoonkosten53;

b. therapiekosten, hulpverlening en eigen risico zorgverzekering bij kinddossiers 5, 18, 19/20, 27, 30, 32/33, 38, 43, 47, 65, 67, 99;

c. gederfde inkomsten, opgenomen verlofuren en studievertraging in kinddossiers 5, 13/14, 27, 29, 30, 31, 32/33, 38, 47, 65, 72, 81, 99, 106, 109, 120, 124, 125 en 128: de ouders hebben inkomstenverlies geleden dan wel verlofuren moeten opnemen om de zorg van het kinderdagverblijf over te nemen, dan wel omdat zij niet meer in staat waren hun werk te hervatten; voor een goed verwerkingsproces van het kind is het niet meer dan vanzelfsprekend dat de ouders daarvoor tijd vrijmaken; de studievertraging van de ouders in de zaken met kinddossiernummer 29, 31 en 120: na het bekend worden van het misbruik zijn de ouders in een dusdanig zorgwekkende toestand geraakt dat zij niet in staat waren hun studie voort te zetten (acute fase PTSS) en aangezien ouders in het kader van een goede ontwikkeling van hun kind goed voor zichzelf moeten blijven zorgen hebben deze kosten te gelden als rechtstreeks door het kind geleden schade;

d. vervanging meubilair, verhuizing en daarmee gepaard gaande kosten in de kinddossiers met nummer 1, 13/14, 32/33, 38, 51 en 124; de vervanging van meubels waarop het kind is misbruikt dient het herstelproces van het kind en de verhuiskosten zijn gemaakt opdat de kinderen zonder stigmatisering en vooroordelen konden opgroeien in een buurt waar men niet wist dat verdachte bij hen had opgepast en/of dat het kind naar de in de in de media bekend geworden kinderopvang ging;

e. oppasdiensten waarvoor verdachte is betaald, kinddossiernrs. 4, 5, 16/17, 18, 32/33, 34/36, 38 en 124, welke kosten zijn gevorderd omdat de gedachte dat de ouders betaald hebben voor zorg die eigenlijk geboden tijd en gelegenheid voor misbruik inhield als zeer traumatisch door de ouders is ervaren en verdachte ook ter terechtzitting van 20 april 2012 reeds heeft toegezegd deze kosten te willen vergoeden; deze schadevergoeding is in het belang van het kind omdat de ouders daarmee dit hoofdstuk kunnen afsluiten en aan het herstel van henzelf en hun kind kunnen denken;

g. vervangende oppaskosten in kinddossiers 38, 65, 99, 124 en 128; het gaat hierbij om de kosten voor een andere kinderopvang die hoger waren dan de opvang bij het Hofnarretje, alsmede om de kosten die de ouders voor opvang hebben moeten maken in verband met het bijwonen van de zittingen.

Voorts behelst het vijfde middel nog een aantal individuele klachten ten aanzien van niet-toegewezen kostenposten.

18.3. Ten behoeve van de beoordeling van deze twee middelen citeer ik nogmaals hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent de verschillende hoedanigheden waarin de ouders in het strafgeding zijn opgetreden en de daaraan door het Hof verbonden consequenties binnen het strafgeding:

“De civielrechtelijke positie van de ouders

Inzake het vorderen van schadevergoeding ter zake van de door [verdachte] gepleegde feiten zijn voor wat betreft de ouders drie civielrechtelijke posities te onderscheiden:

a. namens hun kind(eren) ter zake van de door het kind zelf geleden immateriële schade en vermogensschade; de ouders treden hier op als de wettelijke vertegenwoordigers van het kind;

b. voor zichzelf, op de grond dat de verdachte (ook) jegens de ouders onrechtmatig heeft gehandeld;

c. voor zichzelf, op de grond dat de ouders als gevolg van de feiten kosten hebben gemaakt ten behoeve van hun kind(eren), waarbij het gaat om kosten die het kind, als het ze zelf zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen (de zogenaamde verplaatste schade).”

Ten aanzien van de eerstgenoemde ‘positie’ overweegt het Hof:

“Niet in geschil is dat de ouders in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger schadevergoeding kunnen vorderen (positie a).”

Vervolgens wijdt het Hof een aantal overwegingen aan de genoemde posities b. en c., waarbij het Hof tot de vaststelling komt dat de ouders zich in die hoedanigheden niet kunnen voegen in het strafproces, kort gezegd omdat zij in die hoedanigheid niet zijn aan te merken als degenen die rechtsreeks schade hebben geleden door het strafbare feit, zodat zij niet aan de in art. 51f Sv gestelde voorwaarde voor voeging voldoen.

Het Hof komt hierna tot de volgende slotsom:

“Het voorgaande brengt mee dat ouders in de onderhavige strafrechtelijke procedure niet kunnen worden ontvangen in hun eigen vorderingen. Dit betekent geenszins dat de verdachte niet aansprakelijk zou zijn voor de door de ouders in zoverre gestelde schade, maar dat het aan de burgerlijke rechter is om die aansprakelijkheid vast te stellen. Dit geldt zowel voor de schade die de ouders zelf hebben geleden als voor de kosten die zij ten behoeve van de kinderen hebben gemaakt en die als zogeheten verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. Aangezien het ook bij een op die bepaling gebaseerde vordering gaat om een vordering van de ouders uit eigen hoofde en niet om een vordering van de kinderen zelf, staat ook hier de omstandigheid dat de ouders geen slachtoffer zijn in de zin van de artikelen 51a e.v. Sv in de weg aan de ontvankelijkheid van hun vorderingen in zoverre.

Op grond van het hiervoor overwogene moet geconcludeerd worden dat het hof slechts bevoegd is de vorderingen tot vergoeding van de door de kinderen geleden immateriële schade - welke vorderingen door de ouders als hun wettelijke vertegenwoordigers zijn ingediend - inhoudelijk te beoordelen.”

18.4. Het eindpunt van deze overwegingen is dat volgens het Hof uitsluitend de door de ouders namens de kinderen gevorderde immateriële schade voor toewijzing in aanmerking kan komen, hetgeen uiteindelijk ook – zij het niet steeds voor het volledige gevorderde bedrag – geleid heeft tot toewijzingen van die vorderingen. Voor het overige – dus vooral ziende op de gevorderde vergoeding van materiële schade - zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen inhoudt dat deze vorderingen tot schadevergoeding slechts nog via een afzonderlijke procedure bij de civiele rechter aanhangig gemaakt kunnen worden.

18.5. Om de deugdelijkheid van de door het Hof gevolgde redenering te kunnen beoordelen is allereerst een korte uitweiding over het begrip ‘verplaatste schade’ zinvol. Het tweede middel klaagt er ook over dat het Hof de schade als zodanig wel in aanmerking had moeten nemen. Dit begrip ‘verplaatste schade’ is terug te voeren op art. 6:107, eerste lid, BW, dat luidt:

"Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste zelf heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen."

Alhoewel gesproken wordt van kosten door een derde gemaakt is een uitbreiding van de schadevergoedingsplicht met deze bepaling niet bedoeld: het begrip ‘verplaatste schade’ drukt dit ook uit: het gaat niet om extra schade die vergoed moet worden naast de schade van de persoon die letsel heeft opgelopen, maar om dezelfde schade die door het slachtoffer (hierna ook: de gelaedeerde) is geleden, zij het dat deze ‘gedragen’ is door een derde.

Onder het oude Burgerlijk Wetboek, tot 1992, kwam aan deze derde geen zelfstandige vordering tot schadevergoeding toe; het Nieuw Burgerlijk Wetboek kent een dergelijk vorderingsrecht wel toe, zij het dat dit recht op schadevergoeding de door de derde als gevolg van het schadetoebrengende handelen gederfde inkomsten uitsluit, nu deze kosten niet door de gelaedeerde zelf kunnen worden gevorderd.54 Over (de geschiedenis van de totstandkoming van) deze bepaling wordt het volgende opgemerkt in aant. 4355 ad art. 6:107 BW in de Groene serie:56

“43. Gerechtigde derden

Ingevolge art. 107 lid 1 komt een schadevergoedingsaanspraak toe aan derden die ten behoeve van de gewonde kosten hebben gemaakt, mits:

1.

De kosten niet krachtens een verzekering zijn gemaakt. (….)

en

2.

De gewonde de bewuste kosten, wanneer hij ze zelf zou hebben gemaakt, van de aansprakelijke persoon had kunnen vorderen. De gedachte is dat het bij deze kosten slechts gaat om een verplaatsing van de schade. De aansprakelijkheid van de schuldenaar wordt in haar totaliteit dus niet verhoogd. Derden behoeven zich echter niet meer, zoals onder het oude recht, van hun bereidheid om de bewuste kosten te maken te laten weerhouden door de omstandigheid dat zij de kosten niet en de gekwetste ze wel terug zou kunnen vorderen.”

Bij de invoering van de bepalingen van art. 6:107 BW is een systeem van verplaatsing van de schade beoogd dat de aansprakelijkheid van de schuldenaar in haar totaliteit niet verhoogt en het voordeel heeft dat derden zich van hun bereidheid deze kosten te maken niet behoeven te laten weerhouden door de omstandigheid dat zij de kosten niet en de gekwetste ze wel terug zou kunnen vorderen.57

Art. 6:107 BW geeft dus een zelfstandig vorderingsrecht aan degene (‘een derde’) die ten behoeve van de gekwetste bepaalde kosten heeft gemaakt die de gelaedeerde ook zelf van de voor de schade aansprakelijke partij kan vorderen. De omvang van de schadevergoedingsplicht wordt hiermee niet uitgebreid, terwijl de kring van schadegerechtigde personen aldus is beperkt. Behalve het eigenlijke slachtoffer komt alleen degene die - kort gezegd - namens hem een deel van de schade heeft gedragen een zelfstandig actierecht toe tegenover de aansprakelijke persoon. Aldus heeft die bepaling - wat ik maar zo benoem - vooral een processuele functie: behalve het slachtoffer zelf (de gekwetste) kan ook de derde de veroorzaker van het letsel aanspreken.

Met dat vorderingsrecht van de derde is echter geenszins het recht van de gekwetste zelf op vergoeding van deze ‘verplaatste’ schade van de baan – aldus de Hoge Raad (Ziekenhuis Rijnstate/X):

“Het feit dat de derde een eigen recht op schadevergoeding heeft, doet niet af aan de bevoegdheid van het slachtoffer zelf om ook zelf vergoeding van deze schade te vorderen; indien de aansprakelijke persoon de schade heeft vergoed aan de derde die de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, is hij ook tegenover het slachtoffer bevrijd, en omgekeerd.” 58

Volgens A.T. Bolt, Groene serie aant. 43 ad art. 6:107 BW is de constructie van de verplaatste schade zelfs eerder uitzondering dan regel:

“In de praktijk zal het vaak zo zijn dat de kosten van derden worden meegenomen in de afwikkeling van de schade van de benadeelde zelf. Dat om te voorkomen dat de derde ook nog een vordering moet instellen.”

En, zoals, naar ik meen geheel juist en treffend verwoord in de conclusie van mijn (inmiddels voormalige) ambtgenoot Verkade, hier met weglating van voetnoten, bij het genoemde arrest Ziekenhuis Rijnstate/X:59

“Met de invoering van art. 6:107 heeft de wetgever het stelsel van art. 1407 in grote lijnen willen handhaven, met dien verstande dat art. 107 aan de derde een aanspraak verschaft ter zake van vergoeding van kosten die hij ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die de gekwetste, zo hij die zelf zou hebben gemaakt, van de aansprakelijke persoon had kunnen vorderen. De wetgever heeft daarmee inderdaad een wettelijke basis gegeven voor rechtstreekse vorderingen van derden in situaties als die in Johanna Kruidhof, terwijl onder art. 1407 BW (oud) de constructie als schade van de gekwetste zelf als de enig mogelijke werd beschouwd. Ik heb in de wetsgeschiedenis evenwel geen aanknopingspunt aangetroffen dat de wetgever met deze wettelijke uitbreiding van de kring van gerechtigden ook beoogd heeft de vorderingsmogelijkheden van de gekwetste zelf te beperken. Bevestiging van het tegendeel is te vinden in zowel de tekst van art. 6:107 zélf ('vergoeding van kosten die hij ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die de gekwetste, zo hij die zelf zou hebben gemaakt, van de aansprakelijke persoon had kunnen vorderen' als in de parlementaire geschiedenis: ('... verplaatsing van de schade die de aansprakelijkheid van de schuldenaar in zijn totaliteit niet verhoogt en het voordeel heeft dat derden zich van hun bereidheid deze kosten te maken niet behoeven te laten weerhouden door de omstandigheid dat zij de kosten niet en de gekwetste ze wel terug zou kunnen vorderen'); 'Ook kunnen hieronder vallen kosten [...], mits de gekwetste, zo hij zelf de betrokken kosten voor de daar bedoelde personen zou hebben betaald (bij voorbeeld hen op zijn kosten had laten overkomen naar de plaats waar hij in het ziekenhuis verbleef), deze schade, als door hem zelf geleden, van de aansprakelijke persoon had kunnen vorderen.'). De door mij gecursiveerde woorden maken duidelijk dat de wetgever bij deze posten is blijven uitgaan van door de gekwetste geleden, en door hem desgewenst te vorderen schade, zij het dat het parcours van een rechtstreekse vordering van de in het artikel bedoelde derden als alternatieve faciliteit is geboden.”

18.6.

Nu wat meer toegespitst op de onderhavige zaak. Deze kenmerkt zich door het gegeven dat de ouders in twee hoedanigheden hebben getracht hun vordering in te brengen in het strafproces: ten eerste uit eigen hoofde, als (gepretendeerd) gerechtigde tot vergoeding van hun vordering wegens verplaatste schade maar, ten tweede, ook als wettelijk vertegenwoordiger van het benadeelde kind. In zoverre is er, naar het mij voorkomt, nauwelijks behoefte aan de constructie van art. 6:107 BW, de zgn. verplaatste schade, om een vorderingsrecht van de ouders te scheppen. Niettemin heeft een groot deel van de discussie bij het Hof zich wel geconcentreerd op dat verplaatste schadebegrip.

Het tweede middel nu klaagt er, voortbouwend op die discussie, in cassatie over dat het Hof de ouders ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard als gerechtigde tot vergoeding van de door hen gedragen ‘verplaatste’ schade. Die klacht faalt, aangezien het Hof de ouders, voor zover uit eigen hoofde optredend, niet als rechtstreeks getroffen door het strafbare feit heeft aangemerkt, welke beslissing, zoals ik bij het eerste middel al aangaf, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en overigens in het middel ook niet wordt aangevochten.60 Anders ligt het echter met de klacht, zoals in het vijfde middel is verwoord, namelijk dat het Hof niet toereikend heeft gemotiveerd waarom de door de ouders namens hun kind(eren) gevorderde materiële schadevergoeding niet kan worden toegewezen.61 Het Hof heeft alleen de namens de kinderen gevorderde vergoeding van immateriële schade inhoudelijk beoordeeld en de vorderingen ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk geoordeeld. Daarmee heeft naar mijn mening het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Voor zover het Hof met de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen van de opvatting is uitgegaan dat deze (materiële) schadeposten uitsluitend als verplaatste schade kunnen gelden en niet tevens als schade van het kind zelf kunnen worden gevorderd in het strafproces zou dat blijk geven van een verkeerde rechtsopvatting. Een andere mogelijkheid is dat het Hof die gestelde posten niet als schade van het kind heeft willen aanmerken maar slechts als ‘eigen kosten’ van de ouders. Maar dan is die beslissing in het licht van hetgeen is aangevoerd omtrent die schadeposten wegens het ontbreken van elke motivering niet begrijpelijk. In zoverre wijkt de zaak ook af van het door de Hoge Raad berechte geval in HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2642. In die strafzaak hadden de wettelijke vertegenwoordigers van een kind dat (eveneens) slachtoffer was van seksueel misbruik als benadeelde partijen vergoeding van een aantal (materiële) schadeposten gevorderd, welke vordering door het Hof nogal kort was afgedaan: “(..) Naar het oordeel van het hof komen - ingevolge artikel 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ("rechtstreekse schade") - slechts de vorderingen van de benadeelde partijen met betrekking tot de immateriële schade voor toewijzing in aanmerking, aangezien de materiële kosten door de wettelijk vertegenwoordigers van de slachtoffers zijn gemaakt." De Hoge Raad overwoog (na art. 6:107 BW te hebben aangehaald):

“4.4. In de onder 4.2 weergegeven overweging van het Hof ligt kennelijk als zijn oordeel besloten dat de vorderingen die de wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers hebben ingediend voor zover het de materiële kosten betreft niet voor toewijzing in aanmerking komen, omdat het gaat om eigen kosten die niet als "rechtstreekse schade" in de zin van art. 51a, eerste lid, Sv kunnen worden aangemerkt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder volgt uit die overweging niet dat het Hof, zoals het middel wil, het bepaalde in art. 6:107, eerste lid, BW heeft miskend, omdat het in die bepaling gaat om kosten die derden "ten behoeve van de gekwetste" hebben gemaakt en niet om hun eigen kosten. 's Hofs oordeel is in het licht van de aard van de gevorderde kosten, de mate van specificatie daarvan en van de toelichting daarop niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering.”

Ik begrijp dit arrest van de Hoge Raad zó, dat uitgaande van de door de Hoge Raad ‘ingelezen’ vaststelling door het Hof, dat de ouders slechts kosten uit eigen hoofde hadden gemaakt, deze kosten niet alleen niet als verplaatste schade konden gelden, maar - uiteraard - ook niet als schade geleden door het kind kon worden aangemerkt.

Het in het thans berechte geval ‘inlezen’ in de overwegingen van het Hof, dat de gevorderde (materiële) schadeposten slechts de ‘eigen kosten’ van de ouders betroffen, lijkt mij niet goed mogelijk, als daarbij wordt betrokken wat daaromtrent is aangevoerd namens de benadeelde partijen en ook de aard van de schadeposten in aanmerking nemend. Zo komt het mij - ik noem een voorbeeld - niet op het eerste oog vreemd of onmogelijk voor om de gevorderde extra kosten voor een andere oppas aan te merken als schade die daadwerkelijk door het kind is geleden en die, vanuit hun positie als wettelijk vertegenwoordiger, door de ouders kan worden ‘teruggevorderd’ van de verdachte. Hetzelfde geldt voor nieuw meubilair dat is aangeschaft ter vervanging van dat waarop het seksueel misbruik zich heeft afgespeeld. Wellicht kunnen sommige posten ook als schadebeperkende maatregel gezien worden, te weten kosten gemaakt ter beperking van (geestelijke) schade van het kind, hetgeen die kosten ook voor vergoeding vatbaar zou maken.62 Bij andere gevorderde posten komt bij het aannemen van causaal verband een grens in beeld, zoals bij kosten van therapie voor de ouders. Een aantal posten valt waarschijnlijk niet onder - al dan niet verplaatste - schade van het kind, zoals gederfde inkomsten van de ouders. 63

Echter, enige vaststelling op dat punt - ook al was het maar de vaststelling dat het beoordelen van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen - kan niet gemist worden en het Hof is daarin tekortgeschoten.

18.7.

Naar uit het voorgaande voortvloeit lijdt het arrest van het Hof aan een motiveringsgebrek. Het is echter de vraag of dit tot cassatie moet leiden. Mijn opvatting daaromtrent is dat dit niet het geval is. Zoals ik in de vorige paragraaf al liet doorschemeren ligt de vraag welke gevorderde kosten - de materiële schade - voor toewijzing in aanmerking komen niet eenvoudig. Gelet op de hoeveelheid en de diverse aard van de posten, zoals in par. 18.2 kort is weergegeven, is het wat mij betreft aan geen enkele twijfel onderhevig dat de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen na terugwijzing een te grote belasting zal blijken te zijn voor het strafgeding (art. 361 lid 3 Sv), zodat de uitkomst na terugwijzing nog steeds, maar dan op andere grond, een niet-ontvankelijkheidverklaring van de vordering van de ouders op dit punt zal zijn. Ook dan resteert hen (slechts) de civiele rechtsgang. Ik merk daarbij op dat in eerste aanleg, terwijl de rechtbank, anders dan het Hof, de materiële schadevergoeding wel in ogenschouw nam, eveneens de onevenredige belasting van het strafgeding uiteindelijk in de weg stond aan het nemen van een beslissing op de vorderingen ter zake van de thans nog aan de orde zijnde posten. Kortom: enig wezenlijk belang met vernietiging en terugwijzing is niet aanwezig. Eerder geldt het omgekeerde, aangezien dan nog meer tijd gemoeid gaat met het tot stand brengen van dezelfde beslissing die nu al op tafel ligt. Cassatietechnisch gezien lijkt het me dat bij gegrondbevinding van dit vijfde middel volstaan kan worden met een overweging van de Hoge Raad, dat om de genoemde reden geen grond bestaat tot cassatie.

18.8.

Het tweede middel faalt, terwijl het vijfde middel (ook) niet tot cassatie kan leiden.

Middel III Benadeelde partijen:

19.1. Het derde middel klaagt dat het Hof de vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de schending van het recht op “family life” als vervat in art. 8 EVRM ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

19.2. Anders dan het middel voorstaat, geldt ook in zoverre dat het Hof toereikend gemotiveerd uiteen heeft gezet dat art. 51a e.v. Sv in de weg staat aan vergoeding in het strafproces van de door het gezin geleden en gevorderde schade door de schending van het recht op “family life”. Daarbij verdient opmerking dat de beantwoording van de vraag waar het Hof in zoverre niet aan toekomt, te weten in hoeverre sprake is van rechtstreekse schade in de zin van art. 51f Sv - dat wil zeggen in hoeverre sprake is van schade doordat de benadeelde is getroffen in een belang dat door de geschonden strafbepaling wordt beschermd64 - niet geheel los valt te zien met de strafprocesrechtelijke beperking van wie zich als benadeelde partij in het strafproces kan voegen. Ook dit middel faalt.

Middel IV Benadeelde partijen:

20.1. Het vierde middel behelst de klacht dat het Hof heeft miskend dat met het aanhalen van HR 9 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9959 bedoeld is dat de daarin gebruikte interpretatiemethode ook zou moeten worden toegepast in de onderhavige zaak.

20.2. Met deze klacht wordt niet aangegeven dat het oordeel van het Hof dienaangaande rechtens onjuist is of dat het gelet op de daaraan gegeven motivering onbegrijpelijk is. Het middel is reeds daarom tevergeefs voorgesteld en de wijze waarop het Hof een en ander heeft opgevat en beantwoord komt mij ook niet onbegrijpelijk voor.

Slotsom

21.

Zowel de namens verdachte voorgestelde middelen als de namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen zijn tevergeefs voorgesteld. Met uitzondering van het eerste, het tweede en het vijfde middel van de benadeelde partijen kunnen deze naar mijn oordeel met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

22.

Ambtshalve gronden die tot vernietiging aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

23.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De bestreden uitspraak is digitaal gepubliceerd, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885.

2 Ook is namens verdachte één dag later ter griffie door een daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat beroep in cassatie ingesteld.

3 Mr. Korver heeft zich tevens als raadsman in cassatie gesteld voor de benadeelde partijen die zijn aangeduid met kinddossiernrs. 2, 3, 25, 26 en 37, maar blijkens de vermelding in de schriftuur zijn de middelen niet mede namens deze benadeelde partijen ingediend.

4 Zie over deze wijze van motiveren HR 15 mei 2007, ECLI:HR:NL:BA0424, NJ 2007/387 m.nt. Y. Buruma, alsmede bv. HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6237, NJ 2010/319.

5 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2012, zevende druk, p. 255-258.

6 Vgl. HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2547, NJ 2013/577 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, alsmede HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:471.

7 EHRM 16 december 1992, appl.nr. 12945/87 (Hadjianastassiou tegen Griekenland), par. 33: “The Contracting States enjoy considerable freedom in the choice of the appropriate means to ensure that their judicial systems comply with the requirements of Article 6 (art. 6). The national courts must, however, indicate with sufficient clarity the grounds on which they based their decision. It is this, inter alia, which makes it possible for the accused to exercise usefully the rights of appeal available to him. The Court’s task is to consider whether the method adopted in this respect has led in a given case to results which are compatible with the Convention.” Het ging in die zaak om een in de nationale (militaire) rechtspraak tegengeworpen te vage beroepsgrond, die evenwel gelegen was in de omstandigheid dat Hadjianastassiou niet tijdig binnen de wettelijke termijn voor het instellen van het rechtsmiddel beschikte over de tekst van de ten laste van hem gewezen uitspraak. Dat leverde in die omstandigheden een ontoelaatbare beperking van de verdedigingsrechten en derhalve een schending van art. 6 EVRM op. Het voorts in het cassatiemiddel genoemde EHRM 16 november 2010, appl.nr. 926/05, ECLI:NL:XX:2010:BP2892 (Taxquet tegen België) ziet op - kort gezegd - een bewijsoordeel van de jury over verdachtes schuld aan een moord op een minister en een poging tot moord op diens partner, zonder dat voor de verdediging was te achterhalen welke (mate van) betrokkenheid bij deze misdrijven hem ten laste was gelegd en evenmin op grond waarvan de jury ten aanzien van deze verdachte (dus los van de medeverdachten) tot de vaststelling van zijn schuld was gekomen. Een precieze vraagstelling aan de jury ontbrak en een mogelijkheid tot herbeoordeling van de feiten ook. Kortom: schending art. 6 EVRM. Zie tevens over deze uitspraak NJB 2011, 177.

8 Zie daarover ook de treffende conclusie van A-G Aben t.a.v. het tweede middel bij HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3962 (HR in zoverre 81 RO).

9 Tussen leeshaken zijn de nummers van de feiten geplaatst waartegen het middel niet opkomt.

10 De strafverzwaringsgrond van art. 248 Sr is per 1 januari 2010 gewijzigd (zie hierna bij de bespreking van het vierde middel).

11 Stb. 2009, 544 (Kamerstukken: 31 810). Per 1 maart 2014 is art. 248 Sr voorts met andere gronden voor strafverzwaring uitgebreid (Stb. 2014, 74).

12 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 248, aant. 1 (bijgewerkt tot 1 februari 2010).

13 Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 10, aant. 4 en 6 (bijgewerkt tot 25 maart 2012). Terzijde noem ik HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6220, waarin levenslang werd opgelegd en het vijfde middel belang miste aangezien toepassing van art. 56 Sr te dezen niet tot een ander strafmaximum zou leiden.

14 In DD 2011/86 als volgt vertaald: “De minister van Financiën noemde in een debat de veroordeelden ‘de oplichters van de Panteion’ en stelde de oppositiepartij de vraag: ‘Heeft u hen niet benoemd tot interim-ministers voor de pers en vertegenwoordiger bij de Raad van Europa?’ De premier noemde de strafzaak een ‘schandaal zonder precedent’. De minister van Justitie hield de oppositie voor: ‘de Griekse gerechten hebben moedig allen veroordeeld die u al die tijd hebt beschermd’.” Het EHRM overweegt dat de bewoordingen van de minister van Justitie weliswaar minder bot (‘blunty’) waren, maar dat juist hij gelet op zijn politieke verantwoordelijkheid extra had moeten opletten niet iets te zeggen dat de indruk zou kunnen wekken dat hij de uitkomst van het hoger beroep zou willen kunnen beïnvloeden.

15 Zie tevens het resumé van deze uitspraak door L. van Lent in Delikt en Delinkwent 2011/86.

16 Zie tevens Tekst en Commentaar Strafrecht, Kluwer, 9e druk, ad art. 37b Sr, aant. 3 (Hofstee).

17 HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, NJ 2007/109.

18 HR 14 juni 1949, NJ 1949/556. Zie tevens M.M. Beije, Onttrekking aan het verkeer, diss. RUG 1994, p. 160-161, alsmede de conclusie van toenmalig wnd. A-G Keijzer bij HR 4 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0848, NJ 1998/176.

19 Pagina’s 49-51 van de pleitnota van mrs. T. van der Groot en W. Anker in hoger beroep.

20 Zo leid ik af uit HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751.

21 Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30 143, nr. 16 (Amendement met Toelichting). Zie tevens Tekst en Commentaar Strafvordering (10e druk) ad art. 361, aant. 3 (H.M. van Maurik).

22 Zie hierover uitvoeriger J. Candido, De vordering benadeelde partij in het strafproces en de onevenredige belasting van het strafgeding, Trema nr. 10, 2011. Zie tevens de conclusie van A-G Knigge bij HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751.

23 Vgl. de conclusie van A-G Knigge bij HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751; HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1137, nr. 00338/05 (niet gepubliceerd).

24 Vgl. EHRM 12 november 2013, ECLI:NL:XX:2013:256, NJB 2014/252 (Söderman vs. Zweden), waarin dit werd overwogen ten aanzien van verkrachting en seksueel misbruik van kinderen.

25 HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8703, NJ 1989/361; HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5500, NJ 1987/928 m.nt. E.A. Alkema; EHRM 3 april 2007, nr. 62617/00, ECLI:NL:XX:2007:BA6786, NJ 2007/617 m.nt. E.J. Dommering. Zie tevens Groene Serie Onrechtmatige daad VII.1.3.6 (prof. mr. G.A.I. Schuijt), bijgewerkt tot 1 juli 2013.

26 Dit wetsartikel is bij wet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1 is per 1 januari 2011 gewijzigd, in dier voege dat daaraan is toegevoegd de vergoeding voor kosten gemaakt door de ouders en voogd in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval – de toerekening van schade bij verdachten onder de veertien jaar. Dat is hier verder niet van belang.

27 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4442 en HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413.

28 Zie HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8866; de daarin genoemde voorschriften van art. 56 e.v. Rv zijn thans opgenomen in art. 237 e.v. Rv.

29 Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 21 345, nr. 9, p. 8 en T&C Strafvordering ad art. 592a Sv, aant. 3.

30 HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8866.

31 Vgl. de conclusie van A-G Vegter (ECLI:NL:PHR:2013:2488) bij HR 11 februari 2014, nr. 12/05888 (HR 81 RO, niet gepubliceerd).

32 Voetnoot 4 van het Hof: Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29.

33 Voetnoot 5 van het Hof: TK 1989-1990, 21 345. nr. 3, p. 1.

34 Voetnoot 6 van het Hof: Artikel 51a lid 2 Sv; TK 1990-1991, 21 345, nr. 5, p. 6-7.

35 Voetnoot 7van het Hof: Wet van 21 juli 2004, Stb. 382, inwerkingtreding op 1 januari 2005.

36 Voetnoot 8 van het Hof: TK 2001-2002, 27 632, nr. 5, p. 8-9 (dit is de MvT zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State).

37 Voetnoot 9 van het Hof: TK 2001-2002, 27 632. A, p. 4.

38 Voetnoot 10 van het Hof: Art. 302 Sv luidde: 1. Het slachtoffer of diens nabestaande kan op de terechtzitting een verklaring afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit. bedoeld in het tweede lid, bij hem teweeg heeft gebracht.2. Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven genoemd in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 250a, 285, 285b, 300 tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

39 Voetnoot 11 van het Hof: In artikel 336 lid 2 Sv was de groep nabestaanden in volgorde van spreekgerechtigdheid als volgt opgesomd:a. de echtgenoot of geregistreerde partner;b. de bloedverwanten in de rechte lijn tot en met de eerste graad of (bij afwezigheid danwel niet in staat of bereid zijn tot uitoefening van het spreekrecht) de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de tweede graad.

40 Voetnoot 12 van het Hof: De misdrijven in lid 4 van artikel 51 e Sv zijn dezelfde waarvoor het spreekrecht al bestond, met alleen een vernummering van 250a Sr, dat is gewijzigd in 273f lid 1 Sr. De omschrijving van de groep nabestaanden is eveneens hetzelfde gebleven.

41 Voetnoot 13 van het Hof: De mogelijkheid voor bepaalde nabestaanden een vordering in te dienen, is gehandhaafd.

42 Voetnoot 14 van het Hof: TK 2004-2005, 30 143, nr. 3, p. 9 en 23.

43 Voetnoot 15 van het Hof: Wet van 12 juli 2012. Stb. 345.

44 Voetnoot 16 van het Hof: TK 2011-2012, 33 176, nr. 3, p. 6.

45 Voetnoot 17 van het Hof: HR 3 juli 2012, LJN BW9959.

46 Voetnoot 18 van het Hof: Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2012, 2012/C 43/09.

47 Voetnoot 19 van het Hof: Kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, 2001/220/JBZ.

48 Voetnoot 20 van het Hof: TK 2012-2013, 33 552, nr. 2. In de daaraan gehechte bijlage, een document met de titel "Recht doen aan slachtoffers", is die visie nader uitgewerkt.

49 Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559 (rov. 3.4), alsmede Kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 1992-93, 21 345, nr. 36, p. 1-2.

50 Het voorontwerp “Aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van schade door letsel en overlijden te verruimen” d.d. 28 mei 2014, dat thans met een Memorie van Toelichting van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ter consultatie is voorgelegd.

51 Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.

52 Vgl. HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:770.

53 Van kinddossiers 1, 4, 5, 9,10,15,16/17,18,19/20, 21, 23, 29, 30, 31, 32/33,34/36,38, 43,47, 51, 60, 61, 65, 67, 72, 81, 86, 87, 90, 99, 106, 107, 120, 124, 125, 128, 136, 138 en 139.

54 Aanvankelijk voorzag het nieuwe BW wel in een vergoeding van inkomensschade mits de persoonlijke relatie dat rechtvaardigde, maar van deze verruiming werd afgezien. In vergoeding van affectieschade werd evenmin voorzien. Zie Par. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1273, 1283 en 1278-1288.

55 Bew. A.T. Bolt.

56 Zie Asser/Hartkamp&Sieburgh 6-II 2013, nr. 153-154; Kluwer losbl. ed., Art. 6:107 BW, aant. 43 (A.T. Bolt).

57 Zie Par. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1288 en 1278-1287.

58 HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009/387 m.nt. J.B.M. Vranken; zie ook T&C BW, art. 6:107, aant. 3.

59 ECLI:NL:PHR:2008:BE9998.

60 Ik merk daarbij op dat de stelling in het middel dat de ouders wel schade hebben geleden door het strafbare feit niet zonder meer meebrengt dat voldaan is aan het relativiteitsvereiste van art. 51f Sv, te weten dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het belang dat de geschonden strafrechtelijke norm beoogt te beschermen.

61 In die hoedanigheid is de schadevergoeding ook mede gevorderd, zie voor zover het de terechtzitting bij het Hof betreft, de algemene toelichting van mr. Korver, ook ter terechtzitting optredend als advocaat van de door hem in cassatie vertegenwoordigde benadeelde partijen, stuk nr. 16 in het dossier, p. 24.

62 Zie het slot van de hierna volgende voetnoot.

63 Zo meldt de Groene Serie in aant. 54 bij art. 6:107 BW (A.T. Bolt, bijgewerkt tot 3 juli 2013) onder meer: “De door de ouders in verband met het letsel van hun kind verloren vakantiedagen en meer in het algemeen gederfde inkomsten komen niet voor vergoeding in aanmerking. (…) Wel is er een wetsvoorstel in de maak, dat beoogt daarin verandering te brengen. Volgens het concept wetsvoorstel zouden derden recht moeten krijgen op vergoeding van op andere wijze in verband met het letsel door hen gemaakte kosten of gederfde inkomsten, mits deze kosten of het derven van inkomsten werden gerechtvaardigd door de persoonlijke relatie waarin de derde tot de benadeelde stond. Zie daarover T. Hartlief, TVP 2006, p. 103; S.D. Lindenbergh, TVP 2006, p. 109; G.M. van Wassenaer en S.V. Mewa, TVP 2006, p. 132; E.F.D. Engelhard, VR 2008, p. 4-6 , die bepleit om alleen de kosten van derden die redelijkerwijs zijn gemaakt tot beperking van verdere schade van de gekwetste en waarvan de aansprakelijke derde dus in essentie profijt heeft, voor vergoeding in aanmerking te doen komen.”

64 Vgl. bv. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0095, NJ 2011/94 en de bijbehorende conclusie van A-G Machielse § 6.6.