Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:625

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-04-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
12/05627
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1565
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Verschoningsrecht advocaat. Gelet op de onderliggende stukken van het strafdossier waarop de Rb haar oordeel heeft gegrond, is haar oordeel dat de verdenking jegens klager (valselijk opmaken van dagvaardingen voor civiele procedures en in een civiele procedure gebruik maken van een valse bekentenis) niet samenhangt met de kern van de werkzaamheden van een advocaat en dat die verdenking niet het vertrouwen aantast dat in de samenleving in een advocaat bij zijn optreden in gerechtelijke procedures moet kunnen worden gesteld, niet begrijpelijk. Het oordeel van de Rb dat niet gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken is niet toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05627 B

Zitting: 1 april 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank te ’s-Gravenhage heeft bij beschikking van 27 november 2012 het door klager ingediende klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave gelast aan klager van inbeslaggenomen dossiers.

2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie cassatieberoep ingesteld.

3. De plaatsvervangend officier van justitie heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens klager is door mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, het cassatieberoep tegengesproken.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de inbeslaggenomen dossiers geen corpora vormen.

4.2.

De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Is er sprake van een uitzondering op artikel 98 Sv?

De rechtbank stelt voorop vast dat klager geen toestemming heeft gegeven tot inbeslagname, terwijl voorts evident is dat de inbeslaggenomen dossiers vallen onder klagers geheimhoudingsplicht.

Voor de beoordeling van het beklag is vervolgens het volgende van belang. Met het oog op de onderliggende stukken in de strafdossiers, kan de rechtbank zich verenigen met het oordeel van de rechter-commissaris dat ten aanzien van de zaken [betrokkene 1]-[betrokkene 2] en [betrokkene 3]-[betrokkene 4] gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift. De enkele omstandigheid dat klager als verdachte van enig strafbaar feit kan worden aangemerkt, is als gesteld niet toereikend om zijn plicht tot geheimhouding te mogen doorbreken. Daarvoor is vereist dat, zoals eveneens uit de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, het in beslag genomen een zogenoemd corpus behelst of dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de geheimhoudingsplicht kunnen doorbreken.

Corpora?

De rechtbank moet zich daarom eerst buigen over de vraag of enige van de in beslag genomen stukken in het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] en de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2] als corpora kunnen worden aangemerkt.

Klager heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat het geheel aan de inbeslaggenomen geen voorwerp van enig strafbaar feit uitmaken, noch tot het begaan daarvan hebben gediend.

De rechter-commissaris heeft zich hierover niet uitgelaten.

De rechtbank stelt voorop dat het standpunt van klager in beginsel moet worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. De rechtbank is, alles bijeen genomen, van oordeel dat zij noch op grond van het strafdossier, noch uit het verhandelde ter zitting in raadkamer redelijkerwijze geen twijfel erover heeft dat dat standpunt van klager op dit punt onjuist is. Bij deze beoordeling betrekt de rechtbank mede de verklaring van de waarnemend deken. Zij is na kennisname van de inhoud van de dossiers tot de conclusie gekomen dat deze dossiers ten aanzien van klager geen corpora vormen, waarbij de rechtbank opmerkt, dat uit het strafdossier naar voren is gekomen dat de dossiervorming van de dossiers [betrokkene 1]/[betrokkene 2] niet alleen door klager maar ook door een voormalig kantoorgenoot van klager tot stand is gekomen.

Ten aanzien van de dossiers [betrokkene 3]/[betrokkene 4] is gesteld noch gebleken dat deze als corpora zouden kunnen worden aangemerkt.

De vraag naar het mogelijke bestaan van corpora ten aanzien van de inbeslaggenomen dossiers beantwoordt de rechtbank dan ook ontkennend.”

4.3.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de Rechtbank een te strenge maatstaf heeft gehanteerd nu zij heeft overwogen dat de dossiers ten aanzien van klager geen corpora vormen. Ook stukken die een voorwerp zijn van een door een ander gepleegd strafbaar feit kunnen als corpora worden aangemerkt.

4.4.

Het middel berust mijn inziens op een onjuiste lezing van de beschikking. Naar uit de (toegewezen) Vordering doorzoeking ter inbeslagneming en uit het Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming (Proces-verbaalnummer 2011.069833) volgt, gaat het in deze zaak enkel om een verdenking van door klager gepleegde feiten, te weten het medeplegen van valsheid in geschrift, witwassen en het medeplegen van (poging tot) oplichting. Voorts wordt klager verweten dat hij art. 21 Rv niet heeft nageleefd. De Rechtbank heeft met haar overweging kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de inbeslaggenomen dossiers geen corpora vormen van de strafbare feiten waarop de – jegens klager bestaande – verdenking betrekking heeft. Dat ook anderen dan klager bij de dossiervorming betrokken zijn geweest, kan dan wel degelijk gezien worden als een aanwijzing dat niet het hele dossier het voorwerp van de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten vormt.

4.5.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat in casu geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken.

5.2.

In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank voor de beoordeling van het beklag onder meer het volgende van belang geoordeeld:

“Met het oog op de onderliggende stukken in de strafdossiers, kan de rechtbank zich verenigen met het oordeel van de rechter-commissaris dat ten aanzien van de zaken [betrokkene 1]-[betrokkene 2] en [betrokkene 3]-[betrokkene 4] gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift.”

De beschikking houdt voorts het volgende in:

Zeer uitzonderlijke omstandigheden?

De vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt laat zich niet in algemene termen beantwoorden. Het gaat daarbij wel steeds om de afweging van het belang van het verschoningsrecht tegen het belang dat de waarheid aan het licht komt. De Hoge Raad heeft enkele meer algemene factoren genoemd die voor de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen:

• de vraag of het gaat om een tegen een verschoningsgerechtigde bestaande verdenking;

• de aard en zwaarte van de delicten waarvan een verschoningsgerechtigde wordt verdacht (zie bijv. HR NJ 2002, 438, m.nt. Buruma, LJN AD9162);

• de aard en de omvang van de gegevens waarop de inbeslagneming rust, en de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen (zie bijv, HRNJ 2006, 622, m.nt. J. Boer, LJN AV2386).

Ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] betreft de verdenking in het bijzonder de vraag of [betrokkene 3] zich gedurende de behandeling van een civiele zaak bij de rechtbank te Assen ten onrechte heeft voorgedaan als zijn broer, [betrokkene 5], én of klager als zijn behandelend advocaat op die zitting daarvan op de hoogte was maar zich daarover niet ter zitting heeft uitgelaten ten opzichte van de behandelend rechter. Naar het oordeel van de rechtbank had het openbaar ministerie de mogelijkheid om ander én minder ingrijpend onderzoek te doen teneinde de waarheid op dit specifieke punt aan het licht te brengen, is van die mogelijkheid gebruik gemaakt - zo is

onder meer de comparitierechter gehoord - en bestaat zij nog steeds. Ook desgevraagd, en dat geldt voor het gehele beslag, heeft de officier van justitie niet medegedeeld welke informatie hij in de dossiers zoekt, die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden. Dat is eens temeer van belang nu het feiten betreft die zich in de openbaarheid zouden hebben afgespeeld. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doorbreken van de geheimhoudingsplicht is aldus - wat er verder ook zij van de juistheid van het standpunt van de waarnemend deken dat (kort gezegd) het handelen van klager niet tuchtrechtelijk laakbaar zou zijn - naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van bedoeld dossier thans nog geen sprake.

Voorts acht de rechtbank in het bijzonder de aard, ernst en omvang van de verdenking zowel ten aanzien van klager in de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] als ten aanzien van klager in de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2],- wat er nadrukkelijk verder straf- en tuchtrechtelijk ook zij van de verdenking - niet voldoende zwaarwegend dat deze, beoordeeld naar de toets van de zeer uitzonderlijke omstandigheden, zonder meer een doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. De verdenking betreft relatief beperkte feiten in aard, tijd en omvang, terwijl bijvoorbeeld voorts een crimineel samenwerkingsverband van klager met andere verdachten niet door de officier van justitie wordt verondersteld. De vordering van de officier van justitie en het oordeel van de rechter-commissaris houden in dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van de werkzaamheden van klager en een ontwrichtende werking hebben op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van een advocaat moet kunnen worden gesteld in de samenleving in het algemeen en in civiele zaken met verplichte procesvertegenwoordiging in het bijzonder, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. Die redenering, die klaarblijkelijk is ontleend aan een arrest van de Hoge Raad in een zaak waarin de Hoge Raad op deze grond een doorbreking van het verschoningsrecht van een notaris sauveerde, volgt de rechtbank niet. Een vergelijking met de kerntaak van een notaris kan reeds geen stand houden nu het onafhankelijke ambt van notaris in de kern mede een maatschappelijk zwaarwegende functie behelst die voorschrijft dat een notaris de authenticiteit van bepaalde stukken verifieert en bevestigt, zodat daarop in het maatschappelijk verkeer kan en mag worden vertrouwd. Dit is een wezenlijk andere kerntaak dan die van een advocaat, van wie het ook in civiele zaken niet tot de beroepsuitoefening behoort dat hij van alle stukken die cliënten hem aandragen de authenticiteit verifieert maar van wie vooreerst - als partij – wordt verlangd het persoonlijke en zakelijke belang van zijn cliënt(en) te verdedigen. Het in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde maakt dit niet anders. De rechtbank komt dan ook op grond van het vorenoverwogene ten aanzien van beide inbeslaggenomen zaaksdossiers tot de slotsom dat in casu niet, althans niet zonder meer, gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken.”

5.3.

Het gaat in de onderhavige zaak om dossiers die in beslag zijn genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar klager. De verdenking jegens klager heeft betrekking op twee feitencomplexen. Het eerste betreft de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] en de tweede de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2].

5.4.

In de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] wordt klager ervan verdacht dat hij uit naam van [betrokkene 5] een civiele procedure tegen [betrokkene 4] heeft aangespannen, terwijl in werkelijkheid [betrokkene 3] achter de procedure zat en voorts dat klager, die tijdens de behandeling van de civiele procedure optrad als de raadsman van [betrokkene 3], heeft verzuimd de Rechtbank te informeren dat niet [betrokkene 5], maar [betrokkene 3] als eiser ter zitting aanwezig was. Voorts zou verdachte valsheid in geschrifte hebben gepleegd door een dagvaarding en conclusies uit te brengen op naam van [betrokkene 5], dit terwijl deze persoon zeer waarschijnlijk geen enkele rol heeft gespeeld bij het opstellen van de stukken en het voeren van de civiele procedure. De Rechtbank overweegt ten aanzien van dit dossier dat zij van oordeel is dat het openbaar ministerie de mogelijkheid had om ander én minder ingrijpend onderzoek te doen om de waarheid op dit specifieke punt aan het licht te brengen, dat van die mogelijkheid gebruik is gemaakt (zo is onder meer de comparitierechter gehoord) en dat die mogelijkheid nog steeds bestaat. Voorts stelt de Rechtbank dat de officier van justitie ook desgevraagd, en dat geldt voor beide dossiers, niet heeft medegedeeld welke informatie hij in de dossiers zoekt die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden. Dit is te meer van belang nu de verdenking feiten betreft die zich in de openbaarheid zouden hebben afgespeeld. De Rechtbank is dan ook van oordeel dat er ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doorbreken van de geheimhoudingsplicht.

5.5.

Ten aanzien van het dossier [betrokkene 1]/[betrokkene 2] wordt klager ervan verdacht dat hij uit naam van [betrokkene 1] een civiele procedure heeft gevoerd tegen [betrokkene 2], dit terwijl de procedure in werkelijkheid door [betrokkene 3] was aangespannen, en voorts dat hij in de civiele procedure gebruik heeft gemaakt van een (ver)vals(t)e schuldbekentenis, opgemaakt op het briefpapier van advocatenkantoor [van klager] (het kantoor van klager).1 In de civiele procedure werd gesteld dat [betrokkene 8] voor zijn overlijden zijn huis had verkocht aan [betrokkene 1]. Dit zou volgen uit een schuldbekentenis die [betrokkene 8] zou hebben ondertekend. De ondertekende versie van de schuldbekentenis kwam voor het eerst tijdens het kort geding boven water. In augustus 2009 werd vanuit het kantoor van klager een fax verstuurd inhoudende de tweede pagina van de schuldbekentenis, met daarop de handtekening van [betrokkene 8]. Bij doorzoeking van de woning van medeverdachte [betrokkene 3] in januari 2012 werd een kopie van het paspoort met daarop een identieke handtekening van [betrokkene 8] aangetroffen. Deze kopie van het paspoort ontbrak in het dossier van de makelaar van [betrokkene 8]. De vordering van (vermeende) [betrokkene 1] werd overigens afgewezen.

5.6.

In het middel wordt onder punt 7 aangevoerd dat het oordeel van de Rechtbank ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] dat het openbaar ministerie ander en minder ingrijpend onderzoek kon en kan doen om de waarheid aan het licht te brengen, ontoereikend is gemotiveerd.

5.7.

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie aldaar ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] aangevoerd dat klager destijds tijdens de behandeling van de zaak ter zitting niet heeft aangegeven dat [betrokkene 3] aanwezig was in plaats van zijn broer [betrokkene 5], dat niet is gebleken dat [betrokkene 3] een volmacht had tot dit handelen, noch dat klager handelde uit volmacht van [betrokkene 5] om de door klager opgestelde dagvaarding uit te brengen en de zitting met [betrokkene 3] af te doen. Voorts is door de officier van justitie aangevoerd dat het niet mogelijk is om op een minder ingrijpende wijze inzicht te krijgen in de kwestie dan door doorbreking van het verschoningsrecht. In het Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming wordt vermeld dat het doel van de doorzoeking was om na te gaan of verdachte contacten met [betrokkene 5] en/of [betrokkene 1] heeft gehad en of in de dossiers mogelijk toch machtigingen aanwezig waren op basis waarvan zou kunnen worden geconstateerd dat klager wel degelijk voor hen procedeerde. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, anders dan de Rechtbank stelt, niet dat aan de officier van justitie is gevraagd welke informatie hij in de dossiers zoekt die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden.

5.8.

Uit het voorgaande volgt dat het openbaar ministerie bevestiging zocht van het vermoeden dat sprake was van een schijnprocedure waaraan de verdachte opzettelijk zijn medewerking had verleend en in het bijzonder wilde uitsluiten dat in het dossier een volmacht aanwezig was waaruit zou kunnen worden afgeleid dat klager in de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] voor [betrokkene 5] optrad. Uit het proces-verbaal van de zitting in raadkamer volgt dat de deken van de Haagse Orde van Advocaten heeft verklaard dat in het dossier een machtiging is aangetroffen die inhoudt dat de [betrokkene 5] [betrokkene 3] machtigt om “al zijn zakelijke bemoeienis te voeren”. Niet blijkt dat deze machtiging aan het openbaar ministerie is overgelegd, terwijl daarmee bovendien niet is gezegd dat dit het enige stuk in het dossier is dat licht zou kunnen werpen op de vraag of sprake was van de opzettelijke medewerking aan een schijnprocedure. Voorts kan uit het proces-verbaal van de zitting, noch uit andere stukken, worden afgeleid dat de officier desgevraagd niet in staat is geweest aan te geven welke informatie hij in het dossier zoekt die niet op andere wijze verkregen kan worden. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is daarom niet begrijpelijk welk ander minder ingrijpend onderzoek het openbaar ministerie zou kunnen verrichten om te achterhalen of de procedure inderdaad, zoals wordt vermoed, niet was ingesteld om de zakelijke belangen van [betrokkene 5] te behartigen. Ik merk daarbij op dat het horen van [betrokkene 5] een optie is die al was beproefd. Uit een zich bij de stukken van het geding bevindende brief van de officier van justitie aan de rechter-commissaris van 17 oktober 2012 blijkt dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij zijn broer [betrokkene 3] heeft gemachtigd en dat hij zich voor het overige op zijn zwijgrecht heeft beroepen.2

5.9.

De klacht is derhalve gegrond. Dat kan pas tot cassatie leiden als ook de andere grond waarop de beslissing van de Rechtbank met betrekking tot het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] in cassatie geen stand houdt. Die grond, waarop ook de beslissing met betrekking tot het dossier [betrokkene 1]/[betrokkene 2] steunt, wordt in het cassatiemiddel eveneens aangevochten. Aangevoerd wordt dat het oordeel van de Rechtbank dat in casu geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden ontoereikend is gemotiveerd.

5.10.

Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Het verschoningsrecht van de advocaat is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een advocaat zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt, is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd, moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de advocaat wordt verdacht, onevenredig worden getroffen.3

5.11.

Ik merk voorts het volgende op. De Rechtbank heeft ten aanzien van beide dossiers ([betrokkene 3]/[betrokkene 4] en [betrokkene 1]/[betrokkene 2]) geoordeeld dat gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift. Dat oordeel wordt begrijpelijk genoeg door de steller van het middel niet aangevochten, zodat in cassatie van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Ik laat daarom de vraag rusten of het voeren van een schijnprocedure – die ertoe leidt dat de desbetreffende rechtbank een toewijzend vonnis of dito beschikking “afgeeft” ten name van een gefingeerde procespartij – als oplichting van de rechtbank kan worden aangemerkt, evenals de vraag of een dagvaarding in een civiele procedure kan worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Dat het overleggen van valse bewijsstukken valsheid in geschrift kan opleveren, is intussen evident. Ik merk voorts op dat de Rechtbank niet heeft geoordeeld dat de niet-naleving van art. 21 Rv als zodanig een strafbaar feit oplevert, noch dat de enkele niet-naleving van die bepaling oplichting van de rechtbank oplevert. De betekenis die aan art. 21 Rv toekomt, is wel dat het buiten twijfel stelt dat een rechtvaardiging voor het vermoedelijk gepleegde bedrog niet kan worden gevonden in de taak van de raadsman om de belangen van zijn cliënt te behartigen.

5.12.

De Rechtbank heeft overwogen dat zij de aard, ernst en omvang van de verdenking ten aanzien van klager in de zaken [betrokkene 3]/[betrokkene 4] en [betrokkene 1]/[betrokkene 2] niet voldoende zwaarwegend acht dat deze, beoordeeld naar de toets van de zeer uitzonderlijke omstandigheden, zonder meer een doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. De verdenking betreft naar het oordeel van de Rechtbank relatief beperkte feiten in aard, tijd en omvang, terwijl bijvoorbeeld voorts een crimineel samenwerkingsverband van klager met andere verdachten niet door de officier van justitie wordt verondersteld. Voorts stelt de Rechtbank dat zij de redenering van de officier van justitie niet volgt dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van de werkzaamheden van klager en een ontwrichtende werking hebben op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van een advocaat moet kunnen worden gesteld in de samenleving in het algemeen en in civiele zaken met verplichte procesvertegenwoordiging in het bijzonder, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. De Rechtbank overweegt daarbij dat een vergelijking met de kerntaak van een notaris niet opgaat nu het onafhankelijk ambt van notaris in de kern mede een maatschappelijk zwaarwegende functie behelst die voorschrijft dat een notaris de authenticiteit van bepaalde stukken verifieert en bevestigt, zodat daarop in het maatschappelijk verkeer kan en mag worden vertrouwd. Dit is een wezenlijk andere kerntaak dan die van een advocaat, van wie het ook in civiele zaken niet tot de beroepsuitoefening behoort dat hij van alle stukken die cliënten hem aandragen de authenticiteit verifieert, maar van wie vooreerst – als partij – wordt verlangd het persoonlijke en zakelijke belang van zijn cliënt te verdedigen, aldus de Rechtbank.

5.13.

Met de Rechtbank kan worden ingestemd dat de positie van notaris en advocaat verschillen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het opzettelijk gebruik maken van valse bewijsstukken in een procedure door een advocaat niet ook zo ernstig is, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden gesproken. De Rechtbank stelt dat het niet aan de advocaat is om de authenticiteit vast te stellen van de stukken die hem door zijn cliënt worden aangereikt. Dat moge zo zijn, maar het verwijt dat de klager wordt gemaakt, is niet dat hij de authenticiteit van de ingebrachte schuldbekentenis niet of onvoldoende heeft geverifieerd, maar dat hij opzettelijk – dus wetende dat die schuldbekentenis vals is – van dat bewijsstuk gebruik heeft gemaakt. Daar komt nog bij dat klager niet alleen wordt verdacht van het gebruik van valse bescheiden. Uit de vordering doorzoeking ter inbeslagneming volgt dat klager tevens wordt verdacht van het medeplegen van het valselijk opmaken dan wel het vervalsen van het bedoelde bewijsstuk. Bovendien wordt klager verdacht van het valselijk opmaken van civiele dagvaardingen alsook van het medeplegen van (poging tot) oplichting van twee rechtbanken. Het gaat dus telkens om vermoedelijke strafbare feiten die werden gepleegd in het kader van civiele procedures waarin de klager in zijn hoedanigheid van advocaat optrad. Die strafbare feiten hingen dus ten nauwste samen met de kern van de werkzaamheden van een advocaat. Ook meen ik dat die strafbare feiten wel degelijk het vertrouwen aantasten dat in de samenleving in een advocaat moet kunnen worden gesteld. Dat, zoals de rechtbank overweegt, van een advocaat “vooreerst” wordt verlangd dat hij het persoonlijk en zakelijk belang van zijn cliënt verdedigt, moge zo zijn, maar daarmee is niet gezegd dat aan het overtreden van de strafwet minder zwaar moet worden getild. Ik zou menen dat het tegendeel het geval is. Het toekennen van een verschoningsrecht aan advocaten is maatschappelijk gezien verantwoord te achten indien en zo lang op een integere beroepsuitoefening vertrouwd kan worden en er dus niet voor gevreesd hoeft te worden dat advocaten hun beroepsgeheim misbruiken als dekmantel voor het plegen van strafbare feiten. Dat de onderhavige verdenkingen niet zouden vreten aan het vertrouwen waaraan het verschoningsrecht mede zijn bestaan dankt, vermag ik dan ook niet in te zien.4 Het middel klaagt terecht over de onbegrijpelijkheid van dit oordeel.

5.14.

In de toelichting op het middel wordt ook nog gesteld dat verdachte “gemene zaak” heeft gemaakt met zijn cliënt en dat het oordeel van de Rechtbank mede daarom onbegrijpelijk is. Kennelijk keert de steller van het middel zich hiermee tegen de overweging van de Rechtbank dat door de officier van justitie een crimineel samenwerkingsverband met andere verdachten niet wordt verondersteld. Voor zover de Rechtbank daarmee heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat klager niet wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie, heeft zij weliswaar het gelijk aan haar zijde, maar laadt zij tegelijk de verdenking op zich uit te zijn gegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Onder “het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten”, waarvan de Hoge Raad in zijn jurisprudentie spreekt, hoeft niet enkel te worden verstaan het met die cliënten vormen van een criminele organisatie. Ook andere vormen van criminele samenwerking met een of meer cliënten kunnen maken dat sprake is van ernstige strafbare feiten. Voor zover de Rechtbank dat niet heeft miskend, is haar overweging in het licht van de stukken van het geding niet begrijpelijk. Uit voornoemd proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming volgt dat klager wordt verdacht van het medeplegen van valsheid in geschrifte en het medeplegen van oplichting. Klager zou ten aanzien van beide dossiers tezamen en in vereniging met [betrokkene 3] hebben gehandeld door telkens op naam van anderen, maar in feite in opdracht van en ten behoeve van [betrokkene 3], civiele procedures te voeren. Gelet op deze jegens klager gerezen verdenking, valt de overweging van de Rechtbank dat de officier van justitie geen crimineel samenwerkingsverband veronderstelt niet goed te begrijpen.

5.15.

Het middel slaagt.

6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie het al eerder genoemde Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming (Proces-verbaalnummer 2011.069833), waaraan de navolgende informatie is ontleend.

2 Zie tevens proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming p. 9 waaruit volgt dat [betrokkene 5] heeft verklaard niet in de rechtszaal aanwezig te zijn geweest en dat hij bij de overige vragen over dit onderwerp heeft gezwegen.

3 HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, NJ 2014/93.

4 Vgl. HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418, NJ 2005/353, waarin klager (advocaat) werd verdacht van overtreding van art. 420bis en/of 420ter Sr en/of overtreding van art. 225 en/of 226 Sr.