Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:622

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-05-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
12/03935
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1561, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:963. Het Hof heeft zijn oordeel, gelet op hetgeen in dat arrest is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed gedurende het tijdsbestek dat hij vanuit de hal naar aangeefster in de woonkamer is gelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03935

Zitting: 20 mei 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 11 juli 2012 door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch wegens “poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verzoeker een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over ’s Hofs verwerping van het verweer dat schommelingen in de bloedglucosespiegel het (agressieve) handelen van verzoeker zouden kunnen hebben veroorzaakt.

4. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsvrouw op de terechtzitting van het Hof van 27 juni 2012 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de inhoud van de door haar overgelegde pleitnota. Daarin is op pagina 11-12 het volgende naar voren gebracht:

“Dit gelezen hebbende (ik begrijp het rapport van de deskundige Peters, EH) heb ik mij afgevraagd of de handelingen van [verdachte] veroorzaakt konden worden door schommelingen in zijn bloedglucosespiegel die zoals uit studies blijkt, diverse fysieke gewaarwordingen zoals snelle krachtige hartslag trillen, transpireren , verslechtering van denkvermogen en geheugenverlies tot gevolg kan hebben. Ik verwijs naar de hiervoren aangehaalde eensluidende verklaringen van het slachtoffer hieromtrent.

Anders dan de rechtbank (pag. 9 , 3e alinea) is de verdediging van mening dat Peters de mogelijkheid van organisch geheugenverlies door diabetes niet volledig heeft uitgesloten. De rechtbank overweegt (pag. 6) nog dat indien de diabetes medicatie om welke reden dan ook niet in het systeem van de verdachte terecht is gekomen, dit doorgaans tot een te hoge suikerspiegel ( hyperglykemie) en niet tot een te lage suikerspiegel zou hebben geleid. Maar ook dat kan naar de mening van de verdediging lichamelijke uitwerkingen hebben.

De onderzoeker is hieraan waarschijnlijk voorbij gegaan omdat hij ervan uitging dat [verdachte] zoals hij zelf ook heeft verklaard braaf zijn medicijnen voor zowel suiker alsook bloeddruk slikte. Op pag 13 rapporteert hij immers dat [verdachte] bevestigt nog steeds zijn medicatie te nemen.

Ik ga ervan uit dat de onderzoeker niet zo diep in het p.v. duikt en op de detail heeft kunnen lezen dat [verdachte] diarree had. Zijn echtgenote heeft hieromtrent verklaard dat ze om 20.00 op de bank naar het nieuwws zaten te kijken. Hij even later opstond (pag. 2 vonnis) omdat hij naar het toilet moest en pas weer om 20.30 uur (pag. 3) de woonkamer binnenkwam. Dat betekende dus een lange toiletzit.

Van belang zijnde verklaringen hieromtrent:

Op pag, 41 van het pv verklaart [verdachte]

A : Ik gebruik

Ramipril 1 tablet 5mg voor de hoge bloeddruk
Glimepiride 1 tablet 3 mg voor suiker
Metformine 2 tablet 1000mg voor de suiker
Lecardipine 1 tablet voor de hoge bloeddruk, ik weet niet hoeveel mg dat is.
V: Hoe lang gebruik je deze medicijnen/middelen al?
A: Kijken, drie of vier jaar.
V: Wat doen die medicijnen/middelen met jou?
A: Verder niets die zorgen ervoor dat de hoge bloeddruk naar beneden gaat.



Maar wat gebeurt er als een persoon als [verdachte] die al 4 jarendagelijks 4 soorten zware medicatie slikt, deze medicatie enkele dagen of zelfs maar een dag overslaat of de medicatie niet wordt opgenomen door braken of diarree? Uit zijn verklaring blijkt immers dat hij diarree had tenminste tot en met de dag van het delict. Hij kwam uit het toilet gelopen...
[verdachte](pag 45)
A. Behoudens de suikerziekte en hoge bloeddruk niet. Ja ik heb wel wat buikgriep gehad.

[betrokkene] (pag 105)

nadat het journaal was afgelopen zag ik [verdachte] opstond en hoorde hem zeggen : „ Ik heb wat last van diarree en moet even naar het toilet".

De diverse fysieke gewaarwordingen waar in de rapportage over gesproken wordt hebben zich mijns inziens voorgedaan :

verklaringen [betrokkene]

(pag 53)

"ik kreeg de indruk alsof mijn man iemand anders was. Zoals hij nu deed, zo ken ik hem helemaal niet. Ik zag dat hij een rood gekleurd gezicht had en ik zag dat hij erg transpireerde."

(pag. 106)

,, Ik zag dat hij een vuurrood gezicht had. Het zweet liep in stralen van hem af. Ik zag dat hij een hele rare blik in zijn ogen had. Het was heel wezenloos."

De rechtbank Roermond is eraan voorbij gegaan dat dit een gevolg is geweest van de hypoglykemie. Ik verzoek u Edelgrootachtbaar College dit ernstig in overweging te nemen bij uw beraadslagingen. De verdediging is van mening dat hieraan niet voorbij gegaan kan en mag worden gelet op de resultaten van genoemde studies. Zou inderdaad als gevolg van diarree de medicamenten niet aangeslagen hebben, is denkbaar dat sprake was organisch geheugenverlies te maken met een neurologische aandoening te vergelijken met.... black-out door hoge concentraties alcohol in het bloed etc. . Volgens Peters is daarbij kenmerkend dat in zulke gevallen de herinnering voor een gehele gebeurtenis afwezig is. De geheugensporen zijn door omstandigheden niet goed opgeslagen, waardoor ze dus ook niet kunnen worden opgehaald.

De verdediging acht dan ook niet uitgesloten dat hiervan sprake was.

De handeling is ook in dit opzicht zonder enige opzet gebeurd en/of niet toe te rekenen.”

5. Blijkens het voormelde proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsvrouw daaraan toegevoegd:

“Ten aanzien van pagina 11: Bij een hyperglykemie kan je nog agressief worden, bij een hypoglykemie krijg je juist dat slappe gevoel.”

En heeft verzoeker ter terechtzitting verklaard:

“Ook op 22 maart 2011 heb ik mijn medicatie ingenomen. U, voorzitter, vraagt mij of ik veel dorst had die dag. Dat is mij niet opgevallen. Ik at wel regelmatig. Hypo’s en dat soort dingen gebeuren wel eens. U, voorzitter, vat samen dat ik op 22 maart 2011 mijn medicatie had ingenomen, ik geen dorst had en normaal had gegeten. Dat klopt.”

6. Het Hof heeft het gevoerde verweer als volgt verworpen:

Medische toestand van verdachte

De verdediging heeft nog opgemerkt dat mogelijk sprake was van hypoglykemie, waarbij diaree mogelijk een rol heeft gespeeld. Verdachte zou door deze omstandigheid niet hebben kunnen nadenken over zijn handelen.

Het hof verwerpt dit verweer reeds omdat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op vragen van de voorzitter heeft verklaard dat hij die bewuste dag zijn medicijnen heeft ingenomen, dat hij goed heeft gegeten en dat hij geen dorst had. In zijn politieverhoor van 24 maart 2011 te 11.15 uur heeft verdachte verklaard dat hij zijn medicijnen moet nemen en voldoende moet eten, omdat hij anders naar een 'hypo' toe gaat. Als hij zijn medicijnen niet inneemt gaan de suikerwaarden omhoog. Hij krijgt dan veel dorst. Hiervan was die dag volgens eerstgenoemde verklaring van verdachte echter geen sprake. Het hof leidt hier uit af dat hypoglykemie zich niet voor deed. Dat verdachte diaree had doet aan het voorgaande niet af.
Voorts overweegt het hof nog dat, zoals wordt vermeld in het rapport van voornoemde deskundige Peters, bij hypoglykemie een slap gevoel optreedt. Gelet op het krachtige handelen van verdachte zoals hiervoor omschreven, is ook om die reden te zeer onwaarschijnlijk dat er sprake was van een hypoglykemie. Daar komt bij, aldus genoemde rapporteur, dat hypoglykemie enkel verholpen kan worden door de toediening van glucose. Gesteld noch gebleken is dat aan verdachte glucose is toegediend of dat hij glucosehoudende voedingsmiddelen heeft genuttigd voordat de politie arriveerde of dat iets dergelijks na zijn aanhouding is geschied. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte op 22 maart 2011 voor of ten tijde van het bewezen verklaarde handelen niet lijdende was aan hypoglykemie. Derhalve was ook in dit opzicht geen sprake van een omstandigheid waardoor verdachte zich niet bewust was van zijn handelen en daarover niet kon nadenken.”

7. In de toelichting op het middel wordt nog aangevoerd dat het Hof bij de verwerping van het hierboven aangehaalde verweer enkel heeft gerespondeerd op de vraag of mogelijk sprake was van een hypoglykemie, maar niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat door de darmproblemen bij verzoeker de medicatie niet heeft gewerkt waardoor verzoeker onder invloed kwam te verkeren van een hyperglykemie.

8. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.1

9. Ik meen dat het betoog van de raadsvrouw niet aan deze vereisten voldoet, nu het vanwege zijn vrijblijvendheid niet voldoende met argumenten is geschraagd. Zo vraagt de raadsvrouw zich af of de handelingen van verzoeker veroorzaakt konden worden door schommelingen in zijn bloedglucosespiegel, sluit zij de mogelijkheid van organisch geheugenverlies door diabetes bij verzoeker niet volledig uit, etc. Ook werpt zij slechts als vraag op wat er gebeurt als bij iemand als verzoeker de medicatie niet wordt opgenomen door braken of diarree. Dit alles kan toch bezwaarlijk als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden aangemerkt, te minder nu – en daaraan heeft het Hof mijns inziens terecht gerefereerd – (i) verzoeker zelf heeft verklaard dat hij die bewuste dag zijn medicijnen heeft ingenomen, goed heeft gegeten en geen dorst had, en (ii) de deskundige Peters heeft gerapporteerd dat bij een hypoglykomie juist een slap gevoel optreedt, hetgeen niet past bij het krachtig handelen van verzoeker zoals is tenlastegelegd.

10. Nu hetgeen de raadsvrouw mede ten aanzien van de gestelde darmproblemen te berde heeft gebracht, niet is te verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, was het Hof niet gehouden daarop te reageren in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en kon het volstaan met de overweging dat de omstandigheid dat verzoeker diarree had niet aan het oordeel van het Hof afdoet.

11. Voorts acht ik op grond van het voorgaande het oordeel van het Hof dat het te zeer onwaarschijnlijk is dat sprake was een hypoglykemie – waarin besloten ligt de vaststelling dat van enig causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en hyopoglykemie niet is gebleken – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel de klacht behelst dat het Hof niet is ingegaan op de stelling van de verdediging dat het bewezenverklaarde feit is begaan onder invloed van en is veroorzaakt door een hyopoglykemie, mist het feitelijke grondslag.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel houdt in dat het oordeel van het Hof dat verzoeker ‘met voorbedachten rade’ heeft gehandeld blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.

14. Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt de volgende gang van zaken. Verzoeker en zijn toenmalige echtgenote kijken in de woonkamer samen naar het journaal. Op een gegeven moment gaat verzoeker naar het toilet. Daarna ziet hij in een mandje in de hal een hamer liggen. Op dat moment kan hij naar zijn zeggen de spanning in zijn lijf over de aanstaande echtscheiding en alles wat daarmee te maken heeft niet meer aan. Hij pakt de hamer en loopt daarmee naar zij vrouw die op dat moment aan de andere kant van de kamer zit, op een afstand van acht à negen meter, en slaat haar met de hamer tweemaal hard en daarna nog een keer op haar hoofd en knijpt vervolgens haar keel dicht. Daarbij zegt verzoeker dat ‘er een einde aan moet komen’. Nadat verzoeker zijn echtgenote loslaat, belt hij 112, terwijl zijn echtgenote naar de buren vlucht.

15. Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat hij zich niet kan herinneren wat er is gebeurd, dat hij zich niet bewust was van zijn handelen en dat zijn handelen het gevolg kan zijn geweest van spanningen in zijn huwelijk en door zijn buitenechtelijke relatie, terwijl de raadsvrouw (zoals gezegd) de oorzaak eerder in schommelingen in de bloedsuikerspiegel zoekt. Volgens de verdediging zou sprake zijn geweest van een impulsieve handeling en niet van een te voren beraamde actie.

16. Het Hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

Voorbedachten rade

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat geen sprake is van voorbedachten rade, maar van een impulsieve, niet te voren beraamde handeling. Dit standpunt vindt, aldus de verdediging, bevestiging in de omstandigheid dat de desbetreffende hamer al een tijd in een mandje in de gang lag om opgeborgen te worden.

Het hof volgt de verdediging niet in dat standpunt. Van belang is het moment waarop verdachte in de hal de hamer uit het mandje heeft gepakt en heeft besloten zijn toenmalige echtgenote daarmee op het hoofd te slaan. Het hof merkt hierbij op dat de verdediging geen enkel ander aannemelijk doel heeft aangevoerd waarom hij de hamer vanuit de hal heeft meegenomen naar de woonkamer. Evenals de rechtbank, houdt het hof het er dan ook voor dat verdachte reeds in de hal het besluit heeft genomen [betrokkene] met de hamer op het hoofd te gaan slaan en haar van het leven te beroven. De omstandigheid dat de hamer reeds enige tijd in de hal lag om opgeborgen te worden doet daaraan niet af. Voorts overweegt het hof dat verdachte, na het in de hal genomen besluit, met de hamer in zijn hand de woonkamer is ingelopen en een afstand van acht à negen meter heeft overbrugd naar de bank waarop [betrokkene] was gezeten. Aldaar heeft verdachte uitvoering gegeven aan zijn besluit en heeft hij daartoe tot drie keer toe met de hamer op het hoofd van [betrokkene] geslagen, waarna hij is overgegaan tot verwurging één en ander als hiervoor omschreven.

Het hof leidt uit genoemde feiten en omstandigheden af dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. De poging tot levensbeëindiging zoals bewezen verklaard is mitsdien niet het gevolg geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging; voor verdachte hebben tijd en gelegenheid bestaan als hiervoor benoemd. Mitsdien is naar het oordeel van het hof sprake van voorbedachten rade.”

17. Het zal bekend zijn dat met betrekking tot de voorbedachte raad de Hoge Raad sinds zijn arrest van 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR:2342, NJ 2012/518 m.nt. Keulen een nieuwe weg is ingeslagen. Men zou met De Hullu ook kunnen zeggen: de teugels strakker heeft aangetrokken.2 Ik wijs op de volgende overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963:

“3.4. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”3

18. Tegen de achtergrond van het voorafgaande meen ik dat het Hof zijn oordeel dat verzoeker tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich rekenschap daarvan te geven, ontoereikend heeft gemotiveerd. De gebezigde bewijsmiddelen noch de bewijsoverwegingen van het Hof bevatten positieve aanwijzingen waaruit de voorbedachte raad kan worden afgeleid. De vaststellingen van het Hof dat verzoeker de hamer, die reeds enige tijd lag opgeborgen in de hal, heeft gepakt, hij daarna met deze hamer de woonkamer is ingelopen en daarbij slechts een afstand van acht à negen meter heeft overbrugd, en hij vervolgens zijn echtgenote driemaal op haar hoofd heeft geslagen en haar keel enige tijd heeft dichtgeknepen, is in het licht van de voormelde rechtspraak onvoldoende voor het bewijs van voorbedachte raad.4 Deze handelingen wijzen eerder op een impulsieve daad van verzoeker, zou ik zeggen. Het lijkt mij dan ook dat het Hof bij de beoordeling van de vraag of voorbedachte raad kan worden bewezenverklaard, had moeten nagaan of verzoeker daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en of verzoeker zich daarvan ook rekenschap heeft gegeven, zeker gelet op de contra-indicatieve omstandigheden dat er sprake was van (i) een heel korte tijdspanne tussen het besluit om zijn toenmalige echtgenote iets aan te doen en de uitvoering daarvan en (ii) een af te leggen afstand van slechts 8 à 9 meter, waarbij komt dat (iii) verzoeker noch het slachtoffer enig inzicht hebben kunnen geven van hetgeen vlak voor en tijdens het begaan van het feit in verzoeker is omgegaan.

19. Het middel slaagt.

20. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

21. Het cassatieberoep is ingesteld op 16 juli 2012. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 23 augustus 2013 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van zes maanden5 is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

22. Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

23. Eén en ander kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen. Het tijdsverloop kan bij de nieuwe behandeling van de zaak aan de orde worden gesteld.

24. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede en het derde middel slagen.

25. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijvoorbeeld HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393.

2 Zie: J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, 2012, p. 250.

3 Zo ook HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014: 16 en 17 (rov. 3.3.), NJ 2014/160 en 161.

4 Zie voorts HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:347, NJ 2014/163 en HR 5 november 2011, ECLI:NL:HR:2013:1111, NJ 2014/159.

5 Verzoeker zat ten tijde van het instellen van het beroep in cassatie voor de onderhavige zaak preventief gedetineerd.