Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:621

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
13/03578
Formele relaties
Arrest Hoge Raad voor nadere conclusie: ECLI:NL:HR:2014:1021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1560
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad (vervolg op tussenarrest ECLI:NL:HR:2014:1021). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156. Het Hof heeft zijn oordeel, gelet op hetgeen is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed, nadat hij was buitengesloten, “gedurende de bevestiging van de vlinderbom en het gesprek met aangever” (“langer dan een aantal seconden”).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03578

Zitting: 13 mei 2014

Mr. Knigge

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

1. In mijn conclusie van 4 februari 2014 kwam ik tot de slotsom dat het eerste, het vierde en het vijfde middel falen, dat het tweede middel slaagt en dat het derde middel daarom geen bespreking behoeft. Bij arrest van 22 april 204 heeft Uw Raad kennelijk geoordeeld dat het tweede middel ongegrond is en mij daarom in de gelegenheid gesteld mij alsnog uit te laten over het derde middel.

2. Het derde middel

2.1. Het middel klaagt dat de onder 3 bewezenverklaarde voorbedachten rade, mede gelet op het dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

2.2. Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij op 3 december 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vlinderbom, in elk geval een (geïmproviseerd) explosief (voorzien van een of meer metalen kogels) heeft bevestigd op of aan de voordeur van een woning aan de [a-straat 1] (waarachter dan wel in de onmiddellijke nabijheid waarvan [slachtoffer] stond) en tot ontploffing heeft gebracht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de voorbedachten rade het volgende overwogen:

Poging moord of poging doodslag

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte met het tot ontploffing laten komen van het explosief het opzet had om aangever [slachtoffer] van het leven te beroven.

Gelet op het verbale contact kort voor de explosie tussen verdachte en aangever door de brievenbus van de voordeur, over de sleutelbos, moet verdachte zich bewust zijn geweest van de positie van aangever ten opzichte van het explosief. Desondanks heeft verdachte het explosief tot ontploffing gebracht. Uit het explosievenonderzoek van het NFI volgt dat bij vrijwel direct contact met de explosieve constructie kan het letsel fataal zijn. Uit voornoemde omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door het tot ontploffing gebrachte explosief om het leven zou kunnen komen.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of er sprake is van poging moord of doodslag.

Om tot een bewezenverklaring te komen van het primair tenlastegelegde (poging moord) dient vast komen te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

In het onderhavige situatie heeft verdachte het geïmproviseerde explosief waarmee hij een ontploffing te weeg kon brengen uit Purmerend meegenomen naar Amersfoort. Dit explosief was voorzien van loden kogeltjes die bij ontploffing van het explosief voor mogelijk extra schade kunnen zorgen. Daarnaast is er op de computer van [betrokkene 1] gekeken naar You Tube filmpjes betreffende vuurwerk en de uitwerking hiervan. Hieruit leidt het hof af dat verdachte al voor de overval voornemens was om gebruik te maken van de vlinderbom. Nadat verdachte door aangever buitengesloten was, heeft verdachte de vlinderbom aan de deur(klink) van aangever bevestigd. Tijdens deze handelingen heeft verdachte nog woordelijk en mogelijk zichtbaar (het slachtoffer stond immers achter het matglas in de deur) contact gehad met de aangever. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte gedurende de bevestiging van de vlinderbom en het gesprek met aangever, waarbij hij de wetenschap had dat het slachtoffer zich in de nabijheid van de vlinderbom bevond, gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kon geven. Nu het handelen van verdachte en het gesprek een zekere tijd - langer dan een aantal seconden- in beslag hebben genomen en enige aanwijzing voor de mogelijkheid dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging ontbreekt acht het hof gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.”

2.4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2013 gehechte pleitnota heeft de raadsman van verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

“Moord: door explosief tot ontploffing te brengen waardoor [slachtoffer] van het leven zou worden beroofd. Te bewijzen bestanddeel: met voorbedachten rade en na kalm beraad en rustig overleg

Blijkt niet uit dossier.

Wordt door aangever verklaard over iets onder zijn neus houden. Rook weeïg/karton, blijkt niet wat dit precies is geweest. Kan derhalve niet uit volgen dat er enig plan zou zijn om vlinder tot ontploffing te brengen in nabijheid van aangever. Ook voor overige geen aanwijzingen van enig vooropgezet plan.

Blijkt derhalve niet van voorbedachte raad.

Afsteken van explosief lijkt juist een impulsieve daad. Plan was immers om met pas van aangever en in zijn gezelschap te gaan pinnen. Op moment dat verdachte de woning verlaat wordt plotseling de deur dicht gedaan en wordt hij buitengesloten. Persoon heeft dus geen tijd gehad om daar van te voren over na te denken nu hij zich plotseling in deze situatie bevindt. Vrijwel direct daarna wordt er een explosief tot ontploffing gebracht. Niets duidt er op dat er voorafgaand aan dat moment sprake is van kalm beraad en/of rustig overleg. Immers vrijwel direct daarna (uit verklaring aangever), lijkt te duiden op handelen uit impuls.

Feitelijk geen tijd geweest voor kalm beraad of overleg. Strenge eisen door HR oa in LJN BY5695 d.d. 16 januari 2013.

Bestanddeel kan niet worden bewezen, derhalve vrijspraak voor feit 3 onder primair.”

2.5. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963).

2.6. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte het geïmproviseerde explosief heeft meegenomen van Purmerend naar Amersfoort, dat het explosief was voorzien van loden kogeltjes die bij ontploffing van het explosief voor mogelijk extra schade zouden kunnen zorgen en dat er op de computer van [betrokkene 1] is gekeken naar You Tube filmpjes betreffende vuurwerk en de uitwerking daarvan. Het Hof leidt uit deze omstandigheden af dat verdachte al voor de overval van plan was om gebruik te maken van de vlinderbom. Het Hof heeft voorts overwogen dat verdachte gedurende de bevestiging van de vlinderbom en het gesprek met aangever, waarbij hij de wetenschap had dat het slachtoffer zich in de nabijheid van de vlinderbom bevond, gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap kon geven. Nu het handelen van verdachte en het gesprek met aangever een zekere tijd – langer dan een aantal seconden – in beslag hebben genomen en enige aanwijzing voor de mogelijkheid dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging ontbreekt, is het Hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

2.7. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte al voor de overval van plan was om het explosief te gebruiken. Wat de verdachte daarbij voor ogen stond, is echter niet duidelijk. Met welk doel en onder welke omstandigheden hij van plan was om de bom tot ontploffing te brengen, daarover kan slechts gegist worden. Het zou kunnen dat verdachte al voordat hij uit Purmerend vertrok onder ogen had gezien dat hij de bom eventueel zou (moeten) gebruiken in een situatie die voor het slachtoffer levensgevaarlijk was en dat hij daarbij tot de slotsom was gekomen dat hij zich door de mogelijkheid van een dodelijk gevolg niet zou laten weerhouden. In een dergelijk geval, waarin een fatale afloop van te voren is ingecalculeerd en op de koop is toegenomen, laat het door het Hof bewezen geachte voorwaardelijke opzet zich goed rijmen met de aanwezigheid van voorbedachte raad. 1 Het Hof heeft hierover evenwel niets vastgesteld. Dat is begrijpelijk, want de feiten bieden daarvoor nauwelijks een grondslag. Uit het enkele feit dat verdachte het explosief had meegenomen, kan mijns inziens niet worden afgeleid dat verdachte van plan was het te gebruiken onder omstandigheden die voor het slachtoffer een aanmerkelijke kans op overlijden zouden meebrengen.2

2.8. Het Hof heeft het dan ook niet over de boeg van een tevoren doordacht plan gegooid. Het heeft geoordeeld dat verdachte gedurende het bevestigen van de vlinderbom en het gesprek met de aangever door de brievenbus gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het handelen van verdachte en het gesprek met aangever hebben, aldus het Hof, een zekere tijd – langer dan enkele seconden – in beslag genomen. Dat moge zo zijn, maar ook dan is slechts sprake geweest van een korte tijdspanne waarin verdachte zich heeft kunnen beraden. Of verdachte deze gelegenheid tot bezinning ook daadwerkelijk heeft benut, blijkt echter niet. Ik merk daarbij op dat die korte tijdspanne geheel samenviel met de uitvoering van het besluit om de bom op dat moment tot ontploffing te brengen, hetgeen een contra-indicatie voor voorbedachte raad oplevert.3 Ik wijs er ook op dat de omstandigheid dat, zoals het Hof heeft overwogen, enige aanwijzing ontbreekt voor de mogelijkheid dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, naar het oordeel van de Hoge Raad niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.4 Ik meen dan ook dat het Hof zijn oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld ontoereikend heeft gemotiveerd.

3. Het middel slaagt.

4. Ook deze aanvullende conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Dat voorbedachte raad en voorwaardelijk opzet kunnen samengaan, demonstreert reeds het bekende Hoornse taart-arrest (HR 19 juni 1911, W 1911, 9203).

2 Vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:17, NJ 2014/160 m.nt. Keulen, waarin het bewijs van de voorbedachte raad ontoereikend was, hoewel de verdachte eerst boos het café was uitgelopen en thuis een pistool had opgehaald.

3 Zie voor enigszins vergelijkbare gevallen waarin eveneens sprake was van een korte tijdspanne tussen het besluit en de (voltooide) uitvoering daarvan o.m. HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:72, NJ 2013/562 m.nt. Rozemond en HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:16, NJ 2014/161 m.nt. Keulen.

4 Zie voor een geval waarin (ogenschijnlijk) koelbloedig optreden onvoldoende was om voorbedachte raad aan te nemen HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1111, NJ 2014/159 m.nt. Keulen