Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:620

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
13/05142
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1559, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496 omtrent de beoordeling van cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. De HR verstaat de afwijzing van het verzoek aldus dat het Hof heeft geoordeeld dat de noodzaak tot het horen van de getuige niet is gebleken. Aldus verstaan heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd. De afwijzing van dat verzoek is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr.13/05142

Mr. Machielse

Zitting 13 mei 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Leeuwarden-Arnhem heeft verdachte op 2 september 2013 voor: Witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring gelast van in beslag genomen geldbedragen.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. M.E. van der Werf heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om een getuige te horen. Het hof heeft een onjuist criterium toegepast althans zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.

In de toelichting op het middel schildert de steller van het middel de gang van zaken die tot de verdenking tegen verdachte heeft geleid. Verdachte is op 9 september 2009 aangehouden met een tas waarin een bedrag van ongeveer 4,6 miljoen euro aanwezig was. Dat geld zou zijn verschaft door een Marokkaanse zakenman, [betrokkene 1], door tussenkomst van een zakenrelatie van deze [betrokkene 1], genaamd [betrokkene 2]. Deze [betrokkene 2] had [betrokkene 1] overgehaald om verdachte in te schakelen om geld vanuit Marokko Europa in te krijgen, zodat [betrokkene 1] in Europa zou kunnen beschikken over geld om te investeren. De werkelijke reden waarom verdachte over dat geld wilde beschikken zou zijn dat hij bedreigd werd omdat een lading hasjiesj door zijn toedoen verloren was geraakt en dat verdachte aansprakelijk werd gesteld voor het verlies. Omdat het in Marokko verboden is dergelijke bedragen uit te voeren, is er een contract opgesteld waarin een onjuiste stand van zaken werd weergegeven. Vervolgens is een groot bedrag vanuit Marokko naar Nederland gesmokkeld, waar het onder verdachte in beslag is genomen. De verdediging had er belang bij om [betrokkene 2] te horen omdat deze getuige de versie van verdachte en deels die van [betrokkene 1] zou kunnen ondersteunen.

3.2. Het verzoek om getuigen, onder wie [betrokkene 2], te horen is voor het eerst geformuleerd in de appelschriftuur. Vervolgens is het verzoek herhaald ter terechtzitting van het hof van 27 april 2012. In een tussenarrest van 11 mei 2012 heeft het hof dit verzoek afgewezen omdat de verdediging de gegevens van deze getuige niet heeft verstrekt. Op 3 december 2012 heeft de advocaat van verdachte overeenkomstig een pleitnota gepleit. De pleitnota besluit met het verzoek om [betrokkene 2], aangeduid met personalia en adres, te horen. De noodzaak voor het horen van deze getuige is, aldus de pleitnota, eens temeer gelegen in het belang van de verdediging om ondersteuning van de verklaringen van verdachte en [betrokkene 1] te verkrijgen. Aan de inhoud van de pleitnota heeft de advocaat ter terechtzitting mondeling toegevoegd dat er inmiddels een civiel vonnis ligt waarin verdachte is veroordeeld tot betaling van het geldbedrag.

3.3. Het hof heeft verdachte ervoor veroordeeld dat

" hij, op 09 september 2009, te Amsterdam een voorwerp, te weten grote geldbedragen, in een tas: 4.602.200, - euro, 100.000 Deense Kronen en 8.500 Amerikaanse dollars en in de woning Diopter 24: 101.640,euro, 720 euro, 790 euro, 2.950 euro, 185 euro, 600 euro, 1.001 Amerikaanse dollars, 47.000 Deense kronen, 6.680 Marokkaanse dollars en in een voertuig (kenteken [AA-00-BB]): 5.000 euro, voorhanden gehad terwijl hij, verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen van bovengenoemde geldbedragen wist dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit de opbrengst van enig misdrijf."

3.4. Op het verzoek om [betrokkene 2] op te roepen als getuige heeft het hof afwijzend beslist en aan die beslissing de volgende motivering ten grondslag gelegd:

"[betrokkene 2]

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi voorts verzocht om als getuige te horen [betrokkene 2]. De advocaat-generaal heeft betoogd dat het verzoek dient te worden afgewezen.

Het hof wijst het verzoek af. In de regel zal door de verdediging niet nader behoeven te worden uitgelegd op welk tijdstip en op welke wijze zij in het bezit is gekomen van nadere identificerende gegevens over een persoon die zij als getuige gehoord wenst te zien. Onder omstandigheden kan dit evenwel anders zijn en zal de verdediging dienen uit te leggen dat en waarom nadere identificerende gegevens omtrent een persoon die door haar als getuige wenst te worden gehoord, zoals zijn woon- of verblijfplaats, niet door haar in een eerder stadium van het geding zijn verstrekt. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake. De verdediging heeft eerst bij pleidooi in hoger beroep nadere identificerende gegevens van de persoon die zij als getuige gehoord wenst te zien verstrekt, waarbij - ondanks de hieronder opgenomen punten - de toelichting niet méér omvat dan dat de verdediging inmiddels het adres van deze getuige heeft weten te achterhalen.

- Verdachte heeft in de loop van de procedure niet eerder gegevens verstrekt die het mogelijk maakten de als "[betrokkene 2]" aangeduide persoon te achterhalen noch is door hem op genoegzame wijze uitgelegd waarom een en ander voor hem niet mogelijk of doenlijk was, hoewel hij eerder onder meer heeft verklaard dat hij de betreffende persoon "sinds zijn probleem" vaker heeft gezien. Weliswaar heeft verdachte bij de behandeling ter terechtzitting van de zaak in hoger beroep op 26 november 2012 opgemerkt: Voor zover ik me kan herinneren is bij de regiezitting verzocht om [betrokkene 2] te horen. Ik kon hem wel achterhalen, maar mij is dat niet gevraagd. Maar het hof verwerpt deze stelling omdat uit het navolgende blijkt dat deze onjuist is.

- Bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg door de rechtbank heeft de verdediging subsidiair aangeboden "[betrokkene 2] als getuige te horen". Daarbij zijn echter geen nadere identificerende gegevens verstrekt noch is uitgelegd waarom de verdediging daartoe niet in staat zou zijn of wat de verdediging heeft gedaan om die gegevens te achterhalen. Dit is des te onbegrijpelijker nu bij pleidooi in eerste aanleg vervolgens door de raadsman is opgemerkt: Ik heb gekeken of het mogelijk was hem mee te nemen naar de zitting maar daar is deze getuige niet zo 'n groot voorstander van. Er zal een rechterlijke uitspraak moeten liggen alvorens hij wenst te verklaren. Het verzoek is overigens door de rechtbank afgewezen op grond van het ontbreken van noodzaak terwijl zij overwoog dat bovendien geen enkele informatie over de woon- of verblijfplaats van de getuige was verschaft. Tegen de achtergrond van het voorgaande merkt het hof nog op dat het niet aannemelijk acht dat het niet eerder verschaffen van nadere gegevens over de personalia van "[betrokkene 2]" verband houdt met de omstandigheid dat verdachte niet altijd de gelegenheid had om zomaar naar Marokko te gaan, zoals opgemerkt door de raadsman bij dupliek in hoger beroep.

- In het kader van de regiebehandeling van de zaak in hoger beroep heeft de raadsman bij brief van 10 mei 2011 als te horen getuige opgegeven "[betrokkene 2], verdere gegevens onbekend". In antwoord op een brief van de griffier schrijft de raadsman bij brief van 2 februari 2012 weliswaar dat de getuige door [betrokkene 1] en cliënt wordt genoemd als een belangrijke betrokkene bij de totstandkoming van de overeenkomst, maar nadere identificerende gegevens worden in de brief niet verstrekt noch wordt uitgelegd waarom de verdediging niet aan de gegevens heeft kunnen komen noch wat de verdediging heeft gedaan om aan die gegevens te komen. Het geven van nadere uitleg had des te meer op de weg van de verdediging gelegen nu de rechtbank de lezing van verdachte in eerste aanleg over de herkomst van het geld - waarin de namen "[betrokkene 1]" en "[betrokkene 2]" een belangrijke plaats innemen - uitvoerig gemotiveerd als ongeloofwaardig van de hand heeft gewezen en uit de bij pleidooi gemaakte opmerking van de raadsman valt af te leiden dat de verdediging wel degelijk beschikte over de nadere gegevens van "[betrokkene 2]". Bij tussenarrest van het hof van 11 mei 2012 is vervolgens het verzoek op dit punt afgewezen: "De personalia en/of verblijfplaats van de verzochte getuige zijn onvoldoende nauwkeurig aangeduid. Het verzoek voldoet daarmee niet aan de daaraan te stellen minimumvoorwaarden. Het hof wijst het verzoek om die reden af."

- Het hof neemt mede in aanmerking dat aan [betrokkene 1] bij zijn verhoor door de rechter-commissaris in eerste aanleg op 24 september 2010 is gevraagd naar nadere gegevens omtrent personalia en verblijfplaats van "[betrokkene 2]". Daarop heeft hij geantwoord dat hij bereid was het adres van hem te geven. Op de vraag "Kunt u straks het adres geven van [betrokkene 2]?" antwoordde [betrokkene 1]: "Ik zal dat doen via mijn advocaat. Ik ben daartoe bereid". Dat is evenwel vervolgens niet gebeurd.

Nu door de verdediging geen nadere uitleg is gegeven als hiervóór bedoeld zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de betreffende persoon bestaat en bestond in en tijde van het door de verdediging gepresenteerde scenario dan wel daadwerkelijk de persoon is die in dit scenario wordt bedoeld.

Voor zover door de verdediging is betoogd dat door de politie en het Openbaar Ministerie nader onderzoek had moeten worden gedaan naar de personalia van "[betrokkene 2]" verwerpt het hof dit betoog. Het hof acht niet aannemelijk dat de verklaringen van verdachte en [betrokkene 1] voldoende aanknopingspunten hebben geboden voor politie en justitie om nadere gegevens van "[betrokkene 2]" te achterhalen."

3.5. Het ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het (doen) ondervragen van getuigen, is een verzoek in de zin van artikel 331, eerste lid, in verbinding met artikel 328 Sv om toepassing te geven aan artikel 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge artikel 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Het tijdstip waarop een verzoek om een getuige op te roepen wordt gedaan, kan naar mijn mening op zichzelf niet de grond bieden voor de afwijzing van zo'n verzoek.2 Wel zou het naar mijn mening gewicht in de schaal kunnen leggen bij de beoordeling van de noodzaak een dergelijk verzoek te honoreren. In het licht hiervan is de hierboven weergegeven afwijzing van het verzoek door het hof - dat niet heeft aangegeven aan de hand van welke maatstaf het verzoek is afgewezen - ontoereikend gemotiveerd.3 Maar ook vanuit een ander gezichtspunt schiet mijns inziens de motivering tekort. Het hof heeft zijn overwegingen besloten met een verwijzing naar het ontbreken van voldoende aanknopingspunten voor het bestaan van deze persoon en voor de mogelijkheid voor politie en justitie om nadere gegevens van de gevraagde getuige te achterhalen. Maar de pleitnota van hoger beroep besluit met het opgeven van de precieze gegevens van deze [betrokkene 2], waardoor toetsbare informatie beschikbaar kwam ter controle van het bestaan van deze persoon.

Het middel komt mij gegrond voor.4

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nrs. 13/00617 ([medeverdachte 1]), 13/03745 ([medeverdachte 2]), 13/00699 ([medeverdachte 3]), 13/00704 ([medeverdachte 4]), nr. 13/00692 ([medeverdachte 5]), 13/02775 ([medeverdachte 6]) en 13/01079 ([medeverdachte 7]), waarin ik ook vandaag concludeer.

2 HR 12 januari 1999, NJ 1999, 450 m.nt. tH; HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7313. Zie ook HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0191 waarin naar mijn mening deze uitleg ook doorschemert.

3 HR 20 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4756; HR 22 april 2008, NJ 2008, 313 m.nt. Mevis; HR 21 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8816.

4 De vraag is overigens wel of verdachte uiteindelijk met cassatie wel gebaat zal zijn. Uit het verhandelde in hoger beroep zou men immers tot de slotsom kunnen komen dat het geld door [betrokkene 1] is afgestaan doordat hem een rad voor ogen is gedraaid en dat verdachte hierdoor en door valsheid in geschrift - door het onjuist opmaken van een contract - het geld voorhanden heeft gekregen.