Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:619

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-03-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
13/00445
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1496, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR wijst overzichtsarrest inzake het oproepen en horen van getuigen t.tz. op verzoek van de verdediging in gewone strafzaken. Ic heeft het Hof het horen van de getuigen niet noodzakelijk geacht. Dat is een beslissing ex. art. 328 en 331.1 jo art. 315 Sv welke bepalingen op de voet van art. 415 Sv ook in h.b. van toepassing zijn. Nu op die beslissing art. 322.4 Sv geen betrekking heeft, moet het middel buiten behandeling blijven. De bij de Rb. ingekomen brief met het verzoek tot oproeping van getuigen kan niet worden aangemerkt een appelschriftuur houdende de opgave van getuigen a.b.i. in art. 410.3 Sv en evenmin als een opgave van getuigen aan de AG a.b.i. art. 414.2 jo. art. 263 Sv. Op het in die brief vervatte verzoek behoefde niet te worden beslist, noch door de AG noch door het Hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00445

Mr. Machielse

Zitting 4 maart 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 2 januari 2013 voor: Overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

2. Mr. D. Emmelkamp, advocaat te Amsterdam heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. De twee eerste middelen klagen over de bewezenverklaring. Die zou niet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid, althans is een bewijsverweer door het hof veronachtzaamd. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Bewezenverklaard is dat verdachte:

"op 30 april 2010 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Statenjachtlaan, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht."

3.2. In het verkort arrest heeft het hof de door de advocaat gevoerde verweren aldus samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnota de volgende verweren gevoerd - kort samengevat en zakelijk weergegeven -:

1. De verdachte heeft verklaard het slachtoffer te zijn geworden van baldadigheid en vandalisme. Hij denkt dat het slachtoffer, [slachtoffer] zijn spiegel er af heeft geslagen of getrapt en dat het slachtoffer daarbij gewond is geraakt. Deze verklaring van de verdachte is geloofwaardig en vindt steun in de verklaring van de getuige [getuige 1].

2. Er zijn diverse punten die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 2 en 3]. Zij verklaren op een aantal belangrijke onderdelen inconsistent of onaannemelijk. Zo is het onaannemelijk dat de verdachte 100 km per uur zou hebben gereden en dat het slachtoffer door de aanrijding 15 meter door de lucht zou zijn gevlogen.

3. Een aantal conclusies van de politierechter kan geen stand houden. Dit geldt de conclusies van de politierechter dat de verdachte het slachtoffer heeft kunnen zien op het moment dat hij in contact kwam met de spiegel en dat het letsel van het slachtoffer ondersteuning biedt voor de verklaringen van de getuigen [getuige 2 en 3].

(...)

Het hof verwerpt de gevoerde verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

De stelling van de verdediging dat er sprake is geweest van vandalisme, dat verdachte's spiegel van de auto is getrapt of afgeslagen door het slachtoffer en dat het slachtoffer daarbij gewond is geraakt, vindt onvoldoende ondersteuning in het dossier. Zo zijn er geen meldingen bekend van baldadig gedrag dan wel aangiftes van vandalisme in de omgeving van de Statenjachtlaan te Amsterdam rond het tijdstip van het ten laste gelegde. Daarbij komt dat de verdachte zelf verklaart niet te hebben gezien wat er gebeurd is (politieverklaring op pagina 43 van het dossier). Getuige [getuige 1] verklaart (politieverklaring op pagina 41 van het dossier): "lk hoorde de klap aan mijn rechterzijde maar kon niet waarnemen waar de klap vandaan kwam."

De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] zijn naar het oordeel van het hof consistent en betrouwbaar. De verklaringen die zij hebben afgelegd bij de rechter-commissaris sluiten in de kern en op hoofdlijnen aan bij hun verklaringen afgelegd bij de politie. Uit deze verklaringen blijkt dat de jongens aan de rechterzijde van de weg liepen en dat de naar later bleek door de verdachte bestuurde auto het slachtoffer, [slachtoffer], raakte aan de linkerkant. [slachtoffer] werd geschept waardoor hij over een afstand door de lucht vloog. De spiegel bleef ter plaatse achter. Het feit dat er, behalve de afgebroken zijspiegel, geen schade aan de auto is geconstateerd, doet, voorzover die stelling al juist is - aangezien de politie pas in de gelegenheid is geweest de auto op 4 juli 2010 te onderzoeken - geen afbreuk aan de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3]. Evenmin doet daaraan af dat door hen is gesproken over een snelheid van ongeveer 100 km per uur of het door de lucht vliegen van het slachtoffer over een afstand van 15 meter. Het Hof houdt rekening met de mogelijkheid dat die snelheid en afstand mogelijk minder waren, maar is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de eerdere verklaringen van de getuigen op dit punt het gevolg waren van een moedwillig onjuist verklaren; veeleer moeten naar het oordeel van het hof dit geacht worden uitlatingen te zijn die tot stand zijn gekomen op basis van hun perceptie van de gebeurtenissen rondom de aanrijding, gevoed door de emotie van het meemaken van een ernstige aanrijding waarvan hun vriend het slachtoffer was."

3.3. Daarenboven heeft het hof in de aanvulling van het verkort arrest nog het volgende opgenomen:

"De bewijsmiddelen

1. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals die door de politierechter zijn gebruikt, te weten:

a. de bewijsmiddelen vermeld in het proces-verbaal terechtzitting van de politierechter van 30 juli 2010 behorende bij de aantekening van het mondeling vonnis onder de nummers 2, 3, 4 (tweemaal, te weten de verklaring van [getuige 3] en de letselbeschrijving door E. Tanis) ) en 5, en

b. de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 juli 2010, zoals opgenomen in dat proces-verbaal onder A.

2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 19 december 2012.

Deze verklaring houdt in:

[slachtoffer] stond aan de rechterkant van mijn auto. Ik zag [slachtoffer] door de voorruit. Toen was er de klap van de spiegel. Ik hoorde de klap. Ik zag direct dat de zijspiegel eraf was. Ik stopte niet. Toen ik langs de jongens reed heb ik [slachtoffer] recht in de ogen gekeken. Hij stond aan de rechterkant naast mijn spiegel. Het was te laat om een bocht te maken.

Nadere bewijsoverwegingen

1. De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn voorzover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

2. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat het niet anders kan dan dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat aan [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht. De verdachte heeft direct voor de aanrijding [slachtoffer] gezien aan de rechterzijde van zijn auto. Direct daarop heeft hij een klap waargenomen en gezien dat de spiegel van zijn auto eraf was. Gelet op een en ander had hij moeten vermoeden dat hij een aanrijding had gehad met [slachtoffer], die, gelet op de klap en de schade aan de spiegel, ook bij [slachtoffer] had geleid tot letsel en/of schade."

3.4. De door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen waarnaar het hof verwijst zijn:

"2. Een proces-verbaal met nummer 2010108021-2 van 30 april 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde pag. 5 ev.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 30 april 2010 te 06:30 uur kregen wij de opdracht te gaan naar Koopvaardersplantsoen alwaar een voetganger was aangereden door een witte bestelauto. Ter plaats zagen wij een ambulance staan en dat een ambulance-medewerker bezig was om het slachtoffer op de plank aan het binden was. De jongen die later bleek genaamd te zijn: [slachtoffer].

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL136C 2010108021-6 van 24 mei 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pag. 7 ev.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Op 30 april omstreeks 06:25 uur liep ik samen met mijn broer genaamd [getuige 3] en mijn vriend [slachtoffer] over de Statenjachtstraat te Amsterdam. Wij liepen aan de meest rechterzijde van de rijbaan. Mijn vriend [slachtoffer] liep voor mij geheel vooraan en mijn broer [getuige 3] liep rechts naast [slachtoffer]. Ik liep daar ongeveer vijf meter achter. Op een gegeven moment hoorde ik vanuit de richting Boven IJ een auto naderen. Ik hoorde aan het motorgeluid dat hij vermoedelijk hard reed en zijn snelheid aan het verhogen was. Ik keek over mijn schouder naar achteren en zag een wit kleurige bestelauto. Er was op dat moment voldoende ruimte op de weg omdat er geen ander verkeer op de weg was. Ik zag dat de auto normaal op zijn weggedeelte bleef rijden en vervolgens mij links inhaalde. Ik zag dat dit gebeurde met zeer hoge snelheid. Vervolgens maakte de bestuurder van de genoemde bestelauto een stuurbeweging naar rechts en kwam toen teveel naar rechts, want hierop zag ik dat de bestuurder van de witte bestelauto, [slachtoffer] aanreed. Ik zag dat [slachtoffer] linksachter werd geraakt door de rechtervoorzijde van de witte bestelauto. Hierop zag ik dat [slachtoffer] door de lucht vloog en ongeveer vijftien meter verderop op de grond kwam te liggen. Ik heb niet gehoord dat de bestuurder van de witte bestelauto heeft geremd. Vervolgens hoorde ik dat de bestuurder weer gas gaf en wegreed. Ik heb bij de aanrijding gezien dat er een rechterbuitenspiegel van de bestelauto werd geraakt.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL136C 2010108021-7 van 24 mei 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], doorgenummerde pag. 9 ev.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Ik ben getuige geweest van een aanrijding waarbij de bestuurder is doorgereden. Op 30 april 2010 liepen wij parallel langs de Statenjachtstraat in de richting van de Banne Buikslootlaan. Ik liep rechts en [slachtoffer] liep links van mij. Achter ons liep mijn broer [getuige 2] die ongeveer vijf of zes meter achter ons liep. Ik hoorde een auto achter me die hoog in de toeren zat. Ik keek naar links naar [slachtoffer] en [slachtoffer] keek naar rechts, naar mij. Op dat moment zag ik dat [slachtoffer] aan zijn linkerzijde werd geraakt. Hij werd meegenomen door de vaart, gelanceerd waarbij ik zag dat hij door de lucht vloog en op zijn rug terecht kwam. Ik zag dat een wit bestelbusje mijn vriend had geraakt. Hij heeft niet gestopt. Ik zag dat tijdens de aanrijding de rechter buitenspiegel afbrak en op de grond neerkwam.

4. Een geschrift, zijnde een letselbeschrijving door een arts assistent Heelkunde E. Tanis.

Dit geschrift houdt onder mee in, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] is van 30 april 2010 tot en met 6 mei 2010 opgenomen op de afdeling Chirurgie van het Academisch Medisch Centrum met hoe een derde graad miltruptuur.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL136C 2010108021-9 van 4 juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 3], doorgenummerde pag. 31 ev.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 30 april 2010 omstreeks 06:30 uur reed ik als bestuurder van de auto over de Statenjachtstraat in Amsterdam. Ik ben de eigenaar van een witte bestelauto. Ik zag vanaf mijn linkerkant jongens naar rechts oversteken. Precies dat ik die jongens passeerde, gaf ik gas en hoorde ik een knal. Ik had snel door dat mijn rechter spiegel eraf was."

3.5. In hoger beroep heeft de verdediging als bewijsverweer gevoerd dat verdachte veronderstelde dat hij slachtoffer was geworden van baldadigheid en dat hij is doorgereden omdat hij geen ruzie wilde riskeren. Dat verweer zou, aldus de steller van de middelen, onvoldoende zijn weerlegd. Volgens de steller van het middel bieden ook de gebezigde bewijsmiddelen geen aanknopingspunt voor een weerlegging van dit verweer.

3.6. Die stelling kan ik niet onderschrijven. Uit bewijsmiddel 3 is af te leiden dat het slachtoffer met twee vrienden aan de rechterkant van de rijbaan liep toen een hard rijdende auto hen van achteren naderde. De witte bestelauto reed langs een van de jongens, die wat achter de andere twee aan liep, en ging vervolgens naar rechts waarbij een van de twee andere jongens die daar naast elkaar liepen werd aangereden. Bewijsmiddel 4 houdt hetzelfde in. Het hof heeft de verklaringen van de gebroeders [getuige 2 en 3] betrouwbaar geacht. Voorts heeft het hof erop gewezen dat er geen meldingen bekend zijn van baldadig gedrag of van vandalisme in die nacht op die plaats. Het hof heeft daaruit de conclusie getrokken en ook kunnen trekken, dat de jongens gewoon aan de rechterkant van de weg liepen en dat een van hen van achter is aangereden door de door verdachte bestuurde bestelauto en dat er geen enkele aanleiding was om te veronderstellen dat het slachtoffer uit baldadigheid een aanrijding zou hebben geriskeerd. Aldus is tot uitdrukking gebracht dat er geen enkele redelijke grond was voor een vermoeden van baldadigheid en dat onaannemelijk is dat verdachte wel daarvan uitging. Verdachte moet zich voorts bewust zijn geweest van de aanrijding, want hij hoorde een knal toen hij de twee jongens passeerde en zag direct dat zijn spiegel eraf was.

De weerlegging van het bewijsverweren ligt dus in de bewijsconstructie van het hof besloten. Er is geen sprake van een met de bewezenverklaring onverenigbare, maar door de bewijsconstructie niet gepareerde andere lezing van het gebeuren.1

De eerste twee middelen falen.

4.1. Het derde middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om twee getuigen te horen. Deze twee getuigen zouden kunnen verklaren over de indruk die verdachte kort na het voorval maakte.

4.2. Het proces-verbaal van 19 december 2011 houdt het volgende in:

"het hof wijst het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen af, nu het verhoor van bedoelde getuigen naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk is voor enige opdracht van de artikelen 348 en 350 juncto art. 415 Sv te nemen beslissing".

4.3. Precies een jaar later, op 19 december 2012, wordt het onderzoek hervat. Het onderzoek wordt opnieuw aangevangen omdat het hof anders is samengesteld dan op 19 december 2011. Het arrest van het hof van 2 januari 2013 is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2012 en van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

4.4. Primair voert de steller van het middel aan dat het hof een verkeerd criterium heeft gebruikt, subsidiair dat ook als het hof het juiste criterium heeft gebruikt, de motivering onbegrijpelijk is. De steller van schriftuur stelt ook de vraag aan de orde of het vierde lid van art. 322 Sv hier van toepassing is.

4.5. Art. 322, vierde lid, Sv luidt als volgt:

"Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of artikel 288 in stand."

4.6. De oorspronkelijke appelschriftuur, die op 20 augustus 2010 ter strafgriffie van de rechtbank is ontvangen, rept niet van deze twee getuigen. Een aanvullende appelschriftuur is gedateerd 7 september 2010 en geeft de twee getuigen op wier namen en adresgegevens verdachte aan de advocaat heeft verstrekt.

De aanvullende schriftuur is niet ingediend binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep. Nu de aanvullende schriftuur niet is ingediend binnen de in het eerste lid van art. 410 Sv vastgestelde termijn, kunnen deze twee getuigen niet worden geacht getuigen te zijn als bedoeld in art. 410 lid 1 juncto lid 3 Sv. Maar de vraag is of het verzoek in de aanvullende appelschriftuur desalniettemin een beslissing is inzake het horen of oproepen van getuigen uit hoofde van art. 287 of art. 288 Sv. Art. 418, derde lid, Sv, waar wordt gesproken van "een niet bij schriftuur opgegeven getuige", ziet op een op de voet van art. 263 in verbinding met art. 414, tweede lid, Sv opgegeven getuige. Dat betreft dus een getuige die niet bij appelschriftuur, maar voorafgaande aan de terechtzitting aan de AG - op de wijze als in art. 263 Sv is voorzien - is opgegeven, maar door de AG niet is opgeroepen.2

Deze getuigen zijn op 19 december 2011 niet verschenen. Art. 287 Sv voorziet dan in de mogelijkheden voor de voortgang van de zaak. Van het horen van de getuigen kan worden afgezien, maar ze kunnen ook worden opgeroepen. Het komt mij voor dat aldus art. 322 lid 4 Sv op de beslissingen ten aanzien van deze beide getuigen van toepassing is. Dat betekent dat deze beslissingen na het opnieuw aangevangen van het onderzoek ter terechtzitting in stand blijven. Wil de verdediging die beslissing ongedaan maken en een nieuwe beslissing van de rechter uitlokken dan zal, nadat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw is aangevangen, de verdediging opnieuw om die getuigen dienen te verzoeken. Van zo een verzoek blijkt niet uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 19 december 2012, noch uit de toen voorgedragen pleitnota. Dat betekent dat de beslissing van het hof van 19 december 2011 niet opnieuw is aangevochten. Daarom faalt dit middel.

4.7. Ten overvloede wijs ik nog op het volgende. In de aanvullende schriftuur wordt van de eerste getuige gezegd dat diens bedrijf is gevestigd naast het bedrijf van verdachte en van de tweede getuige dat verdachte bij hem zijn nieuwe autospiegel heeft aangeschaft. In de pleitnota van 19 december 2011 wordt het verzoek van de aanvullende appelschriftuur herhaald, overigens zonder dat wordt betoogd dat het niet mogelijk was om deze getuigen reeds in de appelschriftuur op te geven.

Gezien de gegevens van deze getuigen valt niet in te zien dat verdachte deze niet eerder aan zijn advocaat heeft kunnen doorspelen, waardoor het verzoek nog in de appelschriftuur had kunnen zijn opgenomen. Het hof heeft het juiste criterium toegepast en er waren geen omstandigheden die een tijdige opgave van deze getuigen in de appelschriftuur belemmerden.3

5. De voorgestelde middelen falen. Naar mijn mening kunnen de eerste twee middelen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 6 januari 1987, NJ 1987, 916 (art. 30 WVW); HR 16 maart 2010, NJ 2010, 314 m.nt. Buruma; HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9126; HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2952.

2 HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370.

3 HR 19 juni 2007, NJ 2007, 626 m.nt. Mevis; HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3654; HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6467.