Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:611

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-04-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
13/02329
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1521, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onttrekking aan het verkeer, art. 36d Sr. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk het oordeel dat de loden pijp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Beslissing o.a.h.v. ontoereikend gemotiveerd. HR doet de zaak zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02329

Mr. Machielse

Zitting 22 april 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 22 april 2013 voor 1 subsidiair: bedreiging met zware mishandeling, en 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 121 voorwaardelijk. Aan deze veroordeling heeft het hof een bijzondere voorwaarde verbonden. Tevens heeft het hof een in beslag genomen voorwerp verbeurd verklaard en de onttrekking aan het verkeer van een ander in beslag genomen voorwerpen bevolen.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie. Het cassatieberoep is na partiële intrekking niet meer gericht tegen de vrijspraak van 1 primair (poging tot zware mishandeling).

3.1. Het eerste middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 1. In de eerste plaats leveren de handelingen van verdachte geen bedreiging met zware mishandeling op, in de tweede plaats ontbreekt het voor een veroordeling voor artikel 285 Sr benodigde opzet.

3.2. Het hof heeft als feit 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

"hij op 05 oktober 2010 in de gemeente Deventer [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en [verbalisant 5] en [verbalisant 6] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend op [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en [verbalisant 5] en [verbalisant 6] toegelopen terwijl hij met een .stofzuigerstang slaande en zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en [verbalisant 5] en [verbalisant 6]."

3.3. De bewijsmiddelen waarop het hof deze bewezenverklaring heeft doen steunen zijn de volgende:

"1. een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0400 4010096417-1, d.d. 6 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (bladzijden 46 tot en met 48 van het proces-verbaal met dossiernummer 2010096332) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangever [verbalisant 1]:

Op 5 oktober 2010 reed ik met mijn collega [verbalisant 2] naar [a-straat] te Deventer. Ik zag dat de collega's [verbalisant 5] en [verbalisant 6] voor het portiek van de flat aan [a-straat] stonden. Ik zag dat ook andere collega's ter plaatse waren. Ik zag dat uit het portiek een man naar buiten kwam lopen. Ik zag dat de man een metalen stofzuigerstang in de hand had. Ik zag dat de man plotseling wild en wijd zwaaiend met de stang zeer dreigend en snel op ons afkwam lopen. Ik zag dat de bewegingen die hij maakte met de stang duidelijk onze kant op waren gericht. Ik zag dat de afstand tussen de man en mij snel kleiner werd. Ik kon snel naar achteren lopen. Ik was ervan overtuigd dat als ik niet snel genoeg naar achteren liep, dat de man mij met de stang zou hebben geraakt. Ik ben ervan overtuigd dat de man het doel had om mij en mijn collega's met de stang te slaan. Ik voelde mij op dat moment ernstig bedreigd. Gezien de korte afstand liepen mijn collega's en ik snel achterwaarts om niet geraakt te worden. Ik zag dat de man al wild zwaaiend met de stofzuigerstang op ons af bleef lopen Ik was op dat moment bang dat de man mij met deze stang zou raken.

2. een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0400 4010096421-1, d.d. De 6 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (bladzijden 31 tot en met 33 van het proces-verbaal met dossiernummer 2010096332) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangever [verbalisant 2]:

Op 5 oktober 2010 reed ik met mijn collega [verbalisant 1] naar een portiekflat aan [a-straat] te Deventer. Ik zag dat de collega's [verbalisant 4] en [verbalisant 3] ook ter plaatse waren. Ik zag in de deuropening van het portiek een man staan met een metalen stofzuigerstang in de hand. Ik bevond mij op ongeveer drie meter van de man. Mijn collega's en ik stonden naast elkaar. Ik zag dat de man plotseling snel naar voren liep, in mijn richting en de richting van mijn collega's en dat hij wild om zich heen sloeg met de metalen stofzuigerstang. De afstand tussen mij en de man werd snel kleiner. Ik kon snel een aantal passen naar achteren doen, anders zou ik zeker zijn geraakt door het metalen voorwerp dat de man in handen had. Doordat de man met een metalen voorwerp op mij afliep en wilde om zich heen sloeg met dit voorwerp, voelde ik mij bedreigd. Ik was ervan overtuigd dat het de bedoeling van de man was om mij te raken met het metalen voorwerp.

3. een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0400 4010096418-1, d.d. 6 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (bladzijden 34 tot en met 36 van het proces-verbaal met dossiernummer 2010096332) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklanng van aangever [verbalisant 3]:

Op 5 oktober 2010 ben ik samen met collega [verbalisant 4] naar [a-straat 1] te Deventer gegaan. Ik hoorde van collega's [verbalisant 6] en [verbalisant 5] dat zij onze komst afwachtten. Wij kwamen vrijwel tegelijk ter plaatse met collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 1]. Ik stond met de collega's voor het portiek van het flatgebouw en zag dat een man naar beneden kwam lopen. Toen hij uit het portiek wam lopen zag ik, dat hij een stofzuigerbuis vasthield. Ik zag dat de man plotseling met de buis ging zwaaien in mijn richting en in de richting van de collega's. Ik stond ongeveer op drie meter van de man af. Mijn collega's en ik gingen hierop een aantal stappen achteruit. Ik zag dat de man met de stofzuigerstang woest om zich heen ging slaan door zwaaiende bewegingen te maken. Als mijn collega's en ik niet achteruit waren gelopen, dan had de man ons zeker geraakt. Ik ben ervan overtuigd dat hij de intentie had om mij of een van mijn collega's te raken met de stalen buis.

4. een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0400 4010096387-1, d.d. 6 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (bladzijden 40 tot en met 42 van het proces-verbaal met dossiernummer 2010096332) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangever [verbalisant 4]:

Op 5 oktober 2010 reden collega [verbalisant 3] en tk naar [a-straat 1] te Deventer. Ik zag dat collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ook ter plaatse waren. Ik zag dat collega's [verbalisant 5] en [verbalisant 6] op de stoep voor het portiek van [a-straat 1] stonden. Ik zag dat een man in het portiek de trap afkwam lopen. Hij had een stofzuigerstang in de hand. Ik naderde de man op ongeveer twee meter afstand. Hierop zag ik dat de man hard met de stang begon te zwaaien, waarbij hij in mijn richting en in de richting van de overige collega's liep. Ik zag dat hij de stofzuigerstang met beide handen vasthield en woest om zich heen zwaaide, met kruislings slaande bewegingen. Ik moest snel naar achteren lopen om de stang te ontwijken. Ik zag dat de man woest verder in mijn richting liep en bleef lopen. Ik zag dat collega's [verbalisant 2], [verbalisant 5] en [verbalisant 6] ook met snelle bewegingen terug moesten trekken om klappen van de stang te ontwijken. Ik zag dat de man wild om zich heen bleef zwaaien. Ik ben ervan overtuigd dat de man mij met de stofzuigerstang geslagen zou hebben, als ik niet achteruit was gesneld. Ook ben ik ervan overtuigd dat de man een van mijn collega's geraakt zo hebben als zij niet achteruit waren gesneld.

5. een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0400 4010096404-1, d.d. 6 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (bladzijden 43 tot en met 45 van het proces-verbaal met dossiernummer 2010096332) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangever [verbalisant 5]:

Op 5 oktober 2010 waren collega [verbalisant 6] en ik bij [a-straat 1] te Deventer. Wij zagen [verdachte] vanuit zijn raam van zijn woning staan. Hij schreeuwde luid naar ons. Collega's [verbalisant 4], [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen ter plaatse. Wij zagen [verdachte] naar beneden komen. Wij zagen dat hij een stofzuigerstang met zuigmond in zijn handen had. Wij zagen dat hij daarmee naar buiten kwam. Wij stonden op ongeveer drie à vier meter van [verdachte] af. Ik zag dat [verdachte] de staaf optilde en ruim zwaaiende bewegingen van links naar rechts en van onder naar boven maakte. Ik zag dat hij al zwaaiend onze kant opliep. Ik zag dat het duidelijk zijn bedoeling was om mijn collega's en mij met de stang te raken. Wij zijn achterwaarts gegaan, teneinde het gevaar te ontwijken. Hadden wij dit niet gedaan, dan had hij ons zeker geraakt.

6. een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0400 4010096374-1, d.d. 6 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (bladzijden 37 tot en met 39 van het proces-verbaal met dossiernummer 2010096332) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangever [verbalisant 6]:

Op 5 oktober 2010 waren collega [verbalisant 5] en ik bij [a-straat 1] te Deventer. Wij zagen [verdachte] vanuit zijn raam van zijn woning staan. Hij schreeuwde luid naar ons. Collega's [verbalisant 4], [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen ter plaatse. Wij zagen [verdachte] naar beneden komen. Wij zagen dat hij een stofzuigerstang met zuigmond in zijn handen had. Wij zagen dat hij daarmee naar buiten kwam. Wij stonden op ongeveer drie à vier meter van [verdachte] af. Ik zag dat [verdachte] de staaf optilde en ruim zwaaiende bewegingen van links naar rechts en van onder naar boven maakte. Ik zag dat hij al zwaaiend onze kant opliep. Ik zag dat het duidelijk zijn bedoeling was om mijn collega's en mij met de stang te raken. Wij zijn achterwaarts gegaan, teneinde het gevaar te ontwijken. Hadden wij dit niet gedaan, dan had hij ons zeker geraakt.

7. de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 8 april 2013 - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

Op 5 oktober 2010 vroegen de mensen van de politie mij om uit mijn flat, [a-straat 1] te Deventer, naar beneden te komen. Ik ging naar beneden met de stofzuigerstang in handen. Die agenten stonden beneden."

3.4. Ter terechtzitting van 8 april 2013 in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij in de nacht van 5 oktober 2010 aan het stofzuigen was en dat toen de politie hem vroeg om naar beneden te komen om de rotzooi op te ruimen. Daarop is verdachte naar beneden gegaan met de stofzuigerslang nog in zijn handen. Dat was handig omdat hij gedronken had. Beneden stonden de politieagenten allemaal raar te doen. Ze stonden te schreeuwen. Verdachte vroeg toen het wat rustiger was of hij mocht gaan opruimen. Hij wilde eerst een loden pijp opruimen. Hij heeft niet met een loden pijp staan zwaaien. Toen hij bukte om een loden pijp op te rapen raakte hij wat in onbalans en stond daardoor wat te slingeren. Hij heeft de pijp weer weggelegd en wilde teruglopen. Toen werden de agenten weer wild en spoten ze met pepperspray. Hij heeft niet met een pijp in de richting van de politie gezwaaid maar deze pijp misschien als wandelstok gebruikt. Misschien hebben zij zich wel bedreigd gevoeld, maar hij heeft hen niet bedreigd. Hij kan wat onhandig hebben geopereerd. Ze waren met z'n zessen en ze hadden pistolen, honden en pepperspray. Hoe konden zij zich dan bedreigd voelen? Toen verdachte zich had omgedraaid om de flat weer in te gaan is hij door de agenten van achteren aangevallen. Verdachte was eerder die nacht binnen in zijn flat geflipt en was met een loden pijp op zijn meubilair gaan slaan. Hij heeft toen de loden pijp uit het raam gegooid omdat hij bang was dat hij anders de hele inboedel zou vernielen.

Het proces-verbaal vermeldt verder dat de advocaat van verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd.

3.5. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen1 en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.2

3.6. Het hof heeft de gang van zaken zoals die door verdachte is geschilderd en die erop neerkwam dat hij - zij het onder invloed - rustig en beleefd de agenten te woord heeft gestaan en is begonnen met opruimen, daarbij een buis van een stofzuiger als ondersteuning gebruikende, ongeloofwaardig geacht gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. De inhoud van de bewijsmiddelen komt er immers op neer dat verdachte dreigend en zwaaiend met de metalen buis naar de agenten is gelopen, die bang werden dat zij door de metalen buis zouden worden geraakt en zich daarom achteruit moesten bewegen om dat te voorkomen. Verdachte maakte kruiselings zwaaiende bewegingen, waaruit het hof klaarblijkelijk heeft afgeleid dat de slaande bewegingen ook op hoofdhoogte van verbalisanten werden uitgevoerd. Dat van deze bewegingen een zodanige dreiging uitging dat bij de agenten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen is evenmin onbegrijpelijk. Zulke bewegingen komen niet overeen met de bedoeling die verdachte zegt te hebben gehad, te weten het opruimen, noch – naar mijn mening – met de door verdachte beweerde toestand van onbalans waarin hij zegt te hebben verkeerd.

De steller van het middel wijst er nog op dat het hof heeft vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde, de poging tot zware mishandeling, hetgeen erop zou kunnen duiden dat het hof zwaar lichamelijk letsel niet voorzienbaar achtte en dat dus ook geen redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel aan de orde was. De vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde is niet ter beoordeling aan de Hoge Raad voorgelegd. Ten overvloede merk ik op dat een meer begrijpelijke gedachtegang deze zou zijn dat het hof nog geen begin van uitvoering van de zware mishandeling heeft aangenomen, maar, getuige de veroordeling voor het subsidiair tenlastegelegde, wel heeft geoordeeld dat de gedragingen van verdachte een redelijke vrees voor het oplopen van zwaar lichamelijk letsel bij verbalisanten heeft kunnen doen ontstaan. Dat verbalisanten met zessen waren en voorzien waren van vuurwapens, honden en pepperspray staat er niet aan in de weg dat zij zulke vrees hebben kunnen voelen.

3.7. Verdachte heeft ontkend het opzet te hebben gehad op bedreiging met zware mishandeling. De steller van het middel richt zijn pijlen ook op het bewijs van het opzet.

Het hof heeft echter vastgesteld dat verdachte wild en wijd zwaaiend met de stofzuigerbuis snel op verbalisanten af kwam lopen (bewijsmiddel 1, 2) en woest om zich heen ging slaan (bewijsmiddel 3, 4). Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte opzet heeft gehad op het ontstaan van de redelijke vrees bij verbalisanten dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.3De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen logenstraft de versie van verdachte dat hij niet heeft lopen zwaaien en slaande bewegingen heeft gemaakt met de stofzuigerbuis, maar hoogstens zijn evenwicht wat heeft verloren en daarom geen opzet had op bedreiging. In aanmerking genomen hetgeen voorts ter verdediging is aangevoerd was het hof niet gehouden de bewezenverklaring van het opzet nader te motiveren.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte de loden pijp heeft onttrokken aan het verkeer, althans die maatregel ontoereikend heeft gemotiveerd. Waarom het ongecontroleerde bezit van de loden pijp in strijd is met de wet of het algemeen belang is onduidelijk.

4.2. Het hof heeft over in beslag genomen loden pijp in zijn arrest het volgende overwogen:

"De onder verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven loden pijp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder I subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit aangetroffen. Hij behoort aan verdachte toe en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. De loden pijp zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang."

4.3. Uit de bewijsvoering kan niet volgen dat verdachte de loden pijp ter bedreiging heeft gebruikt. Ongetwijfeld kan de loden pijp dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als waarvoor verdachte thans is veroordeeld. Maar dat kan ook van bezemstelen, harken, kettingen, gordijnrails et cetera worden gezegd. Uit de voorwaarde voor onttrekking aan het verkeer dat de desbetreffende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang volgt, dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard, in strijd is met de wet of het algemeen belang.4 Het moet dus gaan om voorwerpen, die niet slechts in handen van de verdachte, doch in die van het publiek in het algemeen gevaarlijk zijn.5 Waarom dat hier het geval zou zijn is mij niet duidelijk. Het enkele feit dat de loden pijp in het bezit van verdachte is aangetroffen is daarvoor onvoldoende.6

Het middel slaagt.

5. Het eerste middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel slaagt. De Hoge Raad zal naar mijn mening om doelmatigheidsredenen zelf de beslissing kunnen nemen dat de loden pijp aan verdachte wordt teruggegeven. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen loden pijp is gelast, tot teruggave van het voorwerp aan verdachte en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 15 maart 2011, NJ 2011, 227 m.nt. Keijzer; HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717; HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5695.

2 HR 22 maart 2011, NJ 2011,228 m.nt. Keijzer.

3 Vgl. HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2294; HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7174.

4 HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9728.

5 NLR 1/36c.

6 Vgl. HR 18 april 1989, NJB 1989, 214.