Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:59

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-01-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
12/05602
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:357, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van moord. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05602

Zitting: 21 januari 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 7 november 2012 het vonnis van de Rechtbank te Haarlem waarbij verzoeker is veroordeeld:
- wegens “Medeplegen van moord” (primair bewezenverklaard in de zaak met parketnummer 15/740496-07)en
- wegens – kort gezegd – het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid XTC pillen/tabletten en het voorhanden hebben van slagpijpjes, springstof, munitiehouders, munitie, geluidsdempers, twee machinepistolen en drie vuurwapens (bewezenverklaard onder 2, 4, 5 en 6 in de zaak met parketnummer 15/669735-07),

bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissingen ten aanzien van het beslag en behoudens ten aanzien van (delen van) de bewijsvoering en het vonnis in zoverre vernietigd.
Het Hof heeft verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaar.

Ter zake van feit 3 zaak B (parketnummer 15-669735-07) heeft het Hof verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
Voorts heeft het Hof ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen de teruggave aan verzoeker bevolen dan wel deze voorwerpen verbeurd verklaard, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Deze zaak hangt samen met de strafzaken tegen [medeverdachte 3] (griffienummer 12/05229) en [medeverdachte 2] (griffienummer 13/00209) waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens verzoeker heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het (in de zaak met parketnummer 15/740496-07 primair) bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat de gebruikte bewijsmiddelen onvoldoende zijn om verzoeker als medepleger van de moord aan te merken en hem opzet op de dood van [slachtoffer] toe te rekenen.

5. Ten laste van verzoeker is door het Hof in de zaak met parketnummer 15/740496-07 primair bewezen verklaard dat:

“hij op 13 februari 2007 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een vuurwapen in en door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

6. Voor het bewijs zijn gebezigd1: de verklaringen van verzoeker afgelegd bij de Rechtbank en bij de politie op 14 juli 2008 (bewijsmiddel 1 en 2), de verklaring van getuige en medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegd bij de politie op 10 juli 2008 (bewijsmiddel 3), de verklaring van de getuige [getuige 1] afgelegd bij de politie (bewijsmiddel 4), de verklaring van de getuige [getuige 2] afgelegd bij de politie (bewijsmiddel 5), een proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant (bewijsmiddel 6), een deskundigenrapport opgemaakt door arts en patholoog R. de Visser (bewijsmiddel 7), een proces-verbaal identificatie dactyloscopisch spoor (bewijsmiddel 8), een deskundigenrapport schotrestenonderzoek opgemaakt door ing. S.B.C.G.Chang (bewijsmiddel 9), de verklaring van de getuige/verbalisant [verbalisant] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep (bewijsmiddel 10), een clusterproces-verbaal camerabeelden opgemaakt door verbalisant [verbalisant] (bewijsmiddel 11), een proces-verbaal onderzoek telecommunicatiemiddelen (bewijsmiddel 12), een proces-verbaal onderzoek telecommunicatie (bewijsmiddel 13), de verklaringen van getuige/medeverdachte [medeverdachte 3] afgelegd bij de politie op 6 november 2007 (bewijsmiddel 14), een proces-verbaal onderzoek voertuig (bewijsmiddel 15) en een proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 16).

7. Het arrest van het Hof houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

Zaak A

Bespreking van enkele verweren

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van moord.

De raadsman heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft verklaard dat hij bij het brugrestaurant aanwezig was voor [betrokkene], hij had geen problemen met [slachtoffer] (hierna [slachtoffer]) en wist niet dat er iemand doodgeschoten zou gaan worden. De rechtbank is aan zijn verklaring voorbij gegaan onder verwijzing naar een aantal factoren, die - naar het oordeel van de verdediging - in dit verband niet redengevend zijn:

- het bezoek aan de DUMP te Rotterdam;

het verband tussen de daar aangekochte goederen en de liquidatie van [slachtoffer] ontbreekt.

- het late verklaren door de verdachte;

- het niet willen noemen van de naam van de vierde man;

- het niet benaderen van [betrokkene];

[betrokkene] was die dag samen met anderen. De verdachte wist dat [betrokkene] niet met hem zou willen praten. [betrokkene] moest alleen, op een privéplek, worden benaderd. De bij de DUMP gekochte boeien, indien relevant,

zijn een indicatie voor die beslotenheid.

- het plaatsen van de bus in de buurt van de auto van [slachtoffer];

de verdachte heeft de Mercedesbus een aantal keren verplaatst. Daarbij mag evenwel niet worden vergeten dat [betrokkene] samen met [slachtoffer] was weggereden. Om die reden kon [betrokkene] niet worden benaderd of gevolgd, hij was niet alleen. Vast stond dat [betrokkene] terug zou komen, omdat de auto van [slachtoffer] er nog stond. Om alsnog [betrokkene] te kunnen volgen, is de Mercedesbus in de buurt van de auto van [slachtoffer] geparkeerd.

- de onmisbare rol van de verdachte (bivakmutsen, ophalen mededaders, wachten, verplaatsen van de bus, het wegbrengen van de daders en het nemen van polshoogte ter plaatse);

het is nimmer de bedoeling geweest van de verdachte om een onmisbare rol te vervullen. Hij wist het pas toen het te laat en gebeurd was. Zijn fout is dat hij vervolgens is weggereden met de schutter en die ander in zijn auto. De stress van het moment mag daarbij niet worden vergeten. Evenmin de spanning en angst die voorstelbaar zijn als iemand, die net een ander heeft doodgeschoten, met een rokend pistool de bus in springt en zegt datje moet wegrijden. Wat er van dit handelen ook zij, het maakt niet dat de verdachte met terugwerkende kracht het niet geplande en onverwachte doodschieten van [slachtoffer] heeft medegepleegd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verweren worden verworpen en dat de verdachte wordt veroordeeld voor het in zaak A primair ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer].

Overwegingen en oordeel van het hof

De verklaring van de verdachte komt erop neer dat hij zonder wetenschap ten aanzien van tijdstip, locatie en reden voor de aanwezigheid van [betrokkene] aldaar, met anderen naar een parkeerplaats bij het brugrestaurant is gereden alwaar zij uren hebben staan wachten. Dat is op zichzelf al niet aannemelijk. De verdachte heeft daarover gezegd dat [betrokkene] in het gezelschap van anderen verkeerde en om die reden niet kon worden aangesproken.

Uit de camerabeelden is echter gebleken dat [betrokkene] om 17.23 uur alleen bij zijn auto is geweest, daar iets uit heeft gepakt en vervolgens is teruggekeerd naar de KFC. Pas later (om 17.40 uur) is [betrokkene] bij [slachtoffer] in de auto gestapt en zijn zij bij het brugrestaurant weggereden. Gebleken is aldus dat de verdachte van de zich voordoende mogelijkheid om [betrokkene] alleen te spreken, geen gebruik heeft gemaakt. Een verklaring daarvoor is door hem niet gegeven. De verklaring van de verdachte omtrent zijn bedoelingen wordt door andere gegevens in het dossier, niet bevestigd. De verklaring van de getuige [getuige 4] bij de raadsheer-commissaris noch de verklaring van de getuige [getuige 5] ter terechtzitting in hoger beroep biedt daarvoor in elk geval onvoldoende aanknopingspunten. Bovendien biedt die verklaring van de verdachte geen opheldering over de noodzaak van de aanwezigheid van de vierde man, die – nadat [medeverdachte 3] in Rotterdam was opgehaald - door de verdachte in Amsterdam is opgehaald.

Voorts overtuigt de verklaring van de verdachte voor het meermalen verplaatsen van de bus door de verdachte geenszins. Uit de camerabeelden blijkt immers dat de bus in de loop van de avond steeds iets dichter bij de auto van [slachtoffer] is neergezet. Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2010 heeft de verdachte hieromtrent het volgende verklaard: "lk heb de bus op een gegeven moment recht voor de ingang van de Kentucky Fried Chicken geparkeerd. Dat deed ik omdat we [betrokkene] dan in de gaten konden houden binnen en zodra hij weg zou rijden zouden we hem onopvallend kunnen volgen vanuit die positie. Dat is ook de reden waarom ik de bus steeds een stukje verplaatste, zo stonden we uiteindelijk recht voor de ingang." Het hof begrijpt, mede gelet op de bewijsmiddelen, dat deze verklaring moet zien op de verplaatsingen van de bus in de avond. [betrokkene] bevond zich echter op dat moment (anders dan in de middag) niet in de Kentucky Fried Chicken, maar in het brugrestaurant, van waar hij voor de verdachte en de andere personen in de bus niet zichtbaar was. Het hof vermag niet in te zien hoe, voor het kunnen volgen van (het voertuig van) [betrokkene] wanneer deze het parkeerterrein zou verlaten, het telkens iets naar achteren verplaatsen van de bus nuttig of nodig was. [betrokkene] zou immers hoe dan ook langs de bus moeten rijden bij het verlaten van het parkeerterrein.

Het hof gaat er dan ook van uit dat het steeds een stukje verplaatsen van de bus geen andere reden had dan het plaatsen van de bus zo dicht mogelijk bij de auto van [slachtoffer].

(…)

C. Bewijsoverwegingen met betrekking tot zaak A

Het hof gaat op grond van het voorgaande uit van de volgende gang van zaken op 13 februari 2007. De verdachte en [medeverdachte 2] hebben op 13 februari 2007 met een witte Mercedes bestelbus eerst in Rotterdam [medeverdachte 3] en vervolgens in Amsterdam een vierde persoon opgehaald, waarna zij naar het parkeerterrein van het aan de oostzijde van de rijksweg A4 in de gemeente Haarlemmermeer gelegen brugrestaurant zijn gereden. Gedurende een periode van ruim vijf uren heeft de verdachte samen met de hiervoor genoemde personen in de bus verbleven. Tussen de verdachte, [medeverdachte 3] en de vierde persoon is in het Papiaments gesproken. Op een gegeven moment zijn [medeverdachte 3] en de vierde man via een schuifdeur aan de zijkant van de bus naar buiten gegaan. Voorzien van bivakmutsen en ten minste één vuurwapen zyn zij in de richting van [slachtoffer] gelopen, die zich op korte afstand van de bus bij zijn auto bevond. Er heeft een korte worsteling plaatsgevonden, waarna [slachtoffer] met een opzetschot in het hoofd is geschoten, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Direct na het schieten zijn de twee personen weer in de bus gestapt en met de verdachte, als bestuurder van de bus, weggereden De verdachte heeft [medeverdachte 3] en de vierde man daama bij een treinstation afgezet.

Voorafgaand aan de schietpartij heeft de verdachte de bus een aantal keren verplaatst, waarbij die bus steeds dichter bij - en uiteindelijk direct voor de auto van [slachtoffer] kwam te staan. Toen [slachtoffer] alleen naar zijn auto was toegelopen, zijn twee van de inzittenden van de bus tot actie overgegaan Uit de beelden en met name uit de beschrijvingen van het gebeurde van de twee ooggetuigen [getuige 1] en [getuige 2] komt het beeld van een kille liquidatie naar voren. Van enig verzet van het slachtoffer blijkt niet en derhalve evenmin van enige aanleiding voor het schieten.

Hieruit leidt het hof af dat de verdachte en de anderen zich eerst zodanig hebben gepositioneerd dat zij zeer dichtbij de auto van [slachtoffer] stonden en vervolgens hebben gewacht tot het slachtoffer - dat lange tijd in het gezelschap van anderen was - zich alleen in de richting van zijn auto zou begeven Toen dat gebeurde zijn [medeverdachte 3] en de vierde man, voorzien van bivakmutsen en een vuurwapen waarin tenminste een kogel zat en dat daarmee gebruiksgereed was, op het slachtoffer afgelopen en hebben hem vrijwel direct met een opzetschot doodgeschoten. Aldus was sprake van een gezamenlijk opzet op het gepleegde levensdelict. Eveneens was sprake van een voldoende substantiële en gelijkwaardige bijdrage van beiden aan dat delict, zodat in het midden kan blijven wie de schutter was. Beide daders hebben uitvoeringshandelingen gepleegd en uit hun handelen bleek van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewegingen van de door de medeverdachte [verdachte] bestuurde bus voorafgaand aan het feit, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, leidt het hof bovendien af dat ook van een nauwe en bewuste samenwerking met [verdachte] sprake was, welke samenwerking was gericht op het liquideren van [slachtoffer]. De verdachte is niet alleen bij de levensberoving van [slachtoffer] aanwezig is geweest, maar was daarbij betrokken in die zin dat zijn aanwezigheid en handelen ter plekke voorwaarde is geweest voor de uitvoering van het feit. Als gevolg hiervan, wordt het verweer van de raadsman, dat de verdachte niet als medepleger van het incident kan worden beschouwd, verworpen.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het hiervoor overwogene ook dat de verdachte, [medeverdachte 3] en de vierde man niet in een opwelling hebben gehandeld, maar dat hun daad kennelijk het gevolg is van een enige tijd tevoren genomen besluit en dat zij in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan tijd hadden zich te beraden over het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat zij over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad hebben nagedacht en zich daarvan rekenschap hebben gegeven.

Het hof komt op grond van voormelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de verdachte zich samen met [medeverdachte 3] en de vierde man schuldig heeft gemaakt aan moord op het slachtoffer [slachtoffer].”

8.

De bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen wijzen uit dat het Hof de volgende feiten en omstandigheden heeft vastgesteld. Verzoeker heeft op 13 februari 2007 een witte Mercedes bestelbus bestuurd, is samen met medeverdachte [medeverdachte 2] naar Rotterdam gereden alwaar hij medeverdachte [medeverdachte 3] en een andere (tot op heden onbekende, EH) man heeft opgehaald. Vervolgens zij naar het parkeerterrein van het langs de Rijksweg A4 gelegen brugrestaurant gereden. Verzoeker en zijn medeverdachten hebben gedurende een periode van ruim vijf uren in de bus verbleven. In de bus hebben verzoeker, [medeverdachte 3] en de vierde onbekend gebleven man in het Papiaments met elkaar gesproken. Verzoeker heeft de bus een aantal keren verplaatst waarbij de bus uiteindelijk direct voor de auto van het latere slachtoffer [slachtoffer] kwam te staan. Op het moment dat [slachtoffer], die lange tijd in het gezelschap van anderen was, zich alleen in de richting van zijn auto begaf, is medeverdachte [medeverdachte 3] met zijn medeverdachte voorzien van bivakmutsen en een vuurwapen uit de bestelbus gestapt, zijn zij op het slachtoffer afgelopen en hebben hem vrijwel direct daarna met een opzetschot doodgeschoten. De twee mannen zijn direct weer in de bestelbus gestapt waarna het voertuig in noordelijke richting is weggereden. Het Hof wijst erop dat uit de beelden en met name uit de beschrijvingen van het gebeurde van twee ooggetuigen het beeld naar voren komt van een kille liquidatie.

9.

Uit deze feiten en omstandigheden vloeit naar mijn mening duidelijk voort dat en op welke wijze verzoeker met zijn medeverdachte nauw en bewust heeft samengewerkt teneinde het slachtoffer [slachtoffer] van het leven te beroven. Verzoeker heeft niet alleen zijn twee mededaders opgehaald in Rotterdam en vervoerd naar het parkeerterrein, maar ook heeft hij vijf uren gewacht, heeft hij de bestelbus verplaatst en is hij blijven wachten om medeverdachten [medeverdachte 3] en de onbekend gebleven vierde man in de gelegenheid te stellen van de plaats van het misdrijf te vluchten. Tijdens het wachten in de bus hebben de drie mannen (verzoeker, [medeverdachte 3] en de onbekend gebleven man) Papiaments met elkaar gesproken, een taal die medepassagier [medeverdachte 2] niet verstond. Zoals het Hof terecht heeft overwogen, was de aanwezigheid en het handelen van verzoeker ter plekke voorwaarde voor de uitvoering van het gepleegde feit. In een nadere overweging heeft het Hof niet onbegrijpelijk uiteengezet waarom het de verklaringen van verzoeker omtrent de reden van verplaatsen van het voertuig niet aannemelijk heeft geoordeeld en op basis waarvan het Hof heeft aangenomen dat het steeds een stukje verplaatsen van de bus geen andere reden had dan het plaatsen van de bus zo dicht mogelijk bij de auto van [slachtoffer].

10.

Op deze plaats wijs ik ook nog op de betrokkenheid van verzoeker voorafgaand aan het gepleegde feit, die eruit heeft bestaan dat hij medeverdachte [medeverdachte 3] had gevraagd om mee te gaan en dat verzoeker zelf de bivakmutsen had gekocht (bewijsmiddel 1 en 2). Dat het Hof tegen deze achtergrond verzoeker als medepleger van de in de bewezenverklaring omschreven moord heeft aangemerkt is niet onbegrijpelijk. Dat verzoeker zelf geen uitvoeringshandeling heeft verricht in het daadwerkelijke schieten maakt niet dat geen sprake is van een nauwe en volledige samenwerking.2 Dat oordeel is - verweven als het is met de waardering der feiten - in cassatie niet verder toetsbaar, terwijl het Hof geen blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het leerstuk van het medeplegen.

11.

Voor zover het middel beoogt te klagen dat verzoekers opzet op de dood van het slachtoffer niet uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid, kan het mijns inziens evenmin tot cassatie leiden. Het voor medeplegen van moord vereiste opzet van een verdachte dient niet alleen te zijn gericht op de samenwerking met zijn medeverdachte(n), maar ook op het gevolg van het delict, te weten de dood van het slachtoffer. Daartoe moet hij met de medeverdachte(n) hebben samengewerkt.

12.

Uit de hiervoor onder 8 geschetste omstandigheden kan worden afgeleid dat verzoeker willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat mede door zijn eigen actieve rol in het geheel het slachtoffer uiteindelijk zou worden doodgeschoten, ook al heeft een van de mededaders uiteindelijk het fatale schot gelost. ’s Hofs klaarblijkelijke oordeel dat verzoekers opzet in elk geval in voorwaardelijke zin gericht was op de dood van het slachtoffer, is mitsdien niet onbegrijpelijk. Ook geeft het oordeel van het Hof gelet op de hiervoor onder 9 opgenomen feiten en omstandigheden geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bewezenverklaarde opzet op de dood van [slachtoffer] en is het niet onbegrijpelijk. Het is toereikend gemotiveerd.

13.

Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

14.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Waarbij ik omwille van de leesbaarheid van deze conclusie een letterlijke weergave van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen achterweg laat.

2 Het vervoer van de mededaders naar en/of van de plaats van het misdrijf kan onder omstandigheden immers medeplegen opleveren. Zo bleef de verdachte in de casus die ten grondslag lag aan HR 17 december 1985, NJ 1986, 427 tijdens de overval in de auto achter en had de verdachte in HR 12 november 1997, NJ 1997, 190 zijn medeverdachten naar een restaurant gereden, had gezien dat daar een overval werd gepleegd, distantieerde zich daarvan niet, maar bleef op zijn medeverdachten wachten.