Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:581

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-06-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
13/06008
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2806, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; ontslag op staande voet; kennelijk onredelijk ontslag. Vereiste van onverwijlde mededeling van dringende reden; strekking HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504). Geval dat slechts deel van dringende reden komt vast te staan(HR 1 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9387). Gebreken van processuele aard in aanloop naar ontslag; onvoldoende gewicht. Passeren ter zake dienend bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/261 met annotatie van mr. J. Dop
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/06008

mr. J. Spier

Zitting 6 juni 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[eiser]

(hierna: [eiser])

tegen

Stichting Meridiaan College

(hierna: Meridiaan College of de school)

1 Feiten

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten.1

1.2

[eiser], geboren [geboortedatum] 1956, is op 1 november 1980 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Meridiaan College, laatstelijk in de functie van leraar, tegen een laatstelijk verdiend salaris van € 4.361 bruto per maand exclusief vakantiebijslag. [eiser] doceerde het vak ‘horeca, toerisme en voeding’ en gaf in dat verband ook praktijklessen.

1.3

In de “gedragscode voor medewerkers van het Meridiaan College” uit 2001 is opgenomen dat “op een bepaalde manier kijken: iemand uitkleden met de ogen’, in iemands blouse proberen te kijken” en “en iemand aanraken als hij of zij dit niet wil” kwalificeert als ongewenst gedrag.

1.4

Naar aanleiding van een klacht van leerlinge [betrokkene 2] over ongewenst fysiek contact van [eiser], heeft Meridiaan College op 29 mei 2006 (aan [eiser]) een brief gestuurd. In deze brief is opgenomen dat een aantekening in het personeelsdossier van [eiser] is gemaakt. Voorts is [eiser] te kennen gegeven dat herhaling van dit gedrag niet meer mag voorkomen en dat hem begeleiding/coaching wordt aangeboden.

1.5

[eiser] heeft in de periode 2006/2007 begeleiding gekregen van [betrokkene 1] in de omgang met leerlingen en het voorkomen van ongewenst fysiek contact.

1.6

Bij brief van 7 juli 2009 heeft het College van Bestuur van Meridiaan College aan [eiser] bericht voornemens te zijn hem schriftelijk te berispen. Deze brief houdt het volgende in:2

“(-.) Op maandag 6 juli j l hebben we met elkaar gesproken n a v recente klachten van leerlingen Deze klachten betreffen aanrakingen door jou die zij als onprettig en ongepast ervaren en woordgebruik waarvoor hetzelfde geldt

In 2006 is er eveneens een klacht, met eenzelfde achtergrond, geweest In een brief van 29 mei 2006 is aan je gemeld dat, indien dit gedrag weer voorkomt, je rekening moet houden met een ernstige disciplinaire maatregel

Thans gaat het om een klacht van [betrokkene 3] over aanraken Die heeft zij mondeling gedaan bij de locatieleider Dit heeft er mede toe geleid dat de begeleiding door [betrokkene 1] is hervat Daarnaast is er een klacht van [betrokkene 4] zowel over aanrakingen als taalgebruik Deze klacht is op schrift gesteld (...)

Je geeft aan dat uit de gesprekken met [betrokkene 1] het beeld naar voren komt van iemand die in zijn enthousiasme wat ongeremd kan reageren

Ik heb met [betrokkene 1] gesproken en hij geeft aan dat een intensief, extern traject nodig is om te voorkomen dat ongewenst gedrag zich herhaalt

Voor het College van Bestuur is het onacceptabel dat dit gedrag zich, op bijna identieke wijze, herhaalt Wij verlangen van je dat gedrag in woord en/of gebaar, waardoor leerlingen zich niet veilig voelen, achterwege blijft

Met inachtneming van de artikelen 9 a 7 en 9 a 8 van de CAO-VO stelt het College van Bestuur je in kennis van zijn voornemen je vanwege plichtsverzuim bij wijze van disciplinaire maatregel, schriftelijk te berispen

Artikel 9 a 8 regel 1 van de CAO-VO bepaalt dat je in de gelegenheid wordt gesteld om binnen drie weken na verzending van dit voornemen je zienswijze mondeling dan wel schriftelijk kenbaar kunt maken Vanwege de zomervakantie stelt het College van Bestuur je in die gelegenheid tot uiterlijk drie weken na aanvang van het schooljaar 2009-2010 De CAO geeft aan dat je je bij dit verweer kunt laten bijstaan door een raadsman (...)”

[eiser] heeft geen zienswijze ingebracht tegen het voornemen tot deze maatregel.

1.7

Bij brief van 9 oktober 2009 heeft [eiser] een berisping gekregen naar aanleiding van twee klachten van leerlingen. Deze brief houdt het volgende in:

“(...) Per brief van 7 juli jl heeft het College van Bestuur je in kennis gesteld van het voornemen je bij wijze van disciplinaire maatregel, schriftelijk te berispen Op de laatste schooldag voor de zomervakantie heb ik er ook met je over gesproken

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 a 8 regel 1 van de CAO-VO 2008 2010 ben je in de gelegenheid gesteld je zienswijze binnen drie weken na de start van het schooljaar aan ons kenbaar te maken Deze termijn is inmiddels ruim twee weken verstreken en het College van Bestuur constateert dat je van deze gelegenheid geen gebruik hebt gemaakt

Op basis van de klachten van leerlingen, zoals verwoord in de brief van 7 juli jl, de gesprekken die er met je zijn gevoerd en het feit dat je geen gebruik maakt van de mogelijkheid je zienswijze te geven, concludeert het College van Bestuur dat er (herhaald) sprake is van plichtsverzuim en besluit het College van Bestuur je bij wijze van disciplinaire maatregel, te berispen Deze berisping dien je op te vatten als een ernstige disciplinaire maatregel Bij herhaling van klachten dien je rekening te houden met ernstiger disciplinaire maatregelen waarbij het beëindigen van het dienstverband nadrukkelijk aan de orde zal zijn

We wijzen je op de mogelijkheden gebruik te maken van de begeleidingstrajecten die de school biedt en mocht je andere vormen van begeleiding wensen, voor zover direct schoolgerelateerd, dan kun je daarover met de directeur van het Vakcollege Amersfoort in contact treden (...)”

1.8

Na de berisping is de onder 1.5 genoemde begeleiding van [betrokkene 1] hervat.

1.9

Op 21 januari 2010 is [eiser] mondeling en schriftelijk op staande voet ontslagen wegens herhaald ongewenst gedrag. De voor deze procedure relevante passage uit de ontslagbrief luidt:

“Vandaag zijn wij opnieuw geconfronteerd met klachten van leerlingen. Op 20 januari jl. voerde de leerlingbegeleider gesprekken met zogenaamde instroomleerlingen in klas 3 HVT. In die gesprekken kwamen klachten van hen over jouw gedrag naar voren. Op verzoek van de leerlingbegeleider hebben de leerlingen die op schrift gesteld. Deze verklaringen hebben we op vandaag, 21 januari 2010, ontvangen.

De leerlingen (allen meisjes) schrijven o.a.:

- Het begon steeds met omhelzen enzo en toen dacht ik van dat hij het niet zo bedoelde maar toen begon hij steeds naar me te kijken en aan me te zitten en toen vond ik hem best wel eng en elke keer omhelzen tot hij een keer aan m’n borst zat en ik dacht, ja hier klopt iets niet. Het aanraken kwam na het kamp en na een tijdje kwam ook de arm om me heen en het aanraken van m’n borst. Dat was in ‘de office’ in de periode dat het winkeltje werd gebouwd. [voetnoot: Dat was de eerste week van december 2009]

- Ik zat op de stoel en toen tilde [eiser] me op vlak bij m’n kont; hij is ook altijd zo aanrakerig, dat hij je heel vaak aanraakt. En hij kijkt op zo’n vieze manier. Ook een keer in de les toen ging hij me alleen maar helpen, ik kan helemaal niets zelf doen en hij ging me allemaal complimentjes geven en hij raakte me ook weer heel vaak aan en toen had hij een lepel met eten en wou hij me te eten geven; maar toe zei ik zo van nee want dat vond ik raar. Toen begon ik hem echt eng te vinden.

- Als ik met hem praat en ik zit bijvoorbeeld naast hem dan legt hij een hand op m’n been. Als ik tegenover hem zit dan houdt hij m’n hand vast (is maar één keer gebeurd). En als ik gewoon sta, slaat hij vaak een arm om me heen. Eerst wilde hij me iets naar achter duwen en kwam hij tegen m’n borst aan. Gister nog toen ik zijn kantoor uitliep ging hij met z’n vinger in m’n buik prikken.

- We hadden les in de keuken en ik liep een keer achteruit en toen stond [eiser] achter me en toen hield hij m’n kont vast, met één hand. Toen ik hem aankeek, liet hij zijn hand los.

We constateren dat ondanks herhaalde waarschuwingen en een formele berisping van onze kant het ontoelaatbare gedrag van jou, als leraar, jegens je leerlingen zich blijft voordoen. We constateren dat de begeleiding niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het vertrouwen bij het schoolbestuur en de schoolleiding is volledig verdwenen. Door jouw aanwezigheid kunnen we onze leerlingen niet de veilige leer- en leefomgeving die wij nastreven bieden. Daarom zijn we tot de conclusie gekomen dat we je, met onmiddellijke ingang, niet kunnen handhaven.

We hebben je gevraagd naar je zienswijze Je hebt verklaard “Ik herken dit niet. Al helemaal niet dat ik aan borsten zit. Ik raak wel aan. De begeleiding met [betrokkene 1] loopt nog. Ik moet een meter afstand houden. Iedere dag realiseer ik me dat ik afstand moet houden. Ik heb geen intentie leerlingen in een onveilige positie te brengen Ik geloof in een veilige school”

Na beraad hebben we besloten je op staande voet te ontslaan Het College van Bestuur constateert dat het ongewenste gedrag zich blijft voordoen, ondanks de genoemde waarschuwingen, berisping en begeleiding Het vertrouwen om je langer te handhaven is verdwenen We achten het onverantwoord nog langer klassen aan je toe te vertrouwen”3

1.10

Bij brief van zijn gemachtigde van 29 januari 2010 heeft [eiser] de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet ingeroepen, zich beschikbaar gesteld voor de arbeid en doorbetaling van loon gevorderd.

1.11

De Kantonrechter Utrecht heeft op 30 maart 2010 [eiser] vordering in kort geding tot wedertewerkstelling en de doorbetaling van loon afgewezen.

1.12.1

De Kantonrechter Utrecht heeft bij beschikking van 30 maart 2010 het verzoek van het Meridiaan College om de arbeidsovereenkomst te ontbinden afgewezen.

1.12.2

Volledigheidshalve vermeld ik dat de Kantonrechter de afwijzing onder meer heeft gegrond op het niet toepasselijk zijn van art. 6 juncto 9 BBA.4

2 Procesverloop

2.1.1

[eiser] heeft Meridiaan College op 17 juni 2010 gedagvaard voor de Kantonrechter Utrecht. Hij heeft - samengevat - gevorderd dat de Kantonrechter (i) voor recht zal verklaren dat het ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt en voorts primair; (ii) Meridiaan College zal veroordelen tot herstel van het dienstverband en (iii) tot betaling van een schadevergoeding voor de tussenliggende periode, dan wel subsidiair; (iv) Meridiaan College zal veroordelen om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen gelijk aan de uitkering ingevolge de WW en bovenwettelijke uitkering die [eiser] bij een ontslag anders dan wegens dringende reden zou hebben ontvangen en (v) een schadevergoeding wegens gemiste pensioenopbouw, dan wel meer subsidiair; (vi) Meridiaan College zal veroordelen om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen, die gelet op de omstandigheden van het geval redelijk geacht kan worden.5

2.1.2

[eiser] heeft, in de – door mij enigszins bekorte – weergave van de Kantonrechter, aan zijn vordering ten grondslag gelegd een betwisting dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het ongewenste gedrag waarop het ontslag op staande voet is gebaseerd. Voorts heeft hij het standpunt ingenomen dat Meridiaan College geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht en hem ten onrechte niet heeft betrokken bij de besluitvorming over het ontslag op staande voet. De onzorgvuldige afhandeling van de klachten van de leerlingen, het ontbreken van hoor- en wederhoor en het gebrek aan bewijs maken het ontslag op staande voet kennelijk onredelijk.6

2.2

Meridiaan College heeft de vorderingen bestreden.

2.3.1

In zijn tussenvonnis van 8 december 2010 heeft de Kantonrechter eerst een aantal uitgangspunten verwoord (rov. 4.1 – 4.3). Het grootste deel van de verklaringen die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, acht hij “onvoldoende concreet” (rov. 4.4). Dat is anders waar het gaat om de verklaringen van vier met name genoemde leerlingen (rov. 4.5-4.5.4). De Kantonrechter heeft Meridiaan College toegelaten te bewijzen dat [eiser]:

(i) in de eerste week van december 2009 in zijn ‘office’ de borst van [betrokkene 5] heeft aangeraakt;

(ii) in een periode van twee weken voorafgaand aan de kerstvakantie van het schooljaar 2009/2010 leerlinge [betrokkene 6] bij haar billen uit een stoel heeft opgetild;

(iii) in de periode tussen de zomervakantie en de herfstvakantie van het schooljaar 2009/2010 tijdens een kookles met één hand een bil respectievelijk de billen van leerlinge [betrokkene 7] heeft vastgehouden; en/of

(iv) op of omstreeks 19 januari 2010 in of in de directe omgeving van de ‘office’ een leerlinge met de naam [betrokkene 8] of een vergelijkbare naam met een vinger in de buik heeft geprikt.

2.3.2

De Kantonrechter heeft “op voorhand” overwogen dat indien één of meer van de gestelde feiten bewezen wordt of worden de dringende reden voldoende feitelijke grondslag heeft en het ontslag op staande voet gegrond is. De Kantonrechter is van oordeel dat, indien Meridiaan College slaagt in zijn bewijsopdracht, [eiser] voldoende gelegenheid geboden is voor wederhoor. Het ontbreken van een nader (professioneel) onderzoek, zoals [eiser] stelt, is reeds verdisconteerd in de omvang van de bewijsopdracht (rov. 4.7).

2.4

In zijn eindvonnis van 7 september 2011 signaleert de Kantonrechter dat de school ervan heeft afgezien om het onder 2.3.1 sub iii en iv bedoelde bewijs te leveren. Na uitvoerige beschouwingen over de verklaringen van [eiser] en [betrokkene 9] (rov. 2.4-2.10), acht de Kantonrechter Meridiaan College geslaagd in het leveren van het bewijs ten aanzien van onderdeel (i) van de bewijsopdracht (rov. 2.11). Hieruit volgt dat de dringende reden is bewezen en het ontslag op staande voet gegrond is. De Kantonrechter heeft de vorderingen van [eiser] dan ook afgewezen.

2.5

[eiser] is van het tussenvonnis van 8 december 2010 en het eindvonnis van 7 september 2011 in hoger beroep gekomen bij (thans) het Hof Arnhem-Leeuwarden. Na wijziging en vermeerdering van eis heeft hij gevorderd dat het Hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende:

(a) voor recht verklaart dat het ontslag van [eiser] als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt, primair op grond van art. 7:681 lid 2 sub a BW, subsidiair op grond van art. 7:681 lid 2 sub b BW;

(b) uitsluitend indien de gevorderde verklaring voor recht op de primaire grond wordt toegewezen, Meridiaan College veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] gelijk aan het salaris inclusief pensioenopbouw en andere emolumenten dat hij zou hebben genoten als hij van 21 januari 2010 tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst was gebleven van Meridiaan College, althans een door het Hof te bepalen bedrag en Meridiaan College veroordeelt om binnen een week na betekening van het te wijzen arrest dit bedrag vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW ineens te voldoen wat betreft de periode van 1 februari 2010 tot de datum van het arrest en daarna te voldoen in maandelijkse termijnen tot 1 april 2021 of op een andere door het Hof te bepalen wijze;

(c) uitsluitend indien de gevorderde verklaring voor recht op de subsidiaire grond wordt toegewezen, Meridiaan College veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] gelijk aan de uitkering ingevolge de WW alsmede de bovenwettelijke uitkering die [eiser] op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs bij een ontslag anders dan op grond van een dringende reden zou hebben ontvangen vanaf 1 februari 2010 totdat 134 maanden zijn verstreken, te rekenen vanaf 21 januari 2010 en Meridiaan College veroordeelt om binnen een week na betekening van het in deze te wijzen arrest dit, althans een door het Hof te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2010 ineens te voldoen voor de periode van 1 februari 2010 tot de datum van het arrest en daarna te voldoen in maandelijkse termijnen of op een andere door het Hof te bepalen wijze;

(d) uitsluitend indien de gevorderde verklaring voor recht op de subsidiaire grond wordt toegewezen, Meridiaan College veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] wegens pensioenschade ontstaan door het ontbreken van verdere pensioenopbouw vanaf 1 februari 2010 tot 1 april 2021 en Meridiaan College veroordeelt om binnen een week na betekening van het arrest dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2010 ineens te voldoen wat betreft de periode van 1 februari 2010 tot de datum van het arrest en daarna te voldoen in maandelijkse termijnen tot 1 april 2021 of op een andere door het Hof te bepalen wijze;

(e) uitsluitend indien de gevorderde verklaring voor recht op de subsidiaire grond wordt toegewezen, Meridiaan College veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] wegens pensioenschade vanaf 1 april 2021, bestaande uit voldoening aan hem van een bedrag van € 12.679 bruto per jaar, althans een door het Hof te bepalen bedrag, jaarlijks te voldoen met ingang van 1 april 2021 tot zijn overlijden, althans tot en met een door het Hof te bepalen tijdstip;

(f) Meridiaan College veroordeelt tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding aan [eiser] ex art. 7:680 BW, bestaande uit vier laatstverdiende bruto maandsalarissen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2010, althans een door het Hof te bepalen bedrag, te betalen binnen een week na betekening van het te wijzen arrest;

(g) Meridiaan College veroordeelt tot betaling van een bedrag aan [eiser] binnen een week na betekening van het te wijzen arrest van € 17.850 inclusief BTW, althans een door het Hof te bepalen bedrag ten behoeve van outplacement;

(h) Meridiaan College veroordeelt tot betaling van een bedrag aan [eiser] binnen een week na betekening van het te wijzen arrest van € 25.000 netto, althans een door het Hof te bepalen bedrag aan immateriële schadevergoeding;

(i) Meridiaan College veroordeelt om, binnen drie dagen na betekening van het te wijzen arrest, een officiële schriftelijke mededeling te doen die voor een ieder kenbaar wordt verspreid binnen haar gehele organisatie, welke mededeling luidt dat:

1) het gerechtshof (lees:) Arnhem-Leeuwarden geoordeeld heeft dat Meridiaan College [eiser] op 21 januari ten onrechte op staande voet heeft ontslagen vanwege ongewenst gedrag jegens leerlingen;

2) Meridiaan College er spijt van heeft dat “zij” [eiser] ten onrechte ontslagen heeft en dat dit [eiser] leed en schade heeft berokkend en dat;

3) Meridiaan College “haar” excuses maakt aan [eiser] en zijn schade vergoedt;

(j) het Meridiaan College veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding die het Hof redelijk acht.7

2.6

Meridiaan College heeft verweer gevoerd en heeft het Hof verzocht het vonnis van 7 september 2011 te bekrachtigen, dan wel aan te passen, “zo nodig met verbetering maar met het in stand laten van het ontslag op staande voet zonder enige vergoeding”.8

2.7

In zijn arrest van 13 augustus 2013 heeft het Hof de bestreden vonnissen bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

“5.2 [eiser] heeft in de eerste plaats gesteld dat niet voldaan is aan de formele voorschriften bij een ontslag op staande voet en aanspraak gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:680 BW, bestaande uit vier laatstverdiende bruto maandsalarissen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2010 althans een door het hof te bepalen bedrag.

5.3

Voorts is de opzegging van de arbeidsovereenkomst volgens [eiser] kennelijk onredelijk omdat

- primair, deze is geschied onder opgave van een valse, namelijk niet bestaande reden (artikel 6:681 lid 2 aanhef en onder a) en

- subsidiair, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van het Meridiaan College bij de opzegging (artikel 6:681 lid 2 aanhef en onder b B.W.).

5.4

Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van artikel 7:677 BW lid 1 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

5.5

De toetsing of het ontslag al dan niet terecht is gegeven kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van hetgeen feitelijk aan de werknemer is meegedeeld en niet op basis van later aangevoerde feiten of omstandigheden. Verder dient de opzegging onverwijld na het ontdekken van de als dringende reden te beschouwen handeling plaats te vinden, onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden. Daarbij fixeert de medegedeelde reden in beginsel de ontslagreden. Er kan sprake zijn van een geldig ontslag op staande voet als van de aangevoerde dringende reden slechts een gedeelte komt vast te staan, maar dan moet het vaststaande gedeelte op zichzelf beschouwd een dringende reden zijn en moet de werkgever hebben gesteld en moet ook aannemelijk zijn dat hij de werknemer ook uitsluitend om die reden op staande voet zou hebben ontslagen en moet dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval duidelijk zijn geweest.

5.6

Tussen de partijen staat vast dat de verklaringen van de klaagsters op 21 januari 2010 aan [eiser] zijn voorgelezen en dat hem de in rechtsoverweging 2.7 van het vonnis van 8 december 2010 genoemde brief van 21 januari 2010, waarin wordt geciteerd uit de verklaringen, en waarin wordt verwezen naar de in rechtsoverweging 2.3 van het vonnis van 8 december 2010 genoemde brief van 29 mei 2006, de vermelding van de berisping bij brief van 9 oktober 2009 (zie rechtsoverweging 2.5 van het vonnis van 8 december 2010 en rechtsoverweging 4.3 van dit arrest) en het door [eiser] doorlopen en in oktober 2009 opnieuw aangeboden begeleidingstraject (hof: door [betrokkene 1]), is overhandigd. Naar het oordeel van het hof was daarmee voor [eiser] voldoende duidelijk, dat aan het ontslag op staande voet het in de brief van 21 januari 2010 opgenomen feitencomplex ten grondslag lag en heeft het Meridiaan College daarmee voldaan aan zijn mededelingsplicht. Verder is het hof van oordeel dat de door [eiser] bij punt 82 van de memorie van grieven tegen de door het Meridiaan College gevolgde procedure aangevoerde bezwaren op zichzelf niet kunnen leiden tot ongeldigheid van het ontslag op staande voet.

5.7

Zoals [eiser] terecht heeft betoogd in hoger beroep dient in beginsel het gehele aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feitencomplex vast te staan. Daarbij gaat het om de vermelding van de brief van 29 mei 2006, de vermelding van de berisping bij brief van 9 oktober 2009 en de begeleiding door [betrokkene 1], alsmede om de feiten in de verklaringen, die zijn opgenomen in de brief van 21 januari 2010:

“- het begon met steeds omhelzen en zo en toen dacht ik van dat hij (het hof: [eiser]) het niet zo bedoelde maar toen begon hij steeds naar me te kijken en aan me te zitten en toen vond ik hem best wel eng en elke keer omhelzen tot hij een keer aan m’n borst zat en ik dacht, ja hier klopt iets niet. Het aanraken kwam na het kamp en na een tijdje kwam ook de arm om me heen en het aanraken van m’n borst. Dat was in de ‘office’ in de periode dat het winkeltje werd gebouwd (hof: verklaring [betrokkene 5]);

- ik zat op de stoel en toen tilde [eiser] me op vlak bij m’n kont, hij is ook altijd zo aanrakerig dat hij je heel vaak aanraakt. En hij kijkt op zo’n vieze manier. Ook een keer in de les toen ging hij me alleen maar helpen, ik kan helemaal niets zelf doen en hij ging me allemaal complimentjes geven en hij raakte me ook weer heel vaak aan en toen had hij een lepel met eten en wou hij me te eten geven, maar toen zei ik zo van nee want dat vond ik raar. Toen begon ik hem echt eng te vinden (hof: verklaring [betrokkene 6]);

- als ik met hem (het hof: [eiser]) praat en ik zit bijvoorbeeld naast hem dan legt hij een hand op m’n been. Als ik tegenover hem zit dan houdt hij m’n hand vast (is maar een keer gebeurd). En als ik gewoon sta, slaat hij vaak een arm om me heen. Eerst wilde hij me iets naar achter duwen en kwam hij tegen m’n borst aan. Gister nog toen ik zijn kantoor uitliep ging hij met z’n vinger in m 'n buik prikken (hof: verklaring [betrokkene 8]);

- we hadden les in de keuken en ik liep een keer achteruit en toen stond [eiser] achter me en toen hield hij m’n kont vast, met een hand. Toen ik hem aankeek liet hij zijn hand los (hof: verklaring [betrokkene 7]).”

5.8

Naar het oordeel van het hof staat dat wat is vermeld in de brief van 21 januari 2010 omtrent de inhoud van de brief van 29 mei 2006, de berisping van oktober 2009, alsmede de begeleiding door [betrokkene 1] voldoende vast. Met betrekking tot de feiten, waarnaar in de verklaringen die zijn opgenomen in de brief van 21 januari 2010, wordt verwezen, overweegt het hof het volgende.

5.9

[betrokkene 9] heeft als getuige het volgende verklaard:

“(...) [eiser] heeft ongeveer vier keer een arm om mijn schouder heen gelegd. Dit was mij niet bijzonder opgevallen totdat één van mijn vriendinnen vertelde dat [eiser] erg aanrakerig is. Ik hoorde toen dat hij ook andere vriendinnen van mij heeft aangeraakt. Het omhelzen gebeurde tijdens kook- en mentorlessen.

[eiser] heeft een keer tijdens een kookles in de maand december 2009 mijn borst aangeraakt, dit ging als volgt:

Ik stond in de office, dit is de plek waar onder andere de afwas plaatsvindt. [eiser] kwam naar mij toe en zei iets tegen mij. Op dat moment legde hij zijn rechterarm over mijn rechter schouder en raakte toen met een trekkende beweging mijn rechterborst aan. Ik ben toen weggelopen en heb verder niets gezegd. (...)

Na het voorval heb ik [betrokkene 8] verteld wat er gebeurd is en daarna mijn andere vriendinnen. Na het gesprek dat [betrokkene 10] met ons gevoerd heeft nadat wij een half jaar op school zaten zijn wij met zijn allen, hetzelfde groepje waarmee ik besproken heb dat [eiser] aanrakerig is, naar [betrokkene 10] gestapt. Dit was op initiatief van [betrokkene 8]. Wij hebben toen met [betrokkene 10] gesproken over wat was voorgevallen. (...)

Met omhelzen bedoel ik het leggen van één arm om de schouder heen. Na het voorval in de office heb ik [eiser] zoveel mogelijk proberen te vermijden. Ik heb in ieder geval proberen te voorkomen dat ik alleen met hem in een lokaal zou zijn. (...)”

[betrokkene 6] heeft als getuige verklaard:

“(...) De situatie waarover ik verklaard heb vond plaats tijdens de kookles. Ik zat op een stoel, net zo een als waarop ik nu zit, in de keuken. [eiser] zei dat ik niet tijdens het koken op een stoel mag zitten. Hij kwam toen schuin van voren naar mij toe gelopen en pakte mij met beide handen bij mijn heupen vast. Hij tilde mij toen omhoog maar ik ben toen zelf gaan staan. Ik heb daar niets over gezegd tegen hem. (...)

Andere leerlingen die hetzelfde is overkomen als mij zijn naar mij toe gekomen om hierover te vertellen. Ik heb toen ook verteld wat mij toen is overkomen. Ik kende deze leerlingen van mijn vorige school. En [betrokkene 5] kende ik al sinds ik al heel klein was. Na de individuele gesprekken met [betrokkene 10] zijn wij op initiatief van [betrokkene 8] naar [betrokkene 10] gegaan om te vertellen wat ons is overkomen. Tijdens het individuele gesprek met [betrokkene 10] durfde ik hierover niets te zeggen. (...)

[eiser] heeft mij meerdere keren, ongeveer vier of vijf keer, bij mijn heupen of middel vastgepakt. Ik heb [eiser] daar niet op aangesproken maar heb wel geprobeerd hem te vermijden. (...)”

5.10

[eiser] heeft, ook als getuige, weliswaar betwist dat hij leerlingen op een andere wijze heeft aangeraakt dan door het leggen van een hand op de schouder, maar het hof is, gelet op de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6], van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] deze getuigen ook op andere, door hen genoemde plaatsen heeft aangeraakt. [betrokkene 6] was weliswaar nog geen 16 jaar toen zij als getuige werd gehoord, maar haar verklaring is consistent en duidelijk. Bij het oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] deze getuigen op de door hen genoemde plaatsen heeft aangeraakt, betrekt het hof ook de inhoud van hun schriftelijke verklaring, alsmede de schriftelijke verklaring van [betrokkene 10] omtrent de melding door de klaagsters en de wijze waarop hun schriftelijke verklaringen tot stand zijn gekomen.

5.11

Naar het oordeel van het hof leveren de hiervoor geschetste vaststaande feiten - de inhoud van de brief van 29 mei 2006, de berisping van oktober 2009, de begeleiding door [betrokkene 1] en de getuigenverklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] - in de gegeven omstandigheden een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW op. Het Meridiaan College heeft gesteld en ook aannemelijk is, dat de dringende reden voor hem werd gevormd door klachten van leerlingen over ongewenste aanrakingen door [eiser] in samenhang met de brief van 29 mei 2006, de berisping van oktober 2009 en het begeleidingstraject. Naar het oordeel van het hof moet dit [eiser] in het licht van de gehele inhoud van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval, in het bijzonder de voorgeschiedenis - de brief van 21 januari 2010 vermeldt “waarschuwingen en een formele berisping” - duidelijk zijn geweest.

Bij het oordeel dat sprake is van een dringende reden houdt het hof aldus rekening met de in het vonnis van 8 december 2010 onder 2.2 tot en met 2.6 en de in dit arrest onder 4.2 en 4.3 genoemde vaststaande feiten. Ook neemt het hof in aanmerking dat tussen [eiser] als leraar en de aan hem toevertrouwde leerlingen - jonge, opgroeiende meisjes die, naar ook eerder was gebleken, geen prijs stelden op aanrakingen van [eiser] - geen sprake was van een gelijkwaardige relatie. Afweging van de (lange) duur van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van [eiser] tegen de aard en de ernst van het hiervoor bedoelde aan het ontslag ten grondslag gelegde feitencomplex leiden tot de slotsom dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

5.12

Het voorgaande brengt mee dat het ontslag op staande voet van [eiser] aan alle vereisten voldoet. Dat betekent dat dit ontslag, anders dan [eiser] heeft betoogd, niet kennelijk onredelijk kan zijn.”

2.8

[eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Meridiaan College heeft verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna namens [eiser] nog is gerepliceerd.

3 Inleiding

3.1

Het middel komt (terecht) niet op tegen rov. 5.2 – 5.4.

3.2

Als ik het goed zie dan bestrijdt het middel evenmin dat de door het Hof bewezen geachte feiten en omstandigheden een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Dat oordeel lijkt me, zeker onder de door het Hof in de tweede alinea van rov. 5.11 genoemde omstandigheden, juist.

3.3

Het middel zoekt wél zijn heil in veronachtzaming van een aantal formaliteiten die ertoe zou moeten leiden dat het op zich gerechtvaardigde ontslag op staande voet – kort gezegd – niet geldig zou zijn. Ter vermijding van misverstand: het staat [eiser] vrij om te trachten om te ontsnappen aan de voor hem ongetwijfeld ingrijpende gevolgen van het ontslag. Wanneer juist zou zijn dat in het licht van het wettelijk stelsel formaliteiten, die de geldigheid van het ontslag raken, met voeten zijn getreden dan zal voor lief moeten worden genomen dat dit leidt tot een uitkomst die het rechtsgevoel niet in hoge mate kan bevredigen.

3.4.1

Voor de goede orde ontruk ik nog aan de vergetelheid de reden die de school heeft opgegeven voor het in rechte “slechts” doen horen van twee leerlingen. De school achtte het

“als onderwijsinstelling in het voortgezet onderwijs (...) te belastend (...) om alle leerlingen die zich bij haar hebben beklaagd over het handelen van eiser voor Uw Edelachtbare te laten verschijnen; betreffende leerlingen zijn minderjarig, en deze doen oproepen (..), waardoor zij bovendien weer geconfronteerd worden met eiser, strookt niet met de zorgplicht die gedaagde als onderwijsinstelling heeft ten opzichte van (de ouders van) haar leerlingen.”9

3.4.2

Als ik het goed zie, heeft [eiser] de onder 3.4.1 geciteerde verklaring niet bestreden. In de memorie van grieven gaat hij heel uitvoerig op onder meer het procesverloop in. Onder 76 vermeldt [eiser] de onder 3.4.1 geciteerde redengeving, maar hij bestrijdt haar niet, wat gezien het delicate karakter van het horen van deze kinderen slechts valt te prijzen.

4 Bespreking van de klachten

4.1

Ingevolge art. 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet voldoen aan drie deelvereisten: (i) er moet sprake zijn van een dringende reden, (ii) op grond waarvan onverwijld wordt opgezegd, (iii) onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden aan de werknemer.

4.2

Onderdeel 1 betreft de toets die het Hof in rov. 5.6 ten aanzien van het onder 4.1 sub (iii) genoemde mededelingsvereiste heeft aangelegd. [eiser] wijst erop dat vereist is dat de dringende reden zo wordt meegedeeld dat “onmiddellijk duidelijk” is welke eigenschappen of gedragingen hebben genoopt tot beëindiging van de dienstbetrekking en dat omtrent de inhoud van de ontslaggrond in redelijkheid “geen enkele twijfel” mag bestaan op het moment van mededeling. Onder 9 klaagt hij dat het Hof deze strenge toets heeft miskend, nu het Hof slechts heeft onderzocht of de ontslaggrond bij het ontslag “voldoende duidelijk” was.

4.3.1

Het juridisch uitgangspunt van het onderdeel is juist. Volgens vaste rechtspraak dient de mededeling van de dringende reden zo plaats te vinden dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk is op welke eigenschappen of gedragingen de opzegging op staande voet gegrond is:

“Het vereiste dat de dringende reden onverwijld wordt medegedeeld strekt ertoe te waarborgen dat de wederpartij onmiddellijk duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling erover kunnen beraden of hij de opgegeven reden als juist en dringend aanvaardt. De betreffende mededeling behoeft weliswaar niet steeds met zoveel woorden te worden gedaan en kan ook in een of meer gedragingen besloten liggen, doch dan blijft vereist dat daaruit voor de wederpartij aanstonds duidelijk is welke, door de ander als dringend aangemerkte reden door deze aan de beëindiging van de dienstbetrekking ten grondslag wordt gelegd, althans dat daaromtrent bij de wederpartij, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan.”10

4.3.2

Reeds de onder 4.3.1 geciteerde formulering doet uitkomen dat weliswaar sprake is van een strenge maatstaf, maar – het ligt ook voor de hand – niet van een onredelijk strenge maatstaf. Dat volgt hieruit dat:

* de mededeling niet met zoveel woorden behoeft te zijn gedaan;

* alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen;

* het aankomt op de vraag of in redelijkheid twijfel kan bestaan;

* hetgeen hierna onder 4.4 wordt opgemerkt.

4.4.1

Na het verwoorden van de onder 4.3 vermelde juridische maatstaf vervolgt het arrest:

“Of de rechtbank inderdaad van deze maatstaf is uitgegaan, is uit haar bestreden vonnis evenwel niet duidelijk. De rechtbank heeft daarin immers tevens overwogen dat Bakermans 'heel goed begrepen heeft' om welke reden het ontslag werd gegeven. Indien de rechtbank dit laatste beslissend heeft geacht en daarmee hetzelfde heeft bedoeld als hiervoor onder 3.2 als de juiste maatstaf is weergegeven, is haar beslissing evenwel onvoldoende gemotiveerd. De omstandigheden waaruit de rechtbank heeft afgeleid wat Bakermans op dit punt ‘heel goed begrepen heeft’, zijn immers, kort samengevat: de door Bakermans veronderstelde reden waarom Geboers op 25 mei 1987 meeging naar het werk te Andijk, een waarschuwing van Geboers nadat een opdracht niet goed was uitgevoerd en de ontevredenheid die hij de gehele dag uitstraalde, het vermoeden van Bakermans dat de buitensporige consumpties en de onvoldoende produktie de redenen voor het ontslag waren, en het stilzwijgen van Bakermans en twee andere eveneens ontslagen werknemers, nadat Geboers hun had gezegd dat zij heel goed wisten waarom zij waren ontslagen. Mede in het licht van de - hiervoor onder 3.1 sub (iii) vermelde - redenen voor het ontslag, die Straalservice eerst in de loop van het geding naar voren heeft gebracht en waarvan de rechtbank er uiteindelijk slechts drie bewezen heeft geacht, is het zonder nadere motivering, welke in het bestreden vonnis evenwel ontbreekt, niet begrijpelijk dat op grond van deze omstandigheden kan worden aangenomen dat Bakermans bij de aanzegging van het ontslag heeft geweten welke reden(en) Straalservice daaraan ten grondslag had gelegd, of dat daaromtrent bij hem redelijkerwijs geen enkele twijfel kon bestaan. Het tweede onderdeel dat hierover klaagt, is derhalve eveneens gegrond.”

4.4.2

Mede redengevend voor de vernietiging zijn in de in dit nummer besproken zaak immers de volgende twee omstandigheden:

* de werkgever heeft de redenen voor het ontslag eerst in de procedure naar voren gebracht;

* de Rechtbank heeft slechts een deel ervan bewezen geoordeeld.

Met name de omstandigheid dat de Hoge Raad zijn oordeel mede op deze omstandigheden baseert, maakt m.i. duidelijk dat het niet de bedoeling is dat de feitenrechter onnodig scherp gaat slijpen. Dat zou trouwens ook tot maatschappelijk niet erg wenselijke consequenties leiden, zoals deze zaak m.i. ook illustreert (ingeval van vernietiging van het bestreden arrest).

4.5.1

Een verdere aanwijzing voor de zojuist verdedigde opvatting kan worden geput uit het arrest Enser/SVR.11 Uit dat arrest blijkt dat niet steeds nodig is dat de volledige redengeving is te vinden in de ontslagbrief.12

4.5.2

Bovendien wordt uit de stellingname in die procedure afgeleid dat de werknemer daaruit heeft kunnen afleiden waarom het ging.13 Uit de stellingen van [eiser] in deze procedure blijkt genoegzaam dat ook hij de ontslaggrond prima heeft begrepen, wat trouwens, evenals in de zaak Enser, ook erg voor de hand ligt, mede in het licht van de voorgeschiedenis.

4.6.1

In hun bewerking van het gezaghebbende boek van Van der Grinten betogen Bouwens en Duk dat een meer algemene omschrijving kan volstaan als “de wederpartij daaruit moet begrijpen over welke (soort) feiten het gaat.” Onder verwijzing naar stokoude rechtspraak achten zij klaarblijkelijk ook thans nog voldoende omschrijvingen zoals “vele tekortkomingen en grote nalatigheid” als de werknemer duidelijk is waarom het gaat.14

4.6.2

Hoewel dit argument zou kunnen worden aangemerkt als een huzarenstukje dat overeenkomt met de wondere actie van baron Von Münchhausen, zou ik zelf denken dat hetgeen onder 4.6.1 werd verwoord in een geval als het onderhavige het volgende betekent. Er zijn, praktisch gesproken, twee mogelijkheden:

1) [eiser] is zich niet aan gedragingen als hem verweten te buiten gegaan. In dat geval was de opgegeven reden voldoende. Hij kon zich in dit scenario eenvoudig verweren met een simpele ontkenning;

2) [eiser] was daaraan wel schuldig, maar hij verkeerde in het ongewisse of de school voldoende nauwkeurig wist om welke leerlingen en/of handelingen het precies ging (zelf wist hij dat uiteraard heel goed). In dit scenario was de opgegeven reden alleszins toereikend en wist [eiser] redelijkerwijs genoeg.15 Zo nodig met juridisch advies zou hem volstrekt duidelijk moeten zijn dat het gegeven ontslag gegrond was, tenzij hij hoopte dat de werkgever de opgegeven reden niet zou kunnen bewijzen, wat inderdaad denkbaar was. Maar dat laatste is een andere kwestie. Het staat los van de vraag of de gegeven reden voldoende duidelijk was.

4.7.1

Ook de opvatting van de Leidse hoogleraar Sagel (toevallig ook de advocaat van [eiser]) ondersteunt hetgeen hiervoor werd betoogd. Ook hij wijst erop dat een “generieke omschrijving” voldoende kan zijn als volstrekt duidelijk is welke concrete feiten daarachter schuil gaan.16 Zoals al geschetst onder 4.6.2 is de omschrijving in casu in mijn ogen niet voor redelijk misverstand vatbaar.

4.7.2

De auteur Sagel meent voorts, in mijn ogen terecht, dat ook eerdere mededelingen een rol spelen met betrekking tot het gedrag dat uiteindelijk de dringende reden heeft opgeleverd. Ook eerdere waarschuwingen kunnen gewicht in de schaal leggen.17 Ook de ernst van de grond acht hij van belang.18

4.8

In het licht van dit een en ander lijkt me boven redelijke twijfel verheven dat [eiser] heel goed heeft geweten waarom hij op staande voet werd ontslagen. Daarbij valt met name te bedenken dat:

a. hij eerder was berispt en dat hem toen te verstaan is gegeven dat hij bij herhaling rekening moest houden met ontslag;

b. de hem gegeven reden duidelijk en concreet was, waaraan niet afdoet dat hem niet was verteld om welke leerlingen het ging;

c. sprake was van ernstige feiten die ook eerder al hadden plaatsgevonden;

d. de privacy van minderjarige kinderen in het spel was, wat eens te meer klemt in het licht van

e. de aard van de aan [eiser] verweten gedragingen. Zeker in een dergelijke setting valt te billijken dat de werkgever terughoudend is om gegevens te verstrekken die de werknemer niet echt nodig heeft om te begrijpen waarom het ging.19 Dat kán voor [eiser] m.i. niet onduidelijk zijn geweest.

4.9

In zijn s.t. onder 27 (en het onderdeel onder 9) verwijt mr. Sagel het Hof nog toereikend te hebben geacht of de ontslaggrond voor [eiser] voldoende duidelijk was. Betoogd wordt dat het woord voldoende de mogelijkheid openlaat dat ten tijde van de opzegging ten aanzien van bepaalde punten betreffende de dringende reden “nog enige twijfel bestond”.

4.10

Ik sluit me hier graag aan bij de afwijkende opvatting van de auteur Sagel20 en laat het aan zijn alter ego over om Uw Raad uit te leggen waarom hij dat (zelf) verkeerd heeft gezien.

4.11.1

De rest van het onderdeel behelst motiveringsklachten die worden voorgedragen voor het geval de rechtsklacht faalt; daarbij wordt teruggegrepen op hetgeen onder 11-13 is vermeld. Volgens onderdeel 11 steunt het oordeel dat de ontslaggrond voldoende duidelijk was onder andere op de overweging dat tussen partijen vast staat dat de verklaringen van de “klaagsters” op 21 januari 2010 aan [eiser] zijn voorgelezen. Deze overweging wordt als onbegrijpelijk aan de kaak gesteld in het licht van [eiser]’s stelling dat hem de verklaringen niet integraal zijn voorgehouden of voorgelezen en dat hem slechts de ontslagbrief is voorgelezen.21

4.11.2

Onderdeel 12 klaagt dat de overweging dat het voor [eiser] duidelijk was dat hij wegens de feiten als genoemd in de ontslagbrief werd ontslagen, geen begrijpelijke reactie vormt op zijn stelling in feitelijke aanleg dat juist de inhoud van de brief en de beschrijving van de feiten daarin voor hem volstrekt onvoldoende duidelijk maakte wat hem precies werd verweten.22

4.11.3

Onderdeel 13 klaagt dat deze overweging ook onbegrijpelijk is, voor zover daarin moet worden gelezen dat de inhoud van de ontslagbrief “onmiddellijk duidelijk” maakte wat de dringende redenen voor zijn ontslag waren. De brief maakte immers niet inzichtelijk wie er geklaagd hadden, hoeveel klachten het betrof, wat de exacte en complete inhoud van de klachten was en wanneer de voorvallen die tot de klachten hebben geleid zich zouden hebben voorgedaan.

4.12

Strikt genomen, faalt onderdeel 11 omdat het Hof niet heeft overwogen dat de verklaringen integraal zijn voorgelezen. Maar met deze erg letterlijke afdoening wil ik niet volstaan.

4.13

De geëerde steller van het middel slaat op zich de spijker op de kop dat het Hof zich niet erg gelukkig heeft uitgedrukt. Ik zou zelfs niet willen uitsluiten dat het zich heeft vergist. Het lijkt me evenwel lood om oud ijzer.

4.14

Uit de dingtalen valt op te maken dat [eiser] het standpunt heeft ingenomen dat ter gelegenheid van de opzegging slechts de ontslagbrief is voorgelezen.23 Het standpunt van Meridiaan College is niet helemaal duidelijk.24

4.15.1

Wanneer we uitgaan van de eigen stellingen van [eiser] – waartegen hij moeilijk bezwaar kan hebben – dan heeft hij voldoende informatie gekregen om nauwkeurig te weten waarom hij is ontslagen. Ik moge verwijzen naar hetgeen daarover hierboven werd opgemerkt. Bij die stand van zaken mist de klacht redelijk belang, zoals de school m.i. met juistheid heeft aangevoerd (s.t. onder 4.13).

4.15.2

Daar komt nog bij dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de opzegging de ontslagbrief is overhandigd, waarin uit de verklaringen wordt geciteerd en wordt verwezen naar de onder 1.4 genoemde brief van 29 mei 2006, de onder 1.7 genoemde berisping vervat in de brief van 9 oktober 2009 en het door [eiser] doorlopen en in oktober 2009 opnieuw aangeboden begeleidingstraject. Ook de overhandiging van deze ontslagbrief kan worden aangemerkt als een mededeling van de dringende reden aan [eiser].25

4.16

Onderdeel 12, in samenhang met hetgeen onder 29 wordt opgemerkt, is een herhaling van zetten. Anders dan [eiser] meent, behoefde de school niet uit de doeken te doen “hoeveel klachten het betrof, wat de exacte inhoud van de klachten was geweest, wanneer de voorvallen die tot klachten hadden geleid zich voor zouden hebben gedaan, hoe de klachten tot stand waren gekomen en (door wie ze) waren behandeld”.26 Ware dat anders, dan zou het gaan om een rechtsklacht, terwijl de klacht is gestoken in het jasje van een motiveringsklacht. De klachten lopen reeds hierop stuk.

4.17.1

Ten overvloede nog het volgende. Een werkgever mag er bijvoorbeeld om hem moverende redenen voor kiezen om het ontslag te baseren op minder feiten dan wellicht mogelijk zou zijn geweest. In zo’n geval mist de werknemer er ieder redelijk belang bij dat hij inzicht krijgt in feiten en omstandigheden die de werkgever niet aan het ontslag ten grondslag legt. Ook daaruit volgt dat [eiser] overvraagt.

4.17.2

Voor het overige stelt hij onredelijke en overspannen motiveringseisen. Zeker in gevallen als de onderhavige gaat het om uiterst persoonlijke en gevoelige kwesties. Het is dan niet merkwaardig dat één of meer leerlingen zich beschroomd voelen om (terstond) bij de leiding van de school of, indien voorhanden, een vertrouwensleerkracht, aan de bel te trekken. Dat betekent dat het veelal niet mogelijk zal zijn om nauwkeurig vast te stellen wanneer iets is gebeurd. De werkgever kan dat dan ook vaak niet weten en dus ook niet meedelen. Ook hierop loopt de litanie stuk.

4.18

Onderdeel 13 onthult geen nieuwe gezichtspunten en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

4.19

Onderdeel 2, dat uiteenvalt in de randnummers 15 en 16 die ik hierna gemakshalve eveneens als onderdelen aanduid, is gericht tegen rov. 5.5 en 5.11. In rov. 5.5 heeft het Hof overwogen dat sprake kan zijn van een geldig ontslag op staande voet als van de aangevoerde dringende reden slechts een gedeelte komt vast te staan; maar dan moet het vaststaande gedeelte op zichzelf beschouwd een dringende reden zijn en moet de werkgever hebben gesteld en moet ook aannemelijk zijn dat hij de werknemer ook uitsluitend om die reden op staande voet zou hebben ontslagen en moet dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval duidelijk zijn geweest. Volgens [eiser] heeft het Hof in de eerste alinea van rov. 5.11 invulling gegeven aan deze norm.

4.20

Onderdeel 15 vertolkt een rechtsklacht. Het Hof zou hebben miskend dat het de werknemer bij het ontslag “veeleer” “onmiddellijk duidelijk” moet zijn geweest dat hij ook wegens het uiteindelijk door de rechter vastgestelde deel van de opgegeven reden zou zijn ontslagen, zodat daaromtrent bij de werknemer op het moment van het ontslag “geen enkele twijfel” kon bestaan. In zoverre is sprake van een uitwerking van het algemene mededelingsvereiste.

4.21

Het Hof heeft in rov. 5.5 de juiste maatstaf vooropgesteld. Indien van een door de werkgever als “dringende reden” voor ontslag aan de werknemer meegedeeld feitencomplex slechts een gedeelte in rechte komt vast te staan, zal het ontslag niettemin kunnen gelden als te zijn verleend om een dringende en onverwijld meegedeelde reden indien:

a. het gedeelte dat in rechte komt vast te staan op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet;

b. de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij – anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende – daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en

c. dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest.27

4.22

Voor zover het onderdeel een klacht tegen rov. 5.5 postuleert, mislukt het dus.

4.23

Met betrekking tot rov. 5.11 het volgende. Blijkens de brief waarin het ontslag wordt aangezegd, gaat het om klachten van leerlingen die sterke overeenkomsten vertonen met het gedrag waarvoor [eiser] eerder is berispt. Volgens dezelfde brief heeft [eiser], blijkens zijn in de brief opgenomen reactie, de kern zo begrepen dat, naast de voorgeschiedenis, het zwaartepunt van het verwijt was gelegen in het door hem ontkende “aan borsten zitten”. Dat heeft het Hof evenwel bewezen geacht, zoals blijkt uit rov. 5.9 en 5.10, in onderlinge samenhang gelezen. Daarmee staat vast dat er geen relevant licht zit tussen de door de school opgevoerde en door het Hof bewezen geachte ontslaggrond en hetgeen [eiser] daaromtrent heeft begrepen. Reeds hierop ketst de klacht af.

4.24

Bovendien is m.i. juist wat de school in de s.t. onder 4.19 heeft opgemerkt. Ook daarop stuit de klacht af.

4.25

Ten slotte: in het licht van de voorgeschiedenis en de uitdrukkelijke mededeling in de brief waarin hij wordt berispt dat [eiser], bij herhaling, rekening moet houden met ontslag moet [eiser] redelijkerwijs hebben begrepen dat hij op staande voet zou (kunnen) worden ontslagen wanneer iets dergelijks weer zou gebeuren. Anders gezegd: hem moet duidelijk zijn geweest dat hij ook zou (kunnen) worden ontslagen wanneer het gewraakte gedrag bij “slechts” één of enkele leerlingen zou plaatsvinden.

4.26

Mr. Sagel probeert, als ik het goed zie, Uw Raad te verleiden om terug te komen van zijn onder 4.21 genoemde rechtspraak. Hij wijst er, op zich terecht, op dat er enig verschil zit tussen de formulering van de onder 4.21 genoemde arresten en het arrest Bakermans/Staalservice.28 Onder de vigeur van eerstbedoelde arresten is voldoende dat de werknemer “duidelijk moet zijn geweest” dat de werkgever hem ook voor een deel van de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten zou hebben ontslagen. Dat is, zoals ook sommige andere auteurs gesignaleerd,29 een iets minder strenge maatstaf dan “geen enkele twijfel”.

4.27

Ik stel voorop dat het verschil tussen beide maatstaven m.i. niet erg groot is. In de onderhavige zaak is m.i. aan beide maatstaven voldaan. Alleen al daarom mislukt de hier besproken klacht.

4.28.1

Daar komt bij dat deze zaak bij uitstek illustreert waarom de in de onder 4.21 genoemde arresten gekozen maatstaf een gelukkige is. [eiser] lijkt er moeite mee te hebben te aanvaarden dat zijn gedrag niet door de beugel kon. Ik ben bereid te geloven dat hij dat werkelijk niet begrijpt. In zo’n situatie brengt de objectivering van “duidelijk moet zijn geweest” uitkomst. Ik denk overigens, maar dat ten overvloede, dat in voorkomende gevallen zo’n objectivering ook ten aanzien van de andere maatstaf wenselijk kan zijn.

4.28.2

Ter illustratie van dit laatste, stel ik de zaak op scherp door een hypothetische casus ten tonele te voeren. Een werknemer schept er genoegen in om anderen te kwellen, pijn te doen en zo meer. Naar mag worden aangenomen, ziet hij dit niet als iets volstrekt verkeerds; anders gezegd: hij ziet niet (goed) in dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is. Nadat hij een andere werknemer met een hamer (zo men wil: een bezem) op het hoofd heeft geslagen, waardoor betrokkene een schedelfractuur oploopt, wordt hij op staande voet ontslagen. In het kader van dat ontslag wordt mede als reden opgegeven dat hij talloze andere werknemers veelvuldig tot huilens toe heeft gesard. Dat laatste komt niet (volledig) vast te staan. En verweer van de ontslagen werknemer dat, gezien zijn persoonlijke of psychische aanleg, niet gezegd kan worden dat bij hem “geen enkele twijfel” mogelijk was dat hij ook wegens het enkele slaan met de hamer (of bezem) zou zijn ontslagen, kan redelijkerwijs niet worden gehonoreerd; een tegengestelde opvatting zou maatschappelijk ook moeilijk zijn uit te leggen. De onderhavige zaak is veel minder sprekend, maar het principe is hetzelfde.

4.29.1

Verhulp heeft enkele suggesties gedaan aan het adres van de werkgever om een ontslag op staande voet te formuleren.30 Zijn impliciete advies om – kort gezegd – in voorkomende gevallen voor verschillende ankers te gaan liggen of bepaalde feiten slechts als steunargument te gebruiken, is vanuit juridische optiek wijs en verstandig.

4.29.2

Maar ik veroorloof mij, met alle respect, de vraag op te werpen of deze discussie niet een erg hoog studeerkamergehalte heeft.31 In het leven van alledag en met name bij veel kleinere bedrijven zonder juridische afdelingen of op afroep beschikbare advocaten wier declaraties geen noemenswaardige invloed hebben op de bedrijfsresultaten, ligt minder voor de hand dat werkgevers doordrongen zijn van de subtiliteiten die juristen hebben bedacht. Het is de vraag of het verstandig is om het maatschappelijk verkeer te “reguleren” op een wijze waarop “normale mensen” niet bedacht (kunnen) zijn.

4.30

Het onderdeel postuleert vervolgens nog een aantal motiveringsklachten. Met het voorafgaande zijn deze voldoende behandeld. Het Hof was niet gehouden het vanzelfsprekende (nader) toe te lichten.

4.31.1

Onderdeel 3 zet andermaal de aanval in op rov. 5.6 en 5.11. [eiser] stelt onder 18 dat hij in zijn memorie van grieven onder 82 e.v. heeft gewezen op een groot aantal ernstige gebreken en onzorgvuldigheden in de procedure die heeft geleid tot het hem gegeven ontslag op staande voet. Hij heeft deze procedurele gebreken in cassatie als volgt samengevat:

“Zie MvG onder 82. tot met 84. En al het gestelde bij MvG onder 88.-98. De daar betrokken stellingen komen er, in de kern en zeer verkort weergegeven op neer, (i) dat het Meridiaan College op onzorgvuldige wijze de klaagsters een verklaring heeft laten afleggen (zie o.a. MvG onder 93.), (ii) dat het Meridiaan College deze verklaringen vervolgens voor waar heeft aangenomen, zonder eerst een zorgvuldig onderzoek daarnaar te laten plaatsvinden en [eiser] in de gelegenheid te stellen zich daartegen in het kader van fatsoenlijke toepassing van hoor- en wederhoor te verweren (zie oa. MvG onder 82. En 83., 91.), (iii) dat [eiser] in feite is overvallen met deze verklaringen (zie MvG onder 92.), (iv) dat het Meridiaan College bij de afhandeling van de klachten haar eigen interne procedures niet heeft gevolgd (MvG onder 88.-91.).”32

4.31.2

Het Hof heeft in reactie daarop in rov. 5.6 overwogen dat de door [eiser] bij punt 82 van de memorie van grieven tegen de door Meridiaan College gevolgde procedure aangevoerde bezwaren op zichzelf niet kunnen leiden tot ongeldigheid van het ontslag op staande voet.

4.32

In de onderdelen 20 en 21 stelt [eiser] dat het Hof vervolgens in rov. 5.11 bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden geen kenbare aandacht aan de door hem genoemde procedurele gebreken heeft besteed. Voor zover het Hof van oordeel is geweest dat deze gebreken voor dat oordeel niet van belang waren, geeft ’s Hofs oordeel volgens [eiser] blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het Hof niet heeft miskend dat ook procedurele gebreken in de afweging of sprake was van een dringende reden dienen te worden betrokken, heeft het Hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

4.33

Het in mijn ogen zwaarwegendste bezwaar van [eiser] is, in de weergave van de s.t. onder 47 dat “Meridiaan College de verklaringen “met meerdere leerlingen in één lokaal” heeft laten opstellen”. [eiser] ontleent dat aan de getuigenverklaring van [betrokkene 6].

4.34

De zojuist geciteerde stelling suggereert dat sprake is van door de school voorgekookte verklaringen. Uit de verklaring van [betrokkene 6] kan ik dat niet afleiden. Deze luidt, voor zover thans van belang:

“Andere leerlingen die hetzelfde is overkomen als mij zijn naar mij toe gekomen om hierover te vertellen. Ik heb toen ook verteld wat mij toen is overkomen. Ik kende deze leerlingen van mijn vorige school. En [betrokkene 5] kende ik al sinds ik al heel klein was. Na de individuele gesprekken met [betrokkene 10] zijn wij op initiatief van [betrokkene 8] naar [betrokkene 10] gegaan om te vertellen wat ons is overkomen. Tijdens het individuele gesprek met [betrokkene 10] durfde ik hierover niets te zeggen.

Van het collectieve gesprek met [betrokkene 10] kan ik mij niet meer zoveel herinneren. Vervolgens heeft [betrokkene 10] ons gevraagd onze eigen ervaringen op papier te zetten. Dit hebben wij met meerdere leerlingen in een lokaal gedaan maar we hebben toen niet met elkaar gesproken.”

4.35

Het, wat ik begrijp als, kernverwijt vindt dus geen steun in de verklaring waarop het wordt gebaseerd. Aan het slot van deze conclusie (onder 4.49.2) kom ik hierop nog terug.

4.36.1

Een ander potentieel niet onbelangrijk punt wordt wél genoemd in de s.t., maar niet in het middel: de gevolgen van het ontslag voor [eiser] (s.t. onder 48). De school is op dit punt de rechtsstrijd niet aangegaan. Daarom moet ik aan deze kwestie voorbijgaan.

4.36.2

Bovendien ziet [eiser] eraan voorbij dat het Hof er, weliswaar erg summier maar nochtans, aan het slot van rov. 5.11 op in is gegaan, terwijl het middel hiertegen geen (begrijpelijke) klacht formuleert.33

4.37

De indringende en op zich aansprekende uiteenzettingen in de s.t. van mrs. Sagel en Van de Wouw-Scholz over – kort gezegd – de maatschappelijke en sociale aspecten van een ontslag zijn daarmee niet geheel van tafel. Maar ze verliezen wel veel van hun zeggingskracht in het kader van pretense verzaking van formaliteiten die in mijn ogen niet de kern van de zaak raken; om zodanige beweerde verzaking gaat het bij wat in de klacht(en) resteert na de zojuist besproken kwesties.

4.38

Met betrekking tot de resterende punten, genoemd onder 4.31.1, het volgende.

4.39.1

Het Hof heeft in rov. 5.4 met juistheid en dan ook niet bestreden, vooropgesteld dat bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking moeten worden genomen en dat daarbij in de eerste plaats in de beschouwing behoren te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.34

4.38.2

Het Hof is vervolgens in rov. 5.11 tot het oordeel gekomen dat sprake is van een dringende reden; het heeft daarbij rekening gehouden met de in het vonnis in prima en in het arrest genoemde vaststaande feiten. Ook heeft het Hof in aanmerking genomen dat tussen [eiser] als leraar en de aan hem toevertrouwde leerlingen - jonge, opgroeiende meisjes die, naar ook eerder was gebleken, geen prijs stelden op aanrakingen van [eiser] - geen sprake was van een gelijkwaardige relatie. Afweging van de (lange) duur van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van [eiser] tegen de aard en de ernst van het hiervoor bedoelde aan het ontslag gelegde feitencomplex hebben het Hof tot de slotsom gebracht dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was.

4.39.1

De klacht dat het Hof voorbij is gegaan aan de door [eiser] in feitelijke aanleg aangevoerde gebreken en onzorgvuldigheden in de procedure die tot zijn ontslag heeft geleid, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het Hof heeft daaraan expliciet aandacht geschonken in rov. 5.6 waar wordt overwogen dat de door [eiser] tegen de door Meridiaan College gevolgde procedure aangevoerde bezwaren op zichzelf niet kunnen leiden tot ongeldigheid van het ontslag op staande voet. Dat oordeel is juist, zoals ook voor de hand ligt. Wanneer een lang dienstverband en/of ernstige gevolgen van het ontslag voor de werknemer al geen doorslaggevend gewicht in de schaal leggen, dan geldt dat vanzelfsprekend a fortiori voor procedurele tekortkomingen als thans aan de orde.

4.39.2

Het onderdeel legt niet uit en het valt ook niet in te zien waarom deze en dergelijke gebreken in een geval als het onderhavige mee zouden (moeten) brengen dat een ontslag op staande voet niet (meer) mogelijk is. Daarbij ware nog te bedenken dat eventuele tekortkomingen in het onderzoek van de werkgever hem kunnen opbreken in de door de werknemer geëntameerde procedure waarin het ontslag wordt aangevochten. Onder omstandigheden is immers niet ondenkbaar dat een dergelijke omstandigheid kan worden meegewogen bij de eisen die worden gesteld aan de stelplicht en bewijslast van de werkgever en de mate van gedetailleerdheid die wordt gevergd van ontkenningen door de werknemer.35 Maar daarop doelt het onderdeel niet.

4.40.1

In zijn schriftelijke toelichting onderkent [eiser] dat het “grondbeginsel” van “hoor en wederhoor” geen op zichzelf staand wettelijk vereiste is voor ontslag op staande voet.36 Nergens wordt voorgeschreven dat de werkgever die voornemens is een werknemer ontslag te verlenen, laatstgenoemde in de gelegenheid moet stellen te reageren op de bezwaren die tegen hem worden ingebracht.37 Door de werknemer niet te horen, loopt de werkgever wel het risico dat hij later wordt geconfronteerd met omstandigheden waarvan hij geen weet had en die de dringendheid aan de aangevoerde dringende reden ontnemen. Het niet horen zelf ontneemt aan de aangevoerde evenwel dringende reden niet reeds die dringendheid.38 Hetzelfde geldt voor de andere door [eiser] gestelde procedurele gebreken.

4.40.2

Voor zover [eiser] met het recht van hoor en wederhoor (mede) het oog heeft op art. 6 EVRM miskent hij dat deze bepaling betrekking heeft op gerechtelijke procedures.

4.41.1

Verder zoekt [eiser] steun bij een conclusie van de toenmalige A-G Haak.39 [eiser] miskent evenwel de geheel andere context van die zaak. Het ging in die zaak om de weigering van artiesten om tijdens het afgemeerd liggen van een schip voor de bemanning op te treden. Zij hadden niet de gelegenheid gekregen om uit te leggen waarom zij dat niet wilden. Volgens A-G Haak kan – kort gezegd – eerst worden bepaald of een opdracht redelijk is wanneer duidelijk is waarom deze wordt geweigerd. De weigering om te luisteren naar de reden om niet op te treden, kan in zijn ogen een relevante factor zijn.40

4.41.2

Hetgeen zo-even werd vermeld, komt [eiser] om een aantal redenen niet te stade:

a. a) de setting is een heel andere. In het onder 4.41.1 genoemde geval had de werkweigering mogelijk geremedieerd kunnen worden wanneer de werkgever goed had willen luisteren; als hij niet overtuigd was, had hij kunnen proberen om de artiesten tot andere gedachten te brengen. In de onderhavige zaak was het “kwaad” al geschied;

b) ook uitgaande van de opvatting van A-G Haak gaat het om niet meer dan een relevante omstandigheid. Het behoeft weinig toelichting dat de weging in beide zaken heel anders zal uitpakken;

c) de Hoge Raad heeft andere accenten gelegd; zie onder 4.39.41

4.42.1

Voor zover de s.t. van [eiser] onder 46 – 48 hamert op verzwaarde motiveringseisen stelt zij de rechter voor schier onmogelijke problemen. Niet geheel duidelijk is wat nauwkeurig van de rechter wordt verlangd. Papier is geduldig en het is zeker mogelijk met heel veel woorden heel weinig te zeggen; rechters hebben daarmee ervaring in situaties waarin de wet daartoe dwingt. Sommigen zullen zo’n over één of enkele alinea’s uitgesmeerde opeenstapeling van algemeenheden zien als een gedegen motivering. Anderen zullen er doorheen kijken en begrijpen dat er in feite niet veel staat. Er zijn – misschien helaas, maar nochtans – talloze situaties waarin, in de woorden van Vranken, de rechter een sprong moet maken, waarbij het niet steeds goed mogelijk is om op werkelijk overtuigende wijze uiteen te zetten waarom de ene factor zwaarder weegt dan de andere. Dat probleem speelt binnen en buiten het privaatrecht. Ik vertrouw dat ik dat niet verder behoef uit te werken.

4.42.2

Toegespitst op de onderhavige zaak: wat kon het Hof redelijkerwijs meer zeggen dan wat er staat in rov. 5.11? Zeker, het had de verschillende elementen nader kunnen uitschrijven. Het had kunnen uitleggen dat materiële kwesties belangrijker zijn dan formele. Maar er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om te begrijpen dat dit nauwkeurig is wat het Hof in geserreerde bewoordingen zegt. Kennelijk overtuigt dat [eiser] niet. Maar waarom niet is niet duidelijk. Nog minder duidelijk is waarom in zijn ogen formele kwesties de doorslag hadden moeten geven te zijnen faveure.

4.43

Ik verstout mij nog aan te stippen dat de stellingen van [eiser] in mijn ogen enigszins hol klinken. Zoals hiervoor onder 1.6 vermeld, heeft de school hem voorafgaand aan de berisping ampel gelegenheid gegeven om zijn zienswijze te geven. [eiser] heeft dat niet gedaan, wat hem vanzelfsprekend vrij stond. Hij zet de zaken dan enigszins op hun kop door de school te verwijten hem niet te horen voorafgaand aan het ontslag als vergelijkbare feiten weer zijn voorgevallen. Feiten waarvan het Hof, ten dele op basis van de vaststaande feiten en ten dele op grond van gehoorde getuigen, als vaststaand is uitgegaan.

4.44.1

In zijn dissertatie heeft mr. Sagel een lans gebroken voor het recht op hoor en wederhoor, waarbij hij aansluiting zoekt bij de Awb.42 Die parallel gaat aanstonds mank. Ten opzichte van de overheid is al lang sprake van een dergelijk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Naar reeds lang bestaande vrijwel unanieme inzichten rusten op de overheid, gezien haar bijzondere positie, evenwel bijzondere verplichtingen.43 Men kan deze zeker niet “zo maar” doortrekken naar andere deelnemers aan het rechtsverkeer.

4.44.2

Het betoog van mr. Sagel is overigens genuanceerd. Hij meent dat geen algemene regel kan worden gegeven over het gewicht dat toekomt aan het niet horen van de werknemer. Hij vervolgt dan:

“Vanzelfsprekend zal in dit verband ook de ernst van de gedraging van de werknemer een rol spelen; een werknemer die stelselmatig en ondanks waarschuwing interne procedurevoorschriften heeft overtreden, zal zich nauwelijks aan het bestaan van een dringende reden kunnen onttrekken door erop te wijzen dat zijn werkgever ook eenmalig niet geheel zorgvuldig is geweest in zijn richting door hem niet voorafgaand aan het ontslag te horen. Een genuanceerde benadering is, ook hier, vereist.”44

4.45

Met de onder 4.44.2 geciteerde stelling ben ik het eens. In casu gaat het niet om door de werknemer met voeten getreden “procedurevoorschriften” maar om iets ernstigers; ook [eiser] was indringend gewaarschuwd. Aangenomen mag dan ook worden dat mr. Sagel (in zijn hoedanigheid van auteur) met mij van mening is dat voor zijn thans betrokken standpunt in de onderhavige zaak niets valt te zeggen. Ik ga er daarom niet verder op in. De klachten falen.45

4.46

Onderdeel 4 verwijt het Hof een door [eiser] gedaan bewijsaanbod, geciteerd onder 22, zonder enige motivering te zijn voorbijgegaan.46 [eiser] wijst erop dat zijn aanbod voldeed aan de eisen die in de rechtspraak worden gesteld aan het aanbod tot het leveren van tegenbewijs in appel. Onder 25 klaagt hij dat het Hof ofwel te strenge eisen aan het bewijsaanbod heeft gesteld, ofwel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Onder 26 verwijt hij het Hof een onbegrijpelijk oordeel te hebben geveld indien het zijn bewijsaanbod heeft gepasseerd omdat het niet ter zake dienend is. [eiser] stelt dat de te bewijzen aangeboden feiten van gewicht zijn voor ofwel de beoordeling of hij zich feitelijk schuldig heeft gemaakt aan de handelingen op grond waarvan hij is ontslagen, ofwel de afweging of die handelingen alle (verzachtende) omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, zo zwaar wegen dat deze kwalificeren als een dringende reden.

4.47.1

Het onderdeel onthult niet wat de relevantie is van de stellingen waarop het bewijsaanbod betrekking heeft. De s.t. doet dat evenmin, nog daargelaten dat dit tardief zou zijn geweest.

4.47.2

Evenmin verwijst het onderdeel naar passages uit de dingtalen waaruit valt op te maken waarom het aangeboden getuigenbewijs ter zake dienend zou zijn.

4.48

Bij ambtshalve raadpleging van de lijvige memorie van grieven krijg ik de indruk dat [eiser] meent dat, huiselijk gezegd, de school de leerlingen ertoe heeft bewogen om de in geding gebrachte verklaringen aan het papier toe te vertrouwen. Maar erg concreet is het allemaal niet. Stellingen die uitleggen dat en waarom de onder ede afgelegde verklaringen niet juist zouden zijn, heb ik niet aangetroffen, laat staan dat het onderdeel (of de s.t.) er melding van maakt.

4.49.1

Bij deze stand van zaken komt het mij voor dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Daarom was het Hof niet gehouden het bewijsaanbod te honoreren voor zover het ziet op het thema van de gronden voor het ontslag.

4.49.2

Als Uw Raad evenwel zou menen dat het bestreden arrest moet worden vernietigd, dan lijkt deze klacht daartoe de meeste aanknopingspunten te bieden. Ik neem daarmee niet terug wat zojuist werd gezegd over de stelplicht van [eiser]. Maar ik relativeer het wel enigszins. Als juist zou zijn dat de school de leerlingen, in klassiek Hoge Raads, heeft beïnfluenceerd om de litigieuze verklaringen op papier te zetten, dan was het voor [eiser] allicht niet gemakkelijk om te achterhalen wat precies is gebeurd, zodat de vraag kan rijzen wat hij meer had moeten of kunnen stellen; ik mocht daarop onder 4.35 al enigszins preluderen. Hoewel ik in het dossier geen (voldoende concrete) aanknopingspunten heb gevonden voor de juistheid van het betoog van [eiser], kan niet worden uitgesloten dat het in essentie wel klopt of zou kunnen kloppen. Het horen van getuigen zou dan de juiste oplossing zijn.

4.50

Hierboven heb ik al aangegeven dat en waarom de pretense procedurele gebreken waarop [eiser] hamert onvoldoende gewicht in de schaal leggen. In zoverre is het bewijsaanbod niet relevant.

4.51.1

We komen dan bij het bewijsaanbod nopens de lengte van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag voor [eiser]. De lengte van het dienstverband staat vast;47 het bewijsaanbod op dat punt mist goede zin.

4.51.2

De gevolgen van het ontslag heeft het Hof meegewogen. Ook zonder bewijslevering is genoegzaam duidelijk dat deze ingrijpend zijn. De school heeft dat trouwens niet ontkend, zoals blijkt uit de memorie van antwoord onder 137 e.v. In zoverre was bewijslevering overbodig.

4.51.3

Met name het arrest […]/De Bijenkorf48 illustreert dat het gewicht dat in de gegeven omstandigheden toekomt aan de hier besproken factoren m.i. betrekkelijk beperkt is of ten minste dat het Hof in alle redelijkheid tot dat oordeel kon komen.

4.52

Voor zover het bewijsaanbod scharniert om [eiser]’s persoonlijkheid en “wijze van optreden en communicatie” is de relevantie niet goed duidelijk. Nuttige stellingen trof ik in de memorie van grieven op dat punt ook niet aan zodat [eiser] hoe dan ook niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.

4.53

Resteert de wens de begeleider [betrokkene 1] te doen horen over de begeleiding. In appel heeft [eiser] daarover – kort gezegd – aangegeven dat hij ontredderd was (mvg onder 46 e.v.). Ik wil dat graag geloven, maar zie niet in wat het belang is voor de beoordeling van het ontslag. Dat wordt trouwens evenmin uit de doeken gedaan.

4.54

Voor zover [eiser] de reeds gehoorde getuigen nogmaals wil laten horen (ik denk dat dit inderdaad het geval is), valt te bedenken dat een dergelijk verzoek gedegen toelichting behoeft.49 Met de school50 meen ik dat het Hof klaarblijkelijk – en m.i. niet onbegrijpelijk – heeft aangenomen dat de daartoe gegeven toelichting tekort schoot.

4.55

Ik laat verder maar rusten of wel geheel juist is dat het bij alle door het onderdeel genoemde kwesties gaat om tegenbewijs.

4.56.1

Ik ontken intussen niet dat het Hof heeft gezondigd tegen vaste rechtspraak waarin moet worden gerespondeerd op een aanbod tegenbewijs te leveren, waarvan in elk geval voor een deel sprake is. Het zou (zeker) mogelijk zijn om het arrest op dit punt te vernietigen; zie met name onder 4.49.2.

4.56.2

Is het ook nuttig om dat te doen? Is er een meer dan theoretische kans dat de verwijzingsrechter tot een ander resultaat zal komen, mede gezien het beperkte kader dat na een eventuele verwijzing nog resteert? Ik wil me niet begeven in bespiegelingen daarover omdat ik dan het terrein zou betreden van de verboden bewijsprognose.

4.56.3

Wanneer Uw Raad heen zou stappen over de onder 4.49.1 genoemde stelplicht van [eiser] is vernietiging m.i. de aangewezen weg, een route die trouwens ook zou kunnen bijdragen aan de éducation permanente van het Hof dat mogelijk nog niet voldoende is doordrongen van de noodzaak om in te gaan op een specifiek bewijsaanbod; we zien dat helaas vaker.

4.57

Onderdeel 5 bevat een bezemklacht die is gericht tegen de rov. 5.12, 6.1 en 6.2, welke overwegingen voortbouwen op de met de voorgaande onderdelen bestreden overwegingen. Zij zijn gedoemd het lot van de voorgaande onderdelen te delen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan rov. 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis van 8 december 2010 van de Kantonrechter, Rechtbank Utrecht, locatie Amersfoort, waarvan blijkens rov. 4.1 ook het Hof in zijn in cassatie bestreden arrest is uitgegaan; het Hof is daarenboven uitgegaan van de feiten vermeld in rov. 4.2 en 4.3 van het bestreden arrest.

2 Het citaat is, inclusief kleine onvolkomenheden onder meer op het stuk van interpunctie, overgenomen uit het arrest a quo. Hetzelfde geldt voor de citaten onder 1.7 en 1.9.

3 De laatste drie alinea’s zijn in feitelijke aanleg niet onder de vaststaande feiten opgenomen, maar hebben blijkens rov. 5.11 wel een rol gespeeld in de beoordeling van het Hof. Het citaat is ontleend aan prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.

4 Ontleend aan prod. 3 bij de inleidende dagvaarding. Hetgeen overigens in de beschikking wordt overwogen, is mij niet goed duidelijk, maar het is voor de onderhavige procedure zonder belang.

5 Rov. 3.1 van het vonnis van 8 december 2010.

6 Zie rov. 3.2 van het vonnis in prima van 8 december 2010.

7 Zie rov. 2.2 van het bestreden arrest.

8 Zie rov. 2.3 van het bestreden arrest.

9 Reactie op conclusie na enquête p. 2.

10 HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504 PAS (Bakermans/Straalservice). [eiser] verwijst in verband met de strenge leer ten aanzien van de mededelingseis nog naar de navolgende literatuur: W.H.A.C.M. Bouwens en R.A.A. Duk, Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2011, p. 384-386; S.W. Kuip, Ontslagrecht met bijzondere aandacht voor de dringende reden, 1993, p. 89-106; A.M. Luttmer-Kat, Arbeidsovereenkomst (losbl.), art. 7:677 BW, aant. 3 en art. 7:678 aant. 7; S.F. Sagel, Het ontslag op staande voet, 2013, hfst. 3; E. Verhulp, De dringende reden en het ontslag op staande voet, in: E. Verhulp e.a. (red.), Disfunctioneren en wangedrag van werknemers, 2008, p. 69-72.

11 HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1953, JAR 2004/115 met noot M.S.A. Vegter/R.M. Beltzer.

12 Zie rov. 3.4.3.

13 Zie rov. 3.4.4.

14 Van der Grinten Arbeidsovereenkomst (2011) p. 385; in gelijke zin Arbeidsovereenkomst (losbladig), art. 7:678 Luttmer-Kat aant. 7.1.

15 Deze opvatting sluit m.i. aan bij die van Asser-Heerma van Voss 7-V (2012) nr. 378.

16 Het ontslag op staande voet 2013 p. 152; zie verder ook de daarop volgende pagina’s. Ik deel overigens de mening van de auteur (p. 153) dat dit geen vrijbrief is voor onnodige vaagheden.

17 A.w. p. 167, 168 en 170 e.v.

18 A.w. p. 170.

19 In zo’n setting kan, in de woorden van de parlementaire geschiedenis op art. 1639o (oud) BW, niet worden gesproken van het “bon plaisir der opzeggende partij” (A.E. Bles, Wet op de arbeidsovereenkomst, IV, p. 100, ook geciteerd in de s.t. van mr. Sagel onder 19).

20 A.w. p. 154.

21 [eiser] verwijst naar de MvG onder 52-55 en 83.

22 [eiser] verwijst naar de MvG onder 55, 83 en 128-131.

23 Zo versta ik de mvg onder 55 en 83.

24 Vgl. de MvA onder 54 en 97.

25 Bouwens/Duk, a.w., p. 386, onder verwijzing naar HR 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR: 1987:AD0012, NJ 1988/118 en S.W. Kuip, a.w., p. 95-96 onder verwijzing naar HR 1 februari 1980, ECLI:NL: HR:1980:AB7393, NJ 1980/230.

26 Mvg onder 55.

27 HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB9980, NJ 1989/258 PAS en meer recent HR 1 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9387, JAR 2006/228, m.nt. E. Verhulp.

28 Onder verwijzing naar zijn dissertatie, a.w. p. 186.

29 E. Verhulp, JAR Verklaard 2006/6 p. 10 en H. Dammingh en E. Schoenmaker-Tijsseling, ArbeidsRecht 2007, 2, waarnaar ook het middel verwijst. Ook wordt beroep gedaan op de conclusie van mijn ambtgenoot Timmerman voor HR 1 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9387, JAR 2006/228 E. Verhulp (ik voeg toe dat wordt gedoeld op de conclusie onder 2.7); zie ook de noot onder dit arrest.

30 Onder HR 1 september 2006, ECLI::NL:HR:2006:AX9387, JAR 2006/228; zie verder de “tips” van Dammingh en Schoenmaker-Tijsseling, o.c.

31 Ter vermijding van misverstand: mijn opmerking richt zich niet “tegen” de eminente kenner van het arbeidsrecht Verhulp. Het is verzuchting die mij, gekomen tegen het einde van mijn werkzame bestaan, van het hart moet; het is een probleem dat me in een veel bredere context al langer bezwaart.

32 Vgl. de s-t onder 18.

33 Deze vraag speelt een rol speelt in het kader van de vraag of sprake is van een dringende reden: HR 12 februari 1999, ECL:NL:HR:1999:ZC2849, NJ 1999/643 PAS.

34 HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849, NJ 1999/643, PAS; JAR 1999/102, m.nt. red. (Schrijvers/Van Essen); zie meer recent Hoge Raad 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9532, JAR 2012/135, m.nt. G.W. van der Voet, JIN2012/94, m.nt. A.R. Houweling en P.L.M. Schneider.

35 Vgl. HR 19 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6978, NJ 1981/131 PAS.

36 Zie s.t. onder 58.

37 Zie P.A. Stein onder HR 19 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6978, NJ 1981/131.

38 Hoge Raad 19 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6978, NJ 1981/131 PAS en Hoge Raad 21 november 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC7047, NJ 1981/143, WHH. Zie ook Luttmer-Kat, a.w., art. 7:678, aant. 8, Verhulp, a.w. (2008), p. 83.

39 Voor HR 19 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6978, NJ 1981/131 PAS.

40 Conclusie onder 2.

41 Ook Sagel wijst daar op; a.w. p. 425.

42 A.w. p. 426 e.v.

43 Zie bijvoorbeeld mijn Onrechtmatige overheidsdaad 1987 nr. 1.

44 A.w. p. 427.

45 In De gezichtspuntencatalogus bij ontslag op staande voet: wordt de Hoge Raad op de voet gevolgd?, ArA 2007/1 bespreekt J.P. Quist op p. 36 e.v. de wijze waarop lagere rechters de verschillende aspecten - waaronder de vraag of de werknemer al dan niet gewaarschuwd was, de procedurele aspecten en de wijze waarop het bewijs van de gestelde dringende reden is verkregen - in hun beoordeling betrekken.

46 Te vinden in de MvG onder 171-176.

47 Zie hierboven onder 1.2.

48 HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9532 met noot van G.W. van der Voet; JIN 2012/94 met noot van A.R. Houweling en P.L.M. Schneider. Ik wijs er nog op dat ’s Hofs oordeel, dat in cassatie stand hield, door Uw Raad als “alleszins begrijpelijk” werd gekenschetst (rov. 3.5; cursivering toegevoegd). De aan het arrest voorafgaande conclusie van mijn geëerde toenmalige ambtgenoot Huydecoper strekte tot vernietiging.

49 O.m. HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, NJ 2007/575.

50 S.t. onder 4.42.