Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:58

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-01-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
12/05229
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:356, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van moord. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05229

Zitting: 21 januari 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 7 november 2012 het vonnis van de Rechtbank te Haarlem waarbij verzoeker wegens 1. “Medeplegen van moord” en 2. “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaren, bevestigd behoudens ten aanzien van (delen van) de bewijsvoering.

2. Deze zaak hangt samen met de strafzaken tegen [medeverdachte 1] (griffienummer 12/05602) en [medeverdachte 2] (griffienummer 13/00209) waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde dat het medeplegen c.q. het opzet op het medeplegen en/of de voorbedachte raad noch uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit ’s Hofs bewijsmotivering kan/kunnen worden afgeleid.

5. Ten laste van verzoeker is door het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 13 februari 2007 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een vuurwapen in en door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”.

6. Voor het bewijs zijn als bewijsmiddelen door het Hof gebezigd1: de verklaringen van getuige en medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegd bij de Rechtbank en, vervat in een proces-verbaal, bij de politie op 10 juli 2008 (bewijsmiddelen 1 en 2), de verklaring van getuige en medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd bij de Rechtbank (bewijsmiddel 3), een proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant (bewijsmiddel 4), het proces-verbaal houdende de verklaring van de getuige [getuige 1] afgelegd bij de politie (bewijsmiddel 5), het proces-verbaal houdende de verklaring van de getuige [getuige 2] afgelegd bij de politie (bewijsmiddel 6), een deskundigenrapport opgemaakt door arts en patholoog R. de Visser (bewijsmiddel 7), een proces-verbaal identificatie dactyloscopisch spoor (bewijsmiddel 8), een deskundigenrapport schotrestenonderzoek opgemaakt door ing. S.B.C.G.Chang (bewijsmiddel 9), de verklaring van de getuige/verbalisant [verbalisant] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep (bewijsmiddel 10), een clusterproces-verbaal camerabeelden opgemaakt door verbalisant [verbalisant] (bewijsmiddel 11), een proces-verbaal onderzoek telecommunicatiemiddelen (bewijsmiddel 12), een proces-verbaal onderzoek telecommunicatie (bewijsmiddel 13), de verklaringen van verzoeker afgelegd bij de politie op 6 november 2007 (vervat in een proces-verbaal) en ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2012 (bewijsmiddelen 14 en 15), een proces-verbaal onderzoek voertuig (bewijsmiddel 16) en een proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 17).

7. Het arrest van het Hof houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

A. Bespreking van enkele in hoger beroep gevoerde verweren en ingenomen standpunten met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van moord. De raadsvrouw heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

• er is geen steunbewijs voor de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat de verdachte aanwezig is geweest bij het brugrestaurant

Er is op 13 februari 2007 twee maal door een telefoonnummer dat aan [medeverdachte 1] wordt gelinkt, gebeld naar de verdachte. Die twee gesprekken duurden bij elkaar nog geen halve minuut. Bovendien zijn de gesprekken niet getapt en weten we dus niet wat er toen is gezegd, zelfs niet of er iets is gezegd. Uit niets blijkt dat deze gesprekken verband hielden met de moord op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). Uit de telefoongegevens blijkt verder slechts dat de verdachte zich die dag heeft bewogen van Rotterdam naar Amsterdam en weer terug naar Rotterdam. Het feit dat de telefoon van de verdachte onderweg een zendmast in Badhoevedorp heeft aangestraald, is volstrekt onvoldoende om hem op de parkeerplaats bij het brugrestaurant te plaatsen.

Ook forensisch onderzoek heeft geen steunbewijs opgeleverd. Van de verdachte, die gedurende vijf uur in die bestelbus zou hebben gezeten, is in die bus geen enkel (DNA-)spoor aangetroffen. De verklaring van de verdachte dat hij die dag op eigen gelegenheid naar Amsterdam is geweest, is niet onaannemelijk.

• de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig

(…)

Subsidiair heeft de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - nog het volgende aangevoerd.

• er is geen bewijs dat de verdachte de schutter was

Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de verdachte de schutter was. [medeverdachte 2] heeft twee mannen met bivakmutsen gezien, van wie er één een wapen in zijn handen had, terwijl [medeverdachte 1], naar eigen zeggen, het neerschieten van [slachtoffer] niet heeft gezien.

• er is geen bewijs voor het medeplegen

Er was sprake van een worsteling tussen [slachtoffer] en de twee mannen, totdat opeens, zonder enige waarschuwing, een schot werd gelost. Nu onduidelijk is wie in het onderhavige geval de schutter was en of de andere aanwezige(n) zich bij het opzet van de schutter hebben aangesloten, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer].

Hij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben beiden verklaard dat de verdachte op 13 februari 2007 gedurende ruim vijf uur op de parkeerplaats bij het brugrestaurant in de witte bestelbus aanwezig is geweest. In die tijd heeft [medeverdachte 1] de bus een aantal keren verplaatst in de richting van de auto van [slachtoffer] en heeft [medeverdachte 2] een aantal keren de bus verlaten om voor de in de bus aanwezige personen iets te eten en/of te drinken te halen. Omstreeks 22.00 uur zijn twee personen (de verdachte en een vierde man), voorzien van bivakmutsen en in ieder geval één vuurwapen, via de schuifdeur uit de bestelbus gestapt en in de richting van de nabij zijn auto aanwezige [slachtoffer] gelopen. Na een korte schermutseling is [slachtoffer] met een opzetschot in het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan hij - kort daarna – is overleden. Direct na die schietpartij is de bus met daarin [medeverdachte 1] (als bestuurder), [medeverdachte 2], de verdachte en de vierde man (als inzittenden) weggereden. Dat de verdachte op 13 februari 2007 op die parkeerplaats aanwezig is geweest, blijkt niet alleen uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], maar vindt ook steun in objectieve onderzoeksgegevens, in het bijzonder in het communicatieonderzoek.

Overwegingen en oordeel van het hof

1.

De verdediging heeft in de kern haar verweer in eerste aanleg in hoger beroep herhaald. De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij de enige gebruiker is van de telefoon met het nummer 06-[001]. Hij heeft ook het volgende gezegd. Hij weet niet meer wat hij op 13 februari 2007 heeft gedaan, maar is kennelijk - gelet op de bewegingen van zijn telefoon - die dag naar Amsterdam geweest. Hij komt daar wel eens, bijvoorbeeld om zijn zoon, die in Amsterdam Zuid-Oost woont, te bezoeken. Dat zijn telefoon op dezelfde tijden dezelfde palen heeft aangestraald als de telefoon van [medeverdachte 2] is toeval. Hij heeft die dag niet bij [medeverdachte 1] en haar in de Mercedes-bestelbus gezeten. Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig om de volgende redenen.

Weliswaar is op zichzelf niet ondenkbaar dat de verdachte toevallig op dezelfde dag als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Amsterdam zou zijn gegaan, bijvoorbeeld om zijn zoon te bezoeken in Amsterdam Zuid-Oost, maar de verdachte heeft dit slechts als veronderstelling geopperd. Amsterdam-Zuidoost ligt geenszins in de buurt van de Johan Huizingalaan en de Plesmanlaan, straten die in Amsterdam-West zijn gelegen. Ook de gebruikelijke route van Rotterdam naar Amsterdam-Zuidoost doet deze locatie niet aan. De verdachte heeft geen andere verklaring gegeven voor het feit dat zijn telefoon zich in de middag in de directe omgeving van de Johan Huizingalaan en de Plesmanlaan heeft bevonden. De verdachte heeft immers niet verklaard dat hij in dat deel van Amsterdam iemand heeft bezocht, of daar is geweest, terwijl dit een deel van de stad is waar bezoekers niet toevallig plegen te komen. Dat de verdachte zich niet zou herinneren waarom hij zich die dag aldaar in Amsterdam (en overigens op de andere aangestraalde locaties) heeft bevonden omdat zijn verhoor geruime tijd na die datum plaatsvond, zoals de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, acht het hof daarbij niet aannemelijk. Het betrof een dag waarop zijn oom op gewelddadige wijze om het leven was gebracht. Onder die omstandigheden kan het haast niet anders dan dat de verdachte daar, zo hij daar niet betrokken bij zou zijn geweest, kort nadien van op de hoogte is gekomen en zich heeft gerealiseerd dat en met welk doel hij op die dag daar vlakbij in de buurt was. In ieder geval weegt deze verklaring niet op tegen de zeggingskracht - en derhalve de bewijswaarde – van de gegevens van de mobiele telefoon van de verdachte.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Het hof constateert dat, blijkens hun beider telefoongegevens, de verdachte en [medeverdachte 2] zich niet alleen gelijktijdig van Rotterdam naar Amsterdam verplaatsten, maar ook dat zij gelijktijdig in de directe omgeving van de Johan Huizingalaan te Amsterdam waren. Korte tijd later bevond de verdachte zich in de omgeving van de A10 en de A4 te Badhoevedorp, kennelijk gaande in zuidelijke richting, waarna de verdachte kennelijk zijn telefoon heeft uitgeschakeld. Dit was ongeveer 16 minuten vóór het tijdstip waarop de Mercedesbus op het niet ver daar vandaan (naar van algemene bekendheid is: ongeveer 12 km verderop, aan de andere (oostelijke) kant van de A4) gelegen parkeerterrein bij het brugrestaurant arriveerde. Een dergelijke tijdsspanne past naar het oordeel van het hof bij de tijd die de rit tussen beide plaatsen ongeveer vergt. Het hof beschouwt een en ander, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, als voldoende steun voor de verklaring van [medeverdachte 2].

Met betrekking tot het verweer dat de verdachte niet aan de door onafhankelijke getuigen opgegeven signalementen voldoet overweegt het hof als volgt.

De getuigen hebben uiteenlopend verklaard over het postuur van de mannen met de bivakmutsen. Een aantal van hen heeft verklaard over grote, forse mannen, anderen echter over mannen met een gewoon

postuur. De getuige [getuige 3] heeft gesproken over een lengte van ongeveer 1.75 meter en een gedrongen postuur, in welke omschrijving de verdachte wel ongeveer past. Het hof heeft daarom bij het vormen van zijn oordeel geen acht geslagen op de desbetreffende door de verdediging bedoelde onderdelen van die verklaringen.

Met betrekking tot het verweer dat geen sporen van de verdachte zijn aangetroffen in de bestelbus overweegt het hof dat het ook dit gegeven niet van betekenis acht, nu deze bus eerst geruime tijd na het plegen van het feit is aangetroffen en doorzocht. Na zoveel tijd kunnen eerder aanwezige sporen immers zeer wel zijn verdwenen.

Met betrekking tot het verweer dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dit feit alleen zouden hebben gepleegd, overweegt het hof ten slotte dat dit niet alleen niet aannemelijk is vanwege het feit dat [medeverdachte 2] in de avond van 13 februari 2007 tijdens het wachten bij het brugrestaurant met twee draagtassen en drie beker terugkomt, hetgeen wijst op de aanwezigheid in de bus van meerdere personen, maar ook wordt weerlegd door de verklaring van [getuige 1], die direct na het schot hoorde dat de bus werd gestart en daarna dat de schuifdeur werd dichtgeslagen, waarna de bus wegreed. Een en ander vond plaats in een zo kort tijdsbestek dat ook dit past bij het scenario dat er meer dan twee mensen in de bus zaten, zoals [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben verklaard.

2.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

(…)

C. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1

Het hof gaat op grond van het voorgaande uit van de volgende gang van zaken op 13 februari 2007. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben op 13 februari 2007 met een witte Mercedes bestelbus eerst in Rotterdam de verdachte en vervolgens in Amsterdam een vierde persoon opgehaald, waarna zij naar het parkeerterrein van het aan de oostzijde van de rijksweg A4 in de gemeente Haarlemmermeer gelegen brugrestaurant zijn gereden. Gedurende een periode van ruim vijf uren heeft de verdachte samen met de hiervoor genoemde personen in de bus verbleven. Tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en de vierde persoon is in het Papiaments gesproken. Op een gegeven moment zijn de verdachte en de vierde man via een schuifdeur aan de zijkant van de bus naar buiten gegaan. Voorzien van bivakmutsen en ten minste één vuurwapen zijn zij in de richting van [slachtoffer] gelopen, die zich op korte afstand van de bus bij zijn auto bevond. Er heeft een korte worsteling plaatsgevonden, waarna [slachtoffer] met een opzetschot in het hoofd is geschoten, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Voorafgaand aan de schietpartij heeft [medeverdachte 1] de bus een aantal keren verplaatst, waarbij die bus steeds dichterbij - en uiteindelijk direct voor de auto van [slachtoffer] kwam te staan.

Hieruit leidt het hof af dat de verdachte en de anderen zich eerst zodanig hebben gepositioneerd dat zij zeer dichtbij de auto van [slachtoffer] stonden en vervolgens hebben gewacht tot het slachtoffer - dat lange tijd in het gezelschap van anderen was - zich alleen in de richting van zijn auto zou begeven. Toen dat gebeurde zijn de verdachte en de vierde man, voorzien van bivakmutsen en een vuurwapen waarin tenminste één kogel zat en dat daarmee gebruiksgereed was, op het slachtoffer afgelopen en hebben hem vrijwel direct met een opzetschot doodgeschoten. Uit de beelden en met name uit de beschrijvingen van het gebeurde van de twee ooggetuigen [getuige 1] en Hof komt het beeld van een kille liquidatie naar voren. Van enig verzet van het slachtoffer blijkt niet en derhalve evenmin van enige van buiten komende aanleiding voor het schieten.

Aldus was sprake van een gezamenlijk opzet op het gepleegde levensdelict. Eveneens was sprake van een voldoende substantiële en gelijkwaardige bijdrage aan dat delict van beiden, zodat in het midden kan blijven of de verdachte de schutter was of niet. Beide daders hebben uitvoeringshandelingen gepleegd en uit hun handelen bleek van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewegingen van de door [medeverdachte 1] bestuurde bus voorafgaand aan het feit, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, leidt het hof bovendien af dat ook van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] sprake was, welke samenwerking was gericht op het liquideren van [slachtoffer]. Als gevolg hiervan, wordt het verweer van de raadsvrouw, dat de verdachte niet als medepleger van het incident kan worden beschouwd, verworpen. Of hij wel of niet de schutter is geweest is, zoals gezegd, in dat verband evenmin relevant. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het hiervoor overwogene ook dat de verdachte, [medeverdachte 1] en de vierde man niet in een opwelling hebben gehandeld, maar dat hun daad kennelijk het gevolg is van een enige tijd tevoren genomen besluit en dat zij in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan tijd hadden zich te beraden over het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat zij over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad hebben nagedacht en zich daarvan rekenschap hebben gegeven.

Het hof komt op grond van voormelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de verdachte zich samen met [medeverdachte 1] en de vierde man schuldig heeft gemaakt aan moord op het slachtoffer [slachtoffer].”

8.

De bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen wijzen uit dat het Hof de volgende feiten en omstandigheden heeft vastgesteld. Verzoeker is op 13 februari 2007 door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met een witte Mercedes bestelbus in Rotterdam opgehaald waarna zij een andere (tot op heden onbekende) man in Amsterdam hebben opgehaald en naar het parkeerterrein van het langs de Rijksweg A4 gelegen brugrestaurant zijn gereden. Verzoeker en zijn drie medeverdachten hebben gedurende een periode van ruim vijf uren in de bus verbleven. In de bus hebben verzoeker, bestuurder [medeverdachte 1] en de vierde onbekend gebleven man in het Papiaments met elkaar gesproken. Bestuurder [medeverdachte 1] heeft de bus een aantal keren verplaatst waarbij de bus uiteindelijk direct voor de auto van het latere slachtoffer [slachtoffer] kwam te staan. Op het moment dat [slachtoffer], die lange tijd in het gezelschap van anderen was, zich alleen in de richting van zijn auto begaf, is verzoeker met de onbekende medeverdachte voorzien van bivakmutsen en een vuurwapen uit de bestelbus gestapt. Beide mannen zijn op het slachtoffer afgelopen en hebben hem vrijwel direct daarna met een opzetschot doodgeschoten. De twee mannen zijn vervolgens onmiddellijk in de bestelbus gestapt waarna het voertuig in noordelijke richting is weggereden. Het Hof wijst er niet onbegrijpelijk op dat uit de beelden en de beschrijvingen van de twee ooggetuigen het beeld naar voren komt van een kille liquidatie.

9.

Uit deze feiten en omstandigheden vloeit naar mijn mening duidelijk voort dat en op welke wijze verzoeker met zijn medeverdachte nauw en bewust heeft samengewerkt teneinde het slachtoffer [slachtoffer] van het leven te beroven. Het antwoord op de vraag of verzoeker al dan niet zelf heeft geschoten kan daarbij, zoals het Hof heeft overwogen, in het midden blijven. Zo hij niet zelf heeft geschoten, kan hij in ieder geval worden aangemerkt als één van de bij het doodschieten van [slachtoffer] betrokken personen die zo bewust en nauw heeft samengewerkt met de schutter, dat sprake is van “medeplegen”. De overwegingen van het Hof omtrent het medeplegen zijn dan ook niet onbegrijpelijk en geven niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het leerstuk van het medeplegen. Ik heb daarbij tevens in aanmerking genomen dat de beide mannen bivakmutsen op hadden.

10.

Anders dan de steller van het middel in het bijzonder betoogt, heeft het Hof uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden ook kunnen afleiden dat het opzet van verzoeker was gericht op de levensberoving van [slachtoffer]. De steller van het middel voert aan dat de door het Hof genoemde korte “worsteling” (van een worsteling is mijns inziens niet gebleken) die heeft plaatsgevonden aan het aannemen van een gezamenlijk opzet in de weg staat. De steller van het middel doelt daarbij op de navolgende zinsnede van het Hof in de nadere bewijsoverweging: “Er heeft een korte worsteling plaatsgevonden, waarna [slachtoffer] met een opzetschot in het hoofd is geschoten, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden”. Naar mijn mening trekt de steller van het middel deze zinsnede uit de algehele context. Immers een aantal zinnen verder heeft het Hof uiteengezet dat uit de beelden en de verklaringen van de twee ooggetuigen het beeld van een kille liquidatie naar voren is gekomen en dat van enig verzet van het slachtoffer of enige van buiten komende aanleiding voor het schieten niet is gebleken. De door het Hof genoemde korte worsteling staat aldus niet aan het aannemen van opzet in de weg. Bovendien sluiten naar mijn mening de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en nadere bewijsoverweging de door de steller van het middel geopperde mogelijkheid uit dat het opzetschot per ongeluk is afgegaan. Kortom ook de overwegingen van het Hof omtrent het opzet geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk.

11.

Wellicht ten overvloede merk ik op dat het Hof hetgeen als korte “worsteling” wordt aangeduid wel uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. Ik wijs daartoe op de navolgende bewijsmiddelen:
- getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 5) heeft – kort gezegd – verklaard dat hij zag dat een man in zijn zij werd geslagen, tegen een auto werd gedrukt, een schop in zijn knieholte kreeg waardoor hij door zijn knieën zakte en vervolgens door zijn hoofd werd geschoten;
- getuige [getuige 2] (bewijsmiddel 6) heeft verklaard dat hij zag dat de in het zwart geklede personen met bivakmutsen uit de witte Mercedes stapten, dat zij richting een persoon liepen, dat deze man een klap op zijn lichaam kreeg, vooroverboog en nadat de getuige een schot hoorde, in elkaar zakte;
- getuige [verbalisant] (bewijsmiddel 10) heeft ter terechtzitting in hoger beroep beelden getoond die zijn gemaakt met bewegingscamera’s en heeft verklaard dat een schermutseling heeft plaatsgevonden rondom de auto van [slachtoffer];
- het clusterproces-verbaal camerabeelden (bewijsmiddel 11) houdt terzake in dat om 22.13 uur twee personen uit de witte bedrijfsbus stappen en naar [slachtoffer] toelopen, dat ze ongeveer 5 seconden op die plek blijven staan, waarbij wordt gezien dat een persoon wordt vastgepakt, naar de grond zakt en weer omhoog wordt getild, en direct daarna teruglopen naar de bus.
Ook wijs ik op de verklaring van de in de bestelbus achtergebleven [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 3), die heeft verklaard dat het allemaal heel snel ging en het gebeuren heeft aangemerkt als “secondewerk”.

12.

De steller van het middel stelt voorts dat de door het Hof genoemde korte worsteling ook aan het aannemen van de voorbedachte raad in de weg staat. Ook daarin vermag ik de steller van het middel niet volgen. Weliswaar is de lijn van Uw Raad ten aanzien van het aannemen van voorbedachte raad en de motivering daarvan strenger geworden2, maar dat het Hof onder de vastgestelde omstandigheden in dit geval voorbedachte raad heeft kunnen aannemen en heeft aangenomen acht ik bepaald niet onbegrijpelijk. Immers, het Hof heeft in zijn bewijsoverweging geoordeeld dat feitelijk is komen vast te staan dat verzoeker en zijn medeverdachten niet in een opwelling hebben gehandeld maar dat zij tijd hadden zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat verzoeker de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Deze rechtsopvatting lijkt mij op zichzelf juist en toereikend gemotiveerd. In het licht daarvan wijs ik er (nogmaals) op dat het Hof heeft overwogen dat:
- verzoeker in Rotterdam is opgehaald door de medeverdachten waarna zij naar het brugrestaurant zijn gereden en aldaar ruim vijf uren hebben gewacht totdat het slachtoffer alleen was;
- verzoeker met medeverdachte [medeverdachte 1] en de onbekend gebleven vierde man in de bus Papiaments heeft gesproken;
- zij in die uren de bestelbus een aantal keren hebben verplaatst totdat deze vlakbij de auto van het slachtoffer stond geparkeerd;
- zij hebben gewacht op het moment dat [slachtoffer] alleen was en dat verzoeker en zijn onbekende medeverdachte toen gemaskerd en bewapend uit de bestelbus zijn gestapt, doelgericht op het slachtoffer zijn afgelopen en [slachtoffer] met een opzetschot door zijn hoofd hebben geschoten waarop deze vrijwel onmiddellijk is overleden;
- uit niets blijkt dat een ruzie aan het schieten is voorafgegaan zodat het neerschieten van het slachtoffer naar uiterlijke verschijningsvorm een koelbloedige liquidatie was;
- het beeld van een koelbloedige liquidatie steun vindt in het zogenoemde opzetschot in het hoofd van het slachtoffer, hetgeen kenmerkend is voor een liquidatie en dat een liquidatie naar haar aard van tevoren is beraamd.

13.

Uitgaande van deze vaststellingen heeft het Hof kunnen oordelen dat het medeplegen van moord niet het gevolg is geweest van bijvoorbeeld een hevige drift of een ogenblikkelijke gemoedsbeweging3, maar dat verzoeker ter uitvoering van een daarvoor genomen besluit heeft gehandeld en dat voor hem de tijd en de gelegenheid hebben bestaan zoals bedoeld in de recente arresten van Uw Raad4. Het oordeel van het Hof dat verzoeker en zijn medeverdachten hebben gehandeld met voorbedachte raad getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

14.

Resumerend luidt mijn slotsom dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde voldoende met redenen is omkleed.

15.

Het middel faalt mijns inziens in al zijn onderdelen.

16.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Waarbij ik omwille van de leesbaarheid van deze conclusie een letterlijke weergave van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen achterwege laat.

2 Vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2012:963 en HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1111. Zie voorts: J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, 2012, p. 249-251.

3 Hieromtrent is blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2012 gehechte pleitnotities evenmin iets door de verdediging aangevoerd.

4 Zie noot 2.