Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:546

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-04-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
13/04471
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1449, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/04471

Mr. Harteveld

Zitting 15 april 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]


1. Het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 13 juni 2013 schuldig verklaard aan “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” en bepaald dat verdachte ter zake daarvan geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S.M. Diekstra, advocaat te Den Haag, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans op onjuiste gronden, heeft geoordeeld dat verdachte meerdere politieambtenaren “gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening” heeft beledigd.

3.2. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 4 juli 2012 te ’s-Gravenhage opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3], medewerkers bij de politieregio Haaglanden, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in het openbaar heeft beledigd, door deze de woorden toe te voegen “Jullie zijn een stelletje zielige idioten”, althans woorden van gelijke beledigende aard of strekking”.

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 mei 2013 verklaard - zakelijk weergegeven-:

Op 4 juli 2012 in Den Haag stond ik met een groep vrienden bij een Esso benzinestation. Eén van mijn vrienden werd aangehouden door de politie voor wildplassen. Een andere vriend pakte zijn mobieltje om opnamen te maken. Hij werd daarop aangesproken door een agent die dreigde om zijn telefoon kapot te gooien. De agent pakte hem ook hardhandig beet. Ik zei toen iets in de trant van "man doe normaal". De andere agenten keken alsof de reactie van de agent normaal was. Zij grepen niet in. Ik heb toen in [de] richting van de agenten geroepen: "stelletje idioten met een godcomplex". Ik werd hierop tegen een container geduwd en geboeid.

2. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 4 juli 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1524 2012141552-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8 ev):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op woensdag 4 juli 2012, omstreeks 02:25 uur, bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2], ons bij het Tankstation Esso op de Valkenboslaan 333 te ’s-Gravenhage, alwaar wij een man aan het verbaliseren waren ter zake van wildplassen.

Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1] waren in burger gekleed, in [een] onopvallend burgervoertuig eveneens ter plaatse en hielden [verbalisant 3] en [verbalisant 2] in de gaten omdat er een oploop kwam van opgeschoten mannen die zich ermee gingen bemoeien.

Hierop zag ik, verbalisant [verbalisant 4], dat één van deze mannen een foto maakte met zijn telefoon in mijn richting. Ik was hier niet van gediend waarop ik deze man sommeerde om deze foto van zijn telefoon te verwijderen.

Tijdens dit incident kwam er nog een opgeschoten man bij, die zich luid en druk ermee ging bemoeien. De man riep "JULLIE ZIJN EEN STELLETJE ZIELIGE IDIOTEN!" Tijdens dit roepen draaide de man zijn hoofd en keek ons verbalisanten aan. In de directe omgeving waren meerdere mensen aanwezig die dit luide geschreeuw hoorden. Deze mensen stonden op een afstand van minder dan 3 meter van ons, verbalisanten.

Wij, verbalisanten, voelden ons hierdoor beledigd en hielden hierop de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats], aan op grond van belediging. Wij voelden ons in goede naam en eer aangerand. Hierop doen wij [verbalisant 3], [verbalisant 2] en [verbalisant 1] aangifte ter zake belediging.”

3.4. Het Hof heeft voor zover hier van belang het volgende overwogen:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de belediging niet bewezen kan worden, omdat het gedrag van verbalisant [verbalisant 4] onrechtmatig was en andere verbalisanten niet hebben ingegrepen.

Het hof verwerpt dit verweer. Het optreden van verbalisant [verbalisant 4] was onrechtmatig en ten aanzien van deze verbalisant zal het hof de verdachte dan [ook] vrijspreken van belediging. Ten aanzien van de overige verbalisanten bestond er naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval geen rechtsplicht om in te grijpen en kan de belediging derhalve worden bewezen.”

3.5. Het middel stelt, in lijn met het in hoger beroep gevoerde verweer, de vraag aan de orde of de opsporingsambtenaren werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening in de zin van art. 267 onder 2° Sr toen zij niet ingrepen terwijl hun collega jegens één van deze mannen onrechtmatig optrad.

3.6. De rechtmatigheid van de bediening betreft een geobjectiveerd bestanddeel van art. 267 onder 2° Sr. Dat betekent dat het opzet van verdachte daarop niet gericht behoeft te zijn. Indien een ambtenaar niet handelt in de rechtmatige uitoefening van de bediening leidt dat tot vrijspraak, in cassatie heeft een daarop gerichte klacht tot gevolg dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Vgl. HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1423, NJ 2014/121 waarbij was binnengetreden zonder de daartoe vereiste machtiging en op ontoereikende gronden bewezen was verklaard dat de ambtenaar “gedurende” de rechtmatige uitoefening van de bediening werd beledigd. Handelt de ambtenaar op dat moment in opdracht van een bevoegde meerdere en blijkt achteraf dat die opdracht onjuist was, dan staat dat niet aan de rechtmatigheid van de bediening van die ambtenaar in de zin van art. 267 Sr in de weg, zo valt af te leiden uit HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2795, NJ 2009/500 versus eerstgenoemd arrest.1

Het toepassen van buitensporig geweld door een opsporingsambtenaar kan aan de bewezenverklaring van de rechtmatige uitoefening van de bediening in de weg staan. Het ter gelegenheid van ambtshandelingen – zoals de aanhouding van de verdachte - niet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit kan derhalve - net als bij art. 180 Sr - aan de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging in de weg kan staan.2

3.7. De rechtmatigheid van de bediening kan mede de hulpverleningstaak van de politie omvatten3, welke taak - naast de handhaving van de rechtsorde - thans is voorgeschreven in art. 3 Politiewet 2012.4 Ten tijde van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde was dit voorschrift vervat in art. 2 Politiewet 1993, welke bepaling luidde:

“De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.”

3.8. In de onderhavige zaak heeft het Hof vastgesteld dat de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] een man aan het verbaliseren waren ter zake van wildplassen en dat er een oploop was van opgeschoten mannen die zich daarmee gingen bemoeien. Vanwege die oploop kwamen nog twee verbalisanten in een onopvallend burgervoertuig en in burger gekleed ter plaatse om de gang van zaken in de gaten te houden. Dat waren de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1].

Van verbalisant [verbalisant 4] is vastgesteld dat hij niet rechtmatig optrad toen hij zag dat er een foto van hem werd gemaakt en hij daarvan niet gediend was. De onrechtmatigheid was gelegen, zo blijkt uit de zich in het dossier bevindende stukken naar aanleiding van een terecht voorgestelde politieklacht, kort gezegd in het volgende:

- niet is gebleken dat degene die de foto maakte het werk van de politie ter plaatse belemmerde,

- indien daarvan wel sprake was geweest, dan was een vordering tot afstand houden de juiste handelwijze geweest en indien daaraan niet zou worden voldaan een aanhouding;

- [verbalisant 4] onrechtmatig heeft gehandeld en niet bevoegd was te vorderen diegene de foto te laten verwijderen;

- [verbalisant 4] diegene niet had mogen beetpakken om vervolgens zijn sommering de foto te verwijderen kracht bij te zetten.

Buitensporige toepassing van geweld is niet vastgesteld. Ten aanzien van de andere drie verbalisanten heeft het Hof geoordeeld dat zij “tijdens dit incident” - waarbij kennelijk en niet onbegrijpelijk zowel de oploop naar aanleiding van het wildplassen zal worden bedoeld als Oemars (re)actie op de gemaakte foto - door verdachte zijn beledigd en daarop is verdachte door hen aangehouden.

3.9. In het licht van deze feitelijke vaststellingen heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting toereikend gemotiveerd waarom de in de bewezenverklaring genoemde politieambtenaren werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Ingevolge hun algemene politietaak dienen de verbalisanten immers tevens te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en uit de tot het bewijs gebezigde bevindingen van politie heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat zij met name daarmee bezig waren.5 Nu voorts bij het - achteraf bevonden - onjuiste optreden van verbalisant [verbalisant 4] niet is gebleken van toegepast buitensporig geweld en evenmin van een in die situatie als hulpbehoevende te kwalificeren persoon, deed zich geen acute situatie voor waarin de plicht tot het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven diende te prevaleren boven het in de hand houden van de situatie (“de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde”). Met andere woorden: het onrechtmatig optreden van de collega [verbalisant 4] betrof niet een dermate ernstige zaak, dat in de gegeven omstandigheden al het andere bij de taakuitoefening daarvoor had moeten wijken en de drie verbalisanten aldus hun taak zouden hebben verzaakt. Van het desbewust nalaten te interveniëren bij het optreden van hun collega [verbalisant 4] terwijl zij daartoe in de gegeven omstandigheden zouden zijn gehouden, is niet gebleken. In de door het Hof gebezigde bewijsvoering ligt aldus toereikend gemotiveerd besloten waarom de verbalisanten in het onderhavige geval geen rechtsplicht hadden om in te grijpen.

4. Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

5. Ambtshalve gronden die tot vernietiging aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 En ook indien iemand op grond van een redelijk vermoeden van schuld (en aldus rechtmatig) wordt aangehouden staat een latere vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging niet aan een rechtmatige uitoefening van de bediening in de weg: HR 3 maart 1987, NJ 1987/851, alsmede HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2332 (HR 81 RO). Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:709.

2 HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513.

3 HR 24 oktober 1961, NJ 1962/86, alsmede mr. A.J. Nieuwenhuis en mr. A.L.J.M.A. Janssens, Uitingsdelicten (Studiepockets Strafrecht nr. 36), § 3.6.3 (bijgewerkt tot 12 december 2011).

4 De Politiewet 2012 is op 1 januari 2013 in werking getreden.

5 Het bezigen tot het bewijs van de waarneming van verdachte dat de drie verbalisanten keken alsof de reactie van verbalisant [verbalisant 4] normaal was (bewijsmiddel 1), is in combinatie met bewijsmiddel 2 kennelijk bedoeld om verdachtes indruk van het geheel weer te geven en sluit niet uit dat de verbalisanten vooral doende waren de rust voor het overige te bewaren en het verbaliseren van wildplassen rechtens juist af te ronden.