Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:545

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-04-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
13/04388
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1448, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om b.p. als getuige te horen. Nu het de b.p. ex art. 334.1 Sv niet is toegestaan ter onderbouwing van haar vordering getuigen aan te brengen, staan de eisen van een eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, i.h.b. de equality of arms, eraan in de weg dat wel aan verdachte de bevoegdheid zou toekomen m.b.t. deze vordering getuigen aan te brengen (Vgl. ECLI:NL:HR:2011:BQ0834). Het Hof heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het namens verdachte gedane verzoek tot het horen van een getuige over de vordering van de b.p. moet worden afgewezen. Dat dit verzoek betrekking had op het horen van de b.p. zelf m.b.t. haar vordering leidt niet tot een ander oordeel. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof het niet noodzakelijk geoordeeld gebruik te maken van zijn eigen bevoegdheid de b.p. te horen ter nadere toelichting van haar vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/04388

Mr. Harteveld

Zitting 15 april 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag, bij arrest van 8 mei 2013 van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en wegens 1 (subsidiair). verduistering en 2. diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 601,92 ter vergoeding van de door beide bewezenverklaarde feiten geleden materiële schade toegewezen en verdachte in zoverre een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de benadeelde partij als getuige onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.2. Omtrent het verzoek waar het middel op doelt vermeldt het proces-verbaal van ’s Hofs terechtzitting van 25 april 2013, onder de weergave van het pleidooi van de raadsman, het volgende:

“Indien het hof besluit de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen , verzoek ik het hof de benadeelde partij als getuige nader op de vordering te horen ten aanzien van de vraag of de verdachte haar inmiddels haar camera's en mobiele telefoon heeft teruggegeven”.

Deze passage kan in verband gebracht worden met hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het Hof heeft verklaard omtrent het feitelijke gebeuren waarop de tenlastelegging ziet alsmede de vordering van de benadeelde partij, waarover het volgende in het proces-verbaal van de zitting is vermeld:



“De verdachte legt op vragen een verklaring af over de feiten , inhoudende:


Feit 2


Ik wilde de stijltang en de laptop zelf aan aangeefster teruggeven. Ik heb de politie dan ook zelf verteld dat de laptop in de wasdroger lag. Ik had de spullen voor haar bewaard, omdat zij met iedereen ging slapen. Als ik de spullen aan haar terug zou geven, zou ik zelf fout bezig zijn geweest. Ik weet dat ik fout ben geweest en mezelf in de problemen heb gebracht. Ik heb de twee fotocamera's na de terechtzitting in eerste aanleg aan haar teruggegeven, ik heb deze niet verkocht. Ik heb ze via haar vader aan haar teruggegeven. Ik heb er geen bewijs van dat ik deze spullen aan haar heb teruggegeven. Ik heb na de behandeling in eerste aanleg nog contact met aangeefster gehad.

Feit 2

Aangeefster en ik zijn samen naar buiten gegaan.

Toen werd ze gebeld door iemand, waarop zij zei dat het haar moeder was. Toen zij vervolgens de telefoon aan mij gaf, kreeg ik een jongen aan de lijn. Ik zei toen dat zij haar telefoon niet terug kreeg, omdat zij tegen mij had gelogen. Ik heb toen haar telefoon bij mij bewaard. Ik heb haar toen niet geslagen. Ik was zo boos dat ik heb gezegd dat ik haar telefoon had verkocht, maar dat heb ik niet echt gedaan. Ik heb de telefoon na de terechtzitting in eerste aanleg aan haar teruggegeven.

(….)

“De voorzitter deelt mede dat de benadeelde partij zich heeft gevoegd in hoger beroep ter hoogte van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte reageert hierop als volgt:

Ik heb haar de spullen teruggegeven. Waarom zou ik haar nog een schadevergoeding moeten betalen?”

3.3. ’s Hofs arrest bevat omtrent het door de raadsman gedane (voorwaardelijke) verzoek het volgende:

“Voorwaardelijk verzoek horen benadeelde partij

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht de aangeefster als getuige te horen ten aanzien van haar vordering als benadeelde partij indien het hof besluit de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat nu het voegingsformulier van de benadeelde partij in hoger beroep dateert van 21 juni 2012, een datum gelegen na het vonnis in eerste aanleg, de benadeelde partij kan verklaren of zij inmiddels van de verdachte haar camera's en mobiele telefoon heeft terug gekregen.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Nu, het de benadeelde partij ingevolge artikel 334, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is toegestaan ter onderbouwing van haar vordering getuigen aan te brengen, staan [de] eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM, in het bijzonder de equality of arms, eraan in de weg dat wel aan de verdachte de bevoegdheid zou toekomen met betrekking tot deze vordering getuigen aan te brengen (zie HR 13 december 2011, NJ 2012, 11).

Het hof wijst derhalve het verzoek van de verdediging tot het horen van de aangeefster af.”

3.4. Het Hof heeft het getuigenverzoek afgewezen en daartoe de overwegingen van de Hoge Raad bij arrest van 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0834, NJ 2012/11 in aanmerking genomen. In die zaak ging het echter niet om een verzoek van de verdediging om de benadeelde partij als getuige te horen, maar om het verzoek een ander (“N.”) als getuige met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij (“E.”) te horen. En dat is mijns inziens een wezenlijk verschil met de onderhavige zaak. Daarover het volgende.

Het aan de benadeelde partij gerichte voorschrift van art. 334 lid 1 Sv, inhoudende dat deze voor het bewijs van de vordering geen getuigen of deskundigen mag aanbrengen, is in de wet opgenomen opdat het onderzoek naar de gegrondheid van de vordering niet de behandeling van de strafzaak zou overschaduwen.1 Mede gelet op de geboden voortvarendheid bij de afdoening van strafzaken is er op de terechtzitting geen plaats voor de behandeling van gecompliceerde vorderingen van de benadeelde partij. Daarom mag de benadeelde partij geen getuigen of deskundigen aanbrengen.2 Wel kan de benadeelde partij een vrijblijvend verzoek tot de officier van justitie richten om een bepaalde getuige ambtshalve op te roepen.3 Voorts mag de benadeelde partij ten bewijze van de geleden schade stukken overleggen en ook mag hij ter terechtzitting vragen aan getuigen en deskundigen stellen, voor zover het de vordering betreft (art. 334 lid 1 en 2 Sv). De Hoge Raad heeft inderdaad in HR 13 december 2011, NJ 2012/11 geoordeeld dat het beginsel van “equality of arms” met zich brengt dat de restrictie tot het aanbrengen van getuigen als vervat in art. 334 lid 1 Sv ook voor de verdachte heeft te gelden en dat hij dus geen (andere) getuigen mag aanbrengen ter betwisting van de vordering.4

Niettemin ligt het net iets anders in de onderhavige zaak, want daarin is door de verdediging (voorwaardelijk5) verzocht de benadeelde partij zelf als getuige over de grondslag van de vordering te horen. Aan een dergelijk getuigenverzoek staat mijns inziens het beginsel van “equality of arms” niet in de weg.6 Het debat tussen de benadeelde partij en de verdachte is in het Wetboek van Strafvordering summier geregeld.7 Juist omdat de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling onverkort van toepassing zijn op de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij in het strafgeding8, brengt het beginsel van “equality of arms” met zich dat een verzoek tot het horen van de benadeelde partij zelve als getuige wél kan worden gedaan; de benadeelde partij stelt materiële schade te hebben geleden, is niet ter terechtzitting aanwezig om de vordering desgevraagd toe te lichten en de verdachte betwist de vordering met de stelling dat hij de zaken reeds heeft teruggegeven. Aan de onderbouwing van die stelling door middel van een verzoek als te deze gedaan staat de (voor de verdachte naar analogie toegepaste) bepaling van art. 334 lid 1 Sv mijns inziens niet in de weg.9 Die bepaling is immers ingegeven om het strafgeding niet te doen overschaduwen met het horen van anderen als getuigen over het civiele geschil, terwijl ook - equality of arms - een benadeelde partij het recht toekomt getuigen en deskundigen vragen te stellen over haar vordering (art. 334 lid 2 Sv). Het horen op zich over de vordering is ook niet het punt. Dat een benadeelde partij zelf als getuige in een strafzaak over haar vordering kan worden gehoord levert geen strijd op met art. 6 EVRM. Integendeel. In de zaak Dombo Beheer B.V. tegen Nederland heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat juist een restrictie om in een civiel geding een partij in zijn eigen zaak niet als getuige te kunnen horen een schending van art. 6 lid 1 EVRM kan opleveren. Het beginsel van “equality of arms” betekent dat partijen in een civiel geding de gelegenheid moeten krijgen om hun zaak te presenteren - inclusief het bewijs - zonder dat daarbij de ene partij in een beduidend slechtere positie verkeert dan de andere partij; het is aan de nationale instanties om te verzekeren dat aan de eisen van “fair hearing” wordt voldaan.10 Dit alles wijst derhalve in de richting van ruimte voor het doen van het onderhavige getuigenverzoek. Ook in HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9314, NJ 2007/452 was de benadeelde partij met betrekking tot de vordering onder ede als getuige ter terechtzitting gehoord en kon ook worden ondervraagd over de vordering. Dat daaropvolgend niet tevens de verdachte zelf als getuige in zijn eigen strafzaak kon worden gehoord - en dus ook niet onder ede kon verklaren omtrent de vordering van de benadeelde partij - is gelegen in zijn procespositie als verdachte in het strafgeding. Dat levert evenwel geen inbreuk op art. 6 EVRM en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van “equality of arms” op, omdat de verdachte aldus niet in een beduidend nadeliger positie komt te verkeren dan de benadeelde partij; de verdachte heeft immers de benadeelde partij als getuige vragen kunnen stellen, die verklaring kunnen bestrijden en de vordering kunnen betwisten. Ook in zoverre laat het door het Hof tot uitgangspunt genomen HR 13 december 2011, NJ 2012/11 zich dus nuanceren.

3.5. Zowel uit de ratio van het verbod van art. 334 lid 1 Sv tot het aanbrengen van getuigen, dat voor zowel de benadeelde partij als voor de verdachte heeft te gelden, als het beoordelingskader voor de vordering van de benadeelde partij in het strafgeding maakt dat het beginsel van equality of arms mijns inziens niet in de weg staat aan het doen van het verzoek tot het horen van de benadeelde partij als getuige. Nu het Hof het verzoek om de benadeelde partij als getuige te horen uitsluitend op deze - onjuiste - grond heeft afgewezen, dient de zaak in zoverre te worden vernietigd en teruggewezen. Het middel is terecht voorgesteld.

3.6. Voor zover uw Raad van oordeel is dat art. 6 EVRM desalniettemin geen ruimte biedt voor het verzoek van de verdediging om de benadeelde partij als getuige te (doen) horen, verdient mijns inziens nog opmerking dat ‘s Hofs motivering van de toewijzing van de vordering tekortschiet, gelet op hetgeen is aangevoerd over de teruggave van de spullen. Het Hof laat dat aspect ten onrechte geheel in het midden en wijst de vordering ter vergoeding van de desbetreffende materiële schade toe. In een vergelijkbaar geval, te weten HR 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0837 waarin de verdachte verklaarde de autoschade reeds met (kennelijk medeverdachte) Bas aan de benadeelde partij te hebben betaald, overwoog de Hoge Raad:

“Het onder 4.3 weergegeven verweer kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat het ertoe strekt dat de door de benadeelde partij geleden schade aan de auto reeds is vergoed, zodat de grondslag aan de vordering in zoverre is komen te ontvallen. Het Hof had derhalve zijn beslissing tot toewijzing van de vordering nader moeten motiveren. Het middel is terecht voorgesteld.”

3.7. Het lijkt mij dat het middel in de onderhavige zaak ook wel zo opgevat kan worden dat het mede ertoe strekt te klagen over de gebrekkige motivering van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Immers, klaarblijkelijk is met het gedane verzoek tot het horen van de benadeelde partij bedoeld aan te kunnen tonen dat de grondslag aan de vordering tot schadevergoeding door teruggave van de goederen was ontvallen. Maar dan had het Hof, dat verzoek afwijzende, hetgeen door de verdediging in het kader van dat verzoek is gesteld niet in het midden mogen laten en in het verlengde daarvan de afwijzing nader moeten motiveren; (ook) aldus bezien slaagt het middel.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van haar aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel; en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, aant. 7 op art. 334 Sv (bijgewerkt tot 1 juni 1986), alsmede aant. 6 op art. 332-337.

2 HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9314, NJ 2007/452.

3 Zie tevens Slachtoffer en strafproces (SSR nr. 35) 2010/4.4.6, mr. F.F. Langemeijer (bijgewerkt tot 29 december 2010).

4 Dat het beginsel van equality of arms met zich brengt dat indien op verzoek van de benadeelde partij getuigen worden gehoord de verdachte ook het recht heeft om getuigen te laten horen over de schade is immers één van de redenen voor de totstandkoming van de beperking in art. 334 lid 1 Sv (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 21 345, nr. 9, p. 2).

5 Namelijk indien de vordering zal worden toegewezen en aan die voorwaarde is voldaan.

6 Vgl. HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0398: “de opvatting dat een niet als getuige opgeroepen doch ter terechtzitting aanwezige benadeelde partij niet als getuige kan worden gehoord, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.” In die zaak is de benadeelde partij op verzoek van de Advocaat-Generaal bij het Hof ter zitting als getuige - zo te zien over de strafzaak zelf en niet vanwege de vordering - gehoord, doch het hiervoor geciteerde rechtsoordeel is daarop, en mijns inziens terecht, niet toegespitst. Dat is in lijn met HR 3 mei 1983, DD 83.353: “De stelling, dat de beledigde partij en diens - in algemene gemeenschap met hem gehuwde - echtgenote in de strafzaak niet als getuige een verklaring mogen afleggen vindt geen steun in het recht.”

7 F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en strafproces (Studiepocket Strafrecht nr. 35) 2010/4.4.6, : Nadat de officier van justitie zijn requisitoir heeft gehouden, krijgt de benadeelde partij gelegenheid de vordering toe te lichten. Daarna kan de verdediging zowel op de vordering van de officier van justitie/advocaat-generaal bij het Hof als op de vordering van de benadeelde partij reageren. In de onderhavige zaak was de benadeelde partij evenwel niet ter terechtzitting aanwezig.

8 HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755, NJ 2012/135. Zie over de (mogelijke) complicaties van deze civiele toets in het strafgeding J. Candido, Civiel bewijsrecht toepasselijk op de vordering benadeelde partij?, NJB 2012/824.

9 Bij de beoordeling van het getuigenverzoek zal evenwel mede in ogenschouw worden genomen of die stelling niet op een andere wijze kan worden onderbouwd en voorts geldt (anderzijds) zonder meer als punt van afweging in hoeverre de beoordeling van de vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (art. 361 lid 3 Sv).

10 EHRM 27 oktober 1993, ECLI:NL:XX:1993:AD1977 (Dombo Beheer B.V. tegen Nederland), NJ 1994/534 m.nt. H.J. Snijders en E.J. Dommering.