Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:540

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
14/00045
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1442
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering door Nederland aan Turkije. 1. Falende klacht dat niet is voldaan aan de in art. 28.3 Uitleveringswet gestelde eis dat de uitspraak het feit vermeldt waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. 2. Falende klachten dat niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. 3. Falende klacht dat het uitleveringsverzoek niet strekt ter executie van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling. De HR verwijst de zaak naar de rolzitting, opdat de AG zich alsnog kan uitlaten over het 3e en het 5e middel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00045 U

Mr. T.N.B.M. Spronken

Zitting 13 mei 2014

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

  1. Bij uitspraak van 13 december 2013 heeft de Rechtbank Den Haag de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard ‘ter fine van strafexecutie ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, zoals omschreven in de [uitspraak] onder 2 aangeduide documenten’.

  2. Het gaat in de onderhavige zaak om twee uitleveringsverzoeken voor de tenuitvoerlegging van twee (onherroepelijke) vonnissen:

  • -

    Het uitleveringsverzoek van 4 oktober 2013 dat betrekking heeft op een vonnis van 12 november 2009 - met dossiernummer 2009/147 en vonnisnummer 2009/236 - van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld wegens het vervaardigen of verstrekken van verdovende middelen, in vereniging gepleegd op 20 december 2004, tot een gevangenisstraf van 12 jaar en 6 maanden en een geldboete van 9000 Turkse Lira te vervangen door 450 dagen hechtenis;

  • -

    Het uitleveringsverzoek van 9 oktober 2013 dat betrekking heeft op een vonnis van 15 september 2010 van de Zesde Meervoudige Strafkamer in zware strafzaken te Istanbul - dossiernummer 2008/222 en vonnisnummer 2010/312 - van de Zesde Meervoudige Strafkamer in zware strafzaken te Istanbul waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld wegens laster gepleegd op 8 juni 2008, tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

3. Mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, heeft namens de opgeëiste persoon vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank in haar uitspraak de feiten niet heeft vermeld waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard.

5. De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard ‘ter fine van strafexecutie ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, zoals omschreven in de hiervoor onder 2 aangeduide documenten’.

6. In de uitspraak zijn onder 2 de volgende documenten aangeduid (waarbij ik erop wijs dat er onder I geen 2 is, en de rechtbank tweemaal het cijfer III gebruikt):

‘I. een brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 16 oktober 2013 aan het IRC te Den Haag; hierbij is gevoegd:

1. een aanbiedingsbrief van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 16 oktober 2013 aan het ministerie van Veiligheid en Justitie; hierbij zijn gevoegd:

a. een in de Engelse taal gestelde brief van 15 oktober 2013 van de Turkse ambassade in Nederland waarbij om de uitlevering van [de opgeëiste persoon] wordt verzocht;

b. het in de Turkse taal gesteld uitleveringsverzoek van 9 oktober 2013 van het parket van de hoofdofficier van justitie te Istanbul betreffende de opgeëiste persoon, met daarin vermeld het vonnis van 15 september 2010 aangaande laster;

c. een ongedateerd, in de Turkse taal opgesteld, proces-verbaal van dossieronderzoek betreffende de opgeëiste persoon;

d. een ongedateerd, in de Turkse taal opgesteld, aanhoudingsbevel betreffende de opgeëiste persoon met daarin vermeld het vonnis waarin laster is bewezen verklaard;

e. een in de Turkse taal opgesteld vonnis van 15 september 2010 van de zesde meervoudige kamer in zware strafzaken te Istanbul betreffende de opgeëiste persoon;

f. in een de Turkse taal opgesteld arrest van 13 december 2012 van het Turkse hof van cassatie te Istanbul betreffende de opgeëiste persoon;

g. een overzicht van de artikelen 53, 62, 63, 66, 67, 68, 71, 72, 188, 267 en 268 van het Turkse Wetboek van Strafrecht;

h. een in de Turkse taal opgesteld uittreksel van het bevolkingsregister van Elazig betreffende [de opgeëiste persoon];

i. een in de Turkse taal opgesteld uitleveringsverzoek van 4 oktober 2013 betreffende de opgeëiste persoon, met daarin vermeld het vonnis van 12 november 2009 aangaande het vervaardigen en verstrekken van verdovende middelen;

j . een in de Turkse taal opgesteld vonnis van 12 november 2009 van de achtste meervoudige kamer in zware strafzaken te Istanbul1 betreffende de opgeëiste persoon;

k. een ongedateerd, in de Turkse taal opgesteld, proces-verbaal van dossieronderzoek betreffende de opgeëiste persoon;

I. twee in de Turkse taal opgestelde aanhoudingsbevelen van 11 december 2012 betreffende de opgeëiste persoon met daarin vermeld het vonnis waarin het vervaardigen of verstrekken van verdovende middelen bewezen is verklaard;

m. een in de Turkse taal opgesteld arrest van 3 maart 201 1 van het Hof van Cassatie betreffende de opgeëiste persoon;

n. een in de Turkse taal opgestelde aantekening van in kracht van gewijsde gaan van het arrest van 3 maart 2011 van het hof van cassatie, tiende kamer in strafzaken;

II. een vertaling in het Nederlands van de onder I.1.a. toten met I.1.n. genoemde stukken;

III. een vertaling in het Engels van de onder I.1.b. tot en met I.1.g. en I.1.i. tot en met I.1 .n. genoemde stukken;

III. een verklaring van een beëdigde vertaalster dat het onder I.1.a. genoemde Engelse document naar waarheid in de Nederlandse taal is vertaald;

IV. een schriftelijke vordering van de officier van justitie te Den Haag, gedateerd 6 november 2013, strekkende tot inbehandelingneming van het verzoek tot uitlevering en tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon.’

7. De vraag is of de uitspraak een ‘voldoende duidelijke vermelding’ van de feiten bevat waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard.2 Dat is niet zonder meer het geval nu onder 2 meerdere documenten zijn opgenomen die een uiteenzetting van feiten bevatten. De toelaatbaarverklaring ‘ter fine van strafexecutie ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, zoals omschreven in de hiervoor onder 2 aangeduide documenten’ is dan in de regel onvoldoende ‘nauwkeurig’ zodat niet zou zijn voldaan aan het bepaalde in art. 28, derde lid, Uitleveringswet.3 De precieze aanduiding van de feiten speelt echter met name als het gaat om uitlevering ter fine van strafvervolging in het geval meerdere feitomschrijvingen mogelijk zijn die nader onderzocht moeten worden en waarbij de naleving van het specialiteitsbeginsel een zo precies mogelijke omschrijving van de feiten vereist.4 De onderhavige uitlevering strekt evenwel tot tenuitvoerlegging van twee strafvonnissen waarbij de feiten reeds onherroepelijk zijn vastgesteld en ook in de vonnissen zijn weergegeven. Op basis van beide uitleveringsverzoeken is het evident dat deze betrekking hebben op de feiten bedoeld in het vonnis van 12 november 2009 en het vonnis van 15 september 2010. Dat wordt door de rechtbank in haar uitspraak ook met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht onder de omschrijving van het verzoek. Daarom kan er geen misverstand over bestaan voor welke feiten de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, ook al zou het duidelijker zijn geweest als de rechtbank in het dictum slechts naar beide vonnissen had verwezen.

8. De rechtbank heeft kennelijk bedoeld de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Turkije toelaatbaar te verklaren ten behoeve van de (verdere) tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen die zijn opgelegd bij vonnis van 12 november 2009 - met dossiernummer 2009/147 en vonnisnummer 2009/236 - van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir en bij vonnis van 15 september 2010 van de Zesde Meervoudige Strafkamer in zware strafzaken te Istanbul - dossiernummer 2008/222 en vonnisnummer 2010/312 - van de Zesde Meervoudige Strafkamer in zware strafzaken te Istanbul. Beide vonnissen zijn door Turkije overgelegd bij het uitleveringsverzoek van 4 oktober 2013 respectievelijk 9 oktober 2013 waarnaar de rechtbank verwijst in haar uitspraak onder 2.I.b en 2.I.i.

9. Nu de uitleveringsverzoeken strekken tot de tenuitvoerlegging van voormelde twee strafvonnissen waarnaar de rechtbank verwijst, meen ik dat het vonnis een voldoende duidelijke vermelding van de feiten bevat zodat het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat niet is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid voor wat betreft het feit waarop het uitleveringsverzoek van 9 oktober 2013 betrekking heeft. Betoogd wordt, kort gezegd, dat niet blijkt dat de door de opgeëiste persoon gebruikte identiteitskaart vals is – zodat de valsheidartikelen in art. 225 Sr e.v. niet in aanmerking komen – en dat als dat toch zo zou zijn, de Nederlandse strafbepalingen in de kern niet hetzelfde rechtsgoed beschermen als de Turkse.

11. In het vonnis van 15 september 2010 van de Zesde Meervoudige Strafkamer in zware strafzaken te Istanbul zijn de feiten met betrekking tot [de opgeëiste persoon] als volgt uiteen gezet:

‘When defences of the accused persons, explanation of the witnesses, expertise report, house search, capture and seizure minutes and the whole content of the file were considered together, it was understood that on the date of event, upon denunciation, the officials took the residence of the accused [betrokkene 3] under surveillance pursuant to the decision taken, they caught the accused [betrokkene 3] in front of the house; they searched his body and house; they captured drugs which was determined to be cocaine by the expertise report; furthermore, the accused who was later understood to be [de opgeëiste persoon] was caught with the identity of [betrokkene 2], and the witnesses [betrokkene 4] and [betrokkene 1] were caught.

[…]

As it was understood from the whole content of the file that the accused [de opgeëiste persoon] was using counterfeited identity card containing identity information of his brother [betrokkene 2], the accused was penalised for the offence of using identity information of someone else, and thus the following judgment was rendered.’5

12. Bij de beoordeling van het middel moet als uitgangspunt worden genomen dat de uitleg van de feiten zoals die in het Turkse vonnis uiteen zijn gezet – voor de tenuitvoerlegging waarvan de uitlevering wordt verzocht – is voorbehouden aan de feitenrechter en deze uitleg in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.6

13. Uit de feiten zoals die in het vonnis zijn weergegeven, blijkt kort gezegd dat de opgeëiste persoon bij zijn aanhouding een vals identiteitsdocument heeft getoond dat op naam staat van zijn broer. De valsheid blijkt uit het woord ‘counterfeited identity card’ dat in de Nederlandse vertaling is weergegeven als ‘valse identiteitskaart’.7 In zoverre is het oordeel van de rechtbank, dat dit feit naar Nederlands recht oplevert ‘het bij art. 225, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst’, niet onbegrijpelijk.

14. Ook wordt nog aangevoerd dat de Turkse en de Nederlandse strafbepalingen niet hetzelfde rechtsgoed beschermen. Hiertoe wordt een beroep gedaan op vaste rechtspraak waarin met betrekking tot de vereiste dubbele strafbaarheid onder meer het volgende is overwogen: ‘Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling.’8

15. In het middel wordt betoogd dat ‘de kern van het verwijt aan verzoeker niet zozeer ligt in het gebruik van een vals identiteitsbewijs, maar in het bewerkstelligen van een opsporingsonderzoek of vervolging van een ander (in casu de broer) terwijl verzoeker wist dat die ander geen strafbaar feit had gepleegd’. Aldus bezien zou de Turkse strafbaarstelling in de kern niet hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling.

16. Hetgeen bij de beoordeling van het middel hiervoor onder punt 12 voorop is gesteld, geldt ook voor het beantwoorden van de vraag of de buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. De beoordeling hiervan is aan de feitenrechter voorbehouden en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 8 april 2003.9 Ter zitting van de rechtbank is, voor zover dit blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 29 november 2013 en de aldaar overgelegde pleitnotitie, niet aangevoerd dat de buitenlandse strafbaarstelling niet in de kern hetzelfde rechtsgoed zou beschermen als de Nederlandse. Ik acht het oordeel van de rechtbank dat het feit naar Nederlands recht strafbaar is, zoals hiervoor onder punt 13 aangegeven niet onbegrijpelijk. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de vraag of de Turkse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst omdat dat een interpretatie van vreemd recht zou impliceren waarvoor in cassatie ingevolge art. 79, eerste lid onder b, RO geen plaats is.10

17. Het middel faalt.

18. Ik zal hierna eerst het vierde middel bespreken dat klaagt dat de uitlevering toelaatbaar is verklaard ter zake van de bij vonnis van 12 november 2009 - met dossiernummer 2009/147 en vonnisnummer 2009/236 - van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir opgelegde gevangenisstraf terwijl de betreffende vrijheidsstraf reeds ten uitvoer is gelegd, althans niet kan worden aangemerkt als een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing.

19. Het vonnis bevat onder 5 de volgende beslissing:

‘Rightly RELEASE of the accused [de opgeëiste persoon] by considering the amount of penalty imposed and the time he spent under detention, submitting letter to the Chief Public Prosecutor's Office for his immediate release if he was not detained for or convicted of any other offence […]’

20. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit deze passage moet worden afgeleid dat de opgelegde straf reeds is ondergaan of niet voor onmiddellijke verdere tenuitvoerlegging vatbaar is en dat er daarom geen rechtmatige titel tot vrijheidsbeneming zou bestaan wat een dreigende flagrante schending van art. 5 EVRM met zich zou kunnen brengen, indien de uitlevering toelaatbaar zou worden verklaard. In ieder geval zouden de stukken ongenoegzaam zijn nu daaruit niet blijkt dat er een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing is.

21. Uit dit dictum zou inderdaad kunnen worden opgemaakt dat de gevangenisstraf die door Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir is opgelegd, gelet op de tijd dat [de opgeëiste persoon] zich in voorlopige hechtenis heeft bevonden, reeds ten uitvoer is gelegd. Hierop wijst ook de informatie die is vermeld in het vonnis zelf, dat [de opgeëiste persoon] op 12 november 2009 daadwerkelijk in vrijheid is gesteld. Het vonnis vermeldt: ‘DATE OF ARREST : 01/10/2009 DATE OF RELEASE : 12/11/2009’.

22. Van de andere kant blijkt uit het vonnis dat [de opgeëiste persoon] zich (slechts) ruim tien maanden in voorlopige hechtenis heeft bevonden van 20 december 2004 tot 23 september 2005 en vervolgens van 1 oktober 2009 tot 12 november 2009 en staat in het uitleveringsverzoek van 4 oktober 2013 dat betrekking heeft op het vonnis van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir ‘in order to execute the penalty imposed on him for the offence he committed’.

23. Ook bij de beoordeling van dit middel dient tot uitgangspunt te worden genomen dat de vraag of het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is, een uitleg van de feiten betreft en bovendien de uitleg van vreemd recht dat aan de feitenrechter is voorbehouden wiens oordeel ter zake in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.

24. Gelet op de tegenstrijdigheid die bestaat tussen de letterlijke inhoud van het vonnis en het uitleveringsverzoek en de vragen die de letterlijke inhoud van het vonnis oproept met betrekking tot de motivering van de invrijheidsstelling, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat vrijheidsstraf van twaalf jaren en zes maanden reeds is ondergaan, althans niet verder wordt tenuitvoergelegd, terwijl uit hetzelfde vonnis blijkt dat [de opgeëiste persoon] zich in totaal slechts ruim tien maanden in voorlopige hechtenis heeft bevonden, acht ik het in de uitspraak van de rechtbank besloten liggende oordeel, dat het vonnis van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken van 12 november 2009 voor tenuitvoerlegging vatbaar is, niet zonder meer begrijpelijk.

25. Op grond hiervan ben ik van mening dat het onduidelijk is of het hier wel om een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis gaat, terwijl die onduidelijkheid op basis van de beschikbare documenten die zich bij de stukken bevinden thans niet kan worden opgehelderd. Daarom lijkt het mij, mede gelet op art. 13 EUV,11 aangewezen bij de Turkse autoriteiten navraag te doen hoe het uitleveringsverzoek van 4 oktober 2013 en het vonnis van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir van 12 november 2009 zich tot elkaar verhouden en of er nog een deel van dit vonnis voor ten uitvoerlegging vatbaar is en, zo ja, welk deel.

26. Het middel is terecht voorgesteld.

27. Nu het vierde middel mij gegrond voorkomt, kom ik niet toe aan de bespreking van het derde en vijfde middel die beide eveneens betrekking hebben op het vonnis van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir van 12 november 2009. Tot aanvullend concluderen ben ik uiteraard gaarne bereid.

28. Deze conclusie strekt tot:

- vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarin de uitlevering toelaatbaar is verklaard ter tenuitvoerlegging van het vonnis van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir van 12 november 2009,

- tot het door de Hoge Raad geven van een bevel dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter nader te bepalen zitting van de Hoge Raad om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering,

- en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik neem aan dat dit een kennelijke schrijffout is en er in plaats van Istanbul, Izmir gelezen moet worden.

2 HR 1 september 1987, ECLI:NK:HR:1987:AB7724, NJ 1988, 262 r.o. 6.2 m.nt. A.H.J. Swart.

3 HR 17 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7175 r.o. 6; HR 12 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2441, NJ 1983/670 r.o. 4.2.

4 HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9266. Zie ook A.L. Melai/A.H. Klip e.a. Wetboek van Strafvordering, IISS, II. 14.5.3 Bijgewerkt tot 1 september 2013 en V.H. Glerum, Handboek strafzaken, 91.5.6, bijgewerkt tot 18 augustus 2010.

5 Geciteerd wordt uit de door de Turkse autoriteiten overgelegde Engelse vertaling van de originele in de Turkse taal gestelde stukken. De Nederlandse vertaling die zich bij de stukken bevindt, betreft een vertaling van de Engelse vertaling.

6 HR 23 juli 1984, DD 85.005; HR 2 november 1982, DD 83.096; HR 1 juli 1982, DD 83.008.

7 Zie ook nog de ‚file examination minute’ waarin uiteen is gezet op welke wijze [de opgeëiste persoon] de identiteitskaart heeft verkregen: ‘he [[de opgeëiste persoon]] gave the copy of the ID and his own photo to a foreigner who was Bulgarian national whose name and address he did not know and had the identity card done and started using it in the first month of 2008; he paid the person 100 TL for the identity card; he did not use the identity card he had counterfeited on his brother’s name in any other event after he came to the Narcotics and before; he later tore it up and threw it away; he used the counterfeited identity card not to be caught as he was sought by the police in İzmir for the offence of drug; he did not have any other aim’.

8 HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451 r.o. 3.8; HR 7 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3589 r.o. 3.4.2. en 3.5; HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7564 r.o. 3.4.2 en 3.5; HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6798 r.o. 3.4.4; HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949 r.o. 3.2.2.

9 HR 8 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4278 r.o. 3.4. Zie G.A.M. Strijards, Uitlevering, Zwolle: Tjeenk Willink 1988, p. 171 ‘Aan diens uitleg omtrent de aard van het rechtsgoed dat de vreemde delictsomschrijving kennelijk wenst te beschermen is de cassatierechter in beginsel gebonden.’.

10 HR 13 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD7437, r.o. 4.4.

11 Art. 13 Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs 13 december 1957, Trb. 1965, 9, p. 10 ‘If the information communicated by the requesting Party is found to be insufficient to allow the requested Party to make a decision in pursuance of this Convention, the latter Party shall request the necessary supplementary information and may fix a time-limit for the receipt thereof.’ In werking getreden op 18 april 1960 waaronder voor Turkije (Trb. 1965, 9, p. 46), voor Nederland 15 mei 1969 (Trb. 1969, 62, p. 17).