Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:539

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
14/00090
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1441, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering door Nederland aan Rwanda. 1. Genocideverdrag; verdragsrelatie. 2. Gelding vertrouwensbeginsel bij ontbreken uitleveringsverdrag. 3. Dreigende (flagrante) schending van art. 6 EVRM. Ad 1. Falende klacht over het ontbreken van een voor de uitlevering van de opgeëiste persoon toereikende verdragsrelatie. Ad 2. De Rb heeft in de in het gegeven garanties een voldoende waarborg gezien dat de opgeëiste persoon in Rwanda een eerlijk proces zal krijgen, met inbegrip van, het recht op h.b. Gelet hierop geeft haar oordeel dat de enkele omstandigheid dat het recht op een eerlijk proces niet is vastgelegd in een uitleveringsverdrag het vertrouwensbeginsel niet z.m. buiten werking stelt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Ad 3. De bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de Minister die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan, brengt mee dat de rechter o.g.v. zijn toetsing aan art. 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. De enkele omstandigheid dat het zogenoemde Genocideverdrag niet een “uitleveringsverdrag” is, dwingt niet tot een andere bevoegdheidsverdeling. Een en ander laat onverlet dat de uitleveringsrechter de Minister kan adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan. Het oordeel van de Rb dat niet is gebleken van een risico als hiervoor bedoeld is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00090 U

Mr. Aben

Zitting 13 mei 2014

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De rechtbank Den Haag heeft op 20 december 2013 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Rwanda toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, zoals omschreven in de in de uitspraak onder 2 aangeduide documenten.

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. M. Pestman, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mrs. T.M.D. Buruma en G.K. Sluiter, beiden advocaat te Amsterdam, hebben een schriftuur voorgesteld houdende vier middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank in strijd met de artikelen 2 en 6 van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven (hierna: WOO) juncto art. 28 van de uitleveringswet (Uw) haar beslissing niet, althans onjuist en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd door niet in te gaan op een namens de opgeëiste persoon ter zitting voorgedragen verweer, inhoudende dat Nederland en Rwanda niet met elkaar in verdragsbetrekking staan voor wat betreft het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (hierna: het Genocideverdrag). Dit dient tot nietigheid te leiden.

4. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 8 oktober 2013 (p. 4) heeft de raadsman van de verdachte aldaar – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende aangevoerd:

“Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Genocideverdrag blijkt dat artikel 7 wel degelijk een uitleveringsverdrag vereist. Nederland en Rwanda hebben geen verdragsrelatie op grond van het Genocideverdrag. Rwanda heeft in 1975 een voorbehoud gemaakt, naar aanleiding waarvan Nederland heeft verklaard dat het Rwanda niet zag als partij. Rwanda heeft het voorbehoud in 2008 ingetrokken, maar Nederland heeft de verklaring niet ingetrokken en geen andere verklaring afgelegd.”

5. De bestreden uitspraak houdt (inderdaad) niets in omtrent het verweer dat Nederland en Rwanda niet met elkaar in verdragsbetrekking staan voor wat betreft het Genocide verdrag.

6. Voor zover het middel klaagt dat de rechtbank gehouden was te responderen op het in het middel bedoelde verweer faalt het echter, aangezien art. 359 Sv op de uitleveringsprocedure niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Artikel 28 Uw voorziet uitsluitend in de eis dat de uitspraak omtrent het verzoek tot uitlevering met redenen is omkleed.

7. Het middel kan overigens niet tot cassatie leiden. De republiek Rwanda is op 16 april 1975 toegetreden tot het Genocideverdrag.1 Daarbij heeft Rwanda een voorbehoud gemaakt bij artikel IX van dat verdrag. Dit artikel bepaalt dat geschillen tussen de verdragsluitende partijen op verzoek van een der bij het geschil betrokken partijen kunnen worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof. Nederland heeft bij verklaring van 23 februari 1996 een reeds eerder gemaakt bezwaar tegen een dergelijk voorbehoud als volgt bevestigd:

"As concerns the first reservation, the Government of the Kingdom of the Netherlands recalls its declaration, made on 20 June 1966 on the occasion of the accession of the Kingdom of the Netherlands to the Convention [...] stating that in its opinion the reservations in respect of article IX of the Convention, made at that time by a number of states, were incompatible with the object and purpose of the Convention, and that the Government of the Kingdom of the Netherlands did not consider states making such reservations parties to the Convention. Accordingly, the Government of the Kingdom of the Netherlands does not consider the United States of America a party to the Convention. Similarly, the Government of the Kingdom of the Netherlands does not consider parties to the Convention other states which have made such reservations, i.e., in addition to the states mentioned in the aforementioned declaration, (…), Rwanda, (…), on the other hand, the Government of the Kingdom of the Netherlands does consider parties to the Convention those states that have since withdrawn their reservations, i.e., (…)."2

Als gevolg van de hier bedoelde verklaringen verhinderde het aldus geformuleerde bezwaar tegen het bedoelde voorbehoud ten aanzien van artikel IX de inwerkingtreding van het Genocideverdrag tussen Nederland en Rwanda.3

8. Rwanda heeft het voorbehoud bij art. IX van het Genocideverdrag op 15 december 2008 ingetrokken en de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan op de hoogte gesteld. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties heeft die kennisgeving vervolgens op 22 december 2008 aan de andere verdragspartijen – waaronder Nederland – overgebracht.4

9. Als gevolg hiervan zijn de bepalingen van het Genocideverdrag tussen Rwanda en Nederland van rechtswege onverkort in werking getreden. Dat Nederland het bezwaar tegen het Rwandese voorbehoud niet uitdrukkelijk heeft ingetrokken doet daaraan niet af. De reden van het bezwaar is immers komen te vervallen, waardoor het bezwaar krachteloos is geworden.5

10. Het oordeel van de rechtbank dat zowel Nederland als Rwanda is gebonden aan de bepalingen van het Genocideverdrag is dus juist. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het namens de opgeëiste persoon ter zitting gevoerde verweer, inhoudende dat vanwege het ontbreken van een uitleveringsverdrag tussen Nederland en Rwanda niet mag worden uitgegaan van de gelding van het vertrouwensbeginsel in de uitleveringsprocedure. Door te stellen dat het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tot goede trouw verplicht, ook ten aanzien van de uitleveringsbepaling in het Genocideverdrag, en door te stellen dat het vertrouwensbeginsel niet buiten werking wordt gesteld door de in het uitleveringsverzoek vervatte garantie, heeft de rechtbank dit verweer onjuist althans onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd verworpen, aldus de steller van het middel.

12. De bestreden uitspraak houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“6.7. Namens de opgeëiste persoon is aan het ontbreken van een uitleveringsverdrag in eigenlijke zin tussen Rwanda en Nederland tevens de conclusie verbonden dat niet zou mogen worden uitgegaan van de gelding van het vertrouwensbeginsel in de onderhavige uitleveringsprocedure. Dit zou met zich meebrengen dat de rechtbank ten volle moet toetsen of de opgeëiste persoon in Rwanda een eerlijk proces zal krijgen. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. De Republiek Rwanda en het Koninkrijk der Nederlanden hebben door het Genocideverdrag een verdragsrelatie met elkaar. Artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht verplicht beide partijen het Genocideverdrag in goede trouw uit te voeren, waaronder de bepaling die wederzijdse uitlevering voor genocide mogelijk maakt. Dit heeft in de onderhavige zaak tot gevolg dat de uitleveringsrechter in beginsel uit moet (kunnen) gaan van het woord van de verzoekende staat. In het uitleveringsverzoek zijn door Rwanda in paragraaf 50 garanties gegeven die een eerlijk proces tegen de opgeëiste persoon moeten waarborgen. Daarnaast is in paragraaf 56 het recht op hoger beroep gegarandeerd. Dat deze toezeggingen door Rwanda betreffende het recht op een eerlijk proces niet zijn vastgelegd in een uitleveringsverdrag maar in het uitleveringsverzoek zelf, stelt het vertrouwensbeginsel niet zonder meer buiten toepassing.

6.8 Zoals hiervoor reeds opgemerkt moet de rechtbank ervan uitgaan dat de verzoekende staat - Rwanda - de gegeven garanties zal naleven. Dit kan slechts anders komen te liggen indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verzoekende staat de op hem rustende verplichtingen in het onderhavige geval niet naar behoren zal nakomen. Een daarop gestoeld verweer moet voldoende concreet onderbouwd zijn. De verdediging heeft in dat kader aangevoerd dat de opgeëiste persoon - ondanks de door Rwanda gegeven garanties - door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een dreigende flagrante inbreuk op de hem toekomende rechten uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Dit risico is onderbouwd met de argumenten dat a) de algemene politieke situatie in Rwanda een eerlijk proces onmogelijk maakt, b) de gacaca procedures niet eerlijk waren, c) het proces (in eerste aanleg) in de zaak [B] niet eerlijk was, en d) het proces in de zaak [A] niet eerlijk verloopt. Naar het oordeel van de rechtbank is namens de opgeëiste persoon echter onvoldoende onderbouwd op welke manier de algemene politieke situatie in Rwanda in deze specifieke zaak zal leiden tot een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM. Hoewel de rechtbank het, gelijk de verdediging, aannemelijk acht dat binnen de Rwandese samenleving negatieve reacties voorkomen ten opzichte van advocaten die genocideverdachten verdedigen, ziet zij daarin nog geen reden om aan te nemen dat dit in deze concrete zaak zal leiden tot de onmogelijkheid voor de opgeëiste persoon om zich te laten verdedigen door een professionele advocaat. Ook zal de opgeëiste persoon niet in een gacaca rechtbank berecht worden. Het proces in de zaak van [B] is voor de beoordeling in casu niet relevant omdat op die zaak de Transfer Law niet van toepassing is en daarenboven de verdenking in die zaak niet vergelijkbaar is met de verdenking in de onderhavige zaak. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de onder a, b en c genoemde argumenten noch op zichzelf, noch in samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat er sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank acht het proces in de zaak [A] wel relevant voor de beoordeling in onderhavige zaak. De Transfer Law is in die zaak immers ook van toepassing en de verdenking betreft eveneens betrokkenheid bij de genocide in 1994. De rechtbank heeft in de waarnemingsrapporten van het Mechanism for International Criminal Tribunals voor de zaak [A] gezien dat sprake is geweest van obstakels voor het recht op een eerlijk proces: het recht van een verdachte om te zwijgen lijkt bij de aanklager niet bekend, evenals het recht van de verdachte om belastende getuigen te ondervragen; het recht op gefinancierde rechtsbijstand wordt pas na lang aandringen gerespecteerd; de verdediging heeft moeite om ontlastende getuigen in het buitenland te identificeren en te horen; het mechanisme voor getuigenbescherming komt maar langzaam op gang en het dossier is in eerste instantie niet vertaald in de taal van de verdachte. De rechtbank heeft echter ook gezien dat door de High Court adequaat is gereageerd op enkele van deze obstakels: verdedigingsgetuigen kunnen gehoord worden door iemand die daartoe benoemd wordt door de High Court, een vertaling van het dossier is bevolen en de verdediging heeft een budget toegewezen gekregen. Enkele andere obstakels, zoals de gebrekkige getuigenbescherming, zijn buiten de High Court om opgelost. De knelpunten betreffende het recht om te zwijgen en het recht om belastende getuigen te ondervragen zijn nog niet aan de High Court voorgelegd en uit de waarnemingsrapporten blijkt niet wat de huidige stand van zaken is. Indien alle rapporten gezamenlijk worden bezien, is naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand de conclusie gerechtvaardigd dat er in de zaak [A] sprake is van een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Dit betekent dat het procesverloop in de zaak [A] evenmin de conclusie wettigt dat in de onderhavige zaak sprake zou zijn van een ernstig risico op een dergelijke schending.”

13. De in de bestreden uitspraak genoemde paragrafen 50 en 56 van het uitleveringsverzoek van 23 september 2013 houden voorts het volgende in:

“K. Guarantees on human rights

(…)

50. The fair trial guarantees contained in the Law relating to the transfer of Cases to Rwanda and the Constitution of the Republic meet internationally accepted minimum standards of due process and can be summarised as follows:

a. The right to a fair and public hearing by a competent, independent and impartial court;

b. the right to a presumption of innocence;

c. the right to be informed promptly and in detail in a language which he or she understands, of the nature and cause of the charge against him or her;

d. the right to have adequate time and facilities for the preparation of his or her defense, and to communicate with counsel of his or her own choosing;

e. the right to be tried without undue delay;

f. the right to be tried in his or her presence;

g. the right to defend himself or herself in person or through legal assistance of his or her own choosing; to be informed, if he or she does not have legal assistance, of this right, and to have legal assistance assigned to him or her, in any case where the interests of justice so require, and without payment by him or her in any such case if he or she does not have sufficient means to pay for it

h. the right to examine, or have examined, the witnesses against him or her and to obtain the attendance and examination of witnesses on his or her behalf under the same conditions as witnesses against him or her;

i. not to be compelled to testify against himself or herself or to confess guilt.”

14. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het vertrouwensbeginsel in deze zaak niet geldt omdat alleen het Genocideverdrag op onderhavige uitleveringsprocedure van toepassing is en dit verdrag niet een specifiek uitleveringsverdrag betreft. Bovendien wordt in dit verband aangevoerd dat Rwanda geen partij is bij het EVRM, evenmin het Eerste Protocol bij het IVBPR heeft geratificeerd, en dat het Genocideverdrag nooit als uitleveringsverdrag is bedoeld. De rechtbank diende de rechtspleging van Rwanda “vol” te toetsen, aldus de stellers van het middel.

15. Het vertrouwensbeginsel fungeert in het uitleveringsprocesrecht als een weerlegbaar rechtsvermoeden ten aanzien van bijvoorbeeld de juistheid van de mededelingen van de zijde van de verzoekende staat omtrent de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht en de strafbaarheid ervan in de verzoekende staat, alsook ten aanzien van de vraag of de aanspraken tot de handhaving waarvan Nederland zich bij het EVRM en het IVBPR heeft verplicht in de verzoekende staat in voldoende mate worden erkend. Het vertrouwensbeginsel vervult zodoende als het ware de rol van ‘smeerolie’ van het internationale-rechtshulpverkeer; daardoor kunnen de vertegenwoordigers van de verdragspartijen daaraan zonder veel horten en stoten deelnemen.

16. De uitleveringsrechter ontleent dit weerlegbare rechtsvermoeden aan het vertrouwen ter zake dat door Nederland als verdragspartij tot uitdrukking is gebracht met de ondertekening van het betreffende (uitleverings-)verdrag en met de voortduring van de daardoor tot stand gekomen verdragsrelatie.

17. Dat de verzoekende staat partij is bij een mensenrechtenverdrag of zich anderszins andermaal heeft verplicht de bepalingen van de door hem gesloten mensenrechtenverdragen na te leven, kan bij de uitleveringsrechter eventueel het (al dan niet gerechtvaardigde) vertrouwen wekken dat de opgeëiste persoon na uitlevering kan uitzien naar een eerlijk strafproces, maar dat vertrouwen vloeit in dat geval niet voort uit de werking van het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel is immers een resultante van de weloverwogen keuze van Nederland om met de verzoekende staat een verdragsrelatie aan te gaan en die relatie te continueren.

18. Daarmee is niet gezegd dat zonder de toepassing van het vertrouwensbeginsel geen internationale rechtshulp mogelijk is. Indien het vertrouwensbeginsel buiten toepassing moet blijven zal de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering heeft te oordelen echter meer kritisch moeten onderzoeken of Nederland met de voldoening aan het uitleveringsverzoek zijn verplichting tot handhaving van fundamentele rechtsbeginselen in acht neemt. De rechter mag in dat geval niet (vrijwel) voetstoots uitgaan van de juistheid van de mededelingen van de verzoekende staat en in dat verband evenmin blindvaren op de verplichtingen die de verzoekende staat internationaal is aangegaan.

19. Het voorgaande maakt duidelijk waarom de klacht over de toepassing van het vertrouwensbeginsel niet tot cassatie kan leiden. Wat er ook zij van het oordeel van de rechtbank dat de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel kan worden afgeleid uit de goede trouw waarmee Rwanda zijn verplichtingen uit het Genocideverdrag moet nakomen, de rechtbank heeft zich niettemin serieus gekweten van haar taak om de mensenrechtensituatie in Rwanda te onderzoeken. Het moge zo zijn dat de opgeëiste persoon de uitkomst van dit onderzoek niet bevalt, maar de hiervoor geciteerde overwegingen uit de bestreden uitspraak onder 6.8 wijzen m.i. uit dat de rechtbank ook zonder de hulp van het vertrouwensbeginsel tot haar oordeel over de toelaatbaarheid van de uitlevering heeft kunnen komen. Daarbij heeft de rechtbank niet onbegrijpelijk mede acht geslagen op de garanties die Rwanda in het uitleveringsverzoek zelf heeft gegeven. Dat Rwanda (vanzelfsprekend) geen partij is bij het EVRM, en – evenals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk – niet heeft ingestemd met het individuele klachtrecht als neergelegd in het eerste facultatieve protocol bij het IVBPR, doet daaraan niet af.

20. Het middel faalt dus bij gebrek aan belang.

21. Het derde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat verwikkelingen in de zaak van Victoire [B] van betekenis zijn voor de beoordeling van de garanties in de voorliggende zaak.

22. De bestreden uitspraak houdt – voor zover voor de beoordeling van middel van belang – het volgende in (ik herhaal):

“6.8.

(…)

Het proces in de zaak van [B] is voor de beoordeling in casu niet relevant omdat op die zaak de Transfer Law niet van toepassing is en daarenboven de verdenking in die zaak niet vergelijkbaar is met de verdenking in de onderhavige zaak.”

23. Het oordeel van de rechtbank dat de zaak van [B] voor de beoordeling in casu niet relevant is omdat op die zaak de Transfer Law niet van toepassing is en daarenboven de verdenking in die zaak niet vergelijkbaar is met de verdenking in de onderhavige zaak, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.6Immers geldt dat de rechtbank niet gehouden was nader te responderen op het verweer dat het proces in de zaak [B] niet eerlijk was en dat de rechtbank derhalve niet had hoeven ingaan op de vraag hoe door Rwanda gegeven garanties moeten worden beoordeeld in het licht van schending van door Rwanda gegeven garanties in die zaak. Daarenboven ging het in die zaak om een verdenking ter zake van terrorisme en van niet genocide, zodat het proces in Rwanda in onderhavige zaak op basis van een andere wet zal plaatsvinden. Voor het overige zijn de argumenten die de stellers van het middel in cassatie te berde brengen zodanig feitelijk van aard dat zij zich niet lenen voor toetsing door de cassatierechter.

24. Het middel faalt mitsdien.

25. Het vierde middel behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering aan Rwanda het risico loopt te worden blootgesteld aan een (flagrante) schending van enig hem ingevolge art. 6 EVRM, jo. art. 6 WOO en art. 28 UW toekomend recht.

26. De rechtbank heeft de namens de opgeëiste persoon ter zitting daaromtrent gevoerde verweren samengevat, te weten dat a) de algemene politieke situatie in Rwanda een eerlijk proces onmogelijk maakt, b) de gacaca procedures niet eerlijk waren, c) het proces (in eerste aanleg) in de zaak [B] niet eerlijk was, en d) het proces in de zaak [A] niet eerlijk verloopt.

27. In verband met het risico op een flagrante schending heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat namens de opgeëiste persoon niet is aangevoerd dat er in deze specifieke zaak sprake is van een dreigende schending van art. 6 EVRM. Ook de overige argumenten noch op zichzelf, noch in samenhang bezien, hebben de rechtbank doen oordelen dat een flagrante schending van art. 6 EVRM dreigt.

28. Het oordeel van de rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk in het licht van de algemene bewoordingen waarin de raadsman zijn betoog heeft gegoten.7 De vier argumenten die thans in cassatie worden aangedragen maken dit niet anders, nu immers ook deze de algemene politieke situatie betreffen en niet zozeer de strafrechtelijke procedure van de opgeëiste persoon in het bijzonder. Uitzondering daarop is de als derde aangevoerde klacht, waarin wordt gesteld dat de opgeëiste persoon vanwege individuele omstandigheden het risico loopt op een flagrante schending van art. 6 EVRM. Maar ook deze klachten raken niet in het bijzonder onderhavige strafzaak die immers ziet op verdenking van genocide gepleegd in 1994. Ten slotte zijn de in cassatie aangesneden kwesties in essentie een herhaling van de in feitelijke aanleg ingenomen standpunten en zijn zij zodanig feitelijk van aard dat zij zich slecht lenen voor toetsing door de cassatierechter.

29. Het middel faalt mitsdien.

30. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

31. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

n.d.

1 Zie de databank van de Verenigde Naties onder ‘treaties.un.org’.

2 Zie de vorige voetnoot.

3 Zie artikel 20, vierde en vijfde lid, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, Trb. 1985, 79, waarbij zowel Nederland als Rwanda partij is.

4 Zie artikel 22, derde lid van het in de vorige voetnoot genoemde verdrag.

5 Zie ook “the Genocide Opinion” van 28 mei 1951 van het Internationaal Gerechtshof, ICJ Reports 1951, 15, waarin is geadviseerd dat indien één van de verdragspartijen van oordeel is dat een voorbehoud niet verenigbaar is met “the object and purpose” van het verdrag, deze staat bevoegd is de staat die het voorbehoud heeft gemaakt aan te merken als niet te zijn toegetreden tot het verdrag. Hieruit vloeit m.i. voort dat deze bevoegdheid vervalt indien het voorbehoud wordt ingetrokken. Zie ook de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 26 november 2013, die zich onder de stukken bevindt.

6 Vgl. HR 7 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB9737, NJ 1988/313. Zie ook J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 75.

7 HR 11 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5717.