Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:538

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-04-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
12/04205
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1439, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verstekverlening. De vermelding van het adres X in de appelakte kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres a.b.i. art. 588a.1.ahf.c Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het art. 588a.3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ttz. te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de tz. tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ttz. in h.b. en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. (Vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX4736).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04205

Mr. Vegter

Zitting 8 april 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 12 maart 2012 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling zijn bezwaren heeft opgegeven en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf.

2. Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet ingevolge art. 590, derde lid, Sv heeft geschorst.

4. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang geef ik chronologisch het verloop van betekening en van het proces weer:

a. Uit op 17 november 2009 en 24 februari 2010 opgevraagde overzichten uit de Gemeentelijke Basisadministratie blijkt dat verdachte vanaf 10 maart 2008 geen bekende woon-of verblijfplaats heeft en dat het voorlaatste adres waar hij ingeschreven heeft gestaan [a-straat 1] [plaats] is;

b. Blijkens een akte van uitreiking is op 17 november 2009 de dagvaarding in eerste aanleg uitgereikt aan de griffier, omdat van verdachte geen woon-of verblijfplaats bekend was;

c. Blijkens een (andere) akte van uitreiking is op 17 november 2009 een afschrift van de gerechtelijke brief verzonden aan het adres dat verdachte bij zijn eerste verhoor in de strafzaak heeft opgegeven te weten [a-straat 1] [plaats];

d. De Politierechter uit de Rechtbank Haarlem heeft bij vonnis van 6 januari 2010 de dagvaarding nietig verklaard;

e. Blijkens een akte van uitreiking is op 24 februari 2010 de dagvaarding in eerste aanleg uitgereikt aan de griffier, omdat van verdachte geen woon-of verblijfplaats bekend was;

f. Blijkens een akte van uitreiking is op 25 februari 2010 getracht de dagvaarding uit te reiken op het adres [a-straat 1] [plaats], maar bleek zulk niet mogelijk omdat er op het adres niemand is aangetroffen. Een bericht van aankomst is niet afgehaald en daarom is op 5 maart 2010 de akte teruggezonden aan de afzender en is op die dag tevens een afschrift van de gerechtelijke brief gezonden aan het adres dat verdachte bij zijn eerste verhoor in de strafzaak heeft opgegeven te weten [a-straat 1] [plaats];

g. De Politierechter uit de Rechtbank Haarlem heeft bij vonnis van 11 mei 2010 verdachte bij verstek veroordeeld ter zake van witwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken;

h. Blijkens een akte van uitreiking is het vonnis van de Politierechter Haarlem op 14 juni 2010 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is;

i. Blijkens een akte van uitreiking is op 10 augustus 2010 het vonnis van de Politierechter Haarlem in persoon uitgereikt aan de verdachte. Als adres van verdachte is vermeld: [a-straat 1] [plaats];

j. Blijkens een akte rechtsmiddel heeft verdachte op 12 augustus 2010 hoger beroep ingesteld. Als adres is vermeld: Z.V.W.O.V.H.T.L. Voorts is vermeld: Comparant geeft desgevraagd op dat hij [‘wel’ doorgestreept; PV] niet een afschrift van de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting toegezonden wil hebben naar een ander adres in Nederland dan naar bovengenoemd adres, te weten: [volgt hand geschreven; PV] [a-straat 1], [plaats];

k. Aan de akte rechtsmiddel is gehecht een standaardformulier waarop de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg kunnen worden vermeld. Handgeschreven is de naam van verdachte en het adres Pondsterlingstraat 78 vermeld. Voorts: [standaardtekst; PV] Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat [volgt hand geschreven met handhaving van verschrijvingen; PV] “ik op een ander aders verbleef mijn contract van me werk niet was verlenkt rusie met me vriendin waar ik verbleef en ik was op vakantie” alsmede : [standaardtekst; PV] Ik had het volgende naar voren willen brengen: [volgt hand geschreven; PV] “dat ik u graag had willen spreken en nog sorry voor het ongemak”;

l. Een ID-staat SKBD houdt als gegeven op 19 januari 2012 in dat het huidig GBA-adres met ingang van 10 maart 2008 onbekend is;

m. Blijkens een akte van uitreiking is op 19 januari 2012 de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt aan de griffier, omdat van verdachte geen woon-of verblijfplaats bekend was;

n. Blijkens een fotokopie van de voorzijde1 van een akte van uitreiking is op 29 februari 2012 getracht de dagvaarding uit te reiken op het adres [a-straat 1] [plaats] , maar bleek zulk niet mogelijk omdat er op het adres niemand is aangetroffen. Een bericht van aankomst is niet afgehaald en daarom is op 5 maart 2010 de akte teruggezonden aan de afzender;

o. Ter zitting van het Hof van 12 maart 2012 is verdachte niet verschenen en is verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de gronden als onder 1 weergegeven.2

5. Uit de omstandigheden zoals die hierboven onder 4j en 4k zijn vermeld, leid ik af dat de doorstreping van het woordje ‘wel’ in de akte hoger beroep een kennelijke vergissing is. De vermelding van een adres in die akte in handschrift is anders immers zonder enige zin. De vermelding van hetzelfde adres in handschrift in de schriftuur met grieven alsmede hetgeen overigens is vermeld onder 4a, 4c, 4f en 4i geeft steun aan de conclusie dat van een vergissing sprake is. Er is geen aanleiding aan te nemen dat het Hof hierover anders heeft geoordeeld, omdat een ander oordeel zonder enige toelichting onbegrijpelijk is.

6. Het voorgaande betekent dat door verdachte bij het instellen van hoger beroep in deze zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden als bedoeld in art. 588a, eerste lid onder c, Sv. De dagvaarding in hoger beroep is gelet op 4l en 4m hierboven geldig betekend, maar nu niet blijkt dat er enige mededeling is toegezonden aan het door verdachte bij het instellen van hoger beroep opgegeven adres was het Hof gelet op art. 590, derde lid, Sv gehouden de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te bevelen.

7. Het middel treft doel.

8. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Alleen van deze akte bevindt zich bij de in cassatie beschikbaar stukken slechts de voorzijde als fotokopie, terwijl de achterzijde ontbreekt.

2 De prangende vraag rijst of het Hof niet gehouden is tot een nadere overweging indien een verdachte een grievenformulier invult en het Hof desondanks de niet-ontvankelijkheid onder meer stoelt op het feit dat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend. Ik laat die vraag om doelmatigheidsredenen en omdat er niet over wordt geklaagd buiten bespreking.