Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:532

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-06-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
13/04146
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2813, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht; Landelijk procesreglement gerechtshoven. Bezwaar tegen akte niet-dienen. Onjuiste vermelding in roljournaal door administratieve vergissing. Functie roljournaal. Vertrouwen advocaat op juistheid van (niet-correcte) vermelding in roljournaal van het op de rol verhandelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2015/14
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 13/04146

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 6 juni 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[eiseres]

tegen

1. [verweerster 1]

2. ASR Schadeverzekering N.V.

Het gaat in deze letselschadezaak om de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat het recht om van grieven te dienen is vervallen.

1. Procesverloop 1

1.1 Bij inleidende dagvaardingen van 21 en 24 november 20112 hebben de wettelijk vertegenwoordigers van de destijds minderjarige eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) verweersters in cassatie (hierna: [verweersters]) gedagvaard voor de rechtbank Arnhem en daarbij – kort gezegd – veroordeling van [verweersters] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 36.151,60 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, en van € 15.618,78 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [verweersters] in de proceskosten van zowel onderhavige procedure als die van het voorlopig getuigenverhoor.

1.2 De rechtbank heeft het gevorderde bij eindvonnis van 27 juni 2012 afgewezen.

1.3 [eiseres] is bij exploten van 25 september 20123 van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De zaak is op de rol van 27 november 2012 aangebracht.

Het jegens [verweersters] op die datum verleende verstek is op de rol van 19 februari 2013 gezuiverd.

1.4 [eiseres] heeft op de rol van 27 november 2012 een termijn tot 8 januari 2013 gekregen voor de memorie van grieven.

Vervolgens is haar op de rol van 8 januari 2013 een uitstel voor de memorie van grieven verleend tot 19 februari 2013 en op de rol van 19 februari 2013 een uitstel tot 2 april 2013.

1.5 [verweersters] hebben [eiseres] op 21 februari 2013 partijperemptoir aangezegd alsmede akte niet-dienen indien de memorie van grieven niet uiterlijk op 16 april 2013 zou worden genomen.

1.6 Op de rol van 16 april 2013 heeft [eiseres] geen memorie van grieven genomen en is jegens haar akte niet-dienen verleend. De zaak is verwezen naar de rol van 7 mei 2013 voor beraad aan de zijde van [verweersters]

1.7 [verweersters] hebben daarop arrest gevraagd.

Het hof4 heeft bij arrest van 28 mei 2013 “het hoger beroep verworpen”5.

1.8 [eiseres] heeft tegen dit arrest tijdig6 cassatieberoep ingesteld.

[verweersters] hebben geconcludeerd tot verwerping.

Partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk toegelicht, waarna zij nog hebben gediend van re- en dupliek7.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel, dat zes onderdelen bevat, richt zich tegen de rechtsoverwegingen 3.1 en 3.2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“3.1 Gelet op de jegens [eiseres] verleende akte niet-dienen, is haar recht op het nemen van de memorie van grieven vervallen. Het door haar tegen de akte niet-dienen gemaakte bezwaar kan daaraan niet afdoen. Uit hetgeen [eiseres] in dat kader heeft aangevoerd volgt dat zij erkent dat de akte niet-dienen tijdig is aangezegd. Ingevolge het bepaalde in artikel 2.13 LPR wordt ervan uitgegaan dat de partij die de aanzegging heeft gedaan, die ook handhaaft. [eiseres] wist mitsdien dat zij op 16 april 2013 van grieven moest dienen, bij gebreke waarvan jegens haar akte niet-dienen verleend zou worden. Blijkens de aantekeningen van de griffie is op 2 april 2013 de zaak ook verwezen naar de rol van 16 april 2013 met de aantekening “PP + AND”. Dat dit wellicht, zoals [eiseres] aanvoert, op 3 april 2013 (nog) niet op die wijze in het roljournaal was bekend gemaakt, kan daaraan, mede gelet op het bepaalde in artikel 1.12 LPR, niet afdoen. De werking van de aanzegging akte niet-dienen is niet afhankelijk van de bekendmaking in het roljournaal daarvan. [eiseres] mocht, gelet op de aan haar gedane aanzegging en het bepaalde in artikel 1.12 LPR, niet zonder meer afgaan op (het ontbreken van) de bekendmaking in het roljournaal op 3 april 2013. Gelet op de kennelijke discrepantie tussen de gedane aanzegging en die bekendmaking, had het op de weg van [eiseres] gelegen om daarover contact op te nemen met de griffie en/of de wederpartij of om op een later moment het roljournaal (dat volgens [verweersters] in ieder geval op 4 april 2013 wel vermeldde dat de zaak was verwezen naar de rol van 16 april 2013 voor memorie van grieven onder aanzegging van partijperemptoir/akte niet-dienen) nogmaals te raadplegen. Dat zij dit niet heeft gedaan en ervoor heeft gekozen om ondanks de gedane aanzegging niet op 16 april 2013 van grieven te dienen, dient voor haar rekening te blijven.

3.2

Aangezien [eiseres] tegen het bestreden vonnis geen grieven heeft aangevoerd, dient het hoger beroep te worden verworpen. [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van hoger beroep aan de zijde van [verweersters]”

2.2

Alvorens op het cassatiemiddel in te gaan, geef ik een overzicht van de feitelijke gang van zaken vanaf 19 februari 2013, zoals dat blijkt uit het overgelegde extract uit de minuten van de rolzitting van 2 april 2013 van het hof Arnhem-Leeuwarden8:

Roldatum

Status

gebeurtenis

Uitkomst

19-02-2013

Memorie van grieven

Aangehouden

19-02-2013

02-04-2013

(…)

Memorie van grieven

(…)

(…)

Aangehouden

16-04-2013

Memorie van grieven / Partij peremptoir + akte niet dienen

Memorie van grieven niet genomen

16-04-2013

Akte van niet dienen gevraagd + verleend

Akte van niet dienen gevraagd + verleend

07-05-2013

Beraad geïntimeerde / uitlaten voornemen instellen incidenteel appel of arrest

Geïntimeerde vraagt arrest / + appellant maakt bezwaar tegen akte van niet-dienen en dient memorie van grieven in - mvg wordt geweigerd en akte niet-dienen blijft gehandhaafd

28-05-2013

Arrest / op griffiedossier

Eindarrest gewezen”

2.3

Zowel in hoger beroep als in cassatie is daarnaast een afdruk overgelegd9 van het “Journaal Civiel Gerechtshoven” van 3 april 2013. Daarin staat – voor zover thans van belang – het volgende vermeld:

“datum

handeling

aanvulling

uitkomst

07-05-2013

Memorie van grieven

aantal aanhoudingen: 3x

02-04-2013

Memorie van grieven

(…) aantal aanhoudingen: 2x

(…)

19-02-2013

Memorie van grieven

(…)”

2.4

In het hiervoor in 2.2 geciteerde extract zijn met betrekking tot de roldatum 16 april 2013 twee vermeldingen opgenomen: de eerste met als status “Memorie van grieven / Partij peremptoir + akte niet dienen” en als uitkomst “Memorie van grieven niet genomen” en de tweede met als status en als uitkomst “Akte van niet dienen gevraagd + verleend”.

Dit brengt – gelet op art. 2.13, derde alinea en derde volzin Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR)10 – mee dat de aanzegging partijperemptoir en akte niet-dienen ter rolle van 2 april 2013 bekend was bij het hof, aangezien het hof de zaak anders niet had kunnen verwijzen naar de rolzitting van 16 april 2013 voor memorie van grieven.

2.5

Blijkens de in het geding gebrachte afdruk van het roljournaal is echter ter rolle van 16 april 2013 geen akte niet-dienen verleend, maar is een uitstel van vier weken voor memorie van grieven tot 7 mei 2013 gegeven.

2.6

Kern van het middel is de klacht – zakelijk en sterk verkort weergegeven – dat de advocaat van [eiseres] door de, achteraf gebleken, foutieve vermelding in het roljournaal op het verkeerde been is gezet en er vanuit mocht gaan dat zijn uitstelverzoek van 26 maart 2013 op de rol van 2 april 2013 is gehonoreerd met een uitstel tot 7 mei 2013 voor het nemen van grieven.

2.7

Ik plaats eerst enkele kanttekeningen.

Uitgangspunt is dat [eiseres] in de procedure bij het hof is vertegenwoordigd door een advocaat. Op grond van zijn deskundigheid en kennis moet een advocaat zonder meer worden geacht op de hoogte te zijn van de ten aanzien van de procedure in hoger beroep geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die zijn verbonden aan overschrijding daarvan. Daar komt bij dat het niet aan het hof is om partijen apart op de hoogte te stellen van het verhandelde op de rol, dan wel om te verifiëren of zij de strekking daarvan hebben begrepen. Ook art. 6 EVRM brengt een dergelijke verplichting niet met zich.

Wanneer evenwel sprake is van verwarringwekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie kan een strikt handhaven van de in de procedure in hoger beroep aan de orde zijnde termijnen een onbillijkheid van overwegende aard opleveren11.

2.8

Art. 1.2, aanhef en onder n, LPR bepaalt dat onder “Roljournaal” wordt verstaan “een voor advocaten door middel van het internet toegankelijke weergave van het op de rol verhandelde”. Een roljournaal vormt daarmee een verslag van dat wat op de rolzitting heeft plaatsgevonden.

Art. 1.12 LPR schrijft voor dat het op de rol verhandelde uiterlijk twee dagen daarna op “Roljournaal” bekend wordt gemaakt.

2.9

Vaste rechtspraak is dat indien op de juiste wijze akte niet-dienen is aangezegd tegen een bepaalde roldatum en de vereiste proceshandeling niet op die roldatum wordt verricht vanwege art. 133 lid 4 Rv. het recht om dat te doen vervalt12 en de rolraadsheer in beginsel op dat moment13 – of: indien de zaak rechtsgeldig is geschorst: nadien14 – akte niet-dienen verleent.

2.10

De aanzegging partijperemptoir en akte niet-dienen is op 21 februari 2013 door de advocaat van [verweersters] gedaan tegen 16 april 201315.

Art. 1.7 en 2.13 LPR sluiten evenwel niet uit dat de partij aan wie op juiste wijze akte niet-dienen is aangezegd, op de voet van art. 1.9 LPR het hof verzoekt om uitstel tot het verrichten van een proceshandeling op grond van klemmende redenen of overmacht16. Dit was kennelijk wat de advocaat van [eiseres] beoogde te doen toen hij op 26 maart 2013 via het door het systeem aangeboden H5-formulier een (standaard)uitstel van vier weken op de voet van art. 2.11 LPR verzocht17. Berichten aan het hof kunnen overeenkomstig art. 1.8, eerste volzin LPR ook niet anders worden gedaan dan via een H-formulier.

2.11

Ik meen dat in dit geval sprake is van verwarringwekkende informatie.

Toen de advocaat van [eiseres] bij raadpleging van het systeem op 3 april 2013 bleek dat de zaak conform het door hem gedane verzoek was aangehouden tot 7 mei 2013, mocht hij erop vertrouwen dat dit ook de voorziening weergaf die op de rolzitting van 2 april 2013 was getroffen en dat het hof kennelijk aan de (rechtsgeldige) aanzegging partijperemptoir/akte niet-dienen geen en aan zijn uitstelverzoek wel gevolg had gegeven18.

M.i. had het hof, op het moment dat duidelijk was dat de weergave in het roljournaal niet overeenstemde met dat wat op de rol van 2 april 2013 had plaatsgevonden, partijen daarvan tijdig op de hoogte moeten stellen en had het hof – zo deze kennisgeving werd gedaan op een moment dat op 16 april 2013 onmogelijk meer van grieven kon worden gediend – [eiseres] een redelijke termijn moeten gunnen om alsnog van grieven te dienen. Het niet (tijdig) dienen van grieven leidt immers voor de appellant tot het ingrijpende gevolg dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen zijn bezwaren tegen de uitspraak waarvan beroep aan een hogere rechter voor te leggen.

Anders dan het hof heeft geoordeeld was het gezien de omstandigheden niet aan [eiseres] om contact op te nemen met de griffie en/of [verweersters] om het roljournaal op een later moment nogmaals te raadplegen.

Vast staat dat het hof een kennisgeving als hiervoor bedoeld niet heeft gedaan, zodat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in het slot van 2.7.

2.12

Het middel is in zoverre terecht voorgedragen. De afzonderlijke onderdelen behoeven geen bespreking meer. Het bestreden arrest dient te worden vernietigd.

Met betrekking tot de verwijzing bestaat er m.i. aanleiding om de zaak op de voet van art. 422a Rv. terug te wijzen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden omdat dit hof nog geen inhoudelijke beslissingen in deze zaak heeft gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2013 en tot terugwijzing naar dit hof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gelet op de in cassatie voorliggende vraag laat ik vermelding van de door de rechtbank Arnhem in haar vonnis van 27 juni 2012 (rov. 2.1-2.2) vastgestelde feiten achterwege. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 14 maart 2012 en van 27 juni 2012, beide rov. 1.1-1.2 en voor het procesverloop in hoger beroep het in cassatie bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2013, rov. 2.1-2.4.

2 Het B-dossier bevat niet het exploot van 24 november 2011 (nr. 2 A-dossier).

3 Het A-dossier bevat het exploot dat is betekend aan de advocaat in vorige instantie, terwijl het B-dossier de twee aan [verweersters] betekende exemplaren bevat.

4 Gelet op art. CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart, Stb. 2012, 313, is in deze vóór 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

5 Aldus het hof in zijn – op de cassatieleest geschoeide – dictum van het bestreden arrest, alsmede in rov. 3.2. M.i. had het hof appellante in het dictum niet-ontvankelijk dienen te verklaren in haar hoger beroep (er waren immers geen grieven aangevoerd).

6 De cassatiedagvaarding is op 9 augustus 2013 uitgebracht.

7 De inhoud van beide procesdossiers komt niet overeen. Naast de hiervoor in voetnoten 2 en 3 genoemde discrepanties, ontbreekt in het B-dossier de brief van mr. J.L. Brens aan de rechtbank van 11 april 2012 met één productie (nr. 6 A-dossier), het uittreksel uit het audiëntieblad van 2 april 2013 (nr. 10 A-dossier) en de brieven van mr. J.L. Brens aan het hof van respectievelijk 25 en 26 april 2013 (nrs. 11 en 12 A-dossier). De brief van 25 april 2013 bevindt zich overigens wel als bijlage bij de cassatiedagvaarding.

8 Nr. 10 A-dossier.

9 Prod. bij de brief van mr. J.L. Brens van 25 april 2013 aan het hof (nr. 11 A-dossier) en bijlage bij de cassatiedagvaarding.

10 Op grond van het bepaalde in art. 10 lid 2 LPR is op deze zaak de derde versie (januari 2013, Stcrt. 2012, 26605) toepasselijk.

11 Vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0721, NJ 2013/491, rov. 3.4.

12 Vgl. art. 1.7, tweede alinea LPR.

13 Zoals in de zaak van HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5664, NJ 2013/399; HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9024, NJ 2013/28 en van HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, NJ 2012/158. Zie in dit verband voorts de noot van Rutgers onder HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405 onder 6 en 7 en onder 2.8-2.11 van de conclusie van A-G Asser vóór HR 4 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7220, NJ 1998/220, m.nt. H.J. Snijders.

14 Zoals in de zaak van HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7671, NJ 2012/513, m.nt. H.J. Snijders.

15 Zie hiervoor 1.5. Dat de advocaat van [eiseres] van deze aanzegging op de hoogte was volgt uit p. 2, vierde alinea van zijn in voetnoot 9 bedoelde brief.

16 In welk geval de beslissing op dat verzoek zodanig tijdig dient te zijn dat – ingeval van weigering – de verzoeker nog voldoende gelegenheid heeft om de handeling waarvoor uitstel wordt gevraagd te verrichten, zie HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1774, NJ 2013/376, m.nt. A.I.M. van Mierlo; JBPr 2011/50, m.nt. K. Teuben, rov. 3.4.3 en 3.4.4.

17 Zie p. 1, vierde alinea van de in voetnoot 9 genoemde brief. Van een dergelijk verzoek blijkt evenwel niets uit de procesdossiers. In cassatie lijken de datum en de inhoud van het verzoek overigens niet ter discussie te staan. Uit p. 1, derde alinea volgt tevens dat de raadsman van [verweersters] zich op 24 april 2013 middels een H16-formulier tot het hof heeft gewend met het verzoek de op 22 april 2013 ingediende memorie van grieven niet te accepteren gezien de op de rol van 16 april 2013 gevraagde en verleende akte niet-dienen. Ook van dit verzoek blijkt verder niets uit de procesdossiers.

18 Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202, rov. 3.2-3.4.