Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:520

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-04-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
13/03082
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1371, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/03082

Mr. Vegter

Zitting 8 april 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 mei 2013 de verdachte ter zake van 1. “medeplegen van poging tot doodslag” en 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald. Verder heeft het Hof het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis, evenals het verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling, afgewezen.

2. Mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 25 maart 2011 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet viermaal, althans meermalen met een (semi automatisch) pistool, (op korte afstand) in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering (met weglating van voetnoten):

“Vaststelling van de feiten en omstandigheden

Het hof gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Op 25 maart 2011 om 23.48 uur komt bij de politie een melding binnen van een schietpartij in Delft. Later blijken twee personen, zijnde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], te zijn beschoten. [slachtoffer 1] verklaart dat de schutter een blanke man is en dat deze samen met een donkere man was. [slachtoffer 1] omschrijft de donkere man als volgt: donker getinte huid, 1.80 meter lang, met een zwarte bivakmuts op. Getuige [getuige 1] omschrijft de donkere man als volgt: licht getinte man, ongeveer 22 jaar, donker krullend haar tot aan de oren en met een normale ronding van zijn gezicht. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij door twee mannen, voorzien van bivakmutsen, werd ingesloten, de blanke man (de latere schutter) had toen al het wapen in zijn hand. De blanke man zei "blijf staan, ik maak je dood", of woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 1] rende weg, en de blanke man achtervolgde hem. De donkere man probeerde [slachtoffer 1] vervolgens via het trappenhuis in te sluiten, wat net niet lukte. [slachtoffer 1] sprong van de eerste etage van de flat naar beneden, de bosjes in. Hij hoorde dat vier schoten werden afgevuurd. Op de balustrade van de derde etage van Bachflat voor perceel Bachsingel 57 en op het trottoir onder de flat zijn diverse hulzen, manteldelen en inschoten aangetroffen. [slachtoffer 1] is niet in het lichaam geraakt, maar in zijn jas zijn twee kogelgaten aangetroffen. [slachtoffer 2] is daarop achter de schutter aangerend, op welk moment wederom werd geschoten door dezelfde schutter. [slachtoffer 2] werd daarbij door een kogel geraakt in zijn buik.

Nadat [slachtoffer 1] en daarna [slachtoffer 2] zijn beschoten, neemt de schutter plaats op de passagiersstoel van de auto die door een donkere man wordt bestuurd. De auto rijdt met hoge snelheid weg. Getuigen [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 2] noteren het kenteken van de vluchtauto [AA-00-BB]. Dit kenteken blijkt te horen bij een Honda Civic die diezelfde dag op naam van de verdachte is gesteld, hetgeen door de verdachte is bevestigd.

De verdachte wordt op 8 a p r i l 2011 aangehouden. In de slaapkamer van zijn woning wordt een semi-automatisch pistool met 15 patronen gevonden. Het betreft een wapen en munitie van categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie. Het wapen is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. Uit dit onderzoek volgt dat de hypothese dat de hulzen en kogels die op de plaats delict zijn aangetroffen met dit pistool zijn verschoten door een deskundige zeer veel waarschijnlijker wordt bevonden dan de hypothese dat de op de plaats delict aangetroffen kogels en hulzen zijn verschoten met een ander pistool. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat het bij de verdachte in zijn slaapkamer gevonden vuurwapen is gebruikt bij de schietpartij.

Uit een analyse van de historische telefoongegevens van de onder verdachte in beslag genomen telefoon met het telefoonnummer 06-[001], waarvan verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer is, volgt dat deze om 23.35 uur - minder dan een kwartier voor de eerste melding van de beschietingen - op of in de buurt van de plaats delict is geweest. Ook de auto van de verdachte is ten tijde van de beschietingen in de buurt van de plaats delict te plaatsen, immers [slachtoffer 2] is met twee andere getuigen direct achter deze auto aangereden en zij hebben tijdens deze achtervolging het kentekennummer telefonisch aan de politie doorgegeven.

(…)

Voorwaardelijk opzet

Ten aanzien van het subsidiaire verweer van de raadsman overweegt het hof als volgt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op het moment dat hij de twee mannen zag, de latere schutter het vuurwapen reeds in de hand hield en dat deze "blijf staan of ik schiet" heeft geroepen, dat hij toen is gevlucht en is achtervolgd, waarbij de donkere man hem trachtte in te sluiten. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte wist dat zijn medeverdachte een vuurwapen had en dat hij heeft gezien dat deze [slachtoffer 1] met het vuurwapen heeft bedreigd. Uit de omstandigheid dat de verdachte vervolgens heeft getracht [slachtoffer 1] in te sluiten blijkt dat de verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van de gedragingen van zijn medeverdachte.

Gelet op de gedragingen van de verdachte voor, tijdens en na de bedreigingen, zoals uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt, is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte het aanmerkelijke risico dat [slachtoffer 1] zou kunnen worden neergeschoten en daarbij het leven zou kunnen verliezen willens en wetens heeft aanvaard. Op grond van het vorenstaande is naar 's hofs oordeel genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte en zijn medeverdachte afdoende nauw en bewust hebben samengewerkt zodat er sprake is geweest van medeplegen.”

3.4. Voor zover het middel klaagt dat niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden opgemaakt dat de medepleger van de verdachte op “korte” afstand in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschoten, is het terecht voorgesteld. Deze misslag in de bewezenverklaring is echter van ondergeschikt belang. Uw Raad zou de bewezenverklaring verbeterd, met weglating van dit onderdeel, kunnen lezen. Door deze verbeterde lezing komt de feitelijke grondslag aan de klacht te ontvallen, zodat het middel in zoverre faalt.

3.5. Het middel bevat voorts de klacht dat verdachtes opzet op de dood van Inees niet uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid. Wellicht kan worden gesproken van opzet gericht op het medeplegen van een diefstal met geweld of afpersing, maar niet, althans niet zonder meer, gericht op de levensberoving van [slachtoffer 1]. Deze klacht is gestoeld op het uitgangspunt ( onder 1.8, eerste zin) dat “het opzet van de schutter gelegen is geweest in een afpersing c.q. diefstal met geweld, zodat hiervan in cassatie moet worden uitgegaan.“ Als reden daarvan noemt de steller van het middel als ik hem goed begrijp dat het Hof in het arrest niet heeft betwist dat verdachte ter zitting naar voren heeft gebracht dat het opzet van de schutter (zijn medeverdachte) op afpersing c.q. diefstal met geweld was gericht. Niet alleen staat niet zonder meer vast dat verdachte dit naar voren heeft gebracht –hij ontkent alles-, maar zelfs als er vanuit wordt gegaan dat verdachte heeft verklaard dat het opzet van de schutter op afpersing was gericht betekent dat nog niet dat dat in cassatie vast staat, ook niet als het Hof het in het midden laat. Ik mag toch aannemen dat de steller van het middel niet serieus meent dat elke verklaring van een verdachte ter zitting zonder meer in cassatie vast staat als het Hof daarover niets zegt. Gelet hierop ontvalt dus in zoverre de feitelijke grondslag aan deze klacht.

3.6. En los van het voorgaande kan deze klacht evenmin tot cassatie leiden. Het voor medeplegen van doodslag vereiste opzet van een verdachte dient niet alleen te zijn gericht op de samenwerking met zijn medeverdachte(n), maar ook op het gevolg van het delict, te weten de dood van het slachtoffer. Daartoe moet hij met de medeverdachte(n) hebben samengewerkt. Uit de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden vloeit naar mijn mening duidelijk voort dat en op welke wijze de verdachte met zijn medeverdachte nauw en bewust heeft samengewerkt teneinde [slachtoffer 1] van het leven trachten te beroven. Op 25 maart 2011 hebben verdachte en zijn medeverdachte, beiden voorzien van bivakmutsen, [slachtoffer 1] ingesloten. Vervolgens heeft de medeverdachte gezegd “blijf staan, of ik maak je dood” met daarbij een vuurwapen in zijn hand. [slachtoffer 1] is weggerend en de medeverdachte heeft de achtervolging ingezet. De verdachte heeft geprobeerd via het trappenhuis [slachtoffer 1] in te sluiten, wat net niet lukte. [slachtoffer 1] is toen van de eerste etage van de flat naar beneden gesprongen, de bosjes in. Hij heeft gehoord dat er vier schoten werden afgevuurd. Op de balustrade van de derde verdieping zijn later diverse hulzen, manteldelen en inschoten aangetroffen. Nadat getuige [slachtoffer 2] achter de medeverdachte is aangerend – en door een kogel wordt getroffen in zijn buik – vluchten de verdachte en zijn medeverdachte in een auto die op naam van de verdachte staat en ook op dat moment door hem wordt bestuurd. Op 8 april 2011 wordt de verdachte aangehouden. In zijn slaapkamer wordt in een plastic tas een semi-automatisch pistool met vijftien patronen aangetroffen.

3.7. Het oordeel van het Hof dat verdachte aldus en onder die omstandigheden handelend zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat Inees mede door zijn toedoen zou overlijden en dat derhalve het opzet van verdachte in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van Inees was gericht, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

3.8. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.1. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 ontoereikend is gemotiveerd, in het licht van een gevoerd verweer.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 25 maart 2011 tot en met 8 april 2011 te Rotterdam, althans in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool (merk CZ, type CZ-99), en munitie van categorie III, te weten vijftien volmantel patronen (kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad.”

4.3. Het Hof heeft ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen het volgende overwogen:

“Zoals reeds overwogen heeft het hof vastgesteld dat het vuurwapen als aangetroffen op de kamer van de verdachte het vuurwapen betreft waarmee zijn medeverdachte op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Voorts heeft het hof reeds vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het door zijn medeverdachte gebruikte wapen. Derhalve is het hof van oordeel dat de verdachte tevens wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het vuurwapen op zijn kamer.

Hierbij is tevens redengevend geacht dat de verdachte op 8 april 2011 in zijn kamer aanwezig was toen het vuurwapen daar werd aangetroffen.”

4.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2012 heeft de verdachte aldaar, voor zover hier van belang, verklaard:

“U houdt mij voor de bevindingen uit het rapport van het NFI d.d. 24 mei 2011. Ik zeg u dat dit wapen door [betrokkene 1] in mijn kamer is gelegd. Voordat wij op 25 maart 2011 naar Arnhem gingen was hij in mijn kamer. Ik was mijn spullen aan het pakken en ik ging naar het toilet en dergelijke. Hij heeft toen voldoende mogelijkheid gehad het wapen in mijn kamer te leggen. [betrokkene 1] heeft ook aan [betrokkene 2] verteld dat hij het wapen dat in mijn kamer is aangetroffen daar heeft neergelegd toen ik op het toilet was. Ik heb het wapen nooit gezien.”

4.5. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 mei 2013 gehechte pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

“Zoals uit het dossier blijkt is het vuurwapen in een plastic tasje van de Lidl aangetroffen, dat open en bloot in zijn slaapkamer lag (blz. 68). Dit tasje is cliënt niet opgevallen. Cliënt woonde pas sinds korte tijd in de woning en was zelfs nog niet eens klaar met het uitpakken van zijn spullen. Van een zekere bewustheid met betrekking tot de aanwezigheid van het vuurwapen kan dan ook geen sprake zijn, laat staan dat er een zekere vorm van machtsuitoefening met betrekking tot het wapen mogelijk was. Dit wordt onderstreept door het gegeven dat er geen DNA noch andere dactyloscopische sporen zijn aangetroffen op het wapen en het Lidl tasje (blz. 681). Gelet op het bovenstaande dient de mogelijkheid dat het wapen er door een ander is neergelegd niet zonder meer te worden uitgesloten.”

4.6. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van art. 26 Wet wapens en munitie (verder: WWM), is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen (vgl. HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403, NJ 1999/152 ten aanzien van art. 13 WWM).

4.7. Het Hof heeft de door de verdediging gestelde toedracht kennelijk hoogst onwaarschijnlijk geacht. Dat oordeel is, nu het aangevoerde niet meer inhoudt dan de enkele, niet nader gespecificeerde bewering dat het vuurwapen waarschijnlijk door de medeverdachte in de slaapkamer van de verdachte is achtergelaten toen verdachte naar de wc was, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring ook in het licht van hetgeen aldus is aangevoerd toereikend is gemotiveerd en dat, anders dan het middel betoogt, het Hof dus niet de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte zich niet in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen in diens slaapkamer. Dit oordeel van het Hof moet ook worden bezien in het licht van de verklaring van de ter terechtzitting van het Hof van 14 mei 2013 gehoorde getuige [betrokkene 2] onder meer inhoudende dat zij [betrokkene 1] niet heeft gesproken.

4.8. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

5. De middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden