Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:515

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-04-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
12/04390
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1366, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Samenweefsel van verdichtsels, art. 326 Sr. Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld a.b.i. art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. De bewezenverklaring, v.z.v. inhoudende dat verdachte betrokkene door een samenweefsel van verdichtsels, te weten dat hij bedrieglijk in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar van een personenauto en deze personenauto ter verkoop heeft aangeboden en een tenaamstelling van de personenauto heeft overhandigd, heeft bewogen tot afgifte van geld kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet uit ’s Hofs bewijsvoering worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04390

Mr. Vegter

Zitting 8 april 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 september 2012 de verdachte ter zake van zaak A onder 1 primair “een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren”, zaak A onder 2 “oplichting”, zaak A onder 3 “poging tot oplichting” en van zaak B ”handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen voor € 16.000,- en de vordering van benadeelde partij [betrokkene 2] tot een bedrag van € 14.300,- en heeft de vordering van [betrokkene 2] voor het overige afgewezen. Het Hof heeft corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Tot slot heeft het Hof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf (parketnummer 14-810597-10) gelast, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.



2. Mr. D.N. de Jonge, advocaat te Haarlem, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel komt op tegen ’s Hofs bewezenverklaring van het tweede feit van zaak A met de klacht dat de bewezenverklaring niet kan worden gekwalificeerd als oplichting, althans niet als een ‘samenweefsel van verdichtsels’ zoals bedoeld in art. 326 Sr.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“2 [zaak A]:hij omstreeks 22 juni 2011 te Arkel, gemeente Giesenlanden, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 2] heeft bewogen om tot de afgifte van een geldbedrag van 14.300 euro, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – bedrieglijk in strijd met de waarheid zich voorgedaan als rechtmatige eigenaar van een personenauto (Mercedes E280 CDI) en deze personenauto ter verkoop aangeboden en een tenaamstelling van de personenauto overhandigd, waardoor [betrokkene 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van zaak A feit 2

1. Een proces-verbaal met nummer PL820 2011666917-1 van 27 juni 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina's 44 tot en met 47). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 2]:

Op 21 juni kwam [verdachte] bij mijn autobedrijf [B] te Arkel, gemeente Giessenlanden. Hij bood mij een Mercedes E280 CDI voorzien van het kenteken [AA-00-BB] te koop aan. Ik wilde de auto wel van hem kopen. Hij had het overschrijvingsbewijs en de tenaamstelling van deze auto bij zich. Toen ik de auto wilde vrijwaren gaf de RDW aan dat het kentekenbewijs niet recent was. lk heb toen gebeld met de RDW en die zeiden dat het nieuwe kentekenbewijs net die dag op de post zou gaan. Op 22 juni 2011 heb Ik € 14.300,00 overgemaakt op de ING rekening [001] t.n.v. [verdachte]. Ik zou nog €2.000,00 contant betalen als ik de kentekenpapieren ging ophalen bij [verdachte]. Ik heb met hem afgesproken, nadat hij mij belde dat hij het kentekenbewijs binnen had, maar hij kwam niet opdagen. Ik kreeg daarna totaal geen contact meer met [verdachte].

2. Een geschrift, te weten een afschrift betaalrekening ING op naam van [verdachte] te Warmenhuizen van 15 juli 2011, rekeningnummer [001] (doorgenummerde pagina 96). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Geboekt op: 22 JUN

Omschrijving: spoedbetaling DM auto's Gorinchem restant aankoop Mercedes e 280 [AA-00-BB]

Code: OV

Af/bij: Bij

Bedrag: € 14.300,00”

6. Dat verdachte het (onder meer) in de autohandel niet nauw neemt is in de onderhavige zaak niet voor discussie vatbaar, maar het middel stelt de vraag aan de orde of het arrest van het Hof voldoende is om de veroordeling ter zake van oplichting door een samenweefsel van verdichtsels (feit 2 in zaak A) in stand te laten. De koop van de auto is onderdeel van de bewezenverklaring in zaak A feit 1 primair (een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren). Met betrekking tot die door verdachte blijkens die bewezenverklaring van feit 1 op 11 juni 2011 gekochte auto heeft hij zich omstreeks 22 juni 2011 volgens de bewezenverklaring van feit 2 in zaak A voorgedaan als rechtmatige eigenaar.

Het Hof heeft er voor gekozen de bewijsmiddelen voor beide feiten in de aanvulling afzonderlijk op te nemen. De bewijsmiddelen die gebruikt zijn voor het eerste feit kunnen daarmee niet zonder meer ook worden betrokken bij het tweede feit, terwijl deze daarvoor wel een zekere betekenis kunnen hebben. Uit de bewijsmiddelen bij het eerste feit blijkt dat de auto op 11 juni 2011 gekocht is voor een bedrag van € 29.950,-, dat de auto op 15 juni 2011 nog niet betaald was, dat op 20 juni 2011 aangifte is gedaan en dat aangever de auto op 23 juni 2011 in de showroom van garagebedrijf [B] heeft zien staan, terwijl blijkens de bewijsmiddelen bij het tweede feit verdachte de auto op 21 juni 2011 te koop heeft aangeboden aan [betrokkene 2] voor een bedrag van (kennelijk in totaal) € 16.300,- (betaald €14.300,- en nog te betalen € 2.000,-).

7. Volgens de bewezenverklaring komen als verdichtsel in aanmerking; 1. het zich voordoen als rechtmatige eigenaar; 2. het aanbieden van de personenauto; 3. het overhandigen van de tenaamstelling.1 Is hier nu mede gelet op de context niet in de kern hooguit sprake van een enkele leugen en dus niet van een opeenstapeling2 daarvan (samenweefsel van verdichtsels)? Is voldoende gemotiveerd bewezen dat verdachte niet de rechtmatige eigenaar was of anders gezegd waaruit volgt dat verdachte niet gewoon de rechtmatige eigenaar was? Vormt het overhandigen van een tenaamstelling een zelfstandig verdichtsel?

8. Voor de beoordeling van het middel is het arrest van 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279 m.nt. J. Reijntjes3 van belang. In r.o. 3.2. valt te lezen:

“Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.”

9. De hierboven onder 5 opgenomen bewijsconstructie voor het tweede feit bestaat uit niet meer dan een opsomming van twee bewijsmiddelen en is erg algemeen. Uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat er sprake is van een opeenstapeling van leugens, een samenweefsel van verdichtsels.

Dat er is betaald voor een auto blijkt uit bewijsmiddel 2 en het samenweefsel zou moeten volgen uit het eerste bewijsmiddel. Uit dat bewijsmiddel kan blijken dat de auto ter verkoop is aangeboden en dat verdachte een overschrijvingsbewijs en een tenaamstelling van de auto bij zich had. In ieder geval blijkt niet zonder meer uit dit bewijsmiddel dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar4 en evenmin dat verdachte met het overschrijvingsbewijs en de tenaamstelling meer heeft gedaan dan deze in zijn bezit te hebben. Uit het in bezit hebben van de tenaamstelling heeft het Hof kennelijk afgeleid dat verdachte die tenaamstellling ook heeft overhandigd. De omstandigheid dat bij het verzoek om vrijwaring blijkt dat het kenteken niet recent is, kan niet aangemerkt worden als een onderdeel van het samenweefsel van verdichtsels. Mij is niet zondermeer duidelijk welke betekenis het Hof aan deze omstandigheid voor het bewijs heeft toegekend. In het bewijsmiddel is namelijk ook nog opgenomen dat aangever wordt meegedeeld dat een nieuw kenteken net die dag op de post zou gaan. Dat het kentekenbewijs, zoals uit het bewijsmiddel blijkt, anders dan was afgesproken niet door verdachte aan aangever is verstrekt, kan ook niet als een verdichtsel worden aangemerkt. De gang van zaken rond het kenteken is door de steller van de tenlastelegging dan ook terecht niet tot een zelfstandig onderdeel van de tenlastelegging5 gemaakt en komt daarom evenmin in de bewezenverklaring voor. Intussen is mij evenmin duidelijk of en op welke wijze deze gang van zaken het samenweefsel kleur zou kunnen geven.

Als al zou worden aangenomen dat in de bewijsmiddelen besloten ligt dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar dan geldt nog het volgende. Het ter verkoop aanbieden van een auto terwijl je de rechtmatige eigenaar niet bent is hooguit een enkele leugen. Het in bezit hebben en overhandigen van een tenaamstelling is geen (zelfstandig) verdichtsel, maar hooguit een versterking van de leugen dat verdachte als rechtmatige eigenaar de auto ter verkoop aanbood. Van een openstapeling van leugens blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer.

10. Uit de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 kan evenmin worden afgeleid dat de mededelingen van verdachte mede gelet op de context in het bijzonder vertrouwenwekkend of indringend waren. Niet blijkt dat de mededelingen bepaald uitvoerig waren of dat ze veel werden herhaald. Evenmin blijkt van allerlei smoezen. Er blijkt niet meer en niet minder dan van een niet erg opvallend en doorgaans gebruikelijk patroon. Was de koopprijs die aanzienlijk lager (bijna de helft) ligt dan hetgeen minder dan twee weken tevoren moest worden betaald niet zodanig is dat er aanleiding had moeten zijn om een mogelijke onwaarheid te onderkennen? Zonder nadere (ontbrekende) motivering op dit punt acht ik het oordeel van het Hof evenmin zonder meer begrijpelijk.6 Kortom, het samenweefsel van verdichtsels ligt niet zonder meer besloten in de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De slotsom is dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid dat er sprake was van een samenweefsel van verdichtsels.

11. Is verdedigbaar dat verdachte geen belang heeft bij cassatie omdat de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen die in het kader van dat feit zijn gebezigd worden aangemerkt als een nadere motivering van het samenweefsel van verdichtsels? De bewezenverklaring en de voor het eerste feit opgenomen bewijsmiddelen bieden geen steun voor de conclusie dat er in het kader van feit 2 van een samenweefsel van verdichtsels sprake was, omdat ze compliceren, althans contra-indicaties bevatten. Als feit 1 is immers onder meer bewezenverklaard dat verdachte de auto heeft gekocht. Gelet daarop zou een nadere toelichting zijn vereist ten aanzien van de bij feit 2 bewezenverklaarde passage inhoudende dat verdachte zich in strijd met de waarheid voordeed als rechtmatig eigenaar. Waarom kan degene die op 11 juni 2011 een auto koopt die auto op 21 juni 2011 niet te koop aanbieden of verkopen, ook al is koopprijs nog niet betaald? In het handelsverkeer is een dergelijke gang van zaken niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig. Anders gezegd: ook hier geldt dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof van oordeel is dat verdachte zich in strijd met de waarheid heft voorgedaan als rechtmatige eigenaar. Daar komt nog bij dat de auto zich kennelijk op of kort na 21 juni 2011 ook feitelijk in de machtssfeer van [betrokkene 2] bevond, al staat niet zonder meer vast dat de auto aan [betrokkene 2] is overgedragen of zelfs geleverd. Het eerste bewijsmiddel bij feit 1 houdt namelijk in dat de verkoper van de auto, aangever [betrokkene 1], de auto op 23 juni 2011 in de showroom van [betrokkene 2] heeft zien staan.

12. Het eerste middel is terecht voorgesteld.

13. Het tweede middel, dat indien het eerste middel inderdaad slaagt geen bespreking behoeft, klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

14. Het cassatieberoep is ingesteld op 7 september 2012. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 juli 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de op acht maanden gestelde inzendingstermijn7 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen, voor zover het betreft de beslissingen van het Hof inzake feit 2 (zaak A) en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik zal onder 9 nog nader bespreken of er andere dan de uitdrukkelijk in de bewezenverklaring genoemde verdichtsels zijn. Die kunnen in aanmerking worden genomen, indien in navolging van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:964) ervan uit wordt gegaan dat de woorden samenweefsel van verdichtsels mede feitelijke betekenis hebben.

2 Zie bijvoorbeeld HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806 en de verwijzing naar literatuur en rechtspraak in de conclusie.

3 Zie voor de wetsgeschiedenis van de terminologie ook de aan de beslissing van de HR voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Aben.

4 Zie NLR aant. 9 op art 326 (online bijgewerkt tot 1 februari 2010). Er is ‘meer’ voor nodig, net als dat het enkele voordoen als een bonafide huurder (HR 13 november 2001, NJ 2002/262) of het zich enkel voordoen als koper (HR 14 mei 1991, NJ 1991/750 en HR 7 april 1998, NJ 1998/498) onvoldoende grond oplevert voor een valse hoedanigheid .

5 Ook voor het inlezen in het mede feitelijke begrip ‘samenweefsel van verdichtsels’ is hier geen ruimte, omdat geen sprake is van een verdichtsel.

6 De steller van het middel wijst op het door hem aan mijn ambtgenoot Knigge toegeschreven standpunt (ECLI:NL:PHR:2013:964 onder 4.10) dat de Hoge Raad aan de persoon(lijkheid) van het slachtoffer alleen betekenis toekent bij duidelijke tekorten in het psychisch en maatschappelijk functioneren. Het komt mij voor dat het toch verklaring behoeft als de handel te mooi is om waar te zijn. Een mogelijk louche opzetje waarbij de koper buiten spel blijft moet niet worden beloond.

7 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.