Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:514

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-02-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
12/03285
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1365, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onderzoek aan de kleding, art. 9.2 Ow. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte, tegen wie ernstige bezwaren bestonden t.z.v. overtreding van de Opiumwet, zich niet alleen heeft moeten ontkleden tot aan zijn onderbroek, maar ook dat de verbalisant vervolgens door met zijn hand in die onderbroek te gaan, daaruit een etui heeft gepakt. Het oordeel van het Hof dat dat laatste onderzoek kan worden aangemerkt als onderzoek aan de kleding – en dus niet aan het lichaam – is niet zonder meer begrijpelijk. Het Hof heeft in dat verband niet meer overwogen dan dat “de vorm van het etui in de onderbroek ook uitwendig zichtbaar moet zijn geweest”. Daarbij heeft het Hof echter in het midden gelaten op welke plaats in de onderbroek dat etui zichtbaar moet zijn geweest en hoe het onderzoek met de hand in de onderbroek is verricht. Overigens is evenmin zonder meer begrijpelijk het oordeel van het Hof dat het onderzoek “niet disproportioneel is”, nu uit niets blijkt waarom dat etui niet op een minder ingrijpende manier kon worden verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/03285

Mr. Spronken

Zitting 11 februari 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 juni 2012 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2010 onder aanvulling van gronden bevestigd. De verdachte is wegens “Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod” (feit 1) en “Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod”(feit 2), veroordeeld tot een gevangenisstraf van 106 dagen. Verder is in het door het hof bevestigde vonnis de tenuitvoerlegging gelast van een bij vonnis met parketnummer 13/420224-9 opgelegde straf en is de bij dat vonnis opgelegde proeftijd verlengd met 1 jaar en heeft de rechtbank daarbij de bijzondere voorwaarden gesteld zoals in het vonnis van 29 september 2010 opgenomen. Daarnaast is een geldbedrag verbeurd verklaard en is de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbedrag.

  2. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof onvoldoende gerespondeerd heeft op het door de raadsvrouw van de verdachte gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de vondst van 13 bolletjes cocaïne (feit 2) in een etui dat zich in de onderbroek van verdachte bevond en dat door de verbalisant uit die onderbroek is gehaald door zijn hand in die onderbroek te steken.

  4. Door de verdediging is bij het hof aangevoerd dat uit de processen-verbaal niet duidelijk blijkt op welke wettelijke grondslag de fouillering heeft plaatsgevonden – was het een insluitingsfouillering of een onderzoek aan de kleding op grond van art. 9 lid 2 Opiumwet – en dat hoe dan ook het met een hand in de onderbroek van verdachte gaan door de verbalisant, door het hof ten onrechte is aangemerkt als een onderzoek aan de kleding.

  5. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in zijn arrest als volgt weergegeven en verworpen:

“Ten aanzien van het als feit 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw namens de verdachte aangevoerd dat de bolletjes cocaïne die de verdachte in zijn ondergoed had als onrechtmatig verkregen bewijs uitgesloten moeten worden met vrijspraak van het ten laste gelegde als gevolg. Volgens de raadsvrouw hebben de verbalisanten op de eerste plaats de verbaliseringsplicht geschonden ten aanzien van de grondslag voor de fouillering van de verdachte, nu deze - kort gezegd - is "gewijzigd" van insluitingsfouillering naar onderzoek aan de kleding op grond van artikel 9, tweede lid van de Opiumwet. Op de tweede plaats was de wijze waarop de insluitingsfouillering werd verricht onrechtmatig, nu blijkens artikel 29 van Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren er, om van een ingeslotene te kunnen verlangen dat hij zich ontkleedt, sprake moet zijn van één van de gronden die in het voornoemde artikel genoemd worden en bovendien toestemming moet zijn gegeven door een hulpofficier van justitie. Bovendien geeft het voornoemd artikel geen bevoegdheid tot onderzoek in het ondergoed, dat immers verder gaat dan onderzoek aan de kleding, aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt op grond van de stukken in het dossier vast dat de verdachte na zijn aanhouding envoorgeleiding aan de hulpofficier van justitie op 15 juni 2010 aan een onderzoek is onderworpen. De fouillering werd - blijkens het proces-verbaal van 15 juni 2010 op dossierpagina's 6 en 7 - verricht door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in opdracht van de hulpofficier van justitie.

Op pagina 16 van het proces-verbaal is een nader proces-verbaal opgenomen, opgesteld door genoemde [verbalisant 2] naar aanleiding van hetgeen bij de verdachte werd aangetroffen: bolletjes vermoedelijk cocaïne en geld, en de plaats waar deze vondst werd gedaan, namelijk in een geel etui in de onderbroek van de verdachte. Het proces-verbaal vermeldt dat een insluitingsfouillering werd toegepast.

Tenslotte is op 2 juli 2010 een derde proces-verbaal opgemaakt door genoemde [verbalisant 2] waarin is aangegeven dat de verdachte met toestemming van de hulpofficier van justitie aan zijn kleding werd onderzocht op grond van artikel 9 lid 2 van de Opiumwet (toegevoegd aan het dossier bij faxbericht van 8 augustus 2010).

Het hof acht aannemelijk dat de verdachte op grond van artikel 9, tweede lid van de Opiumwet is onderzocht aan zijn kleding, gelet op het proces-verbaal van 15 juni 2010 (dossierpagina's 6 en 7) opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Aan dit oordeel draagt vooral bij de uitdrukkelijke vermelding van de opdracht van de hulpofficier van justitie; voor een normale insluitingsfouillering is die opdracht niet vereist. In het licht van dit oordeel is het noemen van de insluitingsfouillering in het tweede proces-verbaal op pagina 16 een kennelijke vergissing, die men met het aanvullend proces-verbaal heeft willen rechtzetten. Van onduidelijkheid is bij deze wijze van lezen van het dossier geen sprake, van schending van de verbaliseringsplicht evenmin.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte door deze gang van zaken niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Ten aanzien van de vraag of het zich laten ontkleden van de verdachte tot aan zijn onderbroek en het pakken door de verbalisant - volgens de verdachte - van het etui uit die onderbroek door zijn hand in die onderbroek te doen, verder gaat dan een 'onderzoek aan de kleding', geldt het volgende. Onderzoek aan de kleding in de zin van artikel 9, tweede lid van de Opiumwet mag grondig zijn indien ernstige bezwaren bestaan en zulks nodig is voor het onderzoek, met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het is goed voorstelbaar dat het onder omstandigheden voor een dergelijk onderzoek nodig is dat de verdachte zich van zijn kleding ontdoet. In het onderhavige geval bestonden er ernstige bezwaren tegen de verdachte van overtreding van de Opiumwet - naar aanleiding van onder meer de observatie van verbalisant [verbalisant 3], de aanhouding van de veronderstelde koper [betrokkene] en het vinden van enkele korrels vermoedelijke cocaïne in diens pijp (proces-verbaal van 15 juni 2010, dossierpagina's 14 en 15). Het zich moeten ontkleden tot aan de onderbroek is in dat geval niet disproportioneel. Dat geldt evenzeer voor het uit de onderbroek pakken door de verbalisant van het etui, waarbij het hof overweegt dat de vorm van het etui in de onderbroek ook uitwendig zichtbaar moet zijn geweest.

AI het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat de verweren van de raadsvrouw worden verworpen en de onder de verdachte aangetroffen bolletjes cocaïne rechtmatig zijn verkregen.”

6. De processen-verbaal waar in de overweging van het hof aan wordt gerefereerd houden, voor zover van belang voor de beoordeling van onderhavige zaak, het volgende in:

“Proces-verbaal
aanhouding (p. 6-7 dossier, AG)
(…)
Verdachte
Achternaam: [achternaam verdachte]

Voornamen: [voornaam verdachte]

(…)

Grond aanhouding

Op heterdaad als verdachte van: artikel 10/4 Opiumwet juncto artikel 2/B Opiumwet.
(…)

Onderzoek kleding

Op last van de voornoemde hulp officier van justitie werd de verdachte door de dienstdoende kamerwacht nader aan de kleding onderzocht, hierbij werden meerdere bolletjes met wit poeder, vermoedelijk cocaine en cash geld aangetroffen.

Deze goederen zijn inbeslaggenomen door collega [verbalisant 2].

Aan de verdachte is hiervoor later een bewijs van ontvangst uitgereikt.

Van de inbeslagname is een apart proces-verbaal van kennisgeving inbeslagname opgemaakt, welke zal worden bijgevoegd.


(…)

Waarvan door ons op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte is opgemaakt dit proces-verbaal dat wij sloten en ondertekenden te Amsterdam, op 15 juni 2010.


[verbalisant 1]

[verbalisant 2].”

“Proces-verbaal van bevindingen ( d.d. 15 juni 2010 p. 16 dossier, AG)

(…)

Verdachte

Naam: [achternaam verdachte] (man)

Voornamen: [voornaam verdachte]

(…)

Bij de verdachte [verdachte] is bij de insluitingsfouillering geld aangetroffen.

97,50 euro is aangetroffen samen met de bolletjes vermoedelijk cocaine. Het ging hier om coupures van 1X50, 4X10 euro en wat losgeld. Deze bolletjes en het geld zaten samen in een klein geel etui, welke aangetroffen is in de onderbroek van de verdachte [verdachte]. Deze etui is teruggegeven aan de verdachte.

(…)

Dit proces-verbaal is door mij op ambtsbelofte opgemaakt, gesloten en getekend te Amsterdam op 15 juni 2010.

De verbalisant,

[verbalisant 2]”

“Op vrijdag 2 juli 2010 te 12.10 stelde ik, [verbalisant 2] (19003), hoofdagent, dienstdoende bij District 1 Leiding, een onderzoek in. Naar aanleiding hiervan verklaar ik het volgende.

Verdachte
Naam: [achternaam verdachte] (man)

Voornamen: [voornaam verdachte]

(…)

Na toestemming van de dienstdoende Hulpofficier van Justitie is de verdachte aan zijn kleding onderzocht op grond van artikel 9 lid 2 van de Opiumwet.

Dit proces-verbaal is door mij op ambtsbelofte opgemaakt, gesloten en getekend te Amsterdam op 2 juli 2010.

De verbalisant,

[verbalisant 2].”

7. Het door het hof bevestigde Promis-vonnis, houdt als bewijsvoering onder meer het volgende in:

“In de broekzak van verdachte wordt een coupure van twintig euro en los geld aangetroffen. In een klein geel etui in de onderbroek van verdachte worden 13 bolletjes aangetroffen.4 De 13 bolletjes met 1,27 gram wit poeder blijken cocaïne te bevatten.5

4. 1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2010148481-15 van 15 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 16).

2. Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2010148481-9 van 15 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag 37 en 38).

5. Een verslag d.d. 21 juni 2010, laboratoriumnummer 889N10 van drs. R. Jellema, politiedeskundige, opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] en [betrokkene].”

8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het oordeel van het hof dat geen sprake was van een insluitingsfouillering maar van een onderzoek als bedoeld in art. 9, tweede lid Opiumwet, onvoldoende gemotiveerd is. Aangevoerd wordt dat het hof zijn oordeel mede gebaseerd heeft op de uitdrukkelijke vermelding van de opdracht van de officier van justitie hetgeen voor een normale insluitingsfouillering niet vereist is. Dit is echter ook niet vereist voor een onderzoek aan de kleding in het kader van art. 9, tweede lid van de Opiumwet, aldus de steller van het middel.

9. Art. 9 van de Opiumwet, luidt voor zover relevant voor onderhavige zaak, als volgt:

“1. De opsporingsambtenaren hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:

(…)

2. Zij zijn bevoegd een persoon, verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken.”

10. Anders dan de steller van het middel acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte op grond van art. 9, tweede lid Opiumwet is onderzocht en geen sprake was van een zogenaamde insluitingsfouillering niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het hof baseert zijn oordeel op het op 2 juli 2010 opgemaakte (aanvullende) proces-verbaal inhoudende dat de fouillering heeft plaatsgevonden op grond van art. 9, tweede lid van de Opiumwet. Dat het hof daarbij overweegt dat het ook waarde hecht aan het feit dat de hulpofficier van justitie toestemming heeft gegeven terwijl dit op grond van de Opiumwet op zichzelf niet nodig is, draagt weliswaar niet echt bij aan de verheldering van de over de grondslag van de fouillering ontstane verwarring, maar doet aan die motivering ook niet wezenlijk af. Dit onderdeel van het middel faalt.

11. Van meer principiële betekenis is de klacht dat het onderzoek zoals dat in onderhavige zaak heeft plaatsgehad, het “zich op zijn onderbroek na laten ontkleden en het vervolgens uit de onderbroek pakken door een van de verbalisanten van het etui”, niet kan worden gebaseerd op art. 9 lid 2 van de Opiumwet. Het oordeel van het hof dat het hierbij zou gaan om een onderzoek aan de kleding zou wat dat betreft getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.

12. Het is inderdaad een terechte vraag of art. 9, tweede lid Opiumwet een voldoende grondslag biedt voor voormelde handelingen van de opsporingsambtenaar, met name waar het gaat om het steken van een hand in de onderbroek van de verdachte. De kernvraag in deze zaak is, of hierdoor de grens van het doen van onderzoek aan de kleding overschreden is en er in feite een onderzoek aan het lichaam heeft plaatsgevonden, waartoe art. 9, tweede lid Opiumwet geen bevoegdheid geeft.

13. Voor de beantwoording van deze vraag is de uitspraak van de Hoge Raad van 23 april 20131 met de daaraan voorafgaande uitgebreide en informatieve conclusie van mijn ambtgenoot Vegter van belang. In die zaak stond ter discussie of het ontkleden en in het bijzonder het laten zakken van een onderbroek kan worden aangemerkt als onderzoek aan de kleding als bedoeld in art. 9, tweede lid, Opiumwet.

14. De Hoge Raad overweegt in zijn arrest in rov. 2.4 en 2.5 als volgt:

“2.4. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte, tegen wie ernstige bezwaren bestonden ter zake van handelen in strijd met art. 2 Opiumwet, zich in het kader van een onderzoek aan de kleding op verzoek van een opsporingsambtenaar heeft ontdaan van zijn bovenkleding en zijn onderbroek voor een deel heeft laten zakken, dat de opsporingsambtenaar de verdachte heeft gesommeerd de onderbroek geheel te laten zakken omdat de verdachte hem geen goed zicht bood in de onderbroek, en dat de opsporingsambtenaar vervolgens een zwart zakje aantrof in die onderbroek. Op grond van een en ander heeft het Hof geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake was van een onderzoek aan de kleding en dat de opsporingsambtenaar daartoe op grond van art. 9, tweede lid, Opiumwet bevoegd was.



2.5. De Hoge Raad verstaat dit oordeel aldus dat de sommatie van de opsporingsambtenaar aan de verdachte om de onderbroek geheel te laten zakken is gedaan met het oog op en dus was gericht op het onderzoek van die onderbroek en derhalve niet (mede) was gericht op het doen van een onderzoek aan het lichaam van de verdachte. Aldus opgevat geeft 's Hofs oordeel niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent de reikwijdte van de in art. 9, tweede lid, Opiumwet verleende bevoegdheid en is het niet onbegrijpelijk.”

15. Uit de hiervoor weergegeven overweging van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat in het kader van een onderzoek aan de kleding de verdachte gesommeerd kan worden zich te ontkleden en zijn onderbroek te laten zakken en dat daartoe art. 9, tweede lid Opiumwet voldoende grondslag geeft. Hieruit kan worden afgeleid dat het zich laten ontkleden in het kader van een onderzoek aan de kleding, zoals in onderhavige zaak is gebeurd, op zichzelf is toegestaan.

16. Er is echter een verschil tussen de zaak die nu voorligt en de casus die ten grondslag lag aan het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 23 april 2013. In onderhavige zaak heeft de opsporingsambtenaar die het onderzoek heeft verricht, althans zo heeft het hof in navolging van de rechtbank aangenomen, verdachte niet gesommeerd om zijn onderbroek helemaal te laten zakken om te zien of er zich iets in die onderbroek bevond, maar is hij met zijn hand in die onderbroek gegaan om daaruit vervolgens een etui te halen waarin zich bolletjes cocaïne en geld bevonden.

17. De hiervoor onder 5 geciteerde processen-verbaal die betrekking hebben op de fouillering geven geen details over wat er zich precies heeft afgespeeld bij die ‘handmatige doorzoeking’ in de onderbroek.

18. De vraag die in het middel wordt opgeworpen, namelijk waarop het hof heeft gebaseerd dat de vorm van de etui uitwendig zichtbaar moet zijn geweest, is ook terecht gesteld. Uit het hiervoor onder 5 geciteerde proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2010, p. 16 van het dossier kan alleen worden opgemaakt dat het om ‘een klein geel etui’ ging. Over de precieze afmetingen daarvan, of de plaats waar deze etui zich in de onderbroek bevond en of deze etui uitwendig zichtbaar was, is in het geheel niets in het proces-verbaal te vinden.

19. Maar ook in het geval dat de etui uitwendig zichtbaar zou zijn geweest, is het de vraag of de opsporingsambtenaar in het kader van een onderzoek aan de kleding wel bevoegd was zijn hand in de onderbroek van verdachte te steken om dit etui eruit te halen.

20. Ten aanzien van het onderscheid tussen het onderzoek aan de kleding en het onderzoek aan het lichaam gelden in de literatuur en jurisprudentie de navolgende uitgangspunten.2

21. In de literatuur wordt aangenomen dat het onderzoek aan de kleding zowel onderzoek van als in de kleding omvat.3 Daarbij wordt met ‘in de kleding’ vooral gedoeld op het zoeken in zakken of het loshalen van voeringen of naden, waarbij van de verdachte ook gevraagd mag worden kledingstukken uit te trekken.4 Het kan dus voorkomen dat de verdachte die aan zijn kleding wordt onderzocht helemaal of gedeeltelijk ontkleed komt te staan.5 Het onderzoek aan de kleding vindt meestal trapsgewijs plaats. Het oppervlakkig aftasten van de kleding en als daarvoor aanleiding is het uittrekken van die kleding en dan het nader onderzoeken van die kleding zelf

.

22. Van onderzoek aan het lichaam – en daar ligt de grens met het onderzoek aan de kleding – is volgens de Memorie van Toelichting sprake “indien het onderzoek verdergaat dan het oppervlakkig aftasten van de kleding van de verdachte”.6 Daarbij wordt, om het onderscheid helder te krijgen, het onderzoek aan het lichaam vaker afgezet tegen het onderzoek in het lichaam. Onder onderzoek in het lichaam wordt door de wetgever beschouwd (zie art. 56 lid 2 Sv) het uitwendig schouwen (dus buitenaf bekijken) van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek en echografie en het inwendig manueel (met de hand/vingers of een voorwerp) onderzoek van de openingen en holten van het gehele lichaam. Als onderzoek aan het lichaam blijft dus over het onderzoek aan de oppervlakte van het hele lichaam en het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het bovenlichaam.7

23. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat het voor de beoordeling van de aard van het onderzoek uitmaakt of de verdachte, terwijl hij ontkleed is, uit eigener beweging voorwerpen die zich aan of in het lichaam bevinden op verzoek afgeeft. Zo werd geoordeeld dat er geen sprake was van een onderzoek in het lichaam, maar van een onderzoek aan het lichaam, in een geval waarbij een verdachte zich in het kader van art. 9 lid 2 Opiumwet geheel had ontkleed, waarop zichtbaar werd dat een condoom uit haar vagina hing en zij deze op verzoek verwijderde en uit eigener beweging aan de verbalisant gaf.8 Ook als onderzoek aan het lichaam werd beschouwd een geval waarbij een verdachte zich geheel had ontkleed, verbalisanten zagen dat hij in zijn bilspleet toiletpapier had zitten dat, de verdachte op verzoek verwijderde. Er bleek een plastic zakje met op cocaïne gelijkende stof in te zitten. Het hof oordeelde dat dit een onderzoek aan het lichaam was, en een hierop gericht middel werd door de Hoge Raad op de voet van art. 81 RO verworpen.9

24. Uit de overweging van het hof in onderhavige zaak zoals hiervoor weergegeven onder 4, maak ik op dat het hof heeft aangenomen dat het onderzoek waaraan verdachte is onderworpen, waarbij de verbalisant het etui, dat volgens het hof uitwendig zichtbaar moet zijn geweest, uit de onderbroek van de verdachte heeft gepakt, heeft aangemerkt als een onderzoek aan de kleding in de zin van artikel 9, tweede lid van de Opiumwet.

25. Ik ben van mening dat de veronderstelling van het hof, dat het etui uitwendig zichtbaar moet zijn geweest, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Maar ook afgezien daarvan acht ik het oordeel van het hof dat er (slechts) sprake is geweest van een onderzoek aan de kleding, gelet op het hiervoor weergeven toetsingskader, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Doordat de verbalisant met zijn hand in de onderbroek van verdachte is gegaan, is mijns inziens de grens van een onderzoek aan de kleding overschreden.

26. Daarbij acht ik het van belang dat het om een onderzoek aan het onderlichaam van verdachte gaat. Het uitwendig bekijken van openingen en holten in het onderlichaam wordt al als onderzoek in het lichaam aangemerkt. Dan dient onderhavige handelwijze, waarbij het niet gaat om bekijken maar om het betasten naar mijn mening in ieder geval te worden aangemerkt als onderzoek aan het lichaam.

27. Bovendien was deze handelwijze niet noodzakelijk en onnodig vernederend. Als het etui al zichtbaar was geweest dan had de verbalisant verdachte kunnen vragen dit zelf uit zijn onderbroek te halen. Verdachte had ook gevraagd kunnen worden zijn onderbroek helemaal te laten zakken of uit te doen. Door de handelwijze van de verbalisant valt niet uit te sluiten dat deze de geslachtsdelen of billen van de verdachte heeft aangeraakt of dat de verdachte hiervoor bevreesd is geweest.

28. Het middel slaagt.

29. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over de feit 2 en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8248.

2 Zie ook de hiervoor gememoreerde conclusie van mijn ambtgenoot Vegter bij Hoge Raad van 23 april 2013 ECLI:NL:PHR:2013:BZ8248.

3 V. Mul en E.V.J. Pols, in Melai/Groenhuijsen, aant. 5.2 bij art. 56 Sv, Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 7e druk, p. 508, J.M. Verheul, Onderzoek kleding en lichaam, in Handboek Strafzaken (juni 2008), [10.7]-1, P. Frielink, Commentaar op art. 56 Sv, Den Haag: Sdu uitgevers 2011 (bijgewerkt tot 1 juli 2012).

4 V. Mul en E.V.J. Pols, in Melai/Groenhuijsen, aant. 5.2 bij art. 56 Sv, Naeyé, Heterdaad, politiebevoegdheden bij ontdekking op heterdaad in theorie en praktijk, 2e gewijzigde druk, 1990, p. 131, P. Frielink, Commentaar op art. 56 Sv, Den Haag: Sdu uitgevers 2011 (bijgewerkt tot 1 juli 2012), Van Kalmthout, Vademecum Strafzaken/Suppl. 108 (augustus 1999), [10]-22-24.

5 Frielink, Commentaar op art. 56 Sv, Den Haag: Sdu uitgevers 2011 (bijgewerkt tot 1 juli 2012).

6 Kamerstukken II, 1999-2000, 26983, nr. 3, p. 23.

7 Zie M.G.M. Hoekendijk, Zakboek Strafvordering voor de Hulpofficier 2011, 5.1.

8 Hof ’s-Hertogenbosch 14 september 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8231.

9 Hof ’s-Hertogenbosch 23 februari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH6480; HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR: 2011: BO9823.