Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:511

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-04-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
13/00010
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1362, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bijstandsfraude. Voordeel trekken. Slagende bewijsklacht. Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsmiddelen heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat verdachte en betrokkene sinds de zomer van 2004 feitelijk samenwoonden op adres X, dat verdachte aldus gebruik maakte van de voorzieningen op dat adres en eet- en drinkwaren heeft genuttigd en dat die voorzieningen, de huur van die woning en de genuttigde eet- en drinkwaren geheel of ten dele werden bekostigd met de bijstandsuitkering van betrokkene, maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, verdachte wist dat betrokkene onjuiste gegevens verstrekte en zij op grond van die gegevens ten onrechte een uitkering voor een alleenstaande genoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/00010

Mr. Vegter

Zitting 8 april 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 8 november 20112 heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 10 augustus 2012 de verdachte ter zake van “opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring.



3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2004 tot 25 januari 2006 in de gemeente Almere telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning aan de [a-straat 1] te Almere en van de in die woning aanwezige voorzieningen zoals gas en water en elektriciteit en opzettelijk eet- en drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat de huur van die woning en die voorzieningen en die eet- en drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door enig misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus telkens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken.”

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

“1. Een in de wettelijke vorm door [verbalisant], daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 februari 2006 met nummer 030270/6010657/0, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relatering van verbalisante:

Door burgemeester en wethouders van de gemeente Almere werd met ingang van 9 oktober 1996 aan verdachte [medeverdachte] een Abw/WWB-uitkering toegekend en wel bij beschikking van 19 december 1996. Aan de toekenning van de uitkering werd onder meer de voorwaarde verbonden dat de verdachte [medeverdachte] op verzoek of uit eigen beweging mededeling zou doen van alle feiten en omstandigheden, waaronder werkzaamheden en/of inkomsten en leefsituatie, waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte en continuering van de uitkering. Voor de verstrekking van deze gegevens diende de verdachte gebruik te maken van verstrekte formulieren, zijnde rechtmatigheidsformulieren en/of mutatieformulieren. Voornoemde voorwaarde is bepaald in artikel 65 van de Abw (vanaf 1 januari 2005 artikel 17 WWB).

2. Een in de wettelijke vorm door Nadia Sjouwerman, daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 februari 2006 (pagina's 15 en 16 van een dossier met nummer 030270/6010657/0) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van aangever [betrokkene 2]:

Ik ben teamleider Sociale Recherche Flevoland bij de afdeling Handhaving, Dienst Sociale Zaken, van de gemeente Almere en uit hoofde van mijn functie bevoegd tot het doen van aangifte.

[medeverdachte], wonende [a-straat 1] te Almere heeft in de periode van 9 oktober 1996 tot en met 25 januari 2006 een uitkering ontvangen ingevolge de Abw/WWB, norm alleenstaande ouder.

Van een gezamenlijke huishouding met [verdachte] heeft [medeverdachte] op geen enkele wijze melding gemaakt. Zou [medeverdachte] die informatie hebben verstrekt, dan zou aan haar geen uitkering zijn verstrekt, dan wel zou met de hoogte van de uitkering rekening zijn gehouden.

3. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van observatie d.d. 10 december 2005 (als bijlage 3 deel uitmakend van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relaas van verbalisanten:

Naar aanleiding van het onderzoek, gerelateerd bij proces-verbaal, voorzien van het nummer 030270/6010657/0 contra [medeverdachte] en [verdachte], hebben wij, allen sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, met toestemming van de officier van justitie observaties verricht op verdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] met betrekking tot het onderzoek en daarbij het volgende bevonden:

Gedurende de periode 15 augustus 2005 tot en met 13 november 2005 hebben er 213 observaties op 78 dagen plaatsgevonden teneinde vast te stellen of verdachte [verdachte] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van verdachte [medeverdachte]. Verdachte is van de 78 dagen 28 dagen waargenomen in de [a-straat]. Tevens is waargenomen dat verdachte [verdachte] over een sleutel beschikte van het perceel met nummer [1] gelegen in de [a-straat]. Van de 213 observaties is 174 keer gezien dat de gele Hyundai Atos, welke volgens RDW-gegevens op naam stond van [verdachte], geparkeerd stond op de [a-straat] en/of in de omgeving van Almere is waargenomen. Bij een drietal waarnemingen is waargenomen dat verdachten gezamenlijk boodschappen deden bij een supermarkt en bij de Ikea Amsterdam. Bij de betaling van de goederen in de Ikea is waargenomen dat verdachte [verdachte] contant de goederen afrekende.

4. In de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal van verhoor d.d. 25 januari 2006 (als bijlage 13 deel uitmakend van het onder 1 genoemde dossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van medeverdachte [medeverdachte]:

Ik heb twee kinderen, een jongen en een meisje. Ik heb een relatie met [verdachte]. Ik heb al 13 jaar een uitkering van de Sociale Dienst. Ik denk dat ik vanaf 1997 in Almere woon. Ik was de eerste bewoner van mijn woning aan de [a-straat 1].

Opmerking verbalisant: Ik toonde de verdachte de rechtmatigheidsformulieren over de fraudeperiode van juli 1997 tot en met 31 december 2005, afkomstig uit de administratie van de Dienst Sociale Zaken te Almere.

Ik herken de formulieren aan mijn naam en handtekening. Ik heb de formulieren altijd zelf ingevuld.

De laatste tijd is [verdachte] wel heel veel bij mij. [verdachte] is inderdaad meer bij mij dan dat hij in zijn eigen woning aan [b-straat] verblijft. Ik kan niet zeggen hoe lang dat al is. We gaan samen wel eens op stap. We gaan wel naar vrienden. We gaan naar het sporten van de kinderen. Hij gaat wel eens mee boodschappen doen. Ik was zijn kleding. Hij kan dat, denk ik, zelf niet. [verdachte] heeft een sleutel van mijn woning. Afgelopen juli of augustus zijn we op vakantie geweest naar Turkije. [verdachte] heeft kleding en wat papier bij mij liggen. Ik snap wel dat we voor de bijstandswet een gezamenlijke huishouding voeren.

Vraag verbalisant: "[verdachte] heeft volgens u geen inkomsten en hij verblijft veel bij u, u wast voor hem en hij eet onder andere mee. Hij heeft dus voordeel gehad van uw uitkering."

Ja, als je dat zo stelt, dan klopt dat inderdaad.

5. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het hof d.d. 21 april 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van verdachte:

Ik wist dat [medeverdachte] een uitkering had. Aanvankelijk woonde ik op [b-straat] in Amsterdam. In 1999 kreeg ik een relatie met [betrokkene 1]. Ik heb eerst met [betrokkene 1] in mijn huis aan [b-straat] gewoond. Op een gegeven moment verhuisden wij naar de [c-straat 1], ook in Amsterdam. Ik woonde dus in Amsterdam, maar soms bezocht ik [medeverdachte] in Almere. [betrokkene 1] raakte op een gegeven moment zwanger. Daar was ik niet blij mee. Ik had immers ook nog een relatie met [medeverdachte]. Met [betrokkene 1] kwam het ergens in de zomer van 2004 tot een relatiebreuk. Ik sliep bij [medeverdachte] op haar slaapkamer. Ik at met haar en de kinderen en we deden soms samen boodschappen. Het was zo'n beetje twee dagen op en drie dagen af. Ik gaf geen geld aan [medeverdachte]. Op een gegeven moment had ik geen inkomsten meer. Volgens mij was dat in 2004 of 2005. [betrokkene 1] heeft mij toen wel gesteund. U houdt mij voor dat [medeverdachte] dat ook heeft gedaan. Ja, dat is waar.

6. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het hof d.d. 27 juli 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van verdachte:

Ik wist dat [medeverdachte] een uitkering had. Ik heb niet bijgedragen in de kosten van [medeverdachte]. In 2004 is mijn relatie met [betrokkene 1] verbroken. In de periode daarna verbleef ik meer bij [medeverdachte]. Ik heb wel eens wat bijgedragen voor onze dochter [betrokkene 3]. Ook ten aanzien van de zoon van [medeverdachte] vervul ik de vaderrol. We deden wel dingen samen.”

3.4. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende

Verdachte is ten laste gelegd dat hij - kort gezegd - gedurende een periode van ruim acht jaren voordeel heeft getrokken uit de door zijn partner, [medeverdachte], ten onrechte ontvangen, althans op grond van onvolledige informatie verstrekte bijstandsuitkering. [medeverdachte], moeder van twee kinderen, ontvangt sedert 9 oktober 1996 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet respectievelijk de Wet werk en bijstand, tot 1 februari 2006 naar de norm voor een eenoudergezin. [medeverdachte] heeft nagelaten om bij de uitkeringverstrekkende instantie, de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere, te melden dat zij in haar woning aan de [a-straat 1] te Almere een gezamenlijke huishouding voerde met verdachte. Verdachte zou van haar uit misdrijf verkregen uitkering (mee) hebben geprofiteerd door deel te nemen aan de van die uitkering bekostigde huishouding. De strafbaarheid van het verdachte ten laste gelegde staat derhalve in een rechtstreeks verband met de strafbaarheid van het [medeverdachte] ten laste gelegde.

Verdachte heeft verklaard dat hij met [medeverdachte] een relatie onderhoudt sedert 1990. Daaruit is op [geboortedatum] 1992 een dochter geboren die door hem is erkend. Ten opzichte van de in 1995 geboren, niet door hem verwekte noch erkende zoon vervult verdachte de vaderrol. Verdachte stelt dat er tot 1 februari 2006 geen sprake is geweest van samenwoning met [medeverdachte]. Hij verbleef weliswaar regelmatig enkele dagen en nachten per week bij haar, maar soms ook een hele week niet. Beiden zouden op hun zelfstandigheid zijn gesteld. Verdachte zou zijn hoofdverblijf in Amsterdam hebben aan [b-straat] en - vervolgens – aan de [c-straat 1] aldaar. Hij heeft verklaard dat hij in de periode van 1999 tot de zomer van 2004 een relatie met een derde had, te weten met [betrokkene 1]. Met haar zou hij in die jaren, buiten medeweten van [medeverdachte], een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op de hiervoor genoemde Amsterdamse adressen. Verdachte bleef [medeverdachte] niettemin regelmatig bezoeken in die periode, deels vanwege zijn vaderschap en deels vanwege zijn ook toen voortdurende relatie met [medeverdachte].

Het hof acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte en [medeverdachte] in de periode tot 1 juli 2004 een gezamenlijke huishouding hebben gehad. De datum van 1 juli 2004 ontleent het hof aan de verklaringen van verdachte en [betrokkene 1] over de breuk in hun relatie, althans de bekoeling daarvan, in de zomer van 2004.

Het hof dient vervolgens vast te stallen of voldoende wettig en overtuigend bewezen is verdachte en [medeverdachte] in de periode van 1 juli 2004 tot 25 januari 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gehad.

(…)

Het hof acht de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat er eerst op 1 februari 2006 sprake was van (volledige) samenwoning van hen beiden niet geloofwaardig. Uit de verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting van het hof blijkt dat verdachte regelmatig bij haar verbleef en dat hij na de breuk met [betrokkene 1] in 2004 vaker bij haar was.

Daarnaast heeft [medeverdachte] ter terechtzitting verklaard dat ze in elkaars auto reden, dat zij de kleren van verdachte wel waste, dat verdachte wel mee at, en dat zij van verdachte hiervoor geen bijdrage in de kosten heeft ontvangen. Dit blijkt ook uit de verklaring van verdachte.

Het hof acht gelet op het bovenstaande boven redelijke twijfel verheven dat er na 1 juli 2004 een zodanige economische verwevenheid tussen [medeverdachte] en verdachte bestond dat er gesproken kan worden van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de Wet werk en bijstand, dat [medeverdachte] (strafbaar) verzuimd heeft dit te melden aan de Dienst Sociale Zaken te Almere en dat verdachte voordeel daaruit heeft getrokken door deel uit te maken van de huishouding die daarmee werd gefinancierd.”

3.5. Om inhoudelijke redenen zal ik bij de bespreking van de klachten afwijken van de in de schriftuur aangehouden volgorde en zal ik eerst de tweede klacht en vervolgens de eerste klacht bespreken.

3.6. Volgens de tweede klacht kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3 (oud) WWB. Er zou niet zijn voldaan aan het huisvestingscriterium en het verzorgingscriterium.

3.7. Art. 3 (oud) WWB luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, als volgt:

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

a. echtgenoot: geregistreerde partner;

b. echtgenoten: geregistreerde partners;

c. huwelijk: geregistreerd partnerschap;

d. gehuwd: als partner geregistreerd;

e. gehuwde: als partner geregistreerde;

f. gehuwden: als partners geregistreerden;

g. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing.

-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

(…)

-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

(…).”

3.8. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij en verdachte een relatie hebben, verdachte meer bij haar is dan in zijn eigen woning aan [b-straat], ze samen naar vrienden gaan, ze samen naar de sporten van de kinderen gaan, verdachte wel eens mee boodschappen gaat doen, zij zijn kleding wast, verdachte een sleutel heeft van de woning, ze samen op vakantie zijn geweest naar Turkije en dat verdachte kleding en wat papier bij haar heeft liggen (bewijsmiddel 4). Volgens verdachte delen hij en [medeverdachte] een slaapkamer, eet hij mee met haar en de kinderen, draagt hij soms wat bij voor hun dochter [betrokkene 3], vervult hij ook ten aanzien van de zoon van [medeverdachte] de vaderrol en doen ze ook dingen samen (bewijsmiddel 5 en 6).

3.9. Volgens het derde lid van bovenstaande bepaling is sprake van een “gezamenlijke huishouding” indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Volgens de steller van de klacht kan uit de bewijsvoering niet volgen dat de verdachte zijn hoofdverblijf had op de [a-straat 1] te Almere, omdat bewijsmiddel 3 inhoudt dat van de 78 observatiedagen de verdachte maar 28 dagen is gezien in de [a-straat]. Uit bewijsmiddel 3 kan inderdaad worden opgemaakt dat de verdachte van de 78 dagen 28 dagen is waargenomen in de [a-straat], maar ook dat van de 213 observaties 174 keer is gezien dat de gele Hyundai Atos, welke volgens RDW-gegevens op naam stond van de verdachte, geparkeerd stond op de [a-straat] en/of in de omgeving van Almere is waargenomen. Voorts zou niet zijn voldaan aan het verzorgingscriterium, omdat verdachte geen bijdrage leverde in de kosten, zoals blijkt uit bewijsmiddel 4, 5 en 6). Een geheel van feiten en omstandigheden kan maken dat er sprake is van wederzijdse zorg. Indien één van de partners geen eigen inkomen heeft, kan de gezamenlijke huishouding blijken uit het anderszins in elkaars verzorging voorzien. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verzorgen van de kinderen van de ander en het gezamenlijk gebruik van de auto. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof op grond van de omstandigheden, zoals deze naar voren komen in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, heeft geoordeeld dat van een gezamenlijke huishouding sprake is. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat de verdachte en [medeverdachte] een gezamenlijk huishouden hebben als bedoeld in art. 3 (oud) WWB. De klacht faalt.

3.10. Volgens de eerste klacht kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden opgemaakt dat de voorzieningen (huur, gas, water, elektra, eten en drinken) geheel of gedeeltelijk werden betaald van de door uitkeringsfraude verkregen uitkering van [medeverdachte] dan wel dat verdachte telkens wist dat die voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald met door misdrijf verkregen geld.

3.11. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zelf geen inkomsten heeft (bewijsmiddel 5), hij weet dat [medeverdachte] een uitkering geniet (bewijsmiddel 5 en 6), verdachte en [medeverdachte] sinds de zomer van 2004 een gezamenlijke huishouding voeren (bewijsmiddel 5 en 6) en verdachte niet bijdraagt in de kosten (bewijsmiddel 5 en 6). Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan echter niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsmiddelen heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en [medeverdachte] sinds de zomer van 2004 samenwonen op het adres [a-straat 1] te Almere, dat de verdachte aldus gebruik maakte van de voorzieningen op dat adres en dat die voorzieningen geheel of ten dele werden bekostigd met de bijstandsuitkering van [medeverdachte], maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachte wist dat [medeverdachte] onjuiste gegevens verstrekte en zij op grond van die gegevens ten onrechte een uitkering voor een alleenstaande genoot.3 Deze klacht is terecht voorgesteld.

3.12. Het middel slaagt in zoverre.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met 13/00009 ([medeverdachte]), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1105.

3 Vgl. HR 21 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1756, HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8364 en HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9607.