Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:510

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-04-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
13/00009
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1361, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/00009

Mr. Vegter

Zitting 8 april 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 8 november 20112 heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 10 augustus 2012 de verdachte ter zake van 2. “in strijd met een hem3 bij krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij4 weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn5 recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.



Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2004 tot 25 januari 2006 in de gemeente Almere in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte telkens wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar verdachtes, recht op een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij verdachte, telkens aan de dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere samenwoning met [medeverdachte] niet opgegeven.”

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

“1. Een in de wettelijke vorm door [verbalisant], daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 februari 2006 met nummer 030270/6010657/0, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relatering van verbalisante:

Door burgemeester en wethouders van de gemeente Almere werd met ingang van 9 oktober 1996 aan verdachte [verdachte] een Abw/WWB-uitkering toegekend en wel bij beschikking van 19 december 1996. Aan de toekenning van de uitkering werd onder meer de voorwaarde verbonden dat de verdachte [verdachte] op verzoek of uit eigen beweging mededeling zou doen van alle feiten en omstandigheden, waaronder werkzaamheden en/of inkomsten en leefsituatie, waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte en continuering van de uitkering. Voor de verstrekking van deze gegevens diende de verdachte gebruik te maken van verstrekte formulieren, zijnde rechtmatigheidsformulieren en/of mutatieformulieren. Voornoemde voorwaarde is bepaald in artikel 65 van de Abw (vanaf 1 januari 2005 artikel 17 WWB).

2. Een in de wettelijke vorm door [verbalisant], daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 februari 2006 (pagina's 15 en 16 van een dossier met nummer 030270/6010657/0) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van aangever Robert Paul Owen Fennema:

Ik ben teamleider Sociale Recherche Flevoland bij de afdeling Handhaving, Dienst Sociale Zaken, van de gemeente Almere en uit hoofde van mijn functie bevoegd tot het doen van aangifte.

[verdachte], wonende [a-straat 1] te Almere heeft in de periode van 9 oktober 1996 tot en met 25 januari 2006 een uitkering ontvangen ingevolge de Abw/WWB, norm alleenstaande ouder.

Van een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte] heeft [verdachte] op geen enkele wijze melding gemaakt. Zou [verdachte] die informatie hebben verstrekt, dan zou aan haar geen uitkering zijn verstrekt, dan wel zou met de hoogte van de uitkering rekening zijn gehouden.

3. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van observatie d.d. 10 december 2005 (als bijlage 3 deel uitmakend van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relaas van verbalisanten:

Naar aanleiding van het onderzoek, gerelateerd bij proces-verbaal, voorzien van het nummer 030270/6010657/0 contra [verdachte] en [medeverdachte], hebben wij, allen sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, met toestemming van de officier van justitie observaties verricht op verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] met betrekking tot het onderzoek en daarbij het volgende bevonden:

Gedurende de periode 15 augustus 2005 tot en met 13 november 2005 hebben er 213 observaties op 78 dagen plaatsgevonden teneinde vast te stellen of verdachte [medeverdachte] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van verdachte Pruis. Verdachte is van de 78 dagen 28 dagen waargenomen in de [a-straat]. Tevens is waargenomen dat verdachte [medeverdachte] over een sleutel beschikte van het perceel met nummer [1] gelegen in de [a-straat]. Van de 213 observaties is 174 keer gezien dat de gele Hyundai Atos, welke volgens RDW-gegevens op naam stond van [medeverdachte], geparkeerd stond op de [a-straat] en/of in de omgeving van Almere is waargenomen. Bij een drietal waarnemingen is waargenomen dat verdachten gezamenlijk boodschappen deden bij een supermarkt en bij de Ikea Amsterdam. Bij de betaling van de goederen in de Ikea is waargenomen dat verdachte [medeverdachte] contant de goederen afrekende.

4. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het hof d.d. 21 april 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van verdachte:

Ik woon sinds 9 oktober 1996 aan de [a-straat 1] te Almere. Sinds 1996 ontvang ik een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Ik heb twee kinderen. Mijn dochter is geboren op [geboortedatum] 1992. [medeverdachte] is haar vader. [medeverdachte] heeft haar meteen na de geboorte erkend. Mijn zoon is geboren op [geboortedatum] 1995. Hij heeft een andere vader, maar [medeverdachte] vervult ten aanzien van hem wel de vaderrol. De relatie met [medeverdachte] is begonnen rond 1990. [medeverdachte] kwam af en toe. Ik ging ervan uit dat [medeverdachte], als hij niet bij mij was, op [b-straat] in Amsterdam woonde. Soms kwam hij een week niet bij mij. Dan sliep hij weer twee dagen per week aan de [a-straat]. U vraagt of wij aan de [a-straat] een slaapkamer deelden. Ja, hij sliep bij mij. Hij at met ons mee. Ik deed soms ook wel zijn was. Er lag wat kleding van hem in mijn huis. We zijn één keer samen met vakantie geweest. We deden ook wel eens samen boodschappen. Ik begrijp dat sommige buren ons als een gezinnetje hebben gezien. Wij woonden niet samen. U vraagt mij wat ik onder samenwonen versta. Ik vind dat je samenwoont als je zeven dagen per week, of tenminste vijf dagen daarvan, samenwoont.

5. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het hof d.d. 27 juli 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van verdachte:

lk had in de in de tenlastelegging genoemde periode een uitkering. Ik ken de verplichtingen die daaraan verbonden zijn. Ik heb een relatie met [medeverdachte]. Hij verbleef regelmatig bij mij. Wij reden ook wel in elkaars auto. Ik waste wel eens wat van zijn kleding. Hij at ook wel mee. Ik heb niet op de papieren vermeld dat [medeverdachte] bij mij is komen wonen. Iemand van de sociale dienst is een keer bij mij geweest en toen heb ik wel gezegd dat ik een vriend heb, die er af en toe wel was. Dat was vóór 2004. Na de breuk tussen [medeverdachte] en [betrokkene] in 2004 was hij vaker bij mij. Ik heb dat niet aan de sociale dienst verteld.”

3.4. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen:

“Verdachte, moeder van twee kinderen, ontvangt sedert 9 oktober 1996 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet respectievelijk de Wet werk en bijstand, tot 1 februari 2006 naar de norm voor een eenoudergezin. Aan haar is ten laste gelegd dat zij - kort gezegd - gedurende een periode van ruim vijf jaren bij de uitkeringverstrekkende instantie, de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere, verzwegen heeft dat zij in haar woning aan de [a-straat 1] te Almere een gezamenlijke huishouding voerde met [medeverdachte]. Verdachte heeft verklaard dat zij met [medeverdachte] een relatie onderhoudt sedert 1990. Daaruit is op [geboortedatum] 1992 een dochter geboren die door hem is erkend. Ten opzichte van de in 1995 geboren, niet door hem verwekte noch erkende zoon vervult [medeverdachte] de vaderrol. Verdachte stelt dat er tot 1 februari 2006 geen sprake is geweest van samenwoning. [medeverdachte] verbleef weliswaar regelmatig enkele dagen en nachten per week bij haar, maar soms ook een hele week niet. Beiden zouden op hun zelfstandigheid zijn gesteld, mede gelet op het destijds bestaande verschil in verwachtingen met betrekking tot de invulling van hun relatie. [medeverdachte] zou zijn hoofdverblijf in Amsterdam hebben aan het [b-straat] en - vervolgens - aan de [c-straat 1] aldaar. [medeverdachte] heeft van zijn kant verklaard dat hij in de periode van 1999 tot de zomer van 2004 een relatie met een derde had, te weten [betrokkene]. Met haar zou hij in die jaren, buiten medeweten van verdachte, een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op de hiervoor genoemde Amsterdamse adressen.

(…)

Het hof overweegt dat de verplichting van verdachte om als uitkeringsgerechtigde de gemeente alle benodigde gegevens te verstrekken door de gemeente aan verdachte voldoende bekend is gemaakt. Verdachte heeft ook ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij op de hoogte was van de verplichtingen die aan haar uitkering verbonden waren. Verdachte ontkent echter in de betreffende periode te hebben samengewoond met [medeverdachte], zodat zij dit ook niet door hoefde te geven aan de gemeente.

Het hof acht de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat er eerst op 1 februari 2006 sprake was van (volledige) samenwoning van hen beiden niet geloofwaardig. De enkele omstandigheid dat verdachte het idee had dat er tot februari 2006 geen sprake was van samenwonen, betekent niet dat er in juridisch opzicht geen sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof blijkt dat [medeverdachte] regelmatig bij haar verbleef en dat hij na de breuk met [betrokkene] in 2004 vaker bij haar was. Daarnaast heeft zij ter terechtzitting verklaard dat ze in elkaars auto reden, dat zij de kleren van [medeverdachte] wel waste, dat [medeverdachte] wel mee at, en dat zij van [medeverdachte] hiervoor geen bijdrage in de kosten heeft ontvangen. Dit blijkt ook uit de verklaring van [medeverdachte].

Het hof acht gelet op het bovenstaande boven redelijke twijfel verheven dat er na 1 juli 2004 een zodanige economische verwevenheid tussen verdachte en [medeverdachte] bestond dat er gesproken kan worden van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de Wet werk en bijstand. Nu er sprake was van een gezamenlijke huishouding, had verdachte dit door moeten geven aan de gemeente.

De enkele omstandigheid dat verdachte na het huisbezoek tegen de sociale dienst zou hebben gezegd dat zij een vriend had, maakt niet dat verdachte in de periode vanaf 1 juli 2004 heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting. De situatie is immers vanaf juli 2004, derhalve ná het schrijven van dit briefje, zodanig veranderd dat er vanaf dat moment gesproken kan worden van een gezamenlijke huishouding. Dit heeft verdachte verzuimd te melden aan de Dienst Sociale Zaken te Almere.”

3.5. De eerste klacht komt op tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte wist dat de gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op uitkering. Uit bewijsmiddelen 4 en 5 zou juist blijken dat de verdachte meende niet samen te wonen met [medeverdachte] en dat zij daarom niets heeft gemeld aan de Sociale Dienst.

3.6. Verdachte heeft verklaard dat zij en [medeverdachte] een slaapkamer delen, hij met haar en haar kinderen (van wie er één door hem is erkend) samen eet, zij zijn was soms doet, hij kleding bij haar in huis heeft liggen, ze samen een keer op vakantie zijn geweest, ze wel eens samen boodschappen doen (bewijsmiddel 4) en ze in elkaars auto rijden (bewijsmiddel 5). Voorts heeft zij verklaard dat zij niet op de papieren heeft vermeld dat [medeverdachte] bij haar is komen wonen, iemand van de Sociale Dienst een keer bij haar is geweest en dat zij toen heeft gezegd dat ze een vriend heeft die er af en toe wel was, dat na de breuk tussen [medeverdachte] en zijn ex-vriendin [betrokkene] in 2004 hij vaker bij verdachte was en dat zij dit niet aan de Sociale Dienst heeft verteld (bewijsmiddel 5). Verder kan uit bewijsmiddel 3 worden opgemaakt dat [medeverdachte] een sleutel van het huis heeft en dat de verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk boodschappen hebben gedaan. Het Hof heeft uit deze omstandigheden niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat verdachte, anders dan ter terechtzitting door en namens haar naar voren is gebracht, een gezamenlijke huishouding voerde met [medeverdachte] en dat zij hieromtrent opzettelijk de benodigde gegevens heeft verzwegen voor en niet heeft verstrekt aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Almere. Verdachte heeft ook ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij op de hoogte was van de verplichtingen die aan haar uitkering verbonden waren. Verdachte ontkent echter in de tenlastegelegde periode te hebben samengewoond met [medeverdachte], zodat zij dit ook niet door hoefde te geven aan de gemeente. Echter, de enkele omstandigheid dat verdachte het idee had dat er tot februari 2006 geen sprake was van samenwonen, betekent niet dat er in juridisch opzicht geen sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding.

3.7. De klacht is tevergeefs voorgesteld.

3.8. De tweede klacht is gericht op een gedeelte van de bewezenverklaarde periode, te weten 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004. Gedurende deze periode zou de verdachte niet in strijd hebben gehandeld met de inlichtingenverplichting als bedoeld in art. 17 van de Wet werk en bijstand. Immers is deze bepaling eerst op 1 januari 2005 in werking getreden.

3.9. De Wet werk en bijstand (hierna: WWB) van 9 oktober 2003 (Stb. 2003, 375) is grotendeels in werking getreden per 1 januari 2004, met uitzondering van een aantal bepalingen gelet op art. 1 van het Besluit van 10 oktober 2003 houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand en van de Invoeringswet Wet en bijstand (hierna: Besluit) (Stb. 2003, 386). Art. 17 van de Wet werk en bijstand, ziende op de inlichtingenplicht, treedt op grond van art. 1, onder a, van dit Besluit in werking op 1 januari 2005. De voorloper van art. 17 WWB betreft art. 65 Algemene bijstandswet. Op grond van art. 2, onder a, van het Besluit vervalt deze bepaling op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Volgens het Besluit van 21 januari 2005, houdende vaststelling van het tijdstip waarop enige artikelen van de Algemene bijstandswet vervallen (Stb. 2005, 35) is dat bepaald op 1 februari 2005.6

3.10. De bewezenverklaarde periode in de onderhavige zaak loopt van 1 juli 2004 tot 25 januari 2006. Van 1 juli 2004 tot 1 januari 2005 was niet art. 17 WWB van kracht, maar art. 65 Abw (oud). Voor zover het middel daarover klaagt, is de klacht terecht voorgesteld. Per abuis heeft het Hof de zinsnede “te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand” in de tenlastelegging deels weggestreept en louter bewezenverklaard “te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand”. Uw Raad kan deze misslag verbeterd lezen, waardoor de feitelijke grondslag aan de klacht komt te ontvallen, zodat het middel in zoverre faalt.

3.11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 9 januari 2007 houdt als verklaring van [betrokkene] het volgende in:

“Het klopt dat ik met [medeverdachte] een relatie heb. We hebben tijdens die relatie ook een aantal jaren samengewoond, van juni 1999 tot de nazomer van 2004. [medeverdachte] en ik hebben gedurende die hele periode samengewoond.”

Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2012 het volgende als verklaring van de verdachte in:

“Ik heb niet op de papieren vermeld dat [medeverdachte] bij mij is komen wonen. Iemand van de sociale dienst is een keer bij mij geweest en toen heb ik wel gezegd dat ik een vriend heb, die er af en toe wel was. Dat was vóór 2004. Na de breuk tussen [medeverdachte] en [betrokkene] in 2004 was hij vaker bij mij. Ik heb dat niet aan de sociale dienst verteld.”

Uit deze verklaringen volgt dat ook in de periode 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 de verdachte in strijd heeft gehandeld met de inlichtingenverplichting als bedoeld in art. 65 Abw (oud) en art. 17 WWB.

3.12. Volgens de derde klacht kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3 (oud) WWB. Er zou niet zijn voldaan aan het huisvestingscriterium en het verzorgingscriterium.

3.13. Art. 3 (oud) WWB luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, als volgt:7

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

a. echtgenoot: geregistreerde partner;

b. echtgenoten: geregistreerde partners;

c. huwelijk: geregistreerd partnerschap;

d. gehuwd: als partner geregistreerd;

e. gehuwde: als partner geregistreerde;

f. gehuwden: als partners geregistreerden;

g. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing.

-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

(…)

-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

(…).”

3.14. Volgens het derde lid van bovenstaande bepaling is sprake van een “gezamenlijke huishouding” indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Volgens de steller van de klacht kan uit de bewijsvoering niet volgen dat [medeverdachte] zijn hoofdverblijf had op de [a-straat 1] te Almere, omdat bewijsmiddel 3 inhoudt dat van de 78 observatiedagen [medeverdachte] maar 28 dagen is gezien in de [a-straat]. Uit bewijsmiddel 3 kan inderdaad worden opgemaakt dat hij van de 78 dagen 28 dagen is waargenomen in de [a-straat], maar ook dat van de 213 observaties 174 keer is gezien dat de gele Hyundai Atos, welke volgens RDW-gegevens op naam stond van hem, geparkeerd stond op de [a-straat] en/of in de omgeving van Almere is waargenomen. Voorts zou niet zijn voldaan aan het verzorgingscriterium, omdat [medeverdachte] geen bijdrage leverde in de kosten. Een geheel van feiten en omstandigheden kan maken dat er sprake is van wederzijdse zorg. Indien één van de partners geen eigen inkomen heeft, kan de gezamenlijke huishouding blijken uit het anderszins in elkaars verzorging voorzien. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verzorgen van de kinderen van de ander. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof op grond van de omstandigheden, zoals deze naar voren komen in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en hierboven onder 3.6 uiteen zijn gezet, heeft geconcludeerd dat van een gezamenlijke huishouding sprake is. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat de verdachte en [medeverdachte] een gezamenlijk huishouden hebben als bedoeld in art. 3 (oud) WWB.

3.15. Het middel faalt in alle onderdelen en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met 13/00010 ([medeverdachte]), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1106.

3 Op grond van een kennelijke misslag heeft het Hof hier “hem” vermeld in plaats van “haar”. Uw Raad kan dit verbeterd lezen.

4 Op grond van een kennelijke misslag heeft het Hof hier “hij” vermeld in plaats van “zij”. Uw Raad kan dit verbeterd lezen.

5 Op grond van een kennelijke misslag heeft het Hof hier “zijn” vermeld in plaats van “haar”. Uw Raad kan dit verbeterd lezen.

6 De Nota van Toelichting op dit Besluit zegt hierover het volgende: “In het kader van de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) is besloten een aantal artikelen van de WWB later in te voeren. De reden daarvan was ondermeer gelegen in de noodzaak om de gemeenten extra tijd te geven voor het voorbereiden en invoeren van de gemeentelijke regelgeving die door de WWB wordt voorgeschreven. In samenhang daarmee bleef een aantal bepalingen van de Algemene bijstandswet (Abw) van kracht tot aan het moment dat een gemeente deze regelgeving had ingevoerd.”

7 Zie Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand) (Stb. 2003, 375).