Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:507

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-04-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
12/02824
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1358, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift, art. 225.1 Sr. Falende bewijsklacht. Het oordeel van het Hof dat verdachte, gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, kan worden aangemerkt als iemand die de in de tll. genoemde persberichten heeft “opgemaakt” en daarmee het tlgd. feit heeft gepleegd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/02824

Zitting: 1 april 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 23 mei 2012 de verdachte ter zake van “valsheid in geschrift” strafbaar verklaard, zij het dat het hof met toepassing van art. 9a Sr heeft bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

2. Door de verdachte is cassatie ingesteld. Namens deze heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

3. Alle middelen richten zich tegen de motivering door het hof van de bewezenverklaring.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 14 juli 2005 te Amsterdam achttien persberichten via het internet, - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof die berichten afkomstig waren van een medewerker van Talpa (Capital BV), te weten [betrokkene 1] of van Versatel Telecom International N.V., te weten [betrokkene 2] en in die berichten in strijd met de waarheid vermeld of doen vermelden dat "Versatel Telecom International NV mede deelt dat zij in het kader van haar voortdurende strategische oriëntatie onder meer initiële gesprekken voert met Deutsche Telekom AG tezamen met Talpa Capital BV over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod en dat gelet op de vergevorderde besprekingen op dit moment geen verdere mededelingen kunnen worden gedaan", zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;”

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal met nummer 35125 van 30 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van de verdachte, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik wil schoon schip maken, ik wil graag een bekennende verklaring afleggen.

Mijn ex-vriendin vertelde mij op 13 juli 2005 over de site www.shitzooi.nl. Je kunt via deze site redelijk anoniem mailtjes versturen. Ik ben die dag weer terug naar Amsterdam gegaan. Ik had 's avonds afgesproken met [medeverdachte] (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte]).

Ik heb [medeverdachte] gedemonstreerd hoe deze site werkte.

Ik beleg al een aantal jaren in Versatel en [medeverdachte] had contacten met Talpa. John de Mol had in die tijd 40% van de aandelen in Versatel. Er waren in die tijd veel overnamegeruchten. De we dachten dat we een geintje konden uithalen. We zijn toen samen achter de pc van [medeverdachte] gaan zitten en hebben een publicatie van Belgacom en Versatel erbij genomen en Belgacom veranderd in Deutsche Telecom. Ik zat naast [medeverdachte] en somde voor [medeverdachte] diverse media op. [medeverdachte] zocht daarbij de betreffende mailadressen. We hebben toen de publicatie die we hadden aangepast en uitgeprint en we schreven op de achterkant van het papiertje de mailadressen. Vervolgens zijn we de stad in gegaan. We zijn toen bij het youth hostel (het hof begrijpt: [A] Hostel te Amsterdam) gaan zitten en daar hebben we samen plaats genomen achter de pc die daar stond. Ik heb de tekst voorgelezen en [medeverdachte] heeft de tekst ingetypt. We hebben hooguit een kwartier achter internet gezeten.

Alles is puur voor een moment lol gegaan. Er zullen mensen uit hun bed gebeld worden om het te checken. Wij vonden dat heel grappig. Wij waren er vanuit gegaan dat er een beetje reuring zou komen, maar dat het bericht nooit geplaatst zou worden.

2. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2012.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik blijf bij mijn bekennende verklaring. Het was een grap met de site shitzooi.nl.

3. Een geschrift, zijnde een Samenvatting totaal, bijlage 1, pagina 3 (dossier codenr D-12)

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

14/Jul/2005:00:42:02 Shitzooi verzending anonieme persberichten tot 14/Jul/2005:00:45:51 80.65.112.115.

Afzender [betrokkene 1]@talp.tv

Ontvangers:

- nieuwsdienst@anp.nl

- anpnieuws@anp.nl

- info@perssupport.nl

- internet@.rtlz.nl

- redactie@bn.nl

- info@dft.nl

- persbericht@fd.nl

- nrc@nrc.nl

- bettenbeursmedia@tijdbeursmedia.nl

Afzender: [betrokkene 2]@versatel.com

Ontvangers:

- persbericht@fd.nl

- bettenbeursmedia@tijdbeursmedia.nl

- info@dft.nl

- nrc@nrc.nl

- redactie@bn.nl

- internet@rtlz.nl

- info@perssupport.nl

- anpnieuws@anp.nl

- nieuwsdienst@anp.nl

4.

Geschriften, zijnde uitdraaien van e-mailberichten (codenr. D-11/1 tot en met D 11/18).

Deze geschriften houden telkens in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Bericht: Versatel

Persbericht

Mededeling

Amsterdam, 14 juli 2005 - Versatel Telecom International N.V. deelt mee dat zij in het kader van haar voortdurende strategische oriëntatie onder meer initiële gesprekken voert met Deutsche Telekom AG tezamen met Talpa Capital B.V., over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod. Gelet op de vergevorderde besprekingen kunnen op dit moment geen verdere mededelingen gedaan worden.

- Einde-

Vesatel Telecom International N.V. (Euronext: VRSA).

Versatel heeft haar hoofdkantoor in Amsterdam en is een concurrerende telecommunicatieoperator en toonaangevend alternatief van monopolistische telecommunicatieaanbieders in haar thuismarkten in de Benelux en regionaal in Duitsland. Versatel, opgericht in oktober 1995, is in het bezit van volledige telecommunicatielicenties voor Nederland, België en Duitsland en telt ruimt 1 miljoen klanten en ruim 1.900 werknemers. Versatel heeft op eigen faciliteiten gebaseerd breedbandig netwerk dat gebruik maakt van de modernste netwerktechnologieën om aan bedrijven breedbandige spraak-, data- en internetdiensten te bieden. Versatel is een beursgenoteerde vennootschap die een notering heeft aan de Euronext Amsterdam (VRSA). Meer nieuws en informatie is verkrijgbaar via http://www.versatel. com

Noot voor de redactie: 'Versatel' is als woord- en beeldmerk beschermd in Nederland, België, Luxemburg, Duitsland en verschillende andere Europese landen.

Contact Versatel:

[betrokkene 2]

Manager Corporate Communications

Tel: + 31-[001]

E-mail: [betrokkene 2]@versatel.com

Contact Talpa:

[betrokkene 1]

Woordvoerder

Tel: + 31-[002]

E-mail: [betrokkene 1]@talpa.tv

Dit e-mail bericht is verzonden door afzender [betrokkene 1]@talp.tv aan de volgende ontvangers:

- nieuwsdienst@anp.nl

- anpnieuws@anp.nl

- info@perssupport.nl

- intern@rtlz.nl

- redactie@bn.nl

- persbericht@fd.nl

- nrc@nrc.nl

- bettenbeursmedia@tijdbeursmedia.nl

- info@dft.nl

Dit e-mail bericht is verzonden door afzender [betrokkene 2]@versatel.com aan de volgende ontvangers:

- persbericht@fd.nl

- bettenbeursmedia@tijdbeursmedia.nl

- info@dft.nl

- nrc@nrc.nl

- redactie@bn.nl

- internet@rtlz.nl

- info@perssupport.nl

- anpnieuws@anp.nl

- nieuwsdienst@anp.nl

5.

Geschriften:

Versatel-Aangifte van overtreding van de artikelen 225 lid 1 en 334 Sr d.d. 29 juli 2005 gedaan door mr. V.K.F. Bekink, advocaat, namens Versatel Telecom International N.V., inhoudende de aangifte terzake van het versturen van een vals persbericht aan onder meer het Algemeen Nederlands Persbureau (D-13) en Talpa-Aangifte van overtreding van de artikelen 225 lid 1 en 334 Sr. d.d 3 augustus 2005 gedaan door mr. VH.F. Bekink, advocaat, namens Talpa Capital B.V., inhoudende aangifte terzake het versturen van een vals persbericht aan onder meer het Algemeen Nederlands Persbureau (D-14).”

6.

Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “bespreking gevoerde verweren” het volgende in:

“De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities bepleit dat het gewraakte bericht niet kan worden aangemerkt als een geschrift met bestemming om tot bewijs van enig feit te dienen. De raadsvrouw heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de valsheid geen rechtens relevant feit betrof en voorts dat het bericht een bewijsbestemming ontbeert.

Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat bij de verdachte het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te (doen) gebruiken heeft ontbroken, aangezien het slechts om een grap ging.

Het hof overweegt als volgt.

In het licht van het bepaalde in de destijds geldende artikelen 9, 9a en 9b van het toenmalige Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995, moet het ervoor worden gehouden dat onder omstandigheden als in het bericht genoemd sprake kon zijn geweest van koersgevoelige informatie die rechtens tot publicatie en het uitbrengen van een persbericht zou hebben genoopt. Reeds daarom heeft het bericht een bewijsbestemming. Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat het bericht daadwerkelijk door persbureau’s is overgenomen, is niet aannemelijk geworden dat de nabootsing zodanig onvolkomen was dat voor de geadresseerden duidelijk moest zijn geweest dat geen sprake was van een authentiek stuk. De omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard bij wijze van grap te hebben gehandeld, doet hier niet aan af.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij het bericht heeft verstuurd, in de hoop hiermee 'reuring' te veroorzaken. De verdachte heeft, naar het oordeel van het hof, met zijn intentie om 'reuring' te veroorzaken klaarblijkelijk de bedoeling gehad dat derden de inhoud van het persbericht voor waar zouden houden. Aldus is sprake van het oogmerk derden te misleiden. Ook hieraan doet niet af dat de verdachte heeft verklaard bij wijze van grap te hebben gehandeld. Het verweer wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen.”

7.

Het eerste middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het de verdachte is geweest die de persberichten valselijk heeft opgemaakt.

8.

Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte samen met zijn medeverdachte, [medeverdachte], achter de pc in [A] hostel is gaan zitten, dat de verdachte de tekst heeft voorgelezen en dat [medeverdachte] de tekst heeft ingetypt. Uit deze verklaring, noch uit de overige bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte de persberichten valselijk heeft opgemaakt. Het middel klaagt daarover terecht.

9.

Anders dan is tenlastegelegd – en anders dan de rechtbank in eerste aanleg heeft geoordeeld – heeft het hof hier niet het medeplegen maar het plegen van valsheid in geschrift bewezenverklaard. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de verklaringen van de verdachte zelf (bewijsm. 1 en 2), kan m.i. evenwel genoegzaam worden afgeleid dat tussen de verdachte en de medeverdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan die gericht was op het versturen van de valse persberichten. De verdediging heeft in feitelijke aanleg de deelneming als medepleger bovendien niet betwist. Het voorgaande ten spijt gaat het m.i. te ver om op grond hiervan aan te nemen dat het hof als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring heeft verzuimd op te nemen dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Daarbij neem ik in aanmerking dat ook de kwalificatie “valsheid in geschrift” niet op het medeplegen maar op het plegen is afgestemd.

10.

Evenmin komt het mij als juist voor om de bewijsmiddelen aldus op te vatten dat de verdachte kan worden beschouwd als de functionele dader van het misdrijf. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachte erin bestond dat de verdachte de tekst van het persbericht dicteerde en de medeverdachte de tekst vervolgens intypte. Van een concrete beschikkingsmacht dan wel zeggenschap van de verdachte over de gedragingen van zijn medeverdachte – zoals de Hoge Raad in zijn rechtspraak vereist – is niet gebleken, zodat de toerekening aan de verdachte van het opmaken van het persbericht en het versturen ervan reeds daarom niet aan de orde is.1 In elk geval biedt het bestreden arrest geen aanknopingspunt voor de stelling dat het hof het oog heeft gehad op deze juridische constructie.

11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

12.

Het middel slaagt.

13.

Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat achttien persberichten valselijk zijn opgemaakt.

14.

Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Door bewezen te verklaren dat de verdachte “achttien persberichten (…) via het internet valselijk heeft opgemaakt” heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat via de website www.shitzooi.nl per e-mail naar achttien geadresseerden een valselijk opgemaakt persbericht is verstuurd. Een en ander vindt voldoende steun in de gebezigde bewijsmiddelen. Ook de enkelvoudige kwalificatie “valsheid in geschrift” bevat geen aanwijzing voor de suggestie dat het hof bedoeld zou hebben dat er achttien afzonderlijke berichten zouden zijn opgesteld.2

15.

Het middel faalt.

16.

Het derde middel klaagt over ’s hofs oordeel dat het persbericht een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.

17.

Art. 225 Sr ziet op geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend.3 Volgens Van Dorst in Noyon-Langemeijer-Remmelink heeft de Hoge Raad met de term “maatschappelijk verkeer” gedacht aan het sociaal functioneren van het geschrift zonder dat aan juridische criteria hoeft te worden gedacht.4 Reijntjes formuleert het in zijn noot onder HR 20 april 2004, NJ 2004/6815 als volgt:

“Doorslaggevend is de rol, die het betreffende soort stuk in de samenleving pleegt te spelen. Het enkele gebruik van een concreet geschrift om wat daarin staat voor waar te laten doorgaan levert zelfs geen bewijsbestemming op wanneer het er speciaal voor is vervaardigd. Was dat anders, dan kon ieder geschrift binnen het bereik van art. 225 Sr worden gebracht en werd het vereiste van een bewijsbestemming zinledig.”

En Bakker in zijn dissertatie “Valsheid in geschrift”:6

“Het belang van het geschrift voor de maatschappij is daarin gelegen, dat men op de in het geschrift gerelateerde feiten af gaat en daarop zijn eigen plannen en handelingen baseert. Alleen die geschriften, die ook daadwerkelijk feiten bevatten, waarop men in het maatschappelijk verkeer wil (of wel moet) afgaan, verdienen strafrechtelijke bescherming.”

18.

Aldus is niet voldoende dat het geschrift is vervaardigd met het oogmerk er iets mee aan te tonen, laat staan met de enkele bedoeling dat de inhoud voor waar zal worden aangenomen. Het moet gaan om een geschrift van een soort, die een bepaalde maatschappelijke rol vervult.7 In voorkomende gevallen waarin de bewijsbestemming niet zonder meer toekomt aan het in de tenlastelegging genoemde geschrift, dient de rechter dit nader te motiveren.8 In dit verband kan gewezen worden op HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286, NJ 2009/56, waarin werd geoordeeld dat de bewijsbestemming niet kon worden afgeleid uit de enkele vaststellingen dat brieven afkomstig waren van een jurist van een belastingkantoor, valselijk waren voorzien van naam en handtekening van een ander en gericht waren aan overheidsinstanties, advocatenkantoren en bedrijven. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof niets had vastgesteld omtrent de relevantie van de in de brieven vervatte valse gegevens voor de (rechts)positie van de daarbij betrokken personen.9

19.

De bewijsbestemming van een geschrift kan ontbreken als het geschrift duidelijk niet geloofwaardig of onvoldoende substantieel is.10 Voorts kan de bewijsbestemming ontbreken als niet voldaan is aan wettelijke voorwaarden die aan het nagebootste geschrift worden gesteld.11 Aan de bewijsbestemming doet niet af dat de ontvanger de gegevens kan of moet controleren.12

20.

In de onderhavige zaak heeft het hof zijn oordeel dat het persbericht bewijsbestemming heeft gebaseerd op de omstandigheid dat op basis van de artikelen 9, 9a en 9b van het destijds geldende Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 onder de omstandigheden als in het bericht genoemd sprake kon zijn geweest van koersgevoelige informatie die rechtens tot publicatie en het uitbrengen van een persbericht zou hebben genoopt.

21.

De artikelen 9 en 9a van het Besluit Toezicht Effectenverkeer 199513 schrijven een beursgenoteerde onderneming voor om – kort gezegd – middels de publicatie van een persbericht een openbare mededeling te doen van elk belangrijk nieuw feit betreffende de uitoefening van het bedrijf dat niet reeds openbaar is en waarvan een aanzienlijke invloed op de koers van de aandelen van die onderneming kan uitgaan. Ingevolge art. 9b van voornoemd besluit is daarvan o.a. sprake indien een openbaar bod wordt voorbereid of is aangekondigd. In zo’n geval doen de bieder en de doelvennootschap hiervan een openbare mededeling.

22.

Het gaat hier om een persbericht afkomstig van beursgenoteerde ondernemingen, waartoe gelet op de inhoud ervan een wettelijke verplichting bestond en waarvan het belang in de maatschappij hierin is gelegen dat het rechtstreeks van invloed kan zijn op de omvang en de waarde van de handel in effecten.14 Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat het persbericht een bewijsbestemming heeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

23.

Het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de nabootsing zodanig onvolkomen was dat voor de geadresseerden duidelijk moest zijn geweest dat geen sprake was van een authentiek stuk acht ik evenmin onbegrijpelijk. Dat slechts één van de negen aangeschreven persbureaus het bericht heeft gepubliceerd, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af. Om met mijn voormalig ambtgenoot Wortel te spreken zou met de strekking van art. 225 Sr niet te verenigen zijn indien de bewijsbestemming van het geschrift niet kan worden aangenomen reeds omdat aannemelijk is dat degene die op het geschrift af zou moeten gaan het ontoereikend of ongeloofwaardig heeft geoordeeld en er daarom niet het door de steller beoogde gevolg aan heeft gegeven.15

24.

Het vierde middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu het hof in zijn nadere bewijsoverweging een omstandigheid heeft genoemd die niet in de bewijsmiddelen is opgenomen en waarvan de herkomst in de overweging evenmin voldoende nauwkeurig is aangegeven.

25.

Het middel heeft het oog op de door het hof genoemde omstandigheid dat het persbericht daadwerkelijk door persbureaus is overgenomen. Een snelle zoektocht op het internet leert dat het onderhavige persbericht is gepubliceerd en door verschillende media is overgenomen en verspreid.16 De in het middel bedoelde omstandigheid heeft derhalve te gelden als een feit van algemene bekendheid. Het is zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen te achterhalen en behoeft daarom geen bewijs. Daar komt nog bij dat de verdediging in het door haar gevoerde verweer niet onvermeld laat dat het persbericht is overgenomen. Dat het hof spreekt van “persbureaus” en niet van “persbureau” moet worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving.

26.

Het middel faalt.

27.

Het vijfde middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde oogmerk om het geschrift als ware het echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

28.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte met zijn intentie om “reuring” te veroorzaken klaarblijkelijk de bedoeling heeft gehad dat derden de inhoud van het persbericht voor waar zouden houden, zodat sprake is van het oogmerk te misleiden en dat daaraan niet afdoet dat de verdachte heeft verklaard bij wijze van grap te hebben gehandeld. Anders dan het middel wil acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk, zelfs niet tegen de achtergrond van verdachtes verklaring dat Van Doorn en hij nooit de bedoeling zouden hebben gehad dat het persbericht gepubliceerd zou worden.

29.

Het middel faalt.

30.

Alleen het eerste middel slaagt. Het tweede, het vierde en het vijfde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

31.

Ik heb mij nog afgevraagd of de verdachte een voldoende in rechte te respecteren belang bij zijn klacht heeft indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat louter de in het eerste middel opgeworpen klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering doel treft. Zoals ik onder 9 heb betoogd, zal het hof bij terugwijzing zonder veel moeite het medeplegen van valsheid in geschrift kunnen bewijzen. Echter, het hof heeft in de aan dit cassatieberoep ten grondslag liggende uitspraak niet het medeplegen maar het plegen van valsheid in geschrift bewezenverklaard. Aldus doet zich hier niet het geval voor “dat een nieuwe handeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden”.17 Door hier te oordelen dat de verdachte geen belang heeft bij cassatie zouden we m.i. al te nadrukkelijk op de stoel van de feitenrechter plaatsnemen.

32.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

33.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 23 februari 1954, NJ 1954/378, m.nt. Röling. Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 154-157.

2 Dit in tegenstelling tot het vonnis van de rechtbank, dat als kwalificatie “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” inhield.

3 Vgl. HR 30 september 1980, NJ 1981/70, HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379, NJ 2004/681, m.nt. Reijntjes.

4 A.J.A. van Dorst in: Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht , Deventer: Kluwer (losbl.), aant. 3.2 bij art. 225, bijgewerkt tot 1 oktober 2008.

5 ECLI:NL:HR:2004:AN9379.

6 F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 57.

7 Aldus Reijntjes in zijn noot onder HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6130, NJ 2007/326. Voor een overzicht van geschriften waaraan bewijsbestemming is toegekend, geschriften zonder bewijsbestemming en de twijfelgevallen verwijs ik naar Noyon, Langemeijer & Remmelink als voornoemd.

8 Vgl. CAG Jörg 10 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV2940.

9 Zie ook HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379, NJ 2004/681, m.nt. Reijntjes.

10 Vgl. HR 22 juni 1931, NJ 1932, p.95. Zie tevens CAG Wortel 20 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO2255 (HR: 81 RO).

11 Vgl. HR 19 september 1988, NJ 1989/534.

12 Vgl. HR 7 april 1987, NJ 1988/62. Zie tevens CAG Jörg 9 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL7695 (HR: 81 RO).

13 Sinds 1 januari 2007 is het toezicht op het effectenverkeer geregeld in de Wet op het financieel toezicht (Stb. 2006, 475).

14 Dat het persbericht daadwerkelijk invloed heeft gehad op de beurs volgt uit een bericht op de website van dagblad Trouw van 15 juli 2005 “Vals bericht over Versatel beroert beurs”, waarin gesproken wordt van een koerssprong van het aandeel Versatel van 5% kort na opening van de beurs. Zie hierover: http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/archief/article/detail/1723458/2005/07/15/Vals-persbericht-over-Versatel-beroert-beurs.dhtml

15 CAG Wortel 20 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO2255.

16 Zie noot 14.

17 Vlg. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383 en HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2547, NJ 2013/577.