Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:506

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-04-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
13/02312
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1357, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontbrekende pleitnota. De ttz. in h.b. overgelegde pleitnota ontbreekt bij de aan de HR toegezonden stukken. N.a.v. een door de raadsman ex art. IV.3 Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008 gedaan verzoek is bij het Hof nadere informatie ingewonnen. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat die pleitnota niet meer beschikbaar zal komen. Nu bedoelde pleitnota ontbreekt, valt niet na te gaan of ttz. meer verweren zijn gevoerd dan wel of aldaar uos-en naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02312

Zitting: 8 april 2014

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Op 26 april 2013 heeft het Gerechtshof te Amsterdam, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan, bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 17 april 2012, waarbij de verdachte wegens – kort gezegd – gekwalificeerde diefstal is veroordeeld. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis2.

2. Namens verdachte heeft mr. D.N. de Jonge, advocaat te Haarlem, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur en een aanvullende schriftuur ingezonden en daarin in totaal drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een schriftuur en een aanvullende schriftuur ingezonden met daarin in totaal twee middelen van cassatie.

4. Het derde middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting3 in hoger beroep van 26 april 2013 nietig is, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnotities zich niet (meer) bij de stukken bevinden.

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2013 is aldaar door de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van zijn pleitnotities die door hem aan het Hof zijn overgelegd.

6. De in dit proces-verbaal vermelde pleitnotities ontbreken bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Overeenkomstig het Procesreglement heeft de raadsman van de verdachte bij faxbericht van 30 augustus 2013 – en 9 oktober 2013 – tijdig aan de Rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van deze pleitnotities. Desgevraagd heeft de griffier van het Hof bij brief van 24 oktober 2013 de Hoge Raad bericht dat deze pleitnotities niet op het Hof zijn achtergebleven.

7. Gelet hierop valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in het bestreden arrest vermeld dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nu het blijkens bij het Hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.4 Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

8. Gelet op het voorgaande kan een bespreking van alle overige middelen volgens mij achterwege blijven. Indien de Hoge Raad daartoe aanleiding ziet, ben ik bereid aanvullend te concluderen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de verdachte met nummer 13/02311, in welke zaak ik eveneens vandaag concludeer.

2 Waarbij ik opmerk dat het Hof kennelijk ook de beslissingen van de Rechtbank met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen zoals weergegeven in het vonnis heeft bevestigd.

3 En naar ik aanneem bedoelt de steller van het middel – hoewel dit niet expliciet is vermeld – ook dat de naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 april 2013 gedane uitspraak nietig is.

4 Vgl. HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:467; zie ook HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6516 en HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8142.