Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:5

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
13/04528
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:443, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter. Art. 8 lid 1 Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II-bis). Peildatum toetsing internationale bevoegdheid: datum indiening verzoekschrift ondertoezichtstelling of indiening verzoekschrift verlenging ondertoezichtstelling? Behoud internationale bevoegdheid bij ongeoorloofde overbrenging kinderen naar Duitsland? Art. 10 Brussel II-bis. Art. 15 Brussel II-bis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/126
JPF 2014/61 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/04528

Mr. P. Vlas

Zitting, 10 januari 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

1) [verzoeker 1]

2) [verzoekster 2],

beiden wonende in Duitsland

(hierna: de ouders)

tegen

Bureau Jeugdzorg te Groningen

(hierna: BJZ)

In deze zaak komt de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is kennis te nemen van een verzoek tot verlenging van kinderbeschermingsmaatregelen die door de Nederlandse rechter zijn uitgesproken, wanneer de minderjarigen inmiddels in het buitenland verblijven.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn de volgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren: [kind 1] ([geboortedatum] 2007), [kind 2] ([geboortedatum] 2008) en [kind 3] ([geboortedatum] 2009) (hierna gezamenlijk: de minderjarigen). Bij beschikkingen van 25 november 2011 en 14 december 2011 zijn door de rechtbank Groningen kinderbeschermingsmaatregelen getroffen met betrekking tot de minderjarigen. Hierop zijn de minderjarigen in Duitsland door het Duitse Jugendamt van hun verblijfplaats ondergebracht in een tehuis, waarna zij op 27 december 2011 zijn overgedragen aan BJZ in Nederland; sindsdien verbleven de minderjarigen bij Nederlandse pleeggezinnen. Bij beschikking van 1 maart 2012 heeft het hof Leeuwarden het onbevoegdheidsverweer van de ouders verworpen, omdat de minderjarigen bij het inleiden van de procedure hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door Uw Raad verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO (HR 4 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7753, RvdW 2013/106). In een afzonderlijke procedure hebben de ouders op de voet van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag 1980 om teruggeleiding van de kinderen van Nederland naar Duitsland verzocht, doch dit verzoek is door de rechtbank ’s-Gravenhage en in hoger beroep door het hof ’s-Gravenhage afgewezen. Het hof heeft geoordeeld dat de overbrenging door Jeugdzorg van de minderjarigen van Duitsland naar Nederland geen kinderontvoering in de zin van art. 3 HKOV is. Het tegen de beschikking van het hof gerichte cassatieberoep is door Uw Raad met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6365, RvdW 2013/525).

1.2

De ouders hebben de minderjarigen op 28 september 2012 bij een begeleid bezoek zonder toestemming meegenomen naar Duitsland, waarna tegen de ouders Europese arrestatiebevelen zijn uitgevaardigd op grond van onttrekking aan het opzicht (art. 279 Sr). Naar aanleiding hiervan hebben de ouders in kort geding onder meer gevorderd dat alle opsporingsactiviteiten worden beëindigd en alle arrestatiebevelen worden ingetrokken. De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen heeft bij vonnis van 14 december 2012 de vorderingen van de ouders afgewezen. Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 juni 2013. Het tegen het arrest van het hof ingestelde cassatieberoep is door Uw Raad op de voet van art. 80a lid 1 RO niet-ontvankelijk verklaard (HR 8 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1135).

1.3

De termijn van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is steeds verlengd, laatstelijk tot 8 april 2013 (zie rov. 15 van de bestreden beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden). De door BJZ in een nieuwe procedure verzochte verlenging van deze kinderbeschermingsmaatregelen met ingang van 8 april 2013 is door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen afgewezen bij beschikking van 25 maart 20131, in welke beslissing de ouders voorts niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun verzoek tot i) nietigverklaring van alle beschikkingen die door de kinderrechter en het hof Arnhem-Leeuwarden zijn genomen met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing en tot ii) het als kinderontvoering kwalificeren van het weghalen van de minderjarigen uit Duitsland en het overbrengen naar Nederland.

1.4

Bij beschikking van 27 juni 20132 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de voornoemde beschikking vernietigd en de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen met ingang van 25 februari 2013 verlengd voor de duur van één jaar, terwijl het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof heeft, kort gezegd, overwogen dat de Nederlandse rechter in deze procedure internationale bevoegdheid toekomt (rov. 18) en dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen nog immer aanwezig zijn (rov. 23-24).

1.5

De ouders hebben tegen deze beschikking van het hof tijdig cassatieberoep ingesteld. BJZ heeft geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. De onderdelen 1 en 2 bevatten klachten tegen de beschikking van het hof Leeuwarden van 18 oktober 20123 en de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 28 maart 20134. Deze klachten horen echter niet thuis in het onderhavige cassatiegeding dat uitsluitend betrekking heeft op de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2013.

2.2

In onderdeel 3 worden onder a) t/m f) verschillende klachten geformuleerd tegen de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2013. Zie ik het goed, dan houden de klachten onder a) en d), zakelijk weergegeven, in dat het hof heeft miskend dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid heeft om te oordelen over het verzoek van BJZ tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen die sedert 28 september 2012 in Duitsland verblijven. Het middel keert zich hiermee tegen rov. 18 van het bestreden arrest, waarin het hof als volgt overweegt:

De bevoegdheid van de rechter

Voor wat betreft het verweer van de ouders dat de Groningse rechter niet bevoegd is kinderbeschermingsmaatregelen te nemen ten aanzien van de minderjarigen, die in Duitsland woonachtig zijn, sluit het hof zich – na eigen onderzoek – aan bij hetgeen het hof Leeuwarden in de beschikking van 1 maart 2012 over de bevoegdheid van de rechter uitvoerig heeft overwogen. Het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 6 tot en met 18 van die beschikking en neemt deze hier over. Bij beschikking van 4 januari 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de ouders tegen de beschikking van het hof Leeuwarden van 1 maart 2012 met toepassing van artikel 81 lid 1 RO verworpen. Hetgeen het hof Leeuwarden in de beschikking van 1 maart 2012 heeft beslist, staat daarmee in rechte vast (…)’.

2.3

Ik roep in herinnering dat de beschikking van het hof Leeuwarden van 1 maart 2012 betrekking heeft op de oorspronkelijke ondertoezichtstelling van de minderjarigen en de verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Het hof heeft in de beschikking van 1 maart 2012 op grond van art. 8 Brussel II-bis5 rechtsmacht aangenomen omdat de minderjarigen op het ter beoordeling van de rechtsmacht relevante tijdstip, te weten het inleiden van de procedure in eerste aanleg, hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Zoals ik reeds heb aangegeven is het tegen deze beschikking ingestelde cassatieberoep door Uw Raad verworpen bij beschikking van 4 januari 2013, waarmee dat geding in procesrechtelijke zin is afgesloten. In de onderhavige procedure gaat het echter om de verlenging van (de duur van) de eerder uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen. Deze procedure hangt weliswaar samen met en borduurt voort op de eerdere procedure die heeft geleid tot de beschikking van het hof Leeuwarden van 1 maart 2012, maar dit neemt niet weg dat de onderhavige procedure in procesrechtelijke zin een afzonderlijke procedure is die met een nieuw verzoekschrift wordt ingeleid. Dit betekent dat overeenkomstig het bepaalde in art. 8 Brussel II-bis de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de onderhavige procedure moet worden beoordeeld volgens de feiten en omstandigheden ten tijde van het inleiden van déze procedure (in het concrete geval op 7 januari 2013)6 en niet ten tijde van het inleiden van de procedure die heeft geleid tot de beschikking van het hof Leeuwarden van 1 maart 2012.

2.4

Door aansluiting te zoeken bij het bevoegdheidsoordeel zoals vervat in de beschikking van het hof Leeuwarden van 1 maart 2012, is het hof in de thans bestreden beschikking dus uitgegaan van een onjuiste peildatum voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. In het geding na verwijzing zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter alsnog moeten worden beoordeeld naar het relevante peilmoment (te weten 7 januari 2013), waarbij gelet op de onrechtmatige overbrenging van de minderjarigen naar Duitsland door hun ouders in het bijzonder de vraag rijst of de Nederlandse rechter, ondanks deze overbrenging, als rechter van de lidstaat waar de minderjarigen vóór de overbrenging hun gewone verblijfplaats hadden rechtsmacht heeft behouden op grond van art. 10 Brussel II-bis.

2.5

Ten overvloede merk ik nog op dat, wanneer in het geding na verwijzing vast zou komen te staan dat de Nederlandse rechter op grond van art. 10 Brussel II-bis rechtsmacht heeft behouden, art. 15 Brussel II-bis eventueel de mogelijkheid biedt om de behandeling van de zaak over te dragen aan de gerechten in Duitsland wanneer zulks in de visie van de feitenrechter in het belang van de minderjarigen is gelet op hun actuele verblijfplaats en gelet op de patstelling die tussen de ouders en de kinderbeschermingsinstanties in Nederland is ontstaan.7

2.6

De overige klachten van onderdeel 3, onder b), c) en e) zijn of onbegrijpelijk of voldoen niet aan de daaraan te stellen eisen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2013 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:RBNNE:2013:4045.

2 ECLI:NL:GHARL:2013:4778.

3 ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1757.

4 ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6914.

5 Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/200, PbEG 2003, L 338/1 (hierna: Brussel II bis).

6 Zie in dit verband D. van Iterson, Ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderbescherming, Praktijkreeks IPR, deel 4, 2011, nr. 165.

7 Zie over de procedure die in acht moet worden genomen bij de toepassing van art. 15 Brussel II-bis: F. Ibili, Gewogen rechtsmacht in het IPR. Over forum (non) conveniens en forum necessitatis, 2007, p. 155-182; D. van Iterson, a.w., nr. 273-291.