Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:499

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-05-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
13/02489
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2739, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Grenzen geschil cassatie en verwijzing. Uitleg gedingstukken. Is de verwijzingsrechter gebonden aan in cassatie niet of tevergeefs bestreden proceskostenveroordeling van de eerdere appelrechter?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2015/2 met annotatie van mr. R.L. Bakels
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/02489

Mr. L. Timmerman

Zitting 23 mei 2014

Conclusie inzake:

[eiser],

eiser tot cassatie,

(hierna: [eiser]),

tegen

1. [verweerster 1] en

2. [verweerder 2],

verweerders in cassatie

(hierna: [verweerders] en afzonderlijk [verweerster 1] resp. [verweerder 2]).

1 Inleiding

1.1

Deze zaak kent een lange voorgeschiedenis en wordt voor de derde maal aan de Hoge Raad voorgelegd.

1.2

[eiser] en [verweerders] hebben in 1985 een aandelentransactie gesloten op basis van jaarstukken die een onjuiste voorstelling van zaken gaven doordat [verweerders] bedrieglijk informatie hadden achtergehouden. In 1990 heeft [eiser] een procedure geëntameerd die na cassatie en verwijzing (HR 6 februari 1998, ECLI:NL:HR:2008:BD0658) is uitgemond in de hoofdelijke veroordeling van [verweerders] tot vergoeding van de koopprijs die [eiser] was misgelopen als gevolg van de door hen gepleegde onrechtmatige daad.

1.3

In de daarop gevoerde schadestaatprocedure heeft [eiser] onder meer aanspraak gemaakt op zogenoemde compensatoire rente. Dit betreft kort gezegd schadevergoeding ter compensatie van gederfde rente. Het voorliggende cassatieberoep betreft de voortzetting van die procedure na cassatie en verwijzing (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0658).

1.4

Thans zijn drie specifieke (deel)kwesties aan de orde: (i) de periode waarin [eiser] aanspraak heeft op compensatoire rente, (ii) de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en (iii) de proceskostenveroordeling in tweede aanleg.

2 Feiten

2.1

In dit stadium van het geding kan worden uitgegaan van de feiten die vermeld zijn in het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008, onder rechtsoverweging 3.1. Kort samengevat gaat het om het volgende.

2.2

De broers [betrokkene], [eiser] en [verweerder 2] waren voor 55%, 30% respectievelijk 15% aandeelhouder/firmant in het zogenoemde [A]-concern, bestaande uit diverse vennootschappen. De directie over het concern werd gevoerd door [betrokkene]. [verweerder 2] werd vanaf september 1980 mededirecteur. Toen [betrokkene] in 1981 overleed is [verweerder 2] hem in die functie opgevolgd.

2.3

[eiser] en [verweerder 2] hebben in de loop van 1984 onderhandeld over de verkoop van het aandeel van [eiser] in het concern aan [verweerder 2]. Dat leidde in mei/juni 1985 tot overeenstemming. Bij koopovereenkomst van 23 december 1985 heeft [eiser] zijn aandeel voor een koopprijs van NLG 950.000,-- verkocht aan [verweerster 1], die daartoe door [verweerder 2] was opgericht. De aandelen zijn daarop geleverd en de koopprijs is voldaan.

2.4

Op 7 december 1990 heeft [eiser] [verweerders] in rechte betrokken en vergoeding gevorderd van de door hem geleden schade als gevolg van onrechtmatig handelen door [verweerders] Hij stelde zich op het standpunt dat, in opdracht althans met medeweten van [verweerders], informatie was achtergehouden en bedragen aan de vennootschappen van het Hofmans-concern waren onttrokken. [verweerders] hebben een en ander betwist. In eerste en tweede aanleg draaide deze procedure om de vraag of [eiser] geslaagd was in de bewijslevering van de door hem gestelde en door [verweerders] betwiste feiten. Na cassatie en verwijzing (HR 6 februari 1998) oordeelde het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 17 november 1998 dat het voornoemde bewijs was geleverd en werden [verweerders] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat.

3 Procesverloop

3.1

Bij exploot van 9 juni 2000 heeft [eiser] een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt. In de loop van deze procedure heeft hij onder meer aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van compensatoire rente. Aangezien het voorliggende cassatieberoep vooral betrekking heeft op de vraag over welke termijn compensatoire rente gevorderd is en wat in verschillende instanties te dien aanzien is geoordeeld, zal ik mij in de hierna volgende bespreking van het verloop van de schadestaatprocedure vooral richten op deze thematiek en daarbij betrekkelijk uitvoerig uit de processtukken citeren.

3.2

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft in zijn tussenvonnis van 12 juni 2002 geoordeeld dat het stelsel van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek meebrengt dat de vraag of en in hoeverre wettelijke rente verschuldigd is beoordeeld moet worden naar oud recht (rov. 4.28). Art. 1286 (oud) BW bepaalde dat de wettelijke rente slechts berekend mocht worden vanaf de dag dat zij in rechte wordt gevorderd. Volgens de rechtbank had [eiser] evenwel niets gesteld over een rente-aanzegging vóór 9 juni 2000 (rov. 4.29). De rechtbank hield de zaak aan om [eiser] in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

3.3

Bij conclusie na tussenvonnis (p. 3-4) heeft [eiser] op dit punt primair aangevoerd dat hij niet eerder dan op 9 juni 2000 de wettelijke rente heeft aangezegd, en subsidiair zijn vordering als volgt vermeerderd:

“Geheel subsidiair vermeerdert Hofmans zijn vordering in dier voege dat hij vordert de zogenaamde compensatoire interesten als bedoeld in artikel 1282 oud BW. Vergelijk Hoge Raad 29 april 1988, NJ 1988, nr. 773: ‘de vergoeding van kosten, schaden en interessen welke de schuldeiser krachtens artikel 1282 BW recht heeft te vorderen omvat de schade welke hij heeft geleden doordat hij rente heeft gederfd welke hij van een vermogensbestanddeel zou hebben gekweekt als het hem niet ten onrechte was onthouden, …’. Om praktische redenen beperkt Hofmans de hoogte van de compensatoire rente tot de hoogte van de wettelijke rente.”

3.4

[verweerders] hebben zich tegen de eisvermeerdering verzet. De rechtbank heeft in zijn eindvonnis van 17 december 2003 dit verzet gegrond geacht en, conform het primaire standpunt van [eiser], [verweerders] veroordeeld tot betaling van EUR 109.631,90 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2000 tot aan de dag der voldoening.

3.5

Van dit vonnis is [eiser] in hoger beroep gekomen. In de memorie van grieven van 17 augustus 2004 (p. 13-16) heeft hij zijn eis als volgt aangepast:

“[eiser] preciseert, vermeerdert, c.q. wijzigt zijn eis in dier voege, dat hij uitdrukkelijk aanspraak maakt op vergoeding van zijn compensatoire rente-schade over het gehele, nader door het Hof op basis van de grieven vast te stellen, verschil tussen de in 1985 feitelijk ontvangen koopsom en de redelijke koopprijs zoals die zonder het door [verweerder 2] gepleegde bedrog zou zijn bepaald op basis van het reële concernvermogen en goodwillaspect. […]

[eiser] heeft altijd zijn vermogen belegd in ‘vastgoed’ (onroerende zaken) zowel woningen als kantoren en bedrijfsruimten. Indien [eiser] in 1985 de vrije beschikking zou hebben gehad over het bedrag dat hem in deze procedure zal worden toegewezen, zou hij dit bedrag hebben belegd in vastgoed. […]

Ervan uit gaande dat [eiser] evenveel geld in woningen als in bedrijfsmatig vastgoed zou hebben belegd, hetwelk thans ook zo is, beloopt de gemiddelde waardestijging dus 300% en het gemiddelde rendement over de jaren 1985 tot en met heden 11,9%. [...]

Geheel subsidiair, indien en voor zover uw Gerechtshof vorengestelde niet zou kunnen honoreren, beperkt [eiser] zijn vordering terzake van compensatoire rente en schade tot het bedrag van de wettelijke rente over de jaren 1985 tot op heden.”

3.6

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij tussenarrest van 14 september 2004 het bezwaar van [verweerders] tegen de eiswijziging ongegrond verklaard. Bij eindarrest van 15 augustus 2006 (ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6478) heeft het hof de door [eiser]’ primair gevorderde compensatoire rente afgewezen (rov. 4.11.7 en 4.11.8) en de subsidiaire vordering toegewezen voor de periode 15 mei 1985 tot 7 december 1990 (rov. 4.11.11), terwijl voor de periode vanaf 9 juni 2000 de reeds in eerste aanleg gevorderde wettelijke rente is toegewezen (rov. 4.11.12). Ik haal de desbetreffende rechtsoverwegingen van het arrest van 14 september 2004 aan:

“4.2.2. […] Bij wege van vermeerdering van eis heeft [eiser] in hoger beroep uitdrukkelijk vergoeding van de compensatoire renteschade over het door het hof vast te stellen verschil tussen de hypothetische en de daadwerkelijke koopprijs in 1985 gevorderd. Als compensatoire rente vanaf 1985 tot de datum van de memorie van grieven vordert [eiser] 526% (het hof begrijpt: van het schadebedrag in 1985). Subsidiair beperkt [eiser] deze vordering tot de wettelijke rente over de jaren 1985 tot de datum van de memorie van grieven.

[…]

4.11.7.

Het hof acht het met de ratio van de mogelijkheid tot vergoeding van compensatoire interessen onder het oude recht - de vergoeding van rente over de periode dat over een vordering tot schadevergoeding nog geen aanspraak op wettelijke rente kon worden gemaakt - niet in overeenstemming indien onder het predikaat van compensatoire interessen rente zou kunnen worden gevorderd die de schuldeiser als vertragingsschade had kunnen vorderen. Het hof merkt op dat ook in de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1988, nr. 13148 (NJ 1988, nr. 773), waarnaar [eiser] voor zijn standpunt verwijst, erop wordt gewezen dat het feit dat rentederving als schade kan worden aangemerkt onverlet laat dat dient te worden onderzocht of die schade in werkelijkheid is geleden en dat voorts zal moet worden onderzocht in hoeverre mogelijk onder het mom van compensatoire interessen moratoire interessen ter zake van vertraging in de betaling van de schadevergoeding worden gevorderd (conclusie A-G onder 2.6). De Hoge Raad heeft voormelde zaak vervolgens niet zelf afgedaan maar ter verdere berechting en beslissing naar het gerechtshof te Arnhem verwezen.

4.11.8.

In het onderhavige geval heeft [eiser] bij inleidende dagvaarding van 7 december 1990 vergoeding gevorderd van geleden schade. Voor die geleden schade vorderde hij schadevergoeding. Voor zover hij door de niet directe betaling van die aanspraak rente zou derven gaat het naar het oordeel van het hof dan ook om vertragingsrente over de gevorderde schadevergoeding. Het feit dat [eiser] die rente niet eerder dan bij dagvaarding van 9 juni 2000 heeft gevorderd, waardoor deze ingevolge het bepaalde in art. 1286 lid 3 (oud) BW pas vanaf laatstgenoemde datum toewijsbaar is, dient voor zijn eigen rekening te blijven.

[…]

4.11.11.

[eiser] heeft subsidiair gevorderd om de compensatoire rente op de hoogte van de wettelijke rente te bepalen doch ook daarvoor heeft hij geen concrete gronden aangedragen. Nu het op zichzelf wel voldoende aannemelijk is te achten dat over het verschil tussen werkelijke en hypothetische koopsom rente is gederfd, zal het hof deze post voor de periode tussen 15 mei 1985 en 7 december 1990 ex aequo et bono bepalen. Het hof zoekt daarbij aansluiting bij het rentepercentage van ca. 6,5% van de depositorekening waarop per 15 mei 1985 de koopprijs van f 950.000,= is gestort (prod. 20 conclusie van antwoord hoofdzaak) en zal de schade ten gevolge van gederfde rente over de schade ten gevolge van een te lage ontvangen koopsom bepalen op E. 37.000,--.

4.11.12.

[eiser] heeft weliswaar in hoger beroep aan zijn gehele subsidiaire vordering van wettelijke rente ten grondslag gelegd dat hij deze rente vordert als compensatoire rente doch nu hij niet uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij daarmee zijn door de rechtbank vanaf 9 juni 2000 toegewezen vordering van wettelijke rente als vertragingsrente zou hebben willen prijsgeven, zal het hof ervan uitgaan dat [eiser] met zijn eiswijziging niet heeft beoogd de door hem bij dagvaarding van 9 juni 2000 gestelde vordering van wettelijke rente in te trekken. Het hof zal de wettelijke rente daarom, evenals in eerste aanleg, toewijzen vanaf 9 juni 2000.”

3.7

[eiser] heeft hiertegen cassatieberoep ingesteld. In onderdeel II van het toen voorgestelde middel klaagde hij over de juistheid en/of begrijpelijkheid van de afwijzing van de gevorderde compensatoire rente. De inleiding van dit onderdeel luidt als volgt (cassatiedagvaarding van 15 november 2006, p. 12-13):

“Bij de toelichting op zijn grief II heeft [eiser], bij wijze van eiswijziging en onder verwijzing naar het in casu nog toepasselijke oud BW (MvG p. 13-15), alsnog aanspraak gemaakt op vergoeding van zgn. compensatoire rente over resp. als onderdeel van zijn aan [verweerder 2] toerekenbare schade als gevolg van diens bedrieglijke verzwijging bij de koop-onderhandelingen in 1984/’85 van alle door of met medeweten van de directie van het [A]-concern vóór de koop gepleegde malversaties, met als (door de rechtbank en het hof onderschreven) uitgangspunt voor de schadeberekening het verschil tussen enerzijds de daadwerkelijk door [eiser] in 1985 geaccordeerde en ontvangen koopsom en anderzijds de redelijke (hypothetische) koopprijs zoals die op basis van de reële waarde van het vermogen en de goodwill van het concern aan de hand van de correcte jaarstukken zou zijn bepaald, derhalve met wegdenken van de eerste malversaties resp. van de verwijzing hiervan bij de koop.

[…]

In rovv. 4.11.7 e.v. heeft het hof (niettemin) de door [eiser] gevorderde compensatoire rente slechts toewijsbaar geoordeeld voor de periode tussen 15 mei 1985 (de ‘peildatum’) en 7 december 1990 (datum van de inleidende dagvaarding in de hoofdzaak) en het overigens voor [eiser]’s eigen rekening gelaten dat hij pas op 9 juni 2000 (datum inleidende dagvaarding in de schadestaatprocedure) overeenkomstig art. 1286 oud BW aanspraak op wettelijke rente heeft gemaakt, zodat [eiser] over de periode tussen 7 december 1990 en 9 juni 2000 volgens het hof geen enkele aanspraak op (compensatoire of wettelijke) rente heeft.”

In de cassatiedagvaarding worden vervolgens vijf overwegingen als dragend gekwalificeerd (p. 13-14). Onderdeel II.A bestrijdt twee van deze overwegingen en is getiteld ‘Afwijzing van de compensatoire rentevordering voor de periode vanaf 7 december 1990’ (cassatiedagvaarding van 15 november 2006, op p. 14). Onderdeel II.B bestrijdt de overige overwegingen en ziet op de begroting van de compensatoire renteschade over de periode 15 mei 1985 tot 7 december 1990 (cassatiedagvaarding, p. 16 en de s.t. zijdens [eiser] van 22 oktober 2007, randnr. 69).

3.8

In zijn arrest van 11 juli 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD0658) overwoog de Hoge Raad ten aanzien van deze onderdelen:

“Onderdeel IIA komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen rov. 4.11.7 en 4.11.8, waarin het hof de door [eiser] gevorderde compensatoire rente over de periode tussen 7 december 1990 en 9 juni 2000 heeft afgewezen. […]

Op de hoofdregel van art. 1282 (oud) BW dat de benadeelde in beginsel recht heeft op vergoeding van zijn volledige schade, maakt art. 1286 (oud) BW in zoverre een uitzondering dat de schade in sommige gevallen wordt "gefixeerd" op de wettelijke rente. Die uitzondering geldt slechts voor vergoeding van schade, geleden door de niet-tijdige nakoming van "verbintenissen die alleen betrekkelijk zijn tot de betaling van een zekere geldsom". In het onderhavige geval ziet de vordering van [eiser] niet op vergoeding van schade die hij heeft geleden door de niet-tijdige nakoming van een verbintenis die uitsluitend als inhoud heeft het betalen van geld. [eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op een door [verweerder 2] en de B.V. jegens hem gepleegde onrechtmatige daad, bestaande in het bedrieglijk achterhouden van informatie. Zijn vordering strekt tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van die onrechtmatige daad heeft geleden. Voor zover de onrechtmatige daad heeft geleid tot gemis van een vermogensbestanddeel (in het onderhavige geval het verschil tussen de betaalde koopsom en de hogere koopprijs die [eiser] is ontgaan) kan compensatoire rente worden gevorderd. Het betreft dan schade welke de schuldeiser heeft geleden doordat hij rente heeft gederfd welke hij van een vermogensbestanddeel zou hebben gekweekt, als het hem niet ten onrechte zou zijn onthouden.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Na verwijzing dient te worden onderzocht of is voldaan aan de overige voorwaarden voor toewijzing van compensatoire rente en in welke omvang die rente voor toewijzing vatbaar is.

[…]

3.5

De in onderdelen IIB en III aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”

3.9

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en verwees het geding ter verdere behandeling en afdoening naar het gerechtshof te Arnhem.

3.10

Bij arrest van 11 december 2012 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, voor zover thans van belang, de compensatoire rentevordering in de periode 7 december 1990 - 9 juni 2000 toegewezen en de kosten van het geding in beide instanties gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt. In het dictum van het arrest van 11 december 2012 is een bedrag van € 346.704,- aan hoofdsom en compensatoire rente toegewezen. Blijkens rov. 2.13 omvat dit bedrag € 143.013,01 aan compensatoire rente voor de periode 7 december 1990 - 9 juni 2000:

“[…] De aan [eiser] toe te kennen compensatoire rente begroot het hof op grond van het voorgaande voor de periode van 15 mei 1985 tot 7 december 1990 op € 55.678,83 en voor de periode van 7 december 1990 tot 9 juni 2000 op € 143.013,01. De hoofdsom en de compensatoire rente over de genoemde periodes zijn dus toewijsbaar tot het bedrag van – afgerond – € 331.074,-. Daar komt bij het bedrag aan accountantskosten van € 15.000,- (arrest van 15 augustus 2006 onder 4.10.5). Voor de periode vanaf 9 juni 2000 is de wettelijke rente over de totale som van € 246.074,- toewijsbaar.”.

3.11

Namens [eiser] is bij dagvaarding van 11 maart 2013 beroep in cassatie ingesteld. Het beroep is schriftelijk toegelicht. Partijen hebben op elkaars standpunten gereageerd.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

De cassatiedagvaarding omvat zes onderdelen. Middelonderdelen 2, 3 en 4 zijn ingetrokken nadat het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden het bestreden arrest naar aanleiding van op 11 maart 2013 door [eiser] ingediende verzoeken ex art. 31 en 32 Rv heeft verbeterd (zie p. 3 van de brief van mr. Meijer van 16 mei 2013 en par. 1.4 van de schriftelijke toelichting zijdens [eiser]).

4.2

In het navolgende bespreek ik achtereenvolgens middelonderdelen 1, 5 en 6.

4.3

Middelonderdeel 1 keert zich tegen de slotzin van rov. 2.11 van het verwijzingsarrest, waarin het hof heeft overwogen dat onderzocht moet worden of [eiser] aanspraak heeft op compensatoire rente over de periode 7 december 1990 tot 9 juni 2000. Het onderdeel stelt dat hiermee miskend is dat [eiser] in hoger beroep steeds uitdrukkelijk voor de gehele periode vanaf 15 mei 1985 (datum betaling koopsom) tot en met 17 augustus 2004 (datum memorie van grieven) aanspraak heeft gemaakt op compensatoire rente. Het middel maakt in het bijzonder bezwaar tegen de einddatum van 9 juni 2000. Deze zou 17 augustus 2004 moeten zijn.

4.4

Voor de duidelijkheid wijs ik erop dat voor de periode van 9 juni 2000 tot 17 augustus 2004 het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de wettelijke rente heeft toegewezen (zie rov. 4.11.12 van het arrest van 15 augustus 2006)

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] bij memorie van grieven van 17 augustus 2004 aanspraak heeft gemaakt op compensatoire rente over de periode 15 mei 1985 tot 17 augustus 2004 (zie hierboven onder 3.5).

4.6

Voor de periode 7 december 1990 tot 9 juni 2000 is de vordering van [eiser] door het verwijzingshof toegewezen (zie hierboven onder 3.9).

4.7

Voor de compensatoire rentevordering in de periode van 9 juni 2000 tot 17 augustus 2004 stelt [eiser] zich op het standpunt dat verzuimd is op dit deel van het gevorderde te beslissen.

4.8

Van belang is onderdeel II van het cassatiemiddel van [eiser] van 15 november 2006. De inleiding op dat onderdeel II (zie het citaat daaruit onder 3.7, hierboven) wekt de indruk dat de erop volgende klachten zich beperken tot de afwijzing van de vordering voor de periode 7 december 1990 - 9 juni 2000. Ik vind die uitleg ook logisch omdat het Hof voor de periode na 9 juni 2000 wettelijke rente had toegewezen. Daar komt nog bij dat de bezwaren in het desbetreffende middelonderdeel zich m.i. richten tegen het in het geheel niet toewijzen van enige rente. Op grond hiervan meen ik dat goed te begrijpen is dat onderdeel II.A zo door de Hoge Raad is uitgelegd dat het beperkt was tot de afwijzing van de compensatoire rentevordering voor de periode 7 december 1990 tot 9 juni 2000, en niet tevens betrekking had op de periode 9 juni 2000 tot 17 augustus 2004. Hiervan uitgaande hebben de Hoge Raad en het verwijzingshof zich terecht gericht op de gevorderde compensatoire rente in de periode van 7 december 1990 tot 9 juni 2000. Anders dan [eiser] aanneemt is daarmee niet verzuimd om op een deel van het gevorderde te beslissen of een klacht onzuiver weergegeven, maar heeft de Hoge Raad zijn onderzoek in overeenstemming met art. 419 lid 1 Rv beperkt tot de omtrek van de aangevoerde cassatiemiddelen en heeft het verwijzingshof de zo-even genoemde grenzen van de procedure na verwijzing in acht genomen. Onderdeel 1 faalt.

4.9

Overigens merk ik nog op dat [eiser] thans tot uitgangspunt neemt dat compensatoire rente en wettelijke rente naar oud recht niet mogen cumuleren (schriftelijke toelichting van 8 november 2013, randnr. 3.10). Dat uitgangspunt staat haaks op hetgeen [eiser] met onderdeel 1 beoogt, te weten dat de compensatoire rente naast de wettelijke rente wordt toegewezen. Het gegeven dat [eiser] geen beroep heeft gedaan op cumulatie, maakt uiteraard nog niet dat het cumulatieverbod om die reden niet aan toewijzing van beide rentevorderingen over dezelfde periode in de weg staat.

4.10

Middelonderdeel 5 klaagt dat het hof in de slotzin van rov. 3 en het dictum van het bestreden arrest ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd de proceskosten (van [verweerders]) van de eerste aanleg heeft gecompenseerd. Volgens het onderdeel waren die proceskostenveroordelingen in verwijzing onaantastbaar geworden, omdat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de door [verweerders] daartegen gerichte grieven heeft verworpen en beide veroordelingen heeft bekrachtigd terwijl [verweerders] daartegen in cassatie niet (incidenteel) hebben geklaagd.

4.11

Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Een beslissing omtrent de proceskosten dient ambtshalve te worden uitgesproken (vgl. HR 28 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9604, NJ 1987/380). In eerste aanleg is een daartoe strekkende vordering niet vereist. In appel is een grief daarvoor niet noodzakelijk. De rechter is dus niet gebonden aan hetgeen partijen in dit verband hebben gevorderd of waartegen zij hebben gegriefd. Ik meen dat dat ook voor verwijzingsrechter geldt (vgl. in deze zin F.J.H. Hovens, Civiel appèl, Den Haag: Sdu Uitgevers 2007, p. 160).

4.12

Middelonderdeel 6 klaagt over de begrijpelijkheid van de door het verwijzingshof uitgesproken volledige proceskostencompensatie in tweede aanleg. Volgens het onderdeel is de door het hof gegeven motivering, te weten dat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, een ontoereikende sjabloonmotivering in het licht van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder het gegeven dat [verweerders] steeds betwist hebben, en pas na een langdurige procedure is komen vast te staan, dat zij bedrieglijk informatie hebben achtergehouden en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld.

4.13

Het al of niet compenseren van de proceskosten betreft een bevoegdheid die ter discretie staat van de feitenrechter (HR 15 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC4348, NJ 1983/328). Een beslissing daaromtrent berust op een waardering van de omstandigheden van het geval. Met de gegeven motivering heeft het verwijzingshof er blijk van gegeven de grenzen van art. 237 Rv in acht te hebben genomen. Dat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, betwist het onderdeel niet. Veeleer betoogt het onderdeel dat het verwijzingshof gelet op de vaststaande feiten een andere keuze had moeten maken. Voor een dergelijke feitelijke herbeoordeling is in cassatie geen plaats. Het onderdeel stuit daarop af.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G