Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:498

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-05-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
14/02353
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1550, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. BOPZ. Voorlopige machtiging. Gevaar. Alternatieve hulpverleningsmogelijkheden. Art. 2 lid 2 Wet Bopz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/02353

Mr. F.F. Langemeijer

23 mei 2014 (art. 80a RO)

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Rotterdam

1. Bij beschikking van 4 februari 2014 heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verleend tot opneming en verblijf van verzoeker tot cassatie in een zwakzinnigeninrichting (art. 2 en 3 Wet Bopz). Namens betrokkene is tijdig cassatieberoep ingesteld1. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Onderdeel I bevat inhoudelijk slechts motiveringsklachten over het door de rechtbank aangenomen gevaar en het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gevaar (rov. 2.2).

3. De rechtbank heeft gevaar voor anderen aanwezig geacht, te weten het risico van agressief gedrag van betrokkene, en gevaar voor betrokkene zelf in de vorm van maatschappelijke teloorgang2. De rechtbank heeft oorzakelijk verband vastgesteld tussen de stoornis en deze gevaren. De rechtbank baseert zich hiervoor op de verklaring van de niet bij de behandeling betrokken psychiater, die betrokkene heeft onderzocht op 13 januari 2014 en tot deze bevindingen kwam en op de toelichting ter zitting. Dat de rechtbank m.b.t. het risico van agressief gedrag ook incidenten van 7 juli 2013 en 27 augustus 2012 in haar oordeel heeft betrokken (rov. 1.3), maakt het oordeel over de kans op zulk nadeel niet minder actueel, noch onbegrijpelijk. De rechtbank vermeldt in de eerste drie zinnen van rov. 2.2 de actuele geestelijke toestand en in rov. 2.3 de opstelling van betrokkene in de periode tussen juli 2013 en januari 2014 ten opzichte van de behandeling. De rechtbank illustreert de aard van het agressief gedrag waarvoor moet worden gevreesd aan de hand van voorbeelden uit het verleden. Wat betreft het gevaar van maatschappelijke teloorgang, heeft de rechtbank de kans op zelfverwaarlozing besproken, met name in perioden van neerslachtigheid, en ter illustratie aangegeven hoe het betrokkene in een eerdere periode van zelfstandig wonen is vergaan. Daarmee is niet gegeven dat de vrijheidsbeneming berust op ontoereikende, want verouderde informatie, zoals het middelonderdeel veronderstelt.

4. Onderdeel II komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een zwakzinnigeninrichting kan worden afgewend (rov. 2.3; art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz). Dit oordeel heeft de rechtbank toereikend gemotiveerd door te overwegen dat de gedragswetenschapper ter zitting heeft verklaard dat 24-uurs zorg noodzakelijk is, dat deze hulpverlening bij verblijf in eigen woning praktisch niet mogelijk is en dat er geen reëel alternatief is, omdat gebleken is dat in de afgelopen periode geen afspraken met betrokkene konden worden gemaakt en hij zorgmijdend is. In rubriek 6 van de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst is het alternatief van medicatie besproken, maar ook vermeld dat betrokkene medicatie weigert.

5. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, zodat toepassing kan worden gegeven aan art. 80a RO. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Een faxcopie is ingekomen op 6 mei 2014; een dag later het ondertekende cassatierekest. Maandag 5 mei 2014 was een erkende feestdag (art. 3 lid 1 Algemene termijnenwet).

2 Zie art. 1 lid 1 Wet Bopz; het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat.