Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:490

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-05-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
13/04274
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2740, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Aansprakelijkheid voor Roemeense strafrechtelijke aangifte. HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, NJ 2004/130. Zorgplicht aangever die de Roemeense taal niet machtig is en die niet wist dat de aangifte een ongegronde beschuldiging bevatte? Onbegrijpelijk oordeel?

Vrijheid rechter bij vaststelling vergoeding van immateriële schade (art. 6:106 BW). Aantasting eer uitsluitend indien derden van de beschuldiging kennis nemen? HR 6 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5710. Onvoldoende gemotiveerd oordeel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 13/04274

Mr P. Vlas

Zitting, 23 mei 2014

Conclusie inzake:

[eiser]

eiser tot cassatie

(hierna: [eiser])

tegen

[verweerster]

verweerster in cassatie

(hierna: [verweerster])

Deze zaak heeft betrekking op een door Nederlands recht beheerste vordering uit hoofde van onrechtmatige daad wegens het doen van een strafrechtelijke aangifte bij de Roemeense autoriteiten.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie zijn de volgende feiten van belang.1[verweerster] is beëdigd gerechtstolk/vertaler in de Roemeense, Engelse, Franse en Italiaanse talen. Zij is lid van het Nederlands Genootschap van Tolken en Vertalers en als zodanig werkzaam voor Justitie in Amsterdam, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, het Landelijk Parket en de Koninklijke Marechaussee.

1.2

Ene [betrokkene 1] heeft jarenlang opdrachten van [eiser] uitgevoerd tot onderhoud en herstel van aan [eiser] toebehorende onroerende zaken in Roemenië. [eiser] is verwikkeld geraakt in een geschil met [betrokkene 1]. [eiser] heeft op advies van [betrokkene 1] onroerende zaken gekocht, gelegen in Herculane, Roemenië. [betrokkene 1] is daarbij opgetreden als vertegenwoordiger van [eiser]. [eiser] heeft in dat kader € 330.000,- aan [betrokkene 1] betaald. Achteraf is gebleken dat [betrokkene 1] [eiser] heeft opgelicht, in samenwerking met ene [betrokkene 2] en diens vrouw. [betrokkene 1] heeft de door [eiser] gekochte onroerende zaken op zijn eigen naam en op naam van [betrokkene 2] laten zetten en heeft geweigerd de zaken aan [eiser] te leveren.

1.3

Op vordering van [eiser] heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 12 april 2007 [betrokkene 1] bevolen om notarieel verleden akten aan [eiser] ter beschikking te stellen waarbij [betrokkene 1] [eiser] machtigt hem te vertegenwoordigen bij de uitoefening van alle rechten met betrekking tot de onroerende zaken en bij de uitoefening van alle rechten die [betrokkene 1] met betrekking tot de zaken jegens [betrokkene 2] en diens echtgenote kan ontlenen aan een overeenkomst van 23 februari 2006. Ter uitvoering van dit vonnis is bij notariële akte van 27 april 2007 een volmacht verstrekt.

1.4

De Roemeense notaris bleek niet zonder meer bereid om op basis van voornoemde stukken een akte van overdracht van de onroerende zaken aan [eiser] te passeren. Hij heeft [eiser] verzocht in persoon te verschijnen.

1.5

In juli 2007 is [verweerster] door mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam, ingeschakeld als tolk in de Roemeense taal in verband met de kwestie tussen [eiser] en [betrokkene 1].

1.6

[eiser] heeft met [verweerster] in de perioden van 18 tot 22 september 2007 en van 8 tot 13 oktober 2007 Roemenië bezocht om te trachten door tussenkomst van de Roemeense notaris de onroerende zaken op zijn naam gesteld te krijgen. De notaris heeft een aantal notariële akten verleden.

1.7

Op 9 oktober 2009 heeft een door [eiser] ingeschakelde Roemeense advocaat een geschrift opgesteld in de Roemeense taal (hierna: de aangifte). De aangifte is gedaan tegen verschillende personen, waaronder [verweerster]. In de aangifte heeft de advocaat weergegeven wat hij had begrepen uit de in de Engelse taal aan hem verstrekte mededelingen van [eiser]. De aangifte is ondertekend door [eiser] en ingediend bij de Roemeense autoriteiten.

1.8

In beëdigde vertaling uit het Roemeens (waarbij de naam van [verweerster] onzichtbaar is gemaakt voor de vertaler) vermeldt de aangifte in onderdeel 6 het volgende (zoals weergegeven in rov. 2.2.8 van het arrest van het hof Amsterdam van 26 maart 2013):

‘Met betrekking tot de pleger …….(hof: [verweerster]) verklaar ik dat zij door ondergetekende in dienst was genomen als vertaalster en als gemachtigde van de ondergetekende. Echter, in plaats van dat zij de volmacht gebruikte om toe te zien op het respecteren van mijn belangen, heeft zij gebruikmakend van het feit dat ik de Roemeense taal niet kende, samengewerkt met de andere plegers met hetzelfde criminele voornemen en gericht op hetzelfde doel, om mij te bedriegen en geld te verkrijgen van ondergetekende’.

1.9

Uiteindelijk is aan [verweerster] bij brief van 2 februari 2011 door het Openbaar Ministerie van Roemenië bericht dat zij niet zal worden vervolgd.

1.10

Bij dagvaarding van 10 december 2010 heeft [verweerster] schadevergoeding van [eiser] gevorderd. [verweerster] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de aangifte jegens haar door [eiser] valselijk is gedaan en derhalve onrechtmatig is. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 15 februari 2012 de vordering afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat wanneer het vermoeden van het plegen van (mogelijk) strafbare feiten bestaat, het doen van aangifte nimmer onrechtmatig is, tenzij sprake is van een opzettelijk valse aangifte, waarvan bijvoorbeeld sprake is wanneer degene die aangifte doet weet dat een feit niet, of niet door de persoon jegens wie de aangifte is gedaan, is gepleegd en desondanks toch aangifte wordt gedaan (rov. 4.1). Volgens de rechtbank kan uit de door [eiser] geschetste omstandigheden niet worden geoordeeld dat de door hem jegens [verweerster] gedane aangifte onrechtmatig is en is derhalve van een opzettelijke valselijke aangifte geen sprake (rov. 4.6).

1.11

[verweerster] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en heeft, na eiswijziging, veroordeling van [eiser] tot betaling van € 50.000,- gevorderd als immateriële schadevergoeding wegens schending van [verweersters] eer en goede naam.

1.12

Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 26 maart 2013 het bestreden vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en [eiser] veroordeeld tot betaling van € 5.000,- aan immateriële schade. Daartoe heeft het hof in rov. 2.8 en 2.9 het volgende overwogen:

‘2.8 De zorgvuldigheid die een aangever in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens degene die in de aangifte als verdachte wordt aangemerkt, brengt mee dat de aangever zich voldoende moeite getroost om zich ervan te vergewissen dat een namens hem ingediende aangifte geen beschuldigingen bevat van gedragingen waarvan de aangever de verdachte niet verdenkt en geen beschuldigingen van gedragingen waarvoor een voldoende feitelijke basis voor verdenking ontbreekt. Hoeveel moeite de aangever zich daarvoor naar maatstaven van zorgvuldigheid dient te getroosten, hangt af van de omstandigheden van het geval. In dit geval is [eiser] onverkort verantwoordelijk voor de inhoud van de aangifte. De omstandigheden dat niet hij, maar een advocaat de aangifte heeft opgesteld en hem heeft geadviseerd [verweerster] in de aangifte te betrekken, en dat de tekst in het Roemeens is opgesteld, welke taal [eiser] niet machtig is, doen daaraan niet af. Niet is gesteld dat de advocaat hem heeft geadviseerd om [verweerster] een verdergaande strafbare rol toe te dichten dan overeenkwam met de verdenking die [eiser] koesterde, nog daargelaten of dat [eiser] in dat geval zou kunnen baten. Evenmin is gesteld dat de advocaat [verweerster] heeft voorgespiegeld dat de inhoud van de aangifte minder vergaand was. Indien de Roemeense volksaard in het algemeen wat opvliegender en directer is dan de Nederlandse, zoals [eiser] heeft gesteld, doet ook dat niet aan het voorgaande af.

2.9

Aangezien de aangifte jegens [verweerster] beschuldigingen van gedragingen bevat waarvan [eiser] haar niet verdacht en waarvoor geen voldoende feitelijke basis bestond, heeft [eiser] onrechtmatig jegens [verweerster] gehandeld door deze aangifte te laten indienen bij de Roemeens autoriteiten. Zij is daardoor in haar eer en goede naam geschaad en heeft daarom recht op immateriële schadevergoeding. (…)’.

1.13

[eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerster] is in cassatie niet verschenen.

2 Bespreking van het cassatieberoep

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen en is gericht tegen rov. 2.8 t/m 2.12 van het bestreden arrest. Onderdeel 1a keert zich tegen de door het hof in rov. 2.8 geformuleerde maatstaf ter beoordeling van de onrechtmatigheid van een strafrechtelijke aangifte. Volgens het onderdeel getuigt de door het hof aangelegde maatstaf van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de maatstaf van het hof neerkomt op een actieve zorgplicht van de aangever om te voorkomen dat de aangifte onbedoelde of ongegronde beschuldigingen bevat. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat de te hanteren maatstaf tot terughoudendheid noopt en ertoe strekt te waarborgen dat een ieder in beginsel vrijelijk aangifte kan doen van strafbare feiten zonder het risico te lopen daarvoor lichtvaardig aansprakelijk te worden gesteld. Dit geldt nog sterker in een geval als het onderhavige waarin de aangifte moet plaatsvinden in een taal die de aangever zelf niet machtig is, aldus het onderdeel.

2.2

Voor de vraag of het dreigen met of het doen van een strafrechtelijke aangifte onrechtmatig is, geldt de maatstaf die is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, NJ 2004/130, waarin in rov. 3.8.2 – voor zover thans van belang – het volgende is overwogen:

‘Bij de beoordeling van onderdeel 9 moet worden vooropgesteld dat het dreigen met of het doen van een strafrechtelijke aangifte in beginsel alleen dan jegens de betrokkene onrechtmatig kan zijn als degene die de aangifte deed of met aangifte dreigde, wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging ongegrond was of als het doen van aangifte of het dreigen daarmee wordt gebruikt voor een doel waartoe dit middel niet behoort te strekken of het door de wijze waarop of de omstandigheden waaronder het wordt gebruikt anderszins onbetamelijk of onzorgvuldig is jegens degene die het betreft. (…)’.

De Hoge Raad onderscheidt hier drie gevallen die aanleiding kunnen geven tot onrechtmatigheid van het dreigen met of het doen van een strafrechtelijke aangifte. In de eerste plaats het geval waarin degene die de aangifte deed wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de in de aangifte geuite beschuldiging ongegrond was. In de tweede plaats het geval van misbruik van bevoegdheid tot het doen van aangifte (vgl. art. 3:13 BW) en in de derde plaats het geval van onbetamelijk of onzorgvuldig gedrag jegens degene tegen wie aangifte wordt gedaan door de wijze waarop of de omstandigheden waaronder het middel van de aangifte of het dreigen daarmee wordt gebruikt.2

2.3

In de onderhavige zaak is slechts van belang de vraag of [eiser] wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de in de aangifte geuite beschuldiging jegens [verweerster] ongegrond was. Van het opzettelijk doen van een valse aangifte is in dit geval geen sprake, zodat het gaat om de vraag of [eiser] ten tijde van het doen van de aangifte redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging jegens [verweerster] ongegrond was.

2.4

Het hof heeft – onbestreden in cassatie – in rov. 2.6 overwogen dat de strafbare rol die [eiser] aan [verweerster] in de aangifte toedicht omschreven staat in alinea 6 van de aangifte (geciteerd in 1.8 van deze conclusie) en dat daardoor bij de objectieve lezer de indruk bestaat dat [verweerster] van de aanvang af als medepleegster bij alle strafbare feiten betrokken is geweest die in de aangifte staan beschreven. Vervolgens heeft hof in rov. 2.7 overwogen dat [verweerster] de feitelijke juistheid van de genoemde ‘objectieve aanknopingspunten’ heeft bestreden en dat ook indien deze aanknopingspunten feitelijk juist zouden zijn, zij een onvoldoende feitelijke basis vormen voor een redelijk vermoeden dat [verweerster] een zo grote strafbare rol heeft gespeeld als in de aangifte staat omschreven. Tegen rov. 2.7 is in cassatie geen klacht gericht, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Vervolgens heeft het hof in de bestreden rov. 2.8 vooropgesteld dat de zorgvuldigheid die een aangever in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens degene tegen wie de aangifte wordt gedaan, meebrengt dat de aangever zich voldoende moeite getroost om zich ervan te vergewissen dat een namens hem ingediende aangifte geen beschuldigingen of gedragingen bevat waarvan de aangever hem niet verdenkt en geen beschuldigingen van gedragingen waarvoor een voldoende feitelijke basis voor verdenking ontbreekt.

2.5

De maatstaf die het hof in rov. 2.8 heeft aangelegd voor de beoordeling van de onrechtmatigheid voldoet aan de maatstaf die de Hoge Raad in zijn reeds aangehaalde arrest van 21 november 2003 heeft geformuleerd. In de maatstaf ligt immers besloten dat degene die aangifte doet zich ervan vergewist dat de (namens hem) ingediende aangifte geen beschuldigingen bevat waarvoor een voldoende feitelijke basis voor verdenking ontbreekt, met andere woorden dat de beschuldigingen die worden geuit jegens degene tegen wie de aangifte wordt gedaan niet van enige grond zijn ontbloot. Het hof heeft vastgesteld dat de door [eiser] aangevoerde ‘objectieve aanknopingspunten’ een onvoldoende basis voor een redelijk vermoeden van verdenking vormen, waarmee vaststaat dat [eiser] redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging ongegrond was. De omstandigheden dat een advocaat [eiser] heeft geadviseerd [verweerster] in de aangifte te betrekken, dat deze advocaat de aangifte heeft opgesteld en dat de tekst daarvan in het Roemeens is opgesteld, welke taal [eiser] niet beheerst, doen daaraan volgens het hof niet af. In het licht van de door de Hoge Raad in het reeds genoemde arrest geformuleerde maatstaf geeft dit oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het bovendien niet onbegrijpelijk. [eiser] heeft niet gesteld dat de advocaat hem heeft geadviseerd tegen [verweerster] aangifte te doen van de zware strafbare feiten bij de Roemeense politie. Dat [eiser] de Roemeense taal niet beheerst, brengt niet mee dat [eiser] geen zorgvuldigheid zou moeten betrachten ten aanzien van de vraag of de beschuldigingen aan het adres van [verweerster] redelijkerwijze ongegrond zouden zijn.3 [eiser] heeft evenmin gesteld dat zijn in het Engels gedane mededelingen aan de advocaat die de aangifte heeft opgesteld, niet overeenstemmen met de inhoud van de aangifte. Hierop stuit het onderdeel af.

2.6

Onderdeel 1b betoogt dat indien het hof de door de Hoge Raad in het arrest van 21 november 2003 geformuleerde maatstaf niet zou hebben miskend, het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting doordat het hof in het kader van zijn onrechtmatigheidsoordeel niet ongemotiveerd aan essentiële stellingen van [eiser] voorbij had mogen gaan over (i) de omstandigheid dat de aangifte niet de eigen weergave van [eiser] van de beschuldigingen bevatte en (ii) dat [eiser] met het doen van de aangifte tegen [verweerster] slechts heeft beoogd te onderzoeken of [verweerster] vanaf 2007 een rol had gespeeld bij (de nasleep van) de oplichting.

2.7

Het onderdeel mist feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 2.8 heeft overwogen dat de omstandigheden dat niet [eiser] maar een advocaat de aangifte heeft opgesteld en hem heeft geadviseerd [verweerster] in de aangifte te betrekken en de omstandigheid dat de aangifte is gesteld in het Roemeens, welke taal [eiser] niet beheerst, niet afdoen aan de verantwoordelijkheid van [eiser] voor de aangifte. Daaruit blijkt dat het hof niet is voorbijgegaan aan de door [eiser] in onderdeel 1b genoemde stellingen.

2.8

Onderdeel 1c betoogt dat indien rov. 2.8-2.9 van het bestreden arrest aldus moeten worden gelezen dat de aangifte door [eiser] onrechtmatig is omdat het doen van de aangifte is gebruikt voor een doel waartoe dit middel niet behoort te strekken dan wel dat [eiser] door de wijze waarop de aangifte is geschied onbetamelijk of onzorgvuldig jegens [verweerster] heeft gehandeld, zulks getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd. Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 2.8 niet overwogen dat [eiser] misbruik maakt van het doel waarvoor de aangifte dient en evenmin dat sprake is van onbetamelijk of onzorgvuldig gedrag van [eiser] jegens [verweerster] door de wijze waarop of de omstandigheden waaronder het middel van de aangifte wordt gebruikt.

2.9

Onderdeel 1d betoogt dat in het licht van de in onderdeel 1b genoemde omstandigheden en essentiële stellingen het oordeel van het hof over de onrechtmatigheid niet toereikend is gemotiveerd. Het onderdeel bouwt voort op onderdeel 1b en deelt het lot daarvan.

2.10

Onderdeel 2 bouwt eveneens voort op de klachten van onderdeel 1 en faalt derhalve.

2.11

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 2.9 en 2.10, waarin het hof heeft overwogen dat [verweerster] in haar eer en goede naam is aangetast en dat haar naar billijkheid een schadevergoeding van € 5000,- wordt toegekend. Volgens het onderdeel is sprake van een onjuiste rechtsopvatting dan wel van een onvoldoende motivering.

2.12

Voor zover het onderdeel voortbouwt op de voorafgaande onderdelen, deelt het in hun lot. Voor het overige geldt het volgende. Krachtens art. 6:95 BW heeft de benadeelde slechts recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade voor zover de wet dit bepaalt. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, onder meer in het geval de benadeelde in zijn eer of goede naam is aangetast (art. 6:106, lid 1, onder b BW).4 De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid bij het toekennen van schadevergoeding5, waarbij de evenredigheid tussen het bedrag van de vergoeding en de omvang van het nadeel in oogschouw moet worden genomen.6 Ik wijs in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) inzake reputatieschade geleden door politieambtenaren wegens beschuldigingen van aanranding en verkrachting van een medewerkster van het politiekorps. In zijn uitspraak van 7 augustus 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI1161,7 handhaafde de CRvB een vergoeding aan smartengeld van een bedrag van NLG 5000,- op de voet van art. 6:106, lid 1, onder b BW. Van belang daarbij was de aantasting van de eer of goede naam (reputatieschade) binnen het politiekorps en justitie. In het onderhavige geval staat vast dat [verweerster] samenwerkt met en derhalve bekendheid geniet bij justitiële autoriteiten als beëdigd gerechtstolk/vertaler (zie onder 1.2 van deze conclusie). Ook heeft [verweerster] in feitelijke aanleg gesteld dat zij in Roemenië enige bekendheid geniet als tv-persoonlijkheid. Dat niet is gebleken dat de aangifte in ruimere kring dan binnen de Roemeense autoriteiten bekend is geworden, doet daaraan niet af. Blijkens HR 6 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5710,8 is immers niet per se noodzakelijk dat de eer en goede naam bij derden beschadigd is. Hierop stuit het onderdeel in zijn geheel af.

2.13

Onderdeel 4 betreft een voortbouwende klacht en behoeft geen behandeling.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.2.1 t/m 2.2.11 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2013.

2 Zie ook onder 19 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense, ECLI:NL:PHR:2003:AJ0498, vóór het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2003.

3 Ik wijs in dit verband ook op het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 6 juli 2011, waarin [eiser] heeft verklaard dat hij het gevoel had door iedereen te worden opgelicht en het zijn bedoeling was het probleem bij de politie neer te leggen.

4 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II, 2013/142; Groene Serie, Schadevergoeding, art. 6:95 BW, aant. 18 (S.D. Lindenbergh).

5 Zie HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1337, NJ 2002/91, m.nt. CJHB, rov. 3.6, alsmede nr. 6 van de conclusie A-G Hartkamp (ECLI:NL:PHR:2001:AB1337) vóór dat arrest.

6 Groene Serie, Schadevergoeding, art. 6:95 BW, aant. 18 (S.D. Lindenbergh).

7 TAR 2003/189, m.nt. P.J. Schaap.

8 JAR 1994/155. Zie ook Groene Serie, Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 25.1 (S.D. Lindenbergh)