Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:480

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-04-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
13/01309
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1307, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01309

Zitting: 1 april 2014

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam waarbij verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen.

2. Namens verdachte heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring voor wat betreft het medeplegen onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 28 mei 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [a-straat] (no [1]) heeft weggenomen een aantal horloges en een aantal sieraden en een fotocamera en een Ipad en een hoeveelheid geld (te weten een bedrag van 300 euro of daaromtrent) en een aantal flessen parfum en een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2], waarbij zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak, te weten door een raam van die woning te verbreken/te forceren en vervolgens via de aldus ontstane opening die woning binnen te gaan.”

5. Deze bewezenverklaring berust voor zover in het onderhavige geval van belang op de volgende bewijsmiddelen:

“3. een als bijlage bij het onder 2 vermelde proces-verbaal gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond nummer 2011161037-44 d.d. 29 mei 2011, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - voor zover van belang inhoudt als de op die datum tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:

Ik was met de auto van mijn vriend. Ik ben zaterdagochtend in die auto gestapt. Ik was met die vrienden van mij. Iemand van die anderen is naar die wijk toe gereden. Hij stapte in met spullen. Toen die jongen instapte ben ik achter het stuur gekropen en ben ik gaan rijden. Ik keek later in die tas en zag allemaal horloges. Hij gooide die tas in de auto.

(…)

7. een als bijlage bij het onder 2 vermelde proces-verbaal gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond nummer 2011161037-43 d.d. 29 mei 2011, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - voor zover van belang inhoudt als de op die datum in een telefonisch verhoor tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 3]:

Op 28 mei 2011, tussen 10:00 en 10:30 uur keek ik vanuit mijn woning naar buiten het Brigadier Aad de Jonghof te Rotterdam op. Ik zag midden op het pleintje een auto staan. De auto viel mij op, omdat ik de auto niet kende alszijnde een van de auto’s van de bewoners van de Brigadier Aad de Jonghof. Ik zag dat het een zwarte auto betrof van het merk Seat. Volgens mij was het het type Leon. Het kenteken van deze auto bestond niet uit een driecijferige lettercombinatie in het midden.

8. een als bijlage bij het onder 2 vermelde proces-verbaal gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond nummer 2011161037-6 d.d. 28 mei 2011, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - voor zover van belang inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

Op de Brigadier Aad de Jonghof te Rotterdam zag een melder op het dak van de serre een man lopen. Op het moment dat de man op de serre de melder zag ging de man plat op het dak liggen.
Ter plaatse zagen wij, dat de woning, welke de melder had beschreven, de woning aan de [a-straat 1] zou moeten betreffen. Wij zagen op dat moment dat een oudere vrouw op een fiets in onze richting kwam. Wij hoorden de vrouw verklaren: "Er lopen nu twee mannen door de achtertuin van deze woning. Ze zijn in de sloot gesprongen."
Hierop zagen wij verbalisanten aan de achterzijde van de woning twee mannen uit de sloot klimmen. Wij zagen de mannen het voetpad opklimmen en in de richting van de John Coltranestraat rennen.
Hierop ben ik verbalisant [verbalisant 1] achter verdachte 1 aangerend. Ik ben verdachte 1 niet meer uit het zicht geraakt. Vervolgens kon ik samen met de inmiddels ter plaatse gekomen politiemedewerker [verbalisant 9], verdachte 1 aanhouden. Verdachte 1 bleek later te zijn genaamd: [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats].
Ik verbalisant [verbalisant 2] zag dat verdachte 2 in de richting rende van een zwarte Seat Leon voorzien van kenteken [AA-00-AA]. Vervolgens zag ik dat verdachte 2 rechts achter in het voertuig sprong. Op dat moment reed het voertuig met hoge snelheid weg. Kennelijk zat er een ander persoon achter het stuur.
Wij verbalisanten zijn naar de woning aan de [a-straat 1] gegaan. Wij zagen dat de achterdeur van de woning open stond. Wij zagen dat het raam boven de serre op de eerste etage was geopend. Wij zagen dat het raam uit het kozijn was gelicht. In de woning zagen wij dat er verschillende kasten open stonden en dat door de woning goederen lagen verspreid.

9. een als bijlage bij het onder 2 vernielde proces-verbaal gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond nummer 2011161037-7 d.d. 28 mei 2011, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - voor zover van belang inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:

Wij verbalisanten zagen vanaf de Zevenkampse Ring een zwarte Seat Leon aan komen rijden. Wij zagen dat de auto rechtsaf de Zevenkampse Ring opreed in de richting van de Schollevaartse Dreef. Vervolgens zagen wij dat de Seat Leon voorzien was van het kenteken [AA-00-AA]. Voor zover wij konden zien zat er slechts een persoon in de auto. Wij zijn achter de auto van de verdachte aangereden. Wij zagen dat de auto van de verdachte op de Carel Willinksingel stopte waarna de verdachte uit de auto stapte en hard wegrende in de richting van de Zevenkampse Ring. Hierop hebben wij de achtervolging te voet ingezet. Op de Zevenkampse Ring werd de verdachte aangehouden door de ter plaatse gekomen collega's [verbalisant 9] en [verbalisant 10]. Dit betrof dezelfde verdachte als de verdachte die wij uit het voertuig hadden zien vluchten. Later bleek de verdachte te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

10. een als bijlage bij het onder 2 vermelde proces-verbaal gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond nummer 2011161037-14 d.d. 28 mei 2011, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - voor zover van belang inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]:

Op vrijdag 28 mei 2011 verklaarde de verdachte [verdachte] ons tijdens het overbrengen naar het politiebureau het volgende:
lk was met een vriend. Ik stond ergens op hem te wachten. Ik zat achter het stuur in de auto op hem te wachten. Ik was de bestuurder van de auto.

11. een als bijlage bij het onder 2 vermelde proces-verbaal gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond nummer 2011161037-18 d.d. 28 mei 2011, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - voor zover van belang inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 7], met bijlagen:

Ik trof in de vluchtauto (griffier: de zwarte Seat Leon voorzien van kenteken [AA-00-AA]) de volgende goederen aan:
Voor rechtervoorzitting: Handtas met inhoud (o.a. Euro 10 biljet uitstekend), Breitling horloge (foto's 6, 7 en 11);
Achter bestuurderszitplaats op grond: Laptoptas met Ipad (foto 8);
Achter bijrijderszitplaats op grond: Parfumflesje, oorbel (foto 10).
De ter plaatse verschenen benadeelde [betrokkene 1], welke de bewoonster bleek van de woning waar de inbraakmelding over gedaan was, verklaarde mij vervolgens: "De handtas voor de bijrijdersstoel herken ik, die is van mijn man (griffier: genaamd [betrokkene 2]). Het Breitling horloge wat ernaast ligt is ook van hem. Het parfumflesje en de oorbel die achter de bijrijderstoel liggen zijn van mij.

(…)

13. een als bijlage bij het onder 2 vermelde proces-verbaal gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond nummer 2011161037-40 d.d. 29 mei 2011 betreffende het door de verbalisant [verbalisant 8] uitgevoerde sporenonderzoek in de zwarte auto merk Seat Leon voorzien van kenteken [AA-00-AA], welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - voor zover van belang inhoudt:
In de kofferbak van de zwarte auto merk Seat Leon voorzien van kenteken [AA-00-AA] onder de vloer bij het reservewiel trof ik een zwart breekijzer aan. In het opbergvak aan de achterzijde van de passagiersstoel trof ik een schroevendraaier aan.”

6. Met de betrekking tot het bewijs van het medeplegen heeft het Hof overwogen:

“Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft - voor zover hier van belang - vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat tussen de verdachte en de medeverdachten die in de woning zijn geweest, een nauwe en bewuste samenwerking is geweest, gericht op die woninginbraak en dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een strafbare rol in het geheel heeft gespeeld. Voor de onderbouwing van dit verweer verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota is verwoord.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 mei 2011 (bewijsmiddel 8 in het vonnis) stelt het hof vast dat één van de verdachten van de woninginbraak na die inbraak rechts achter in de auto is gesprongen en dat - zo blijkt uit hetgeen de verbalisant heeft waargenomen - op dat moment die auto met hoge snelheid wegreed. Het hof leidt uit de waarneming van de verbalisant af dat de auto daar met draaiende motor moet hebben gestaan en dat de bestuurder reeds achter het stuur moet hebben gezeten op het moment dat de medeverdachte in de auto stapte.

De verdachte heeft erkend dat hij de auto heeft bestuurd. Verdachtes verklaring dat hij op de bijrijderstoel is gaan zitten om naar muziek te luisteren, dat hij pas achter het stuur heeft plaatsgenomen nadat de medeverdachte achter in de auto was gestapt en dat de motor van de auto op dat moment niet draaide, acht het hof dan ook niet aannemelijk.

In samenhang met de in de bewijsmiddelen vermelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof de gedraging van de verdachte, te weten: het plaatsnemen achter het stuur, het draaiend houden van de motor, het onmiddellijk met hoge snelheid wegrijden op het moment dat de medeverdachte achter in de auto springt , naar uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als het door de verdachte faciliteren van de vluchtmogelijkheid bij die inbraak. Het kan niet anders zijn dan dat hierover van te voren door de verdachte en zijn medeverdachten afspraken zijn gemaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte naar 's hofs oordeel een zodanig significante bijdrage geleverd dat sprake is van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders welke gericht was op het plegen van de woninginbraak.

Het hof verwerpt het verweer.”

7. Door als maatstaf voor medeplegen aan te leggen of verdachte en zijn mededaders bewust, nauw en volledig hebben samengewerkt met het oog op het plegen van de woninginbraak heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, met dien verstande dat naar huidige rechtspraak niet geëist wordt dat die samenwerking volledig was.1 Niettemin blijft de vraag of uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte zo bewust en nauw met zijn mededaders heeft samengewerkt dat van medeplegen van bedoelde woninginbraak kan worden gesproken.

8. Het Hof oordeelt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachtes gedragingen naar uiterlijke verschijningsvorm zijn aan te merken als het door de verdachte faciliteren van de vluchtmogelijkheid bij de woninginbraak. Voorts oordeelt het Hof dat het niet anders kan zijn dan dat hierover van tevoren door de verdachte en zijn medeverdachten afspraken zijn gemaakt.

9. Naar mijn oordeel kan uit het overeenkomstig afspraak met de mededaders faciliteren van de mogelijkheid tot vluchten niet worden afgeleid dat verdachte en zijn mededaders zo bewust en nauw hebben samengewerkt met het oog op het plegen van de woninginbraak dat van medeplegen van die woninginbraak kan worden gesproken.2 Door overeenkomstig afspraak met de mededaders te voorzien in een mogelijkheid om te vluchten is de verdachte onmiskenbaar behulpzaam geweest bij het plegen van de woninginbraak maar daarmee is nog niet gezegd dat hij deze woninginbraak tezamen en in vereniging met de plegers van die inbraak heeft gepleegd. Zou het anders zijn dan zou dat betekenen dat er voor medeplichtigheid aan een woninginbraak in de vorm van het voorzien in een mogelijkheid om te vluchten niet of nauwelijks ruimte overblijft. Dat zou in strijd zijn met de wet die immers medeplichtigheid naast medeplegen afzonderlijk strafbaar stelt en daaraan ook een maximumstraf verbindt die aanzienlijk lager is dan die voor medeplegen.

10. Het Hof heeft kennelijk nogal veel gewicht gehecht aan de omstandigheid dat over het faciliteren van de mogelijkheid om te vluchten afspraken moeten zijn gemaakt met de plegers van de inbraak. Die afspraken waarvan de inhoud verder niet bekend is, zijn van onvoldoende gewicht om verdachtes gedrag tot medeplegen te maken. Van het behulpzaam zijn bij enig misdrijf zal het maken van afspraken met de daders van het misdrijf over de te verlenen hulp immers doorgaans deel uitmaken.

11. Het te veel oprekken van het medeplegen, zoals het Hof in mijn ogen heeft gedaan, past ook niet in de in de rechtspraak van de Hoge Raad te signaleren tendens naar het strenger interpreteren van de bestanddelen van delicten dan tot voor kort het geval was. Daarbij spelen soms de gevolgen voor de hoogte van de maximumstraf een rol. Ik wijs op de rechtspraak over voorbedachte raad3, roekeloosheid4, witwassen5 en verkrachting6. In dit verband dient in aanmerking te worden genomen dat medeplichtigheid met een aanzienlijk lagere straf wordt bedreigd dan medeplegen. Ook tegen deze achtergrond dient medeplegen niet zo ver te worden opgerekt dat er voor medeplichtigheid nauwelijks plaats overblijft.7

12. Het onderhavige behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf kan pas tot medeplegen worden opgewaardeerd wanneer de verdachte bijvoorbeeld bij het maken van de plannen tot het plegen van het misdrijf betrokken is geweest dan wel deze tot de zijne heeft gemaakt en hem louter uit een oogpunt van goede taakverdeling het faciliteren van de mogelijkheid om te vluchten is toegedacht dan wel anderszins uit de feiten kan worden opgemaakt dat hij een rol heeft gespeeld gelijkwaardig aan die van zijn mededaders, zoals bijvoorbeeld kan blijken uit verdeling van de buit tussen de verdachte en de mededaders in gelijke parten.

13. Het middel slaagt.

14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2942 (rov. 4.2.2.) en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964.

2 Vgl. HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:293. Voorts HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7275.

3 HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5714 (Deventer moordzaak) tegenover 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8678 e.v.a,

4 HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7948, HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4254 e.v.a.

5 HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217 e.v.a.

6 HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653.

7 In dezelfde zin mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie bij HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9945.