Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:438

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
13/03797
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1245, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Art. 552a.1 Sv, belanghebbende. Rb verklaart klaagster, die een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave van de aan haar toebehorende goederen die op de voet van art. 94a Sv onder wijlen X in beslag zijn genomen, n-o in haar beklag. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AN8586, NJ 2004/179. Het oordeel van de Rb dat klaagster niet (langer) ontvankelijk is in haar klaagschrift geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 552a.1 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/03797 B

Mr. Harteveld

Zitting 18 februari 2014

Conclusie inzake:

[klaagster]1


1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 21 juni 2013 klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag.

2. Namens klaagster is beroep in cassatie ingesteld. Mrs. D. Moszkowicz en J.W.E. Luiten, advocaten te Maastricht, hebben in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank een verkeerd toetsingscriterium heeft gehanteerd bij haar beslissing aangaande de ontvankelijkheid van het klaagschrift.

3.2. De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, overwogen:

“De beoordeling

De raadsman is met de officier van justitie van mening dat klaagster ontvankelijk verklaard dient te worden in het klaagschrift en dat het klaagschrift gegrond verklaard dient te worden. In de visie van openbaar ministerie en raadsman is het moment van indienen van het klaagschrift bepalend. Op dat moment was klaagster door beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap aan te merken als vereffenaar en in die hoedanigheid was zij gerechtigd tot het indienen van het klaagschrift. De raadsman verzoekt met de officier van justitie het klaagschrift gegrond te verklaren, het beslag op te heffen en teruggave te gelasten aan de vereffenaar.

De rechtbank is, gelet op het feit dat door de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2013 een wezenlijke verandering in de positie van klaagster heeft plaats gevonden, van oordeel dat het klaagschrift en dus ook de ontvankelijkheid van het klaagschrift beoordeeld dient te worden naar de huidige stand van zaken en niet naar de stand van zaken op het moment van indiening van het klaagschrift. De rechtbank heeft op 20 juni 2013 mr. Dekker benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van [betrokkene]. Door deze beslissing vertegenwoordigt mr. Dekker vanaf dat moment de erfgenamen in en buiten rechte. Redelijke wetsuitleg van de verhouding tussen 552a Sv en (o.a.) art. 4:223 lid 3 BW leidt ertoe dat gelet op de plaats die de recent benoemde vereffenaar toe behoort te komen bij de afwikkeling van de nalatenschap een klaagschrift uitsluitend door die persoon kan worden ingediend en tevens dat een eerder ten tijde van de indiening (rechtsgeldig) ingediend, klaagschrift niet langer ontvankelijk is, want niet gedaan door een daartoe bevoegd persoon. Een andere uitleg zou het (beoogde) effect van een benoeming van een vereffenaar, te weten het afwikkelen van een nalatenschap op een wijze waarop de rechtens te respecteren rechten van derden tot gelding kunnen komen, teniet worden gedaan. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat de wettelijke regeling van de vereffenaar de erfgenamen waarborgen biedt, in de vorm van toezicht op de bijzondere vereffenaar door de rechter-commissaris. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank klaagster niet ontvankelijk verklaren in het klaagschrift.

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart klaagster niet ontvankelijk.”

3.3. Art. 552a, eerste lid, Sv luidt:

“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de vordering van gegevens, over de vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in artikel 125, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing.”

3.4. Belanghebbende in de zin van art. 552a Sv is degene wiens belang door de inbeslagneming of het gebruik van het inbeslaggenomen voorwerp in het geding is: degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen, een ieder die enig recht op het inbeslaggenomen voorwerp kan doen gelden: de eigenaar, de bezitter te goeder trouw, de zakelijk gerechtigde of iemand die uit anderen hoofde enige aanspraak op beschikkingsmacht over het voorwerp kan doen gelden zoals degene die het voorwerp in bruikleen heeft gekregen.2 Voor de ontvankelijkheid van het beklag is beslissend de stelling van klager dat hij belanghebbende-rechthebbende is.3

3.5. De Rechtbank heeft - kort gezegd - geoordeeld dat in de onderhavige zaak een klaagschrift uitsluitend door de vereffenaar, mr. Dekker, kan worden ingediend, aangezien deze persoon thans de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt, en dat het klaagschrift van klaagster niet langer ontvankelijk is, omdat zij daartoe niet bevoegd is. Daarmee heeft de Rechtbank het bepaalde in het eerste lid van artikel 552a Sv miskend. Voor de beantwoording van de vraag of klaagster kon worden ontvangen in haar beklag had de Rechtbank moeten toetsen of zij kon gelden als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv. Het oordeel van de Rechtbank dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar beklag geeft aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

4.

Het middel is terecht voorgesteld.

5.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

6.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de samenhangende zaak [medeklager], met griffienummer 13/03099B, concludeer ik vandaag eveneens.

2 Zie J. Wöretshofer in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 4.1 op art. 552a (juni 2003, suppl. 135).

3 Zie Hoge Raad, 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8586 en Hoge Raad, 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2962. Ook: Tekst & Commentaar Strafvordering, 10e druk, Deventer 2013, ad art. 552a Sv (Wöretshofer), aant. 3b.