Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:432

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-03-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
12/01721
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1238
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR 81.1 RO. Ambtshalve redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01721

Zitting: 25 maart 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 26 maart 2012 de verdachte ter zake van 1. “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 2. “medeplegen van witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de in het bestreden arrest vermelde in beslag genomen voorwerpen. Ten slotte heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als omschreven in het bestreden arrest.

2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 12/01663. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte is cassatie ingesteld. Namens deze hebben mr. A. Boumanjal en mr. A.C. Vingerling, beiden advocaat te Utrecht, een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

4. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat aan het geconstateerde vormverzuim geen rechtsgevolg zal worden verbonden.

5. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft gesteld dat de doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van verdachte aan de [b-straat 1] te Ede op 19 februari 2011 onrechtmatig is geweest. De resultaten van deze doorzoeking mogen derhalve niet bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde, zoals bedoeld in artikel 359a, eerste lid, onder b., Sv.

Daartoe heeft de raadsman in de eerste plaats aangevoerd dat, nu de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde op 18 februari 2011 op heterdaad is aangehouden - het enige feit terzake waarvan op dat moment een redelijk vermoeden van schuld tegen de verdachte bestond -, niet kan worden gezegd dat deze doorzoeking heeft gediend om de waarheid aan de dag te brengen, terwijl evenmin met recht gesteld kan worden dat die doorzoeking diende om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Derhalve is er op onrechtmatige wijze inbreuk gemaakt op verdachtes huisrecht en haar privacy, aldus de raadsman.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat blijkens de onderliggende vordering van de officier van justitie aan de door de rechter-commissaris gegeven beslissing tot doorzoeking ter inbeslagneming een verdenking terzake van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag lag, terwijl op dat moment onvoldoende feiten en omstandigheden voorhanden waren voor een redelijk vermoeden van schuld terzake. De omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachten op 18 februari 2011 ter zake van feit 1 op heterdaad zijn aangehouden en de omstandigheid dat de verdachte blijkens het op zijn naam staand uittreksel Justitiële Documentatie eerder is veroordeeld voor woninginbraken vormden onvoldoende grond voor een doorzoeking op een dergelijke grondslag.

Bovendien is het - aldus nog steeds de raadsman - niet aan de rechter om ex nunc te toetsen of er - achteraf bezien - een redelijke verdenking bestond voor enig misdrijf die een doorzoeking kon rechtvaardigen.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de doorzoeking onrechtmatig moet worden geacht, omdat deze inbreuk op het huisrecht en op de privacy in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof overweegt met betrekking tot dit betoog als volgt.

In het proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming van 20 februari 2011 (00/AH/O1), dat dient ter nadere onderbouwing van de mondelinge vordering van 19 februari 2011 van de officier van justitie, is - voor zover thans van belang — het volgende opgenomen:

"(...)

Op vrijdag 18 februari 2011 omstreeks 18.33 uur gingen collega's van de surveillancedienst naar een hoekwoning aan de [c/d-straat] in de gemeente Dordrecht. Deze hoekwoning bleek later [c-straat 1] te Dordrecht te zijn.

Door een getuige was gezien dat er bij deze woning mensen over de schutting waren geklommen en deze mensen zouden nog in de woning zijn.

Ter plaatse bleek dat de achterdeur van de woning aan de [c-straat 1] was opengebroken. In de woning werden vervolgens de onderstaande personen aangehouden

[verdachte],

(…),

[medeverdachte 3],

(…)

en

hun minderjarige zoon genaamd;

[medeverdachte 2]

(...).

De verdachten verklaarden dat zij vanuit hun woonplaats Ede naar Dordrecht waren gekomen en daar vervolgens in een woning hadden ingebroken.

Verdachte [medeverdachte 3] verklaarde dat hij al eens eerder in een woning had ingebroken en dat hij hiervoor een taakstraf had gekregen. Tevens verklaarde hij dat zij in de woning waar ze nu waren aangehouden, voornamelijk op zoek waren geweest naar sieraden en geld.

Gelet op het feit dat:

- verdachten op hetzelfde adres woonachtig zijn,

- zij speciaal vanuit Ede naar Dordrecht zijn gekomen om in te breken,

- verdachten allen eerder zijn veroordeeld voor vermogensdelicten,

- verdachten kennelijk bewust in deze samenstelling opereren

kan bovengenoemde verdachte [medeverdachte 3] worden aangemerkt als verdacht van overtreding van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven)."

De rechter-commissaris heeft op basis van deze gegevens tot doorzoeking besloten.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de in het proces-verbaal genoemde feiten en omstandigheden geen redelijk vermoeden van schuld opleveren aan deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Nu derhalve de voor een doorzoeking in een woning rechtens vereiste verdenkingsgrondslag voor zover door de rechter-commissaris in aanmerking genomen, ontbrak is het hof van oordeel dat ten aanzien van deze doorzoeking sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Met betrekking tot de vraag of en zo ja welk rechtsgevolg daaraan moet worden verbonden overweegt het hof, rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim, en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, als volgt.

Op het moment waarop de doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van de verdachte en haar medeverdachten werd geopend, op 19 februari 2011 te 20.10 uur, bestond er ten aanzien van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld terzake van de onder 1 ten laste gelegde in vereniging gepleegde poging tot diefstal in vereniging met braak in een woning.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de gedingstukken is het hof allereerst van oordeel dat de doorzoeking in die woning wel degelijk kon dienen om de waarheid ter zake van het onder 1 ten laste gelegde aan de dag te brengen. Immers, voor de beantwoording van de vragen van artikel 350 Sv kan het bijvoorbeeld mede van belang zijn in hoeverre planvorming aan de poging tot inbraak vooraf is gegaan, zodat eventuele sporen (telefoons, notities etc.) die daarop zouden kunnen wijzen, in de woning van de verdachten zouden moeten kunnen worden veiliggesteld. Daaraan doet niet af dat de verdachte en haar medeverdachten al voor de voltooiing van het voorgenomen misdrijf werden aangehouden. Daarnaast is het hof van oordeel dat het dossier de rechter-commissaris voldoende aanleiding gaf om door middel van een doorzoeking te onderzoeken of de verdachte ook bij het plegen van andere inbraken betrokken was. Redengevend daartoe was de omstandigheid dat zowel de verdachte als de medeverdachten op het moment waarop de doorzoeking plaatsvond reeds meermalen onherroepelijk voor gekwalificeerde diefstallen (inbraken) waren veroordeeld, alsmede dat de medeverdachte [medeverdachte 3] bij gelegenheid van zijn eerste verhoor op 19 februari 2011 te 14.15 uur (en dus voorafgaand aan de doorzoeking) zakelijk weergegeven heeft verklaard dat hij, zijn vrouw en zijn zoon [medeverdachte 2] op 18 februari 2011 vanuit Ede per auto naar Dordrecht zijn gegaan omdat zij "gewoon" wilden gaan inbreken, waaruit viel af te leiden dat het de gewoonte van de verdachten was woninginbraken te plegen. Tenslotte overweegt het hof dat de omstandigheid dat bij woninginbraken sprake is van een hoog percentage niet-opgehelderde misdrijven in het licht van het vorenstaande reden te meer vormde om de woning van de verdachte aan een doorzoeking ter inbeslagneming te onderwerpen.

Bewijsuitsluiting als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en voorts door de onrechtmatige bewijsgaring een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Het hof is, gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat de verdachte door het geconstateerde verzuim materieel niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad, terwijl evenmin sprake is van een in aanmerkelijke mate geschonden belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, zodat het zal volstaan met de enkele constatering dat sprake is geweest van een vormverzuim.”

6. Ik merk allereerst terzijde op dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep inhoudt: “Met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt de raadsman geacht te hebben gepleit overeenkomstig het door zijn confrère mr. Boumanjal aangevoerde in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3].” Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3]1 heeft de verdediging wat betreft het in het middel bedoelde verweer niet meer of anders aangevoerd dan hetgeen ’s hofs samenvatting daarvan in het bestreden arrest in de onderhavige zaak inhoudt. Het hof heeft het gevoerde verweer kennelijk opgevat als een beroep op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv waarin duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a Sv genoemde factoren is aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg het vormverzuim dient te leiden. Dat had het hof m.i. niet hoeven doen. Het hof heeft daarmee m.i. onverplicht op het verweer gerespondeerd, nu door de verdediging slechts is gesteld “dat er op onrechtmatige wijze inbreuk is gemaakt op verdachtes huisrecht en diens privacy, welke inbreuk in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit”, en niet is aangevoerd wat de ernst van het verzuim was en welk nadeel er voor de verdachte is veroorzaakt (bijvoorbeeld in hoeverre zij door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad).2In dat opzicht voldoet het beroep op bewijsuitsluiting niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld, zodat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen.

7. Het hof heeft niettemin geoordeeld dat en waarom er sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Over dit oordeel wordt in cassatie (uiteraard) niet geklaagd. Dit oordeel wordt in cassatie dan ook niet getoetst.

8. In ’s hofs oordeel ligt besloten dat de enkele omstandigheid dat de doorzoeking van de woning van de verdachte heeft plaatsgevonden zonder dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van art. 140 Sr, niet kan worden aangemerkt als een verzuim waardoor een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en dat, nu de doorzoeking ook op grond van een redelijk vermoeden van schuld aan de onder 1 tenlastegelegde (poging tot) diefstal dan wel een redelijk vermoeden van schuld aan andere diefstallen kon plaatsvinden, de verdachte door het geconstateerde verzuim niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad.

9. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en evenmin getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Nog daargelaten dat niet iedere veronachtzaming van het huisrecht zonder meer meebrengt dat (tevens) inbreuk is gemaakt op verdachtes recht op een eerlijk proces,3 vloeit uit ’s hofs overwegingen voort dat in de onderhavige zaak alternatieve grondslagen bestonden voor de toepassing van het gewraakte dwangmiddel van doorzoeking, te weten een redelijk vermoeden van schuld aan de tenlastegelegde (poging tot) inbraak en een redelijk vermoeden van schuld aan soortgelijke andere delicten. Bij die stand van zaken is zonder nadere onderbouwing van het verweer eens te meer niet inzichtelijk om welke redenen bewijsuitsluiting het rechtsgevolg dient te zijn van de door het hof vastgestelde onrechtmatigheid wegens het ontbreken van verdenking ter zake van artikel 140 Sr.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat deze bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed dan wel niet begrijpelijk is.

12. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“zij op 19 februari 2011, te Ede, tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten een geldbedrag (van euro 15.400) en sieraden, te weten:

- een zilverkleurig dameshorloge (merk Longings)

- een zilverkleurige damesring met doorzichtige steen bovenop en aan de zijkant lichtkleurige steentjes

- een zilverkleurige armband met strassteentjes in schakel (merk: Folli Follie)

- een (gouden) kinderbedel (met op de achterzijde gegraveerd "Daniel", merkteken 585)

- een (gouden) hanger met parel (2 grijskleurige parels)

- een (metalen) horloge (merk Cartier, met op de achterzijde "21 chronoscaph")

- een (zilverkleurig) stainless steel dameshorloge (type cartier, "Balmain", op achterzijde Pierre Balmain, Swiss made, 3215)

- een (zilverkleurig) stainless steel dameshorloge ("Clariti", Citizen)

- een (zilveren) broche met daarin een pauw afgebeeld, ingezet, met kleine Steentjes

- een (zilverkleurige) draad "slaven"armband "retagier"

- een (zilverkleurige) alliance damesring met groen/witte steentjes

- een (zilveren) ring met lichtkleurige steentjes en hartvormige figuurtjes in de rand

- een (gouden) markies/pave ingelegde damesring met briljantjes/zirkonia (Atasay 875)

- een (gouden) markies geslepen stenen ring

- een (parelmoer) ovale hanger aan veter met gouden arabische tekst (18k) (op achterzijde inkerving 5.4)

- een (gouden) damesring met robijn steen en briljant/zirkonia steentjes (18k)

- een (gouden) damesring met zwarte steen

- een (zilveren) damesring met turkoise steen

- een oorbelset donkere parel

- een (wit gouden) oorbelset (585) zilverkleurig ovaalvormig met steentjes

- zilverkleurige oorbellen met witte parel

- een (gouden) damesring met smaragd steentje en briljantjes/zirkonia (585)

- een (gouden) damesring met middenrij gezette briljantjes

- een (gouden) herenring (zegelringmodel) met briljantje met 1 vermist steentje

- een (gouden) alliance damesring (2 rijen bestaande uit 1 rij witte steentjes en 1 rij oranje steentjes)

- een (gouden) alliance damesring met witte steentjes en blauwe saffier

- een (gouden) hartvormige hanger ingezet met kleine pareltjes en briljantjes in hartvorm (op achterzijde "Le Gi” en zonnetje)

- een (gouden) Atasay 21 k damesring rosé goud met zirkonia/briljant

- een zilverkleurige koord armband

- een (zilveren) damesring met markies geslepen zirkonia/briljant

- een (zilveren) creool (Esprit) met steentjes aan de zijkant

- een (zilveren) creool (bol)

- een zilverkleurige oorsteker met steentjes (langwerpig)

- een gedeelte (gouden) schakelketting

- een (gouden) fantasiehanger gezet met steentjes (zirkonia/briljant, Simya 575)

- een (gouden) damesring ("Atasay 576") ingelegd met steentjes

- een (gouden) fantasiering met rond parelmoeren opzet met goud arabische letters

- een (gouden) hanger met turkoise steen rondom ingezet met briljant/zirkonia

- een gedeelte (gouden) schakelketting

- een (gouden) bedel ("harlekijn ")

- een (gouden) ringetje met turkoise parel en hangende pareltjes

- een paar (goud) gematteerde creolen

- een (gouden) bedel "christus"

- een paar bicolor creolen

- een paar (gouden) (21k) klapcreolen met steentjes en sterretje (zijden)

- een paar (gouden) oorknoppen pave gezet met briljant

- een zilverkleurige fantasiehangertje met briljantjes/zirkonia

- een zilverkleurige damesring briljant/saffier/smaragd alliance ring (klapmodel)

- een paar (zilveren) oorstekers met ingelegde zirkonia/brilliantjes

- een paar (zilveren) creolen met steentjes aan 1 zijde

- een (gouden) oorstekertje in de vorm van een bloemetje (rosegoud)

- een oorsteker met steentjes (langwerpig)

- een oorsteker met lus en zwarte steentjes

- een zilverkleurig stainless steel dameshorloge "Ck"Quartz

- een (zilveren) Fl.50,- munt (met o.a. munster 1948 en afbeelding Beatrix)

- een (double) dameshorloge "Timex", met briljantje/zirkonia in wijzerplaat met open gourmetschakel

- een zilverkleurig collier met strass "rozetjes"

- een (gouden) bedel (balletschoen)

- een zilverkleurige "slaven"armband met zirkonia/briljant steentjes aan 3 zijden

- een zilverkleurige E 5 2003 munt met inscriptie Beatrix en "Vincent"

- een (gouden) graveerplaatje (met inscriptie "Ivo ")

- een (gouden) bedel "geloof/hoop/liefde"

- een goudkleurige ketting en oorbel

- een goudkleurig Filligran collier met bloemen en gourmetschakel

- een paar paars/rode "fantasie"kralen grootformaat oorstekers

- een goudkleurige collier

- een collier met parelkralen met 2 goudkleurige bolletjes (mat)

- een goudkleurig dameshorloge (Van Cleef en Arpel)

- goudkleurige "Pave"creolen en broche (ATASAY 875),

voorhanden heeft gehad, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf”

13. Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:

“3. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2012 verklaard - zakelijk weergegeven-:

Op 19 februari 2011 heeft de politie onze gezinswoning aan de [b-straat 1] te Ede doorzocht. Ik woon daar met mijn man [medeverdachte 3] en onze kinderen, onder wie onze zoon [medeverdachte 2]. Het is juist dat wij toen en daar een groot aantal voorwerpen en sieraden en een geldbedrag van € 15.400,- in contanten op verschillende plaatsen, waaronder in (kussen van) de zitbank in de woonkamer hadden opgeborgen.

4. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid d.d. 20 februari 2011, met nr. PL1810 2011015435-35 (00/AH/02). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren, dan wel één hunner:

Op 19 februari 2011 hebben wij een onderzoek ingesteld op locatie [b-straat 1] te Ede, waarbij het volgende is bevonden.

Woonkamer:

Tegen het raam aan de voorzijde van de woning stond een zwarte tweezits-bank. De twee rugkussens werden verwijderd. Achter het linkerrugkussen werd een plastic zakje aangetroffen met daarin diverse sieraden.

Tegen de muur stond een soortgelijke tweezits-bank. Ook deze bank werd aan nader onderzoek onderworpen. Na het weghalen van de rugkussens werden tussen het rugpand en het rechter zittingskussen een plastic gripzakje aangetroffen met daarin een stapel bankbiljetten van 500 Euro.

Nadat het linker rugkussen was geopend werd tussen de stof en de binnenvoering een plastic zakje aangetroffen met daarin twee kunststof doosjes, kleur groen en lila. Deze doosjes werd niet geopend.

Tevens werd hier een plastic zak aangetroffen met daarin een groot aantal bankbiljetten van 50, 100, 200 en 500 Euro.

Verder werd in dit kussen een plastic zakje aangetroffen met daarin diverse sieraden. Op de onderste glasplaat van de salontafel stond een bruin sieradenkistje. In dit kistje werd een goudkleurig kinderkopje aangetroffen.

Tevens werd op deze glasplaat een zwart/grijs stoffen doosje aangetroffen met daarin een horloge en een zilverkleurige ring.

Keuken:

In de keuken werd op het keukenblad op het deksel van een glazen pot een zilverkleurige armband aangetroffen.

Slaapkamer 1e verdieping:

Op het nachtkastje, staand tegen de rechterzijde van een tweepersoonsbed werd een blauw/grijze sieradendoos aangetroffen, inhoudende sieraden.

Tellen geld:

In aanwezigheid van de bewoners werd het aangetroffen geld geteld.

Het bleek te gaan om:

13 x 500 Euro = 6.500 Euro

25 x 200 Euro = 5.000 Euro

15 x 100 Euro = 1.500 Euro

48 x 50 Euro = 2.400 Euro

Totaal 15.400 Euro

Alle in de woning aangetroffen en inbeslaggenomen goederen werden overgebracht naar het politiebureau aan de Overkampweg te Dordrecht en ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam.

5. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid d.d. 3 april 2011, met nr. PL1810 2011015435-53 (00/AH/03).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

op 21 februari 2011 heb ik een onderzoek ingesteld op locatie Overkampweg te Dordrecht waarbij het volgende is bevonden.

Op 19 februari 2011 werd op het adres [b-straat 1] te Ede een doorzoeking gedaan i n de woning op het genoemde adres. De aanleiding hiervoor was dat drie van de bewoners waren aangehouden in verband met een woninginbraak te Dordrecht.

Op 21 februari 2011 heb ik de aangetroffen goederen nader bekeken op de afdeling Unit Forensische Opsporing.

Zwart/grijs stoffen doosje:

1) 1 zilverkleurig dameshorloge, merk "Longings",

2) 1 zilverkleurige damesring met doorzichtige steen bovenop en aan de zijkant kleine lichtkleurige steentjes,

3) zilverkleurige armband met strassteentjes in schakel "Folli Follie",

Houten sieradendoosje (met 1 lade):

4) 1 gouden kinderbedel hartgezet, jongen. Achterop deze bedel staat gegraveerd "Daniel" (merkteken 585),

5) 1 hanger goud met parel 2 grijskleurige parels,

6) horloge, metaal, merk "Cartier". Op achterzijde "21 chronoscaph",

7) zilverkleurig stainless steel dameshorloge, type Cartier, "Balmain". Op achterzijde Pierre Balmain, Swiss made, 3215,

8) zilverkleurig stainless steel dameshorloge "Clariti", Citizen,

9) zilveren broche met hierin een pauw afgebeeld, ingezet met kleine steentjes,

10) zilverkleurige draad "slaven"armband "retagier",

11) 1 zilverkleurige alliance damesring met groen/witte steentjes,

12) 1 zilveren ring met lichtkleurige steentjes en hartvormige figuurtjes in rand,

Paars plastic doosje:

13) gouden markies/pave ingelegde damesring met briljantjes/zirkonia ATASAY 875,

14) gouden markies geslepen stenen ring,

15) parelmoer ovale hanger aan veter met gouden arabische tekst (18k) op achterzijde inkerving 5.4,

16) gouden 18k damesring met robijn steen en briljant/zirkonia steentjes,

17) gouden damesring met zwarte steen,

18) zilveren damesring met turkoise steen,

19) oorbelset donkere parel,

20) wit gouden oorbelset (585) zilverkleurig ovaalvormig met steentjes,

21) zilverkleurige oorbellen met witte parel,

22) gouden damesring met smaragd Steentje en briljantjes/zirkonia (585),

23) gouden damesring met middenrij gezette brilliantjes,

24) gouden herenring (zegelringmodel) met briljantje met 1 vermist steentje

25) 1 gouden alliance damesring 2 rij bestaande uit 1 rij witte steentjes en 1 rij oranje steentjes,

26) 1 gouden alliance damesring met witte steentjes en blauwe saffier,

27) 1 gouden hartvormige hanger ingezet met kleine pareltjes en briljantjes in hartvorm (op achterzijde "Le Gi" en zonnetje),

28) 1 gouden Atasay 21 k damesring rose goud met zirkonia/briljant,

29) 1 zilverkleurige koord armband,

30) 1 zilveren damesring met markies geslepen zirkona/briljant

31) 1 zilveren creool (Esprit) met steentjes aan zijkant

32) 1 zilveren creool (bol),

33) 1 zilverkleurige oorsteker met steentjes (langwerpig),

34) 1 gedeelte gouden schakelketting,

Zwart/groen plastic doosje:

35) 1 gouden fantasie hanger gezet met steentjes (zirkonia/briljant) Simya 575,

36) 1 gouden damesring ("Atasay 576") ingelegd met steentjes,

37) 1 gouden fantasiering met rond parelmoeren opzet met goud arabische letters,

38) 1 gouden hanger met turkoise steen rondom ingezet met briljant/zirkonia,

39) 1 gedeelte gouden schakelketting,

40) 1 gouden bedel "harlekijn",

41) 1 gouden ringetje met turkoise parel en hangende pareltjes,

42) 1 paar goud gematteerde creolen,

43) 1 gouden bedel "christus",

44) 1 paar bicolor creolen,

45) 1 paar gouden (21 K) klapcreool met steentjes en sterretje (zijden),

46) 1 paar gouden oorknop pave gezet met briljant,

47) 1 zilverkleurige fantasiehangertje met briljantjes/zirkonia,

48) 1 zilverkleurige damesring briljant/saffier/smaragd alliancering (klapmodel),

49) 1 paar zilveren oorstekers met ingelegde zirkonia/briljantjes,

50) 1 paar zilveren creolen met steentjes aan 1 zijde,

51) 1 gouden oorstekertje in vorm van bloemetje (rosegoud),

52) 1 oorsteker met steentjes (langwerpig),

53) 1 oorsteker met lus en zwarte steentjes,

Plastic zakje:

54) zilverkleurig stainless steel dameshorloge "CK" Quartz,

55) zilveren F 50,- munt met o.a munster 1648, afbeelding Beatrix,

56) double dames horloge "Timex", met briljantje/zirkonia in wijzerplaat met open gourmetschakel,

57) zilverkleurige collier met strass rozetjes,

58) gouden bedel "balletschoen",

59) zilverkleurige "slaven"armband met zirkonia/briljant steentjes aan 3 zijden,

60) zilverkleurige E 5 2003 munt met inscriptie BEATRIX en "VINCENT",

61) gouden graveerplaatje met inscriptie "Ivo",

62) gouden bedel "geloof/hoop/liefde",

63) goudkleurige ketting en oorbel,

64) goudkleurig "Filligrancollier met bloemen" en gourmetschakel,

65) 1 paar paars/rode "fantasie" kralen groot formaat oorstekers,

Klein plastic zakje:

66) goudkleurige collier,

67) collier met parelkralen met 2 goudenkleurige bolletjes (mat),

68) goudkleurig dameshorloge Van Cleef en Arpel,

69) goudkleurige "Pave" creolen en broche (ATASAY 875).”

14. Het bestreden arrest bevat wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde feit voorts de volgende nadere bewijsoverweging:

“Voor de bewezenverklaring van medeplegen van witwassen acht het hof in het bijzonder het navolgende van belang.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen, PL1810 2011015435-53, werd op 19 februari 2011 op het adres [b-straat 1] te Ede, waar de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte 3] en hun medeverdachte zoon [medeverdachte 2] woonachtig zijn, een groot aantal sieraden en een groot geldbedrag, € 15.400,=, aangetroffen. Een deel van de sieraden werd -verpakt in zakjes- aangetroffen in (een kussen van) een bank in de woonkamer. Ook het geldbedrag werd in een van de kussens aangetroffen. Verspreid door het huis werden ook andere sieraden aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij het geldbedrag van € 15.400,- in contanten van haar in Kroatië woonachtige moeder had ontvangen om daarmee poliklinische ziekenhuisbehandelingen van die moeder in Nederland en haar eventuele begrafenis in Kroatië te bekostigen. Ten aanzien van de aangetroffen sieraden heeft de verdachte verklaard dat deze afkomstig waren van familieleden, die deze sieraden als cadeau aan haar, verdachtes, dochter hebben gegeven.

Gelet op de plaats waar het geld en het merendeel van de sieraden zijn aangetroffen – in de kussens van een bank in de woonkamer, deels bewaard in plastic zakjes -, de omstandigheid dat een aantal sieraden (een zilverkleurige munt met inscripties "Beatrix" en "Vincent" en een gouden graveerplaatje met inscriptie "Ivo") namen bevatten van personen die niet te relateren zijn aan de verdachte of haar familieleden oordeelt het hof dat het niet anders kan zijn dan dat deze goederen en het grote geldbedrag, ten aanzien waarvan de verdachte een voor wat betreft de herkomst niet te verifiëren en mede gelet op de overige omstandigheden dan ook onaannemelijke verklaring heeft afgelegd, van misdrijf afkomstig zijn. Nu de verdachte heeft nagelaten een plausibele verklaring omtrent de herkomst van dat geld en die goederen af te leggen staat naar het oordeel van het hof vast - in ieder geval in de zin van voorwaardelijk opzet - dat de verdachte wist dat de aangetroffen goederen die en het aangetroffen geld dat zij en haar mededader voorhanden hadden van misdrijf afkomstig waren.”

15. Het middel bevat allereerst de klacht dat het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het in de bewezenverklaring van feit 2 bedoelde geldbedrag van misdrijf afkomstig is, onvoldoende is gemotiveerd, nu “het enkele feit dat het geldbedrag was verstopt in het kussen van het bankstel, onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte hiervan wetenschap had” en voorts dat “aangezien het hof de verklaring van verdachte aangaande de herkomst van het geld niet als hoogst onwaarschijnlijk heeft gekwalificeerd, doch als niet aannemelijk, het hof de verwerping van deze verklaring deugdelijk had moeten motiveren”.

16. Ik stel het volgende voorop. Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld “uit enig misdrijf afkomstig is”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.4

17. Aan de verdachte is – kort gezegd en voor zover hier van belang – tenlastegelegd dat zij tezamen en in vereniging met (een) ander(en) een geldbedrag van € 15.400,- en/of sieraden voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. Met betrekking tot de betwisting door de verdachte, inhoudende dat zij het geldbedrag van € 15.400,- in contanten van haar in Kroatië woonachtige moeder had ontvangen om daarmee poliklinische ziekenhuisbehandelingen van die moeder in Nederland en haar eventuele begrafenis in Kroatië te bekostigen, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte “ten aanzien van het geldbedrag een voor wat betreft de herkomst niet te verifiëren en mede gelet op de overige omstandigheden dan ook onaannemelijke verklaring heeft afgelegd”. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld heeft genoemd, zodat geen noodzaak aanwezig was voor het instellen van nader onderzoek.5 Dit oordeel is, mede in aanmerking genomen dat het hof met “de overige omstandigheden” kennelijk (onder meer) heeft gedoeld op de blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgestelde ‘uniforme’ wijze waarop zowel het geld als de sieraden in het bankstel waren verstopt, niet onbegrijpelijk en, anders dan de steller van het middel meent, toereikend gemotiveerd.

18. Het hof heeft voorts geoordeeld dat, gelet op de plaats waar het geld en het merendeel van de sieraden zijn aangetroffen – in de kussens van een bank in de woonkamer, deels bewaard in plastic zakjes – en de omstandigheid dat een aantal sieraden namen bevatten van personen die niet te relateren zijn aan de verdachte of zijn familieleden, het niet anders kan zijn dan dat deze goederen en het grote geldbedrag, ten aanzien waarvan de verdachte een onaannemelijke verklaring heeft afgelegd, van misdrijf afkomstig zijn. ’s Hofs oordeel dat het bedoelde geld van misdrijf afkomstig is vind ik geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik op dat in cassatie niet wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de(ze) sieraden van misdrijf afkomstig zijn.

19. Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van hof “dat de verdachte wist, in ieder geval in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de aangetroffen goederen die en het aangetroffen geld dat zij en haar mededader voorhanden hadden van misdrijf afkomstig waren”, evenmin onbegrijpelijk.

20. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof bij zijn oordeel “dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde sieraden van misdrijf afkomstig zijn”, belang heeft gehecht aan i) de plaats waar de sieraden zijn aangetroffen, en ii) de omstandigheid dat een aantal sieraden namen bevatten van personen die niet te relateren zijn aan de (mede)verdachte, terwijl deze omstandigheden niet van toepassing zijn op alle sieraden. Een gedeelte van de in de tenlastelegging vermelde sieraden zijn namelijk niet verhuld in een sieradenkistje en gelegen op een nachtkastje aangetroffen, welke sieraden geen namen bevatten van personen die niet te relateren zijn aan de (mede)verdachte. ’s Hofs oordeel is wat deze sieraden betreft dan ook onbegrijpelijk, aldus de stellers van het middel.

21. De gebezigde bewijsmiddelen noch het bestreden arrest houdt in dat op het nachtkastje sieraden zijn aangetroffen die zich niet in een sieradenkistje/sieradendoosje bevonden. Uit de bewijsvoering kan al helemaal niet worden afgeleid dat een aantal van de in de bewezenverklaring van feit 2 vermelde sieraden zijn aangetroffen naast een sieradenkistje. Het middel mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

22. Het middel faalt in al haar onderdelen.

23. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

24. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte, die zich tijdens de aanzegging in cassatie niet in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 27 maart 2012 beroep in cassatie doen instellen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het dossier in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] bevindt zich bij de Hoge Raad, nu – zoals reeds onder 2 is aangegeven – ook namens de medeverdachte beroep in cassatie is ingesteld.

2 Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3545, NJ 2004/377, r.o.v. 4.6.

3 Vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:36, r.o.v. 2.7.2. en 2.7.4.

4 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456.

5 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471, NJ 2010/460.