Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:425

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-05-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
13/04100
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2931, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beëindiging affectieve relatie en samenlevingsovereenkomst. Aflossingen uit privévermogen op hypotheek op gemeenschappelijke woning. Voldaan aan natuurlijke verbintenis? Slagende motiveringsklacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/138
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 13/04100

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 16 mei 2014

Conclusie inzake:

[de man]

(de man)

tegen

[de vrouw]

(de vrouw)

Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof terecht het bestaan van een natuurlijke verbintenis in de zin van art. 6:3 lid 2 onder b BW heeft aangenomen, op grond waarvan de man naar objectieve maatstaven kan worden verondersteld door middel van aflossingen op de hypotheek op de gezamenlijke woning te hebben voldaan aan een op hem rustende verzorgingsverplichting jegens de vrouw.

1. Feiten 1 en procesverloop 2

1.1 Partijen hebben gedurende ongeveer twintig jaar3 een affectieve relatie gehad.

1.2 Op 3 december 2001 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten bij notaris mr. H.J.M.G. Tielens, notaris te Arnhem. Deze samenlevingsovereenkomst houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

1.

Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Onder netto-inkomen wordt verstaan het begrip inkomen als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

2.

Het hiervoor in lid 1 bedoelde gedeelte van het netto-inkomen of zoveel meer als partijen wensen wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas wordt/worden op naam van beide partijen gesteld, zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.

3.

Indien slechts één van de partijen inkomsten heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij.

4.

Indien de inkomsten niet toereikend zijn is iedere partij gehouden naar evenredigheid van zijn/haar netto-vermogen het tekort aan te vullen. Onder netto-vermogen wordt verstaan het begrip vermogen als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 verminderd met de daarover verschuldigde belasting op vermogen.

Artikel 4

1.

Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden in voorkomende gevallen ondermeer gerekend de huurtermijnen betreffende de door partijen tezamen bewoonde woning, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering, de kosten van gezamenlijke vakanties en de kosten van medische verzorging.

2.

Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden evenwel niet gerekend premies van levens- en ongevallenverzekeringen. Deze komen ten laste van degene die als eerste begunstigde in de polis is genoemd.

3.

Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gezamenlijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing voor zover deze uit de gemeenschappelijke bank- of girorekening kan worden voldaan tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. Voorts worden in dat geval tot die kosten gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 3:220 van het Burgerlijk Wetboek, de zakelijke belasting en de premie voor de opstalverzekering. Uit deze regeling kan niet te eniger tijd door één van partijen het bestaan van een huurverhouding worden afgeleid.

GEMEENSCHAPPELIJKE INBOEDEL

Artikel 5

De inboedel (in de zin van artikel 3:5 van het Burgerlijk Wetboek), aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding, alsmede vervoermiddelen, zullen partijen ieder voor de onverdeelde helft toebehoren. Voor zover nodig leveren en aanvaarden partijen over en weer aan elkaar de onverdeelde helft in bovenbedoelde huidige en toekomstige zaken. Tot deze gemeenschappelijke inboedel (en vervoermiddelen) behoren niet, die zaken die door schenking, erfstelling of legaat door één van partijen zijn of worden verkregen en die zaken waarvan uit een door partijen ondertekend stuk blijkt, dat deze privé-eigendom zijn van één van hen.

GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING

Artikel 6

4.

Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.

ONTBINDING

Artikel 7

Deze overeenkomst wordt ontbonden:

a. door opzegging door één van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij, waarbij een opzegtermijn van tenminste een maand in acht genomen moet worden.

(…)

Artikel 9

1.

Indien de overeenkomst wordt ontbonden ten gevolge van opzegging (…) zijn partijen verplicht er aan mee te werken:

- dat aan iedere partij worden toebedeeld de goederen die hij/zij heeft aangebracht;

- dat ieder in het bezit gesteld wordt van zijn of haar privégoederen.

2.

Het overige gemeenschappelijke vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld.

(…)

4. (…)

Bij waardering van onroerende zaken moet worden uitgegaan van de waarde in onbewoonde staat. (…)

5.

Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de andere partij, zal de schuldenaar de bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen in vijf gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt zes maanden na de ontbinding van de overeenkomst. Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente. De schuldeiser heeft de bevoegdheid zekerheidstelling te vragen voor de nakoming van de uit dit lid voortvloeiende verplichtingen.

(…)

AANBRENGSTEN EN MEDE-EIGENDOM VAN INBOEDEL

De verschijnende personen verklaarden, dat zij aan elkaar hebben geleverd de onverdeelde helft van ieders inboedel.

De verschijnende personen verklaarden dat de inboedel die ieder van hen vóór de hiervoor bedoelde levering bezat, ongeveer evenveel waard is en dat zij geen prijs stellen op enige specificatie daarvan. In afwijking van het vorenstaande blijft ieder eigenaar van de kleding, sieraden en overige persoonlijke goederen, welke hij of zij in gebruik heeft of welke tot zijn of haar persoonlijk gebruik bestemd zijn, alsmede van alle goederen waarvan partijen hebben vastgelegd, dat zij privé-eigendom blijven van één van hen.”

1.3 Partijen bezitten in gemeenschappelijk eigendom een woning te [woonplaats], waarin de man sinds medio 2008 alleen woont.

1.4 De man heeft bij brief van 31 juli 2008 de samenlevingsovereenkomst opgezegd tegen 31 augustus 2008. Voorts heeft de man op 31 juli 2008 aan de vrouw een schriftelijk aanbod gedaan om aan haar een bedrag te voldoen van € 50.000,-- als voorschot op de uiteindelijk te betalen overwaarde van de gemeenschappelijke woning en het gebruik daarvan.

De vrouw heeft dit aanbod op 13 augustus 2008 aanvaard.

1.5 Omdat de man aanvankelijk weigerde om daadwerkelijk tot uitbetaling van genoemd voorschot over te gaan, heeft de vrouw op 6 januari 2009 tegen de man een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt. In zijn vonnis van 15 januari 2009 heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 50.000,--. Uiteindelijk heeft de man genoemd bedrag aan de vrouw betaald.

1.6 Bij inleidende dagvaarding van 27 november 20094 heeft de vrouw – verkort weergegeven – primair gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de wijze van verdeling van alle goederen van partijen zal vaststellen conform haar voorstel in de dagvaarding onder 10, op de grond dat zij er altijd vanuit is gegaan dat indien partijen uit elkaar zouden gaan, alles bij helfte zou worden verdeeld maar dat de man ten onrechte daaraan niet zijn medewerking wenst te verlenen.

1.7 Subsidiair heeft de vrouw gevorderd dat de rechtbank de man zal veroordelen om binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis aan haar de helft te voldoen van de waarde van alle zaken omschreven onder punt 10 van de dagvaarding onder A1-A3 en A6‑A8, alsmede dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de man zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten koste van de vrouw en dat de vrouw daardoor schade heeft geleden, nader te begroten op de helft van alle overige vermogensbestanddelen.

Aan haar subsidiaire vordering heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat er niet tot een algehele verdeling van goederen kan worden gekomen, zij er belang bij heeft dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de man zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten koste van haar, dan wel dat hij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

1.8 Voorts heeft de vrouw gevorderd dat (i) de rechtbank zal bepalen dat de verdeling in overeenstemming met het te wijzen vonnis zal gebeuren binnen vier weken na betekening van dat vonnis ten overstaan van een door de rechtbank te benoemen notaris en voorts zal bepalen dat de vrouw, als de man niet verricht waartoe hij ingevolge dat vonnis gehouden is, gemachtigd is om datgene te bewerkstelligen, conform art. 3:299 BW; (ii) de man wordt veroordeeld tot het vergoeden van een redelijk te achten gebruiksvergoeding voor het exclusieve gebruik van de woning van partijen, groot tenminste op jaarbasis de helft van het eigen woning forfait en (iii) de man wordt veroordeeld tot het geven van rekening en verantwoording met betrekking tot de wijze van het verkrijgen en besteding van een aan de vrouw toegekend smartengeld ten bedrage van € 75.000,--.

1.9 De man heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd, waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld dat er moet worden afgerekend overeenkomstig de bepalingen in de samenlevingsovereenkomst en dat er tussen partijen nooit is afgesproken om daarvan af te wijken en over te gaan tot een algehele verdeling van alle aan partijen toebehorende zaken. Ook heeft de man betwist dat hij zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten koste van de vrouw of dat hij onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouw.

1.10 In reconventie heeft de man – samengevat – gevorderd dat de vrouw zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 47.203,-- te vermeerderen met rente vanaf 1 oktober 2008, alsmede tot betaling van de helft van alle kosten gemaakt voor de financieel planner en de advocaatkosten.

De man heeft aan zijn reconventionele vordering ten grondslag gelegd dat, rekening houdend met alle te verrekenen posten, de vrouw door de betaling van het voorschot van € 50.000,-- is overbedeeld en dat zij het teveel betaalde bedrag aan hem dient terug te betalen. In dat verband heeft de man aangevoerd dat hij aan de koopsom van de gezamenlijke woning heeft bijgedragen uit privévermogen en dat hij daarnaast op de hypothecaire geldleningen op de gezamenlijke woning tussentijds heeft afgelost uit eigen vermogen, voor welke bedragen hij een vordering heeft op de vrouw. Ook heeft de man zich op het standpunt gesteld dat hij kosten heeft moeten maken om een vermogensopstelling van de gezamenlijke posten te laten maken door een financieel planner, dat de vrouw belang heeft bij de uitkomsten daarvan en dat zij om die reden de helft van de kosten moet dragen. Ten slotte heeft de man aangevoerd dat hij al veel advocaatkosten heeft moeten maken door toedoen van de vrouw en dat zij de helft van die kosten aan hem dient te vergoeden.

1.11 De vrouw heeft tegen de reconventionele vordering van de man gemotiveerd verweer gevoerd5.

1.12 De rechtbank heeft bij vonnis van 24 februari 2010 een comparitie van partijen gelast, die vervolgens op 17 juni 2010 is gehouden. Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat zij de rechtbank bij akte nader zullen informeren omtrent een aantal posten, zoals vermeld in het proces-verbaal dat van die zitting is opgemaakt, en dat de rechtbank in de tussentijd een tussenvonnis zal wijzen waarin een makelaar wordt benoemd om de gezamenlijke woning te taxeren, nu partijen het niet eens zijn over de waarde van die woning.

Vervolgens heeft de rechtbank – kort gezegd – op 21 juli 2010 een tussenvonnis van die strekking gewezen.

1.13 Ingevolge het bepaalde in het tussenvonnis van 21 juli 2010 heeft de deskundige een taxatierapport met betrekking tot de gemeenschappelijke woning opgesteld en aan de rechtbank en partijen doen toekomen.

Na verdere aktewisseling heeft de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 2 februari 2011 – voor zover thans van belang – in conventie bepaald dat de gezamenlijke woning van partijen wordt verkocht, dat de man uit de overwaarde een bedrag van € 56.678,02 toekomt, en dat het restant van de overwaarde door partijen bij helfte wordt verdeeld. De vordering in reconventie is bij dat vonnis afgewezen.

1.14 De vrouw is van de vonnissen van 21 juli 2010 en 2 februari 2011 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Bij tussenarrest van 17 mei 2011 heeft het hof een comparitie van partijen (voor aanbrengen) gelast. Deze comparitie heeft geen doorgang gevonden.

1.15 Vervolgens heeft de vrouw bij memorie van grieven veertien grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de verdeling zal vaststellen op een wijze die het hof rechtvaardig acht, in het bijzonder door de man te veroordelen tot nakoming van zijn met de vrouw gesloten overeenkomst tot toedeling van de woning plus de hypotheek tegen de in eerste aanleg getaxeerde waarde onder de verplichting de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypotheek en onder toekenning van een aldus vast te stellen bedrag wegens overbedeling van de vrouw, zulks onder aftrek van het aan de vrouw uitgekeerde voorschot groot € 50.000,-- en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de peildatum.

1.16 De man heeft de grieven bestreden en in principaal appel geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de vrouw de bestreden vonnissen te vernietigen en tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar vordering.

De man heeft daarnaast, onder aanvoering van drie grieven, incidenteel appel ingesteld en geconcludeerd dat het hof het vonnis van de rechtbank van 2 februari 2011 vernietigt en vaststelt dat de man een bedrag toekomt van € 67.978,02 aan door hem gedane aflossingen en bij wijze van eisvermeerdering een bedrag van € 5.438,24 als rentevergoeding over de gedane aflossingen, alsmede dat de man een bedrag toekomt van € 10.241,37.

1.17 Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof op 28 februari 2012 door hun advocaten doen bepleiten.

1.18 Het hof heeft bij arrest van 16 april 2013 het vonnis van de rechtbank van 2 februari 2011 vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de man uit de overwaarde van de woning een bedrag toekomt van € 56.678,02 en is bepaald dat de vrouw aan de man met betrekking tot de Ford Ka een bedrag dient te betalen van € 4.500,--. Het hof heeft, in zoverre opnieuw rechtdoende, de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 60.000,-- te betalen en heeft voor het overige, althans voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, het vonnis waarvan beroep6 bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.19 De man heeft tegen dit arrest tijdig7 beroep in cassatie ingesteld8.

Tegen de vrouw is verstek verleend.

De man heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht.

2.

Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel, dat uit drie onderdelen bestaat, is gericht tegen rechtsoverweging 3.7 van het in cassatie bestreden arrest, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (voor de leesbaarheid citeer ik ook rechtsoverweging 3.6 gedeeltelijk):

“3.6. De grieven vier en vijf in principaal appel en grief één in incidenteel appel zal het hof gezamenlijk behandelen. Nadat partijen het samenlevingscontract sloten, hebben aflossingen op de hypotheek die op de woning rust, plaatsgevonden. In artikel 4 van het samenlevingscontract is bepaald dat indien – kort gezegd – een woning gemeenschappelijk is aangekocht, de aflossing op de hypotheek voor zover deze uit de gemeenschappelijke bank- of girorekeningen kan worden voldaan tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding wordt gerekend. In artikel 6 lid 4 van het contract is bepaald dat de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering heeft op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar (…) bij ontbinding van het samenlevingscontract. De vordering draagt geen rente.

De stelling van de man is dat hij vijf maal een extra aflossing op de hypotheek heeft gedaan uit zijn privé vermogen te weten: (…).

De rechtbank heeft per aflossing bekeken van welke rekening deze aflossingen zijn betaald en hoe de geldstromen zijn geweest. De conclusie van de rechtbank is dat een bedrag van € 56.678,- ( de eerste 4 betalingen) moet worden beschouwd als aflossingen uit privévermogen van de man en een bedrag van € 11.300,- (de laatste betaling) uit gezamenlijk vermogen. De grieven van de vrouw zijn gericht op het bedrag van € 56.678,- en de grief van de man op het bedrag van € 11.300,-. De vrouw stelt dat geen privé aflossingen dienen te worden meegenomen omdat de man jegens haar heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. De man stelt dat ook laatstgenoemd bedrag uit zijn privévermogen is voldaan en op grond van het samenlevingscontract moet worden meegenomen.

3.7.

Op grond van artikel 6:3 lid 2 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek bestaat een natuurlijke verbintenis wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De verwijzing naar de maatschappelijke opvattingen brengt mee dat de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, geen beslissende betekenis toekomt. Volgens vaste rechtspraak dient bij de beantwoording van de vraag of naar objectieve maatstaven sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, mede acht worden geslagen op de omstandigheden ten tijde van het verrichten van de prestatie, waaronder de ‘wederzijdse welstand en behoefte van partijen’. In het onderhavige geval staat vast dat gedurende de samenleving en nadat partijen de samenlevingsovereenkomst sloten, aflossingen op de hypotheek hebben plaatsgevonden van de zogenaamde en/of rekening bij Van Lanschot Bankiers op naam van beide partijen. De man stelt dat hij die gelden eerst vanaf zijn privé rekening op de en/of rekening heeft gestort, waarna de aflossingen hebben plaatsgevonden. In zijn memorie van antwoord (nr. 114) stelt de man voorts dat hij de aflossingen heeft gedaan in verband met de verzorgingsgedachte. De man had bedacht dat als hij eerder zou overlijden dan de vrouw, het voor de vrouw mogelijk zou moeten zijn om in de woning te blijven. Om die reden bracht de man de woonlast omlaag met het oog op de toekomst voor de vrouw. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de man door middel van de aflossingen op de hypotheek jegens de vrouw naar objectieve maatstaven verondersteld kan worden te hebben voldaan aan een op hem rustende verzorgingsplicht jegens haar. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw op het moment van de aflossingen over privé vermogen beschikte, terwijl de man heeft aangetoond dat hij dat wel had en op het moment van de aflossingen een aanzienlijk hoger inkomen had dan de vrouw. Dat de samenleving nà het verrichten van de aflossingen is verbroken en dat de man thans een andere mening is toegedaan dan ten tijde van de aflossingen, doet niet ter zake. Het hof neemt derhalve aan dat op de man ten tijde van de aflossingen op de hypotheek een dringende morele verplichting rustte om de vrouw verzorgd achter te laten. Het voorgaande betekent dat het vonnis van de rechtbank voor zover daarin is bepaald dat de man bij de verkoop van de woning vóór de verdeling bij helfte van de netto verkoopopbrengst een bedrag van € 56.678,- toekomt, zal worden vernietigd. De netto opbrengst van de woning (verkoopopbrengst minus hypotheek en verkoopkosten) zal gelijkelijk tussen partijen moeten worden verdeeld. Het voorgaande betekent tevens dat de eerste grief van de man in incidenteel appel geen bespreking behoeft, noch de rentevordering die de man op grond daarvan heeft ingediend. De eerste grief van de man faalt. De grieven vier en vijf in principaal appel slagen.”

2.2

De onderdelen van het cassatiemiddel klagen in de kern dat het hof bij zijn beoordeling is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting van het juridische begrip natuurlijke verbintenis als bedoeld in art. 6:3 lid 2 onder b BW9.

2.3

Art. 6:3 lid 2 onder b BW bepaalt dat een natuurlijke verbintenis bestaat wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Van een dergelijke natuurlijke verbintenis is pas sprake wanneer niet alleen de verplichting dringend is maar ook de aanspraak, waarmee wordt bedoeld dat degene tegenover wie de verplichting bestaat, naar maatschappelijke maatstaven de nakoming ervan als de vervulling van een hem toekomende prestatie mag beschouwen10.

2.4

De beoordeling of in een concreet geval sprake is van een natuurlijke verbintenis dient te geschieden naar maatschappelijke opvattingen. Daarin ligt een objectieve maatstaf11 besloten die uitsluit dat beslissende betekenis toekomt aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet12. Bij de beantwoording van de vraag of een natuurlijke verbintenis moet worden aangenomen, dient mede acht te worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen13. Bepalend is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie; niet van belang is hoe partijen er later financieel voor blijken te staan14.

2.5

Omdat bij de beantwoording van de vraag of een natuurlijke verbintenis moet worden aangenomen mede acht moet worden geslagen op de omstandigheden van het geval, is de beoordeling feitelijk, zodat aan de cassatierechter slechts ter beoordeling staat of de feitelijke rechter zonder schending van het begrip natuurlijke verbintenis tot zijn beslissing heeft kunnen komen15.

2.6

Gelet op het voorgaande heeft het hof bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van het bestaan van een natuurlijke verbintenis in de zin van art. 6:3 lid 2 onder b BW in rechtsoverweging 3.7 de juiste maatstaf vooropgesteld16.

2.7

Onderdeel I klaagt in de eerste plaats dat het hof desondanks toch is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 6:3 lid 2 onder b BW omdat het hof het subjectieve inzicht van de man heeft aangemerkt als een ‘objectieve maatstaf’17. Het onderdeel heeft hierbij de overwegingen van het hof op het oog dat dat de man de aflossingen heeft gedaan in verband met de verzorgingsgedachte, dat de man had bedacht dat als hij eerder zou overlijden dan de vrouw, het voor de vrouw mogelijk zou moeten zijn om in de woning te blijven en dat de man de woonlast om die reden omlaag bracht met het oog op de toekomst van de vrouw.

2.8

De klacht gaat uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft hetgeen de man onder 114 van de memorie van antwoord heeft gesteld niet aangemerkt als ‘objectieve maatstaf’, maar (slechts) als objectieve aanwijzingen voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis18 en tegen die achtergrond geoordeeld dat in het onderhavige geval het bestaan van een natuurlijke verbintenis moet worden aangenomen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan het oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.

2.9

Volgens de tweede klacht van het onderdeel19 is het oordeel van het hof op dit punt, gelet op het partijdebat, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu uit de testamenten van partijen20 blijkt dat de vrouw bij overlijden van de man zijn aandeel in de woning alsmede zijn gehele vermogen zou erven.

Deze stelling, die in de feitelijke instanties niet is voorgedragen, kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd omdat de beslissing daaromtrent een onderzoek van feitelijke aard zou vergen waarvoor in cassatie geen plaats is21.

2.10

Gelet op het vorenstaande faalt onderdeel I.

2.11

Onderdeel II klaagt in de eerste plaats dat voor zover de beoordeling van het hof aldus moet worden begrepen dat het hof doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit “dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw op het moment van de aflossingen over privé vermogen beschikte, terwijl de man heeft aangetoond dat hij dat wel had en op het moment van de aflossingen een aanzienlijk hoger inkomen had dan de vrouw”, het hof eveneens is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting van het juridische begrip natuurlijke verbintenis, omdat het hof heeft verzuimd de omstandigheden van het geval en de verhouding waarin partijen tot elkaar stonden in zijn oordeelsvorming te betrekken en heeft verzuimd om in te gaan op essentiële stellingen van de man22.

Het onderdeel betoogt daartoe dat het hof in rechtsoverweging 3.6 weliswaar de samenlevingsovereenkomst en hetgeen partijen in artikel 4 van die samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen benoemt, maar dat het nalaat om dit bij zijn beoordeling in rechtsoverweging 3.7 te betrekken. In dat verband wordt opgemerkt23 dat niet is uitgesloten dat partijen de objectieve aanwijzing dat sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis kunnen doorbreken, bijvoorbeeld door ten tijde van het verrichten van de prestatie overeen te komen dat later ter zake van de prestatie zal worden betaald. Het hof had – zo nodig met toepassing van art. 25 Rv. – het herhaalde beroep van de man op de samenlevingsovereenkomst moeten opvatten als een beroep op de doorbreking van de door het hof geconstateerde objectieve aanwijzing dat sprake was van een natuurlijke verbintenis, en had dit essentiële verweer niet onbesproken mogen laten, aldus het onderdeel.

2.12

In zijn arrest van 1 oktober 200424 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat partijen de objectieve aanwijzing dat sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis kunnen doorbreken. Het moet daarbij gaan om uitzonderlijke situaties en voorts – evenals bij beantwoording van de vraag of een natuurlijke verbintenis tot stand is gekomen – om een omstandigheid ten tijde van het verrichten van de prestatie. De Hoge Raad overwoog (rov. 4.1):

“Naar het onderdeel (…) terecht betoogt, is – in uitzonderlijke situaties – niet uitgesloten dat partijen de objectieve aanwijzing dat sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis kunnen doorbreken, bijvoorbeeld door ten tijde van het verrichten van de prestatie overeen te komen dat later ter zake van de prestatie zal worden betaald. Ook de omstandigheid dat partijen een gescheiden boekhouding voeren, kan bijdragen aan het oordeel dat van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis geen sprake is (…)”

2.13

Het hof heeft in rechtsoverweging 3.7 in cassatie niet bestreden vastgesteld dat de aflossingen van de man op de hypotheek (in de jaren 2003-2007) hebben plaatsgevonden gedurende de samenleving van partijen en nádat partijen (in 2001) de samenlevingsovereenkomst hadden gesloten. Daarmee heeft het hof de (bepalingen van de) samenlevingsovereenkomst in zijn beoordeling betrokken, maar vastgesteld dat nadien aflossingen op de hypotheek zijn gedaan, die naar het oordeel van het hof er op wijzen dat de man aan een natuurlijke verbintenis wenste te voldoen.

Daar komt bij dat uit het hierboven weergegeven citaat van de Hoge Raad blijkt dat doorbreking van de objectieve aanwijzing dat sprake is van een natuurlijke verbintenis slechts in uitzonderlijke situaties niet is uitgesloten. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat van een dergelijke uitzonderlijke situatie in het onderhavige geval geen sprake is. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd, terwijl voor verdere toetsing in cassatie geen ruimte is, aangezien het berust op aan het hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard.

De klacht faalt derhalve.

2.14

Het onderdeel klaagt daarnaast25 dat het in rechtsoverweging 3.7 vervatte oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig althans onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd in het licht van hetgeen het hof in rechtsoverweging 3.3 heeft overwogen. Het onderdeel verwijst in dat verband naar de volgende passage in laatstgenoemde rechtsoverweging:

“3.3.(…) Partijen waren niet gehuwd. Van een gemeenschap van goederen op basis van een huwelijk was derhalve geen sprake. Dat was het evenmin op grond van het samenlevingscontract. In artikel 1 van de samenlevingsovereenkomst valt te lezen wat partijen met deze overeenkomst wilden regelen, namelijk a) de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, b) de gemeenschappelijke goederen (inboedel) en c) de gemeenschappelijke woning. Partijen beschouwden krachtens dit artikel de getroffen regeling als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Zij zijn overeengekomen met betrekking tot voornoemde kosten en goederen de natuurlijke verbintenis om te zetten in een rechtens afdwingbare. (…)”

2.15

Volgens het onderdeel is – kort samengevat – niet duidelijk of het hof van oordeel is dat er op de man, ondanks het feit dat in 2001 de dringende morele verplichting jegens de vrouw was omgezet in een contractuele dus rechtens afdwingbare, nog steeds een natuurlijke verbintenis rustte of dat deze natuurlijke verbintenis wederom is ontstaan in de periode na het aangaan van het samenlevingscontract op 3 december 2001 en de eerste extra aflossing op de hypotheek op 1 januari 2003.

2.16

Zoals hiervoor onder 2.4-2.5 is uiteengezet, moet voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis acht worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waarbij de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie bepalend is. In het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.7 ligt besloten dat niettegenstaande de omstandigheid dat partijen met de samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen om de – op dat moment – met betrekking tot de in die overeenkomst bedoelde kosten en goederen bestaande natuurlijke verbintenis om te zetten in een rechtens afdwingbare, door de extra aflossingen van de man op de hypotheek in de jaren 2003-2007 en de daaraan ten grondslag liggende drijfveren, tussen partijen opnieuw een natuurlijke verbintenis is ontstaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd, en kan in cassatie verder niet op juistheid worden getoetst nu dit oordeel aan de feitenrechter is voorbehouden. Ook de tweede klacht faalt mitsdien.

2.17

Het onderdeel klaagt ten slotte26 dat het hof heeft verzuimd om in te gaan op de essentiële stelling van de man dat de relatie van partijen niet dezelfde kenmerken had als een huwelijk en dientengevolge daarmee ook niet gelijkgesteld diende te worden, en dat het hof daarmee heeft miskend dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis de maatschappelijke opvattingen meebrengen dat anders of meer dan bij (ex)echtgenoten dient te worden gelet op de duur van de relatie en de samenleving en dat derhalve de drempel om een natuurlijke verbintenis aan te nemen bij ongehuwden hoger ligt dan bij gehuwden.

2.18

Daargelaten dat het hof in rechtsoverweging 3.3 met zoveel woorden heeft geoordeeld dat partijen niet gehuwd waren en dat van een gemeenschap van goederen op basis van een huwelijk geen sprake was, en voorts heeft vastgesteld dat partijen gedurende ongeveer twintig jaar een relatie hebben gehad, heeft de man niet gesteld dat het aannemen van een natuurlijke verbintenis aan zwaardere eisen dient te voldoen omdat partijen niet gehuwd waren. De man heeft in zijn memorie van antwoord (onder 18) slechts aangevoerd dat de man geen huwelijk wilde en dat daardoor het vermogen van de man ook niet gemeenschappelijk is geworden. Bij pleidooi heeft de man nogmaals benadrukt dat geen sprake kan zijn van gemeenschap van goederen omdat partijen niet zijn gehuwd en dat dit laatste wat de man betreft bewust was en de vrouw dit wist. Daarop heeft het hof in rechtsoverweging 3.3 gerespondeerd, zodat de klacht in zoverre ook feitelijke grondslag mist.

Daarenboven is het oordeel omtrent de vraag of in een concreet geval sprake is van een natuurlijke verbintenis voorbehouden aan de feitenrechter.

2.19

Onderdeel III van het middel klaagt allereerst27 dat het hof heeft miskend dat voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis niet alleen de verplichting, maar ook de aanspraak als dringend moet worden gekwalificeerd, en dat het hof nergens tot het oordeel is gekomen dat de verplichting van de man als dringend kan worden beschouwd, noch dat er sprake is van een dringende aanspraak van de vrouw.

2.20

De klacht dat het hof niet heeft getoetst of de verplichting van de man als dringend kan worden beschouwd, mist feitelijke grondslag nu het hof uitdrukkelijk heeft aangenomen dat op de man ten tijde van de aflossingen op de hypotheek een dringende morele verplichting rustte om de vrouw verzorgd achter te laten.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van een dringende aanspraak van de vrouw zou het oordeel van het hof dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw op het moment van de aflossingen over privé vermogen beschikte, terwijl de man heeft aangetoond dat hij dat wel had en op het moment van de aflossingen een aanzienlijk hoger inkomen had dan de vrouw, zo kunnen worden opgevat dat daarin het oordeel van het hof ligt besloten dat van een dringende aanspraak van de vrouw sprake is.

2.21

Daarvan gaat ook de klacht van het onderdeel onder 24 uit. Daarin wordt geklaagd dat voor zover in rechtsoverweging 3.7 zou moeten worden gelezen dat het hof van oordeel is dat de dringende aanspraak van de vrouw volgt uit de door het hof genoemde omstandigheden (ontbreken van privé vermogen aan de zijde van de vrouw op het moment van het doen van de extra aflossingen en het feit dat de man een hoger inkomen had dan de vrouw), dit oordeel onbegrijpelijk is, nu de man heeft aangevoerd dat de vrouw een apart vermogen had uit de erfenis van haar moeder en zij haar vermogen in België in de kortgedingprocedure heeft verzwegen28 en de vrouw in haar memorie van grieven (onder 28) heeft erkend dat zij over vermogen beschikte. Volgens de klacht is gelet hierop het oordeel van het hof dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw op het moment van de aflossingen over privé vermogen beschikte, onbegrijpelijk.

2.22

Deze klacht slaagt. Zoals de cassatiedagvaarding in noot 25 opmerkt, heeft de vrouw in haar memorie van grieven onder 28 gesteld “nauwelijks” over vermogen te beschikken. De man heeft in zijn memorie van antwoord onder 61 aangevoerd dat hij zijn vermogen altijd apart heeft gehouden en dat “ook de vrouw een apart vermogen had (uit erfenis van haar moeder)” en voorts onder 89 dat de man “nogmaals onder de aandacht van Uw Edelachtbaar College [wenst] te brengen dat de vrouw haar vermogen in België tijdens het kort geding ten onrechte heeft verzwegen”29. Het al dan niet beschikken over privé vermogen door de vrouw is daarmee uitdrukkelijk onderwerp geweest van het – op dit punt door de vrouw geïnitieerde – partijdebat, kennelijk met het oog op de vaststelling dat in het onderhavige geval van een dringende aanspraak van de vrouw sprake is.

2.23

Nu onderdeel III in zoverre slaagt, dient het in cassatie bestreden arrest te worden vernietigd.

3.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 april 2013 en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de rov. 2.1-2.4 van het tussenvonnis van de rechtbank Alkmaar van 21 juli 2010, waarnaar wordt verwezen in rov. 2 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3067. Zie voorts rov. 3.1 van dat arrest.

2 Voor zover in cassatie van belang.

3 Het hof noemt bij vergissing het jaartal 1998 i.p.v. 1989. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen vanaf 1989 hebben samengewoond.

4 Op de inventarisstaat in het partijdossier wordt 21 november 2009 vermeld. De dagvaarding zelf dateert van 27 november 2009, zoals ook wordt vermeld in het tussenvonnis van de rechtbank van 24 februari 2010.

5 De conclusie van antwoord in reconventie is genomen ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 17 juni 2010. Zie rov. 1.3, eerste alinea, van het tussenvonnis van de rechtbank Alkmaar van 21 juli 2010.

6 Het hof doelt hier enkel op het eindvonnis van 2 februari 2011. Nu van twee vonnissen van de rechtbank in appel is gekomen, dient dit verbeterd te worden gelezen als “de vonnissen waarvan beroep”.

7 De cassatiedagvaarding is op 15 juli 2013 uitgebracht.

8 In verband met de omstandigheid dat in de cassatiedagvaarding een verkeerde roldatum was aangezegd, is op 25 juli 2013 een herstelexploot uitgebracht, waarbij de vrouw een nieuwe roldatum is aangezegd.

9 Zie o.m. de cassatiedagvaarding onder 5 (onderdeel I), 10 (onderdeel II) en 22 (onderdeel III).

10 Zie over de natuurlijke verbintenis in het algemeen Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/60-79, in het bijzonder 2012/74-77. Zie ook HR 18 maart 1953, NJ 1953, 640; HR 24 juni 1953, NJ 1953, 645; en HR 26 mei 1954, NJ 1954, 453.

11 Vaste rechtspraak. Zie recent o.m. HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9539 (NJ 2012, 364), rov. 3.6.

12 HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1105 (NJ 1992, 212, m.nt. W.M. Kleijn), rov. 4.4.

13 HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808 (NJ 1996, 616, m.nt. W.M. Kleijn), rov. 3.5 en HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9558 (NJ 2005, 1, m.nt. W.M. Kleijn), rov. 4.2.

14 HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2459 (NJ 1998, 692, m.nt. W.M. Kleijn), rov. 4.4 en HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9558 (NJ 2005, 1, m.nt. W.M. Kleijn), rov. 4.3.

15 HR 4 juni 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB6840 (NJ 1965, 277, m.nt. G.J. Scholten).

16 Zie de eerste drie volzinnen van rov. 3.7 van het in cassatie bestreden arrest. Zie ook de cassatiedagvaarding onder 5 met verwijzing naar HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1105 (NJ 1992, 212, m.nt. W.M. Kleijn) en HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808 (NJ 1996, 616, m.nt. W.M. Kleijn).

17 Cassatiedagvaarding onder 7-8.

18 Vgl. HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808 (NJ 1996, 616, m.nt. W.M. Kleijn), rov. 3.5.

19 Cassatiedagvaarding onder 9.

20 Overgelegd als productie 1 bij de inleidende dagvaarding.

21 De vindplaatsen waarnaar in voetnoot 4 van de cassatiedagvaarding wordt verwezen, bevatten slechts (korte) algemene opmerkingen betreffende de testamenten en geen uitdrukkelijk beroep van de strekking als in de cassatiedagvaarding onder 9.

22 Cassatiedagvaarding onder 10 en 12.

23 Onder verwijzing naar HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9558 (NJ 2005, 1, m.nt. W.M. Kleijn).

24 Zie voor de vindplaats de vorige noot.

25 Cassatiedagvaarding onder 15-17.

26 Zie de cassatiedagvaarding onder 18-21.

27 Cassatiedagvaarding onder 22-23.

28 Verwezen wordt naar de memorie van antwoord onder 61 en 89.

29 In eerste aanleg heeft de man een opmerking van gelijke strekking geplaatst in de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, onder 10.