Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:408

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-04-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
12/02460
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1165, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Meerdaadse samenloop, art. 57 Sv. Falende klacht over toepassing van twee strafbepalingen op de bewezenverklaarde feiten in plaats van kwalificatie van de feiten als voortgezette handeling i.d.z.v. art. 56.1 Sr of eendaadse samenloop i.d.z.v. art. 55.1 Sr. Art. 317 en 282 Sr hebben een verschillende strekking zodat art. 55.1 Sr niet voor toepassing in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor art. 56 Sr omdat geen sprake is van soortgelijke feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/02460

Zitting: 1 april 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch heeft bij arrest van 24 april 2012 verdachte wegens “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte hebben mr. B.P. de Boer en mr. D.N. de Jonge, beiden advocaat te Haarlem, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd een verklaring van getuige [getuige] zoals afgelegd ter terechtzitting nu het verhoor van deze getuige ter terechtzitting niet heeft plaatsgevonden op de door de wet in art. 290, eerste en derde lid, jo. art. 27a Sv Sv voorziene wijze.

4.2.

Art. 290 Sv luidt voor zover voor de beoordeling van het middel relevant als volgt:

“1. De voorzitter stelt voorafgaand aan het verhoor de identiteit van de getuige vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de getuige vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, tweede volzin, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.”1

4.3.

Art. 27a, eerste lid, eerste volzin luidt:

“De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.”

4.4.

De hiervoor genoemde artikelen zijn op 1 oktober 2010 ingevoerd -27a Sv- respectievelijk gewijzigd -290 Sv-.2 Tot die tijd bepaalde art. 290 Sv:

“1. De voorzitter vraagt de getuige naar zijn naam en voornamen, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en zijn beroep; of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.”

De opgesomde, door de voorzitter te stellen vragen dienden blijkens de wetsgeschiedenis om de identiteit van de getuige vast te stellen.3

4.5.

Het wetsvoorstel dat art. 290 Sv wijzigde en art. 27a Sv invoerde, had als hoofddoelstelling het versterken van een juiste, betrouwbare en zorgvuldige vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden in de strafrechtketen.4 In de tweede plaats had het wetsvoorstel tot doel ook getuigen de verplichting op te leggen zich desgevraagd tegenover de rechter te legitimeren.5 Het gevolg van deze wetswijziging is dat per 1 oktober 2010 – de wet kent geen overgangsbepalingen en heeft naar moet worden aangenomen derhalve onmiddellijke werking – de getuige wordt gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats, terwijl tot 1 oktober 2010 slechts gevraagd hoefde te worden naar naam en voornamen, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en zijn beroep.

4.6.

Getuige [getuige] is opgeroepen om op de terechtzitting van het Hof van 28 oktober 2011 te verschijnen. Deze oproeping is haar in persoon uitgereikt (zo blijkt uit het proces-verbaal van die zitting), maar zij is desondanks op die terechtzitting niet verschenen. Voor de terechtzitting van 16 november 2011 is getuige [getuige] door de politie aangevoerd op basis van het door het Hof (bij de terechtzitting van 28 oktober 2011) gegeven bevel medebrenging. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 16 november 2011 houdt onder meer het volgende in:

“ De voorzitter doet hierop de getuige [getuige] voor het hof verschijnen. Deze doet op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboortedatum, beroep, woon- of verblijfplaats zoals hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van verdachte te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, alles voor zover hieronder niet anders is vermeld.

De getuige [getuige], geboren op [geboortedatum] 1990, wonende te [woonplaats], studente, verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:”

4.7.

Inderdaad blijkt, zoals de stellers van het middel in de schriftuur aanvoeren, uit het hiervoor weergegeven citaat van het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 16 november 2011 niet dat de getuige naar haar geboorteplaats, (exacte) GBA-adres en (exact) feitelijk woonadres is gevraagd, zoals art. 290 jo 27a Sv thans wel voorschrijft. Er is derhalve sprake van de schending van een zittingsvoorschrift. Het gaat daarbij, anders dan de stellers van het middel lijken te menen, niet om de vraag of de getuigenverklaring als een onwettig of onrechtmatig verkregen bewijsmiddel van het bewijs moet worden uitgesloten6, maar om de vraag of het onderzoek ter terechtzitting – en dientengevolge het op basis daarvan gewezen arrest – aan nietigheid lijdt.

4.8.

Voor zover het middel daarover bedoelt te klagen, geldt het volgende. Niet-naleving van art. 290 lid 1, eerste volzin, Sv is door de wet niet met nietigheid bedreigd. De aard van het voorschrift is ook niet zodanig, dat (gedeeltelijke) niet-naleving ervan steeds een substantiële nietigheid oplevert.7 Reden om in het onderhavige geval een dergelijke substantiële nietigheid aan te nemen, zie ik niet. De getuige is nota bene in persoon opgeroepen en naar de zitting medegebracht, zodat aangenomen mag worden dat haar adresgegevens bekend zijn en kloppen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt ook niet dat de raadsman bezwaar heeft aangetekend tegen de gebrekkige vaststelling van de personalia of heeft aangevoerd dat hij twijfelde aan de identiteit van de getuige.8 Welk belang de verdachte bij de klacht heeft, is mij dan ook eerlijk gezegd niet duidelijk.

4.9.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het Hof het verweer strekkende tot vrijspraak onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

5.2.

Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 03 februari 2009 tot en met 04 februari 2009 te Breda en/of te Barendrecht en/of te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen (van in totaal 1750 Euro) en een portemonnee (met inhoud) en een creditcard, toebehorende aan [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader(s)
- [slachtoffer] hebben gedwongen in zijn, [slachtoffer]'s, auto plaats te nemen achter het stuur en
- als passagiers in de auto hebben plaatsgenomen en
- een vuurwapen aan [slachtoffer] hebben getoond en
- een vuurwapen hebben doorgeladen en
- [slachtoffer] hebben gedwongen naar Barendrecht en Rotterdam te rijden en
- [slachtoffer] dreigend hebben toegevoegd: "portemonnee" en "telefoon" en "pinnen, pinnen" en "rijden, rijden"; en
hij in de periode van 03 februari 2009 tot en met 04 februari 2009 te Breda en/of Barendrecht en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders) met dat opzet:

- [slachtoffer] gedwongen in de auto van [slachtoffer] (als bestuurder) plaats te nemen en
- tegen de wil van [slachtoffer] als passagiers plaatsgenomen in die auto van [slachtoffer] en
- [slachtoffer] onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen naar en door Barendrecht en naar en door Rotterdam te rijden.”

5.3.

Ter terechtzitting van het Hof van 10 april 2012 heeft de raadsvrouwe van verdachte –overeenkomstig haar op die zitting overlegde pleitnota- onder meer aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te dienen. Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 1] heeft zij aangevoerd dat hij constant wisselden verklaringen heeft afgelegd en de belastende verklaringen die er liggen niet consistent zijn. Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 2] heeft zij aangevoerd dat zijn verklaringen door ernstig geheugenverlies, tegenstrijdigheden en duidelijke inconsistenties met de daadwerkelijke gang van zaken onbetrouwbaar zijn om als bewijs gebruikt te worden. Meer in het bijzonder is aangevoerd dat de beide medeverdachten op hun bij de politie afgelegde verklaringen zijn teruggekomen voor zover zij daarin de verdachte (die zij als “[verdachte]” kenden) als mededader aanwezen en dat [medeverdachte 1] had verklaard dat hij [verdachte] de schuld had moeten geven. Daarnaast heeft de raadsvrouwe de betrouwbaarheid van de al genoemde getuige [getuige] aangevochten en een beroep gedaan op een aantal omstandigheden die zouden maken dat het twijfelachtig is dat verdachte bij de zaak betrokken is geweest. Ik beperk me bij deze beknopte weergave van het pleidooi tot de argumenten die mij het meest zwaarwegend voorkomen. Het eerste argument is dat de aangever, die ruim tweeëneenhalf uur naast de derde dader (niet zijnde [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2], die achterin zaten) in de auto heeft gezeten, die een gedetailleerd signalement van deze dader heeft gegeven en die stelde dat hij deze dader zou herkennen, de verdachte niet heeft herkend tijdens een fotoconfrontatie. Daarbij is tevens aangevoerd dat het signalement niet geheel klopte (de verdachte zou geen haakneus hebben), terwijl belangrijke zichtbare kenmerken van verdachte (tatoeages in de nek en op de handen) door de aangever niet zijn gesignaleerd. Het tweede argument betreft het ontbreken van technisch bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder aangevoerd dat in de auto van aangever [slachtoffer] DNA-sporen zijn veiliggesteld van drie onbekende mannen A, B en C. De sporen A en C, aangetroffen op twee flesjes AA-drink die achterin de auto lagen, zouden van respectievelijk [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn.9 Het spoor van de onbekende man B, aangetroffen op de buitenkant van een panty, matchte niet met het DNA van de verdachte. De verdachte kan dus niet, zo concludeerde de raadsvrouwe, de derde dader zijn.

5.4.

Het Hof heeft enkele van de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen gebezigd tot het bewijs. Voorts heeft het Hof in zijn arrest nog als volgt overwogen:

“(Bewijs)Overwegingen

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de hem ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de getuige [getuige] niet bruikbaar zijn voor het bewijs omdat deze verklaringen - kort gezegd - inconsistent, tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn. Het hof overweegt ter zake als volgt.
Met de verdediging gaat het hof voor de vaststelling van de feiten uit van de lezing van het slachtoffer [slachtoffer], zoals die blijkt uit de aangifte. [slachtoffer] is bij een tankstation in Breda door 3 personen - 1 blanke man en 2 negroïde mannen - gedwongen om in zijn auto te stappen. De blanke man nam voorin op de passagiersstoel plaats, de negroïde personen stapten achterin. Onder bedreiging van een vuurwapen, dat op de schoot van de blanke man met de loop gericht op [slachtoffer] lag, werd hij gedwongen om via de Al6 richting Rotterdam te rijden. De route voerde vervolgens langs Barendrecht, waar [slachtoffer] werd gedwongen om te pinnen. Daarop werd de route vervolgd richting Rotterdam, waar één van de negroïde mannen uitstapte en even later terugkwam met vier flesjes AA-drink. Nadat de route werd vervolgd naar Lombardijen, is de blanke man even weg geweest. De negroïde mannen achterin de auto hebben op dat moment het wapen van de blanke overgenomen. Na terugkomst van de blanke man, heeft één van negroïde mannen de auto verlaten en is niet meer teruggekeerd. Daarna is [slachtoffer] gedwongen naar Barendrecht terug te rijden en heeft hij wederom moeten pinnen. Ten slotte is hij opnieuw gedwongen naar Rotterdam (IJsselmonde) te rijden, alwaar hij voor een derde keer heeft moeten pinnen. De blanke man heeft [slachtoffer], voor hij in de buurt van het Zuider-ziekenhuis in Rotterdam na ruim 2,5 uur werd vrij gelaten, nog gevraagd om zijn persoonsgegevens.
Het hof stelt vast dat vorenstaande lezing van [slachtoffer] voor wat betreft de feitelijkheden op essentiële (detail)onderdelen wordt ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Zo bevestigt medeverdachte [medeverdachte 1] in grote lijnen de gereden route, verklaart hij dat hij in Rotterdam voor vier personen een flesje AA-drink heeft gekocht en dat het slachtoffer drie keer heeft moeten pinnen. Daarnaast verklaart [medeverdachte 1] overeenkomstig de aangifte dat de blanke man de auto in Rotterdam even heeft verlaten, dat de blanke man het wapen tijdelijk aan [medeverdachte 2], alias mededader [medeverdachte 2], heeft overhandigd en dat [medeverdachte 2] na terugkomst van de blanke man in Rotterdam is uitgestapt en niet meer is teruggekeerd. [medeverdachte 1] heeft bovendien verklaard over de aanwezigheid van het vuurwapen op de schoot van de blanke man voorin de auto met de loop gericht op het slachtoffer en over het vragen van de blanke man naar de papieren van het slachtoffer voor zij hem in vrijheid lieten. Mededader [medeverdachte 2] verklaart dat de blanke man (die hij kent als [verdachte]) een pistool had, dat dat pistool op de benen van [verdachte] lag met de loop gericht op de bestuurder, dat hij het pistool van [verdachte] heeft overgenomen op het moment dat [verdachte] de auto tijdelijk verliet, dat hij het pistool op het slachtoffer heeft gericht omdat dat van [verdachte] moest maar dat het kan zijn dat het slachtoffer het pistool tegen zijn rug heeft gevoeld. Daarnaast verklaart hij, evenals [medeverdachte 1], dat er AA-drink in de auto is gedronken. Bovendien weet [medeverdachte 2] te vertellen dat de vrouw van het slachtoffer in verwachting was, hetgeen naar het oordeel van het hof duidt op gedetailleerde daderwetenschap. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verklaren beiden over hoe zij in Breda terecht zijn gekomen: ze werden door een vriend van [medeverdachte 1], die volgens [medeverdachte 1] [betrokkene] heet, naar Breda gebracht. Aldaar ontstond er onenigheid en werden [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de verdachte zonder vervoer door [betrokkene] achtergelaten. Daarop zijn ze gedrieën gaan lopen en bij het benzinestation uitgekomen. De verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] worden op technisch niveau ondersteund door het door het NFI uitgevoerde sporenonderzoek naar de in de auto aangetroffen flesjes AA-drink. In de auto van het slachtoffer werden drie flesjes aangetroffen: één in het portier van de bestuurder en twee op de achterbank. Dit sluit aan bij de verklaring van [slachtoffer] dat hij zijn flesje in het portiervak had gezet en van [medeverdachte 1] dat de derde dader, die op de passagiersstoel voorin zat, zijn flesje uit het raam heeft gegooid. Op één van de flesjes is DNA-celmateriaal aangetroffen dat matcht met een eerder afgenomen DNA-profiel van [medeverdachte 2]. Dat de verdachte bij de ten laste gelegde feiten betrokken is geweest, baseert het hof op de verklaring van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die hebben verklaard dat de feiten zijn gepleegd door henzelf, en door [verdachte]. [verdachte] is volgens [medeverdachte 1] de alias van de verdachte [verdachte]. Dat '[verdachte] inderdaad de alias van verdachte [verdachte] is, vindt naar het oordeel van het hof steun in de 'nicknames' waarmee de verdachte zich heeft geprofileerd op hyves en in het feit dat zijn contactgegevens zowel in de telefoon van [medeverdachte 1] als in de telefoon van [medeverdachte 2] onder die naam zijn opgeslagen, alsmede in het feit dat [getuige] verdachte [verdachte] als zodanig herkend heeft ter terechtzitting in hoger beroep. Het oordeel dat de verdachte bij de ten laste gelegde feiten betrokken is geweest, grondt het hof voorts op de verklaring van getuige [getuige]. Zij heeft zoals de verdediging heeft aangevoerd weliswaar 'de auditu' geschetst hoe de verdachte [verdachte] bij de afpersing en vrijheidsberoving van [slachtoffer] betrokken zou zijn geweest, maar deze betrokkenheid, die zij zelf uit de mond van verdachte [verdachte] heeft vernomen, omvat zogenaamde daderkennis van [verdachte], waarvan het hof geen enkele aanwijzing heeft dat die kennis door hem was verworven, anders dan door zijn eigen deelname aan het tenlastegelegde feit. Toen [getuige] bij haar toenmalige vriend en mededader Dennis [medeverdachte 2] op bezoek was in het revalidatiecentrum, heeft zij uit de mond van verdachte [verdachte] (die zij ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangewezen als de [verdachte] die zij in het revalidatiecentrum het verhaal over de ten laste gelegde feiten heeft horen vertellen) zelf gehoord dat hij samen met [medeverdachte 2] (alias [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 1] (alias [medeverdachte 1]) een man heeft afgeperst door met het slachtoffer, onder dreiging van een vuurwapen, naar Rotterdam te rijden en hem overal te laten pinnen. Getuige [getuige] heeft bovendien op detailniveau verklaard, in die zin dat zij van verdachte [verdachte] heeft gehoord dat de vrouw van het slachtoffer in verwachting was. Door de verdachte is ontkend dat hij zo'n lezing van het tenlastegelegde feit tegenover [getuige] heeft gegeven, onder meer door in zijn politieverklaring aan te geven dat hij zich niet voor de geest kan halen wie die [getuige] is, dat zij liegt en dat hij alleen in het revalidatiecentrum is geweest om sigaretten te brengen op verzoek van een ander. Deze verklaring van de verdachte acht het hof ongeloofwaardig. Hierbij wijst het hof nog op het feit dat verdachte ook ruimer bekend was met de medeverdachten dan hij wil doen voorkomen, hetgeen naar het oordeel van het hof onder meer blijkt uit de aanwezigheid van het telefoonnummer van de verdachte in de contacten lijst van de telefoon van mededader [medeverdachte 2] en uit de connectie tussen de verdachte enerzijds en [medeverdachte 2] anderzijds zoals die op hyves.nl werd aangetroffen en uit het feit dat de verdachte in januari 2009 tezamen met medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen in een auto ter gelegenheid van een politiecontrole.
Anders dan door de verdediging betoogd, is de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige], [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1], voor zover laatstgenoemden die bij de politie hebben afgelegd, naar het oordeel van het hof niet in het geding, nu deze in de kern gelijk zijn en de door hen geschetste feitelijke gang van zaken overeenkomt met de bovenomschreven verklaring van het slachtoffer. [getuige] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige onder ede bevestigd dat zij bij de politie naar waarheid heeft verklaard. Dat wat [getuige] verklaart is weliswaar, zoals de verdediging aanvoert 'de auditu', maar haar herkenning van [verdachte] als degene die haar dit heeft verteld is een verklaring uit eigen wetenschap en staat tegenover de ontkenning van de verdachte dat hij dit toen daar in aanwezigheid van [getuige] heeft verteld. Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 2] merkt het hof in het bijzonder nog op dat [medeverdachte 2] weliswaar gezondheidsschade heeft opgelopen tengevolge van een ongeval dat na de onderhavige gebeurtenissen heeft plaatsgevonden, maar dat evenwel niet gezegd kan worden dat zijn verklaring daarmee onbetrouwbaar is. Het hof betrekt daarbij met name de opmerking van de verbalisant [verbalisant] op dossierpagina 231 dat tijdens de verhoren is gebleken dat als [medeverdachte 2] de tijd nam om na te denken, hij over sommige zaken zeer gedetailleerd wist te verklaren, hetgeen naar het oordeel van het hof bevestiging vindt in de inhoud van de betreffende verklaringen.”

5.5.

Het uitgangspunt in cassatie is dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en dat die feitenrechter zijn selectiebeslissing in de regel niet hoeft te motiveren. Op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten met betrekking tot de betrouwbaarheid van het bewijs moet echter worden ingegaan. De weerlegging van het gevoerde verweer wordt daarbij in cassatie op begrijpelijkheid getoetst. De vraag die het middel aan de orde stelt, is hoe ver die toetsing op begrijpelijkheid gaat. Is voldoende dat de feitenrechter expliciteert waarom hij van het standpunt van de verdediging is afgeweken of moet de argumentatie ook hout snijden? Aangenomen mag worden dat tenminste vereist is dat de aangedragen argumenten rationeel zijn. Een onzinnige argumentatie levert geen begrijpelijke uitleg op. Maar de vraag is of niet meer zou moeten worden geëist. Dat meer zou kunnen zijn dat de gegeven uitleg overtuigend is in die zin dat op grond van de argumentatie de conclusie kan worden getrokken dat in redelijkheid niet aan de juistheid van de bewijsbeslissing kan worden getwijfeld.

5.6.

De Hoge Raad heeft zich altijd terughoudend opgesteld als het om de waardering van het bewijs gaat.10 Vanzelf spreekt dat niet. Dat het anders kan laat de rechtspraak van het Bundesgerichtshof zien.11 De vraag is of de Hoge Raad, in een tijd waarin de focus gericht heet te zijn op zaken die ertoe doen, niet een beetje in de richting van het Duitse voorbeeld zou moeten opschuiven. Tot de zaken die er wat de rechtsbescherming betreft, toe doen, zou ik in elk geval zaken willen rekenen waarin de verdachte is veroordeeld op een ingetrokken bekentenis die geen steun vindt in bewijs uit andere bron. Ik pleit dus niet voor een aanscherping van de motiveringseis over de hele linie, maar in ieder geval voorlopig voor een serieuze invulling van de motiveringeis in gevallen die daar vanuit een oogpunt van rechtsbescherming om vragen. Het kan daarbij zinvol zijn om criteria te ontwikkelen die aangeven wanneer van zo een geval sprake is.

5.7.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof slechts gedeeltelijk is ingegaan op de gevoerde betrouwbaarheidsverweren. Opvallend is inderdaad dat de meeste aandacht van het Hof uitgaat naar het onderdeel van het betoog van de verdediging dat het minst overtuigend is. Aan het daderschap van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kan, mede gezien het DNA-bewijs, in redelijkheid niet worden getwijfeld. Zij waren er dus de hele tijd bij toen het strafbare feit werd gepleegd. Dat, zoals de raadsvrouwe betoogde, hun verklaringen over het verloop van de gebeurtenissen desondanks inconsistenties vertonen, zegt dan ook weinig. Het illustreert veeleer dat dergelijke inconsistenties aan de betrouwbaarheid van de essentie van verklaringen geen afbreuk hoeven te doen en misschien wel juist het kenmerk van het ware zijn. De keerzijde van die medaille is dat de vaststelling van het Hof dat de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over de gang van zaken betrouwbaar moeten worden geacht, weinig zegt over de vraag of zij de waarheid spraken met betrekking tot de identiteit van de derde dader. Op het verweer dat de medeverdachten hun verklaringen op dit cruciale punt hebben ingetrokken en gelogen hebben omdat zij (zoals althans [medeverdachte 1] verklaarde) [verdachte] de schuld moesten geven, gaat het Hof niet in. Het Hof beargumenteert weliswaar uitvoerig dat de medeverdachten met [verdachte] de verdachte hebben bedoeld en dat de verdachte inderdaad deze bijnaam had, maar dat zegt op zich niets over de vraag of de verdachte er door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ten onrechte is bijgelapt.

5.8.

De stellers van het middel erkennen dat art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv volgens de Hoge Raad niet vereist dat op ieder afzonderlijk argument wordt ingegaan. Desondanks menen zij dat het Hof in elk geval had moeten responderen op het verweer dat de medeverdachten hun verklaringen hebben ingetrokken, op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het niet-herkennen van de verdachte door de aangever en het door de aangever opgegeven signalement en op het verweer dat het DNA-spoor van de onbekende man B niet overeenkwam met het DNA van de verdachte. Zij wijzen er daarbij op dat de verdachte door de Rechtbank was vrijgesproken omdat zij van oordeel was dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting “niet eenduidig” naar voren kwam dat de verdachte bij de tenlastegelegde feiten was betrokken. Dat oordeel zou, zo begrijp ik, nopen tot een extra zorgvuldige verantwoording van het bewijsoordeel.

5.9.

Met de stellers van het middel meen ik dat het uiterst onbevredigend is dat het Hof in zijn motivering enkel aandacht besteedt aan het voor het bewijs gebruikte belastende materiaal, en niet ingaat op het ontlastende materiaal dat daar tegenover staat. Hoe het Hof het belastende en ontlastende bewijsmateriaal tegen elkaar heeft afgewogen, blijft onduidelijk, terwijl een werkelijke verantwoording van de bewijsbeslissing zich op die afweging zou moeten richten. Door de werkwijze van het Hof komt uit de bewijsmotivering “eenduidig” naar voren dat de verdachte de feiten heeft begaan, maar die eenduidigheid is slechts schijn. De redelijke twijfel aan het daderschap dat door de betrouwbaarheidsverweren wordt gewekt, wordt wat mij betreft door die motivering niet weggenomen. Ik merk daarbij op dat het beroep dat het Hof doet op de daderwetenschap die in de verklaring van getuige [getuige] is verwerkt, minder sterk is dan het lijkt. Aan de voor de hand liggende mogelijkheid dat de getuige deze daderwetenschap heeft ontleend aan hetgeen zij van haar toenmalige vriend [medeverdachte 2] heeft gehoord, gaat het Hof voorbij. Waarom dit steunbewijs zwaarder moet wegen dan de niet-match met het DNA-spoor van de onbekende man B blijft in elk geval de vraag.

5.10.

Bij de huidige stand van de jurisprudentie levert dit echter zoals ik al aangaf geen reden op voor cassatie. De vraag die ik mij heb gesteld, is of zich hier een bijzonder geval voordoet waarin vanuit een oogpunt van rechtsbescherming een aanscherping van de geldende motiveringseis zou moeten worden bepleit. Ik beantwoord die vraag met enige aarzeling ontkennend. Ik neem daarbij in aanmerking dat de twijfel die door de gevoerde verweren wordt gewekt, in het licht van het verhandelde op de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep minder groot is dan op het eerste gezicht voorkomt. Ik wijs daarbij op het volgende.

5.11.

De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn op de terechtzitting van het Hof van 28 oktober 2011 als getuigen gehoord. Erg overtuigend komt de intrekking van hun voor de verdachte belastende verklaringen daarbij niet over. De redenen die zij opgeven voor het feit dat zij bij de politie gelogen zouden hebben, lopen uiteen en zijn ook nog eens uiterst summier. Na enig aandringen wil [medeverdachte 1] nog wel verklaren dat hij zich kan herinneren dat hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij de verdachte de schuld moest geven en dat hij nog steeds achter die verklaring staat, maar op de vraag van de verdachte waarom hij hem heeft beschuldigd, antwoordt hij dat hij daarover niets kan verklaren. [medeverdachte 2] wil nog wel verklaren dat hij “gejokt” heeft dat [verdachte] erbij was, maar toen daarop werd doorgevraagd, weigerde hij nog iets te zeggen. De mogelijkheid dat de verdachte zijn medeverdachten onder druk heeft gezet, zoals de advocaat-generaal suggereerde12, valt daarbij niet uit te sluiten.

5.12.

De overwegingen van het Hof met betrekking tot de bijnaam van de verdachte krijgen reliëf tegen de achtergrond van het feit dat de verdachte heeft ontkend [verdachte] genoemd te worden (zie het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en o.m. p. 3 van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 10 april 2012). Impliciet geeft het Hof met zijn overwegingen te kennen dat de verklaring van de verdachte dat hij met de feiten niets te maken heeft, door de onjuistheid van de bedoelde ontkenning aan geloofwaardigheid inboet.

5.13.

Dat de aangever bij de derde dader geen tatoeages heeft opgemerkt, kan mogelijk verklaard worden door het feit dat, zoals de verdediging erkende, deze dader handschoenen droeg en de tatoeage in de nek aan de rechterzijde zat. Weliswaar hield het verweer ook in dat deze dader zijn handschoenen volgens de aangever enkele malen heeft uitgetrokken en dat de dader twee keer is uitgestapt, maar of het zo is dat, als de verdachte die dader was, de tatoeages de aangever toen moeten zijn opgevallen, lijkt mij niet zeker. Dat van de derde dader een DNA-spoor ontbrak, kan, zoals de advocaat-generaal in zijn requisitoir aanvoerde, verklaard worden door het feit dat deze dader zijn flesje AA-drink had weggegooid (zie bewijsmiddel 1). Voorts staat niet vast dat het spoor op de panty een daderspoor is. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet wat de panty met het hele gebeuren te maken heeft, terwijl de verdediging daarover ook niets heeft aangevoerd.13

5.14.

Het zou beter zijn geweest als het Hof mij (en de Hoge Raad) een exercitie als in de vorige drie punten uitgevoerd, had bespaard, te meer omdat die exercitie een wat speculatief karakter draagt. Of het Hof het gestelde in zijn oordeelsvorming heeft betrokken, blijft namelijk de vraag. Maar dat neemt niet weg dat de slotsom toch kan zijn dat het, gelet op de vrijheid die het Hof bij de selectie en waardering van het bewijs toekomt, niet onbegrijpelijk genoemd kan worden dat het Hof, niettegenstaande hetgeen door de verdediging is aangevoerd, de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [getuige] dusdanig betrouwbaar heeft geoordeeld dat op basis daarvan een veroordeling verantwoord is te achten.

5.15.

Het middel faalt.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten twee strafbepalingen heeft toegepast, terwijl sprake zou zijn van eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55, eerste lid, Sr dan wel van een voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr.

6.2.

Het Hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard zoals hiervoor onder 5.2 is weergegeven en dit bewezenverklaarde gekwalificeerd zoals hiervoor onder 1 is weergegeven. Onder het kopje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” in het arrest heeft het Hof onder meer de artikelen 57, 282, 312 en 317 Sr aangehaald. Gelet op de kwalificatie en de aanhaling van art. 57 Sr is het Hof er kennelijk vanuit gegaan dat sprake is van meerdaadse samenloop.

6.3.

Art. 55, eerste lid, Sr bepaalt dat, wanneer één feit in meer dan een strafbepaling valt, slechts een van die bepalingen wordt toegepast; eendaadse samenloop. Een belangrijke voorwaarde om van één feit te kunnen spreken in de zin van art. 55 Sr is een vergelijkbare strekking van de betrokken strafbepalingen die “in één fysiek gebeuren zijn overtreden”.14 Wanneer de strekkingen uiteenlopen is er geen sprake van eendaadse samenloop.15 Van belang bij de beoordeling of sprake is van eendaadse samenloop is voorts eenheid van tijd en plaats alsmede een wezenlijke samenhang in de overtreding van de verschillende strafbepalingen.

6.4.

Staan meerdere feiten in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling dan is sprake van een “voortgezette handeling” in de zin van art. 56 Sr. Om te beoordelen of daarvan sprake is zijn twee criteria van belang: de feiten moeten de uiting zijn van; 1) één ongeoorloofd wilsbesluit en 2) het moet gaan om soortgelijke feiten.16 Van “gelijksoortigheid” kan geen sprake zijn als geen sprake is van “een vergelijkbare strekking”17, maar het feit dat de strekking van de overtreden strafbepalingen gelijk is, wil nog niet zeggen dat sprake is van soortgelijke feiten.18

6.5.

In casu is geen sprake van onderscheiden feiten die elkaar in de tijd gezien opvolgen. Reeds daarom getuigt het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een voortgezette handeling niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Blijft over de vraag of sprake is van eendaadse samenloop.

6.6.

Art. 282 Sr is geplaatst in Boek 2, Titel XVIII ”Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid”. Het beschermde belang bij art. 282 Sr vormt het voorkomen dat iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid wordt beroofd.19 Art. 317 Sr is geplaatst in Boek 2, Titel XXIII: “Afpersing en afdreiging”. Dwang door geweld en bedreiging – ‘dwangmiddelen’ bij afpersing – zijn als afzonderlijke feiten strafbaar gesteld in dezelfde Titel XVIII waarin ook art. 282 Sr is geplaatst. Art. 317 Sr beschermt daarom zowel de persoonlijke vrijheid als het vermogen.20 Enige overlap in strekking is er dus wel. Daarbij zij echter aangetekend dat het beschermde belang bij art. 282 Sr (de persoonlijke vrijheid) specifieker is dan het beschermde belang bij dwang en bedreiging. Daarom kan niet gezegd worden dat elke bedreiging die in de tijd samenvalt met een vrijheidsberoving, in die vrijheidsberoving opgaat.

6.7.

Er zijn echter gevallen denkbaar waarin de (kortstondige) vrijheidsberoving geheel inherent is aan de bedreiging met geweld waarmee art. 317 Sr wordt gepleegd (bijvoorbeeld bedreiging met een vuurwapen waardoor het slachtoffer tevens wordt verhinderd te gaan en staan waar hij wil). In een dergelijk geval is het naar mijn mening goed verdedigbaar dat gezien de gedeeltelijke overeenkomst in strekking van de strafbepalingen sprake is van eendaadse samenloop. Hetzelfde geldt wellicht als het geweld waarmee het slachtoffer van art. 317 Sr wordt gedwongen, bestaat uit de opsluiting van het slachtoffer, waarbij die opsluiting dus wordt ingezet als middel om het slachtoffer tot afgifte te dwingen. 21

6.8.

In het onderhavige geval behoeft de bewezenverklaring niet zo te worden verstaan dat de vrijheidsberoving een puur instrumenteel karakter had. Bewezenverklaard is niet dat de aangever door ‘geweld’ (bestaande uit vrijheidsberoving) werd gedwongen, maar werd gedwongen door ‘bedreiging met geweld’. De vrijheidsberoving was dus geen dwangmiddel, maar het resultaat van de uitgeoefende dwang. Voorts dwingt de gang van zaken ook niet tot de gevolgtrekking dat sprake is van een vrijheidsberoving die eenvoudig inherent was aan de afpersing en het daarbij gebezigde dwangmiddel (de bedreiging met geweld). Weliswaar heeft het Hof in het voetspoor van de tenlastelegging geoordeeld dat sprake was van één geval van afpersing, dat begon toen de aangever gedwongen werd in zijn auto plaats te nemen en dat eindigde toen de portemonnee, de geldbedragen en de creditcard waren afgegeven, maar uit de verklaring van de aangever (bewijsmiddel 1) blijkt dat in feite sprake was van tenminste vijf afzonderlijke afpersingsmomenten, die in de tijd ver uit elkaar lagen: eerst moest de aangever zijn portemonnee (met daarin de creditcard) afgeven en later moest hij bij vier verschillende pinautomaten geld trekken. In de tussentijd duurde de vrijheidsberoving voort. Aan die vrijheidsberoving heeft het Hof daarom naar mijn mening zelfstandige betekenis kunnen toekennen. Ik merk daarbij op dat de vrijheidsberoving ook na de laatste gedwongen geldopname nog enige tijd voortduurde, aangezien de aangever toen nog naar station Lombardijen moest rijden, alwaar de daders uitstapten.22 Het oordeel van het Hof dat geen sprake is van eendaadse samenloop is daarom niet onbegrijpelijk. Nu in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan op art. 55 lid 1 Sr, hoefde het Hof dat oordeel niet nader te motiveren.

7. Alle middelen falen. Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Volledigheidshalve merk ik op dat art. 290, derde lid Sv een uitzondering op de regel in het eerste lid inhoudt. Voor de beoordeling van onderhavige zaak is dit echter niet relevant.

2 “Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het verbeteren en versterken van de vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen (Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen)” Kamerstukken II 2007/08, 31 436, nr. 2.

3 A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlands strafproces, Haarlem: Tjeenk Willink 1925, deel II, p. 46 (overigens ging dit over 284 Sv. Bij –kort gezegd- vernummering van Wet werd dit art. 290 Sv (Stb. 1998,33).

4 Kamerstukken II 2007/08, 31 436, nr. 3, p.1.

5 Kamerstukken II 2007/08, 31 436, nr. 3, p. 2.

6 Aan de in art. 342 lid 1 gegeven definitie van een getuigenverklaring is ondanks het verzuim voldaan, terwijl art. 359a Sv alleen betrekking heeft op vormverzuimen in het vooronderzoek.

7 In HR 26 februari 1957, NJ 1957/254 was de leeftijd van de getuige niet opgenomen in het proces-verbaal van de zitting. Dit behoefde niet tot nietigheid te leiden. Voorts merk ik op dat de Hoge Raad ook bepaalde dat het niet vragen naar aan-of bloedverwantschap niet tot nietigheid behoeft te leiden HR 2 juni 1936, NJ 1936, 992.

8 Vgl. HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123. In die zaak was de deskundige kennelijk niet naar haar persoonsgegevens en beroep gevraagd (middel I). De HR doet het middel af met art. 81lid 1 R.O.

9 Zie de bewijsmiddelen 18 en 19. Uit bewijsmiddel 19 blijkt overigens alleen dat het spoor van de onbekende man C overeenkwam met het DNA van medeverdachte [medeverdachte 2]. Dat het spoor van de onbekende man A matchte met het DNA van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt uit de bewijsmiddelen niet en evenmin uit de bewijsoverwegingen van het Hof. Gelet op de plaats waar het DNA-spoor is aangetroffen, is het echter wel aannemelijk dat [medeverdachte 1] de onbekende man A is.

10 Zie alleen al de volgende recent gewezen arresten, waarin de Hoge Raad telkens in afwijking van de conclusie geen reden zag om te casseren: HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238; HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:350 en HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476.

11 Zie W.H.B. Dreissen, Bewijsmotivering in strafzaken, academisch proefschrift Maastricht 2007, m.n. p. 281-333.

12 Zie het verhoor van getuige [medeverdachte 1] op de terechtzitting van 10 april 2012 alsmede het requisitoir op diezelfde zitting (proces-verbaal, p. 3 en 6).

13 Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de daders capuchons droegen, niet dat zij bivakmutsen of panty’s op hadden. Een blik achter de papieren muur leert voorts dat de panty achterin de auto lag en dat daarop twee sporen zijn veiliggesteld die mengprofielen bevatten van telkens drie onbekende mannen, onder wie onbekende man A ([medeverdachte 1]).

14 J. De Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 504.

15 Zie voor een goed voorbeeld: HR 17 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0183 waarin het –kort gezegd- ging om een veroordeling ten aanzien van via het alarmnummer doen van een valse bommelding.

16 Ontleend aan: J. De Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 513.

17 Zo schrijft de Hullu “hebben de in het geding zijnde strafbepalingen een verschillende strekking – en dat is al vrij snel het geval- dan komt noch eendaadse samenloop noch voortgezette handeling voor toepassing in aanmerking.”

18 Dat er verschil is, blijkt bijvoorbeeld uit de overweging onder 6.4 in HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998: ZD1014. In oudere jurisprudentie werd “gelijksoortigheid” van handelingen strikt opgevat: de handelingen moesten onder dezelfde strafbepaling vallen vgl. C.P.M. Cleiren en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst en Commentaar Strafrecht, Kluwer 2012, aantekening 6 bij art. 57.

19 Vgl. C.P.M. Cleiren en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst en Commentaar Strafrecht, Kluwer 2012, aantekening 5 bij art. 282.

20 Vgl. C.P.M. Cleiren en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst en Commentaar Strafrecht, Kluwer 2012, aantekening 1, bij Titel XXIII en aant. 5 bij art. 317.

21 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Bleichrodt voorafgaande aan HR 11 november 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BF0644.

22 Weliswaar werd de aangever toen nog gedwongen om zijn adresgegevens en pincode te geven, maar de afpersing van gegevens is tenlastegelegd noch bewezenverklaard, zodat van een samenloop van de vrijheidsberoving met de bewezenverklaarde afpersing in zoverre geen sprake kan zijn.