Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:379

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-05-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
14/01423
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1388
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Bestuursrechter verklaart verzet ongegrond (art. 8:55 Awb). Geen cassatieberoep tegen uitspraak bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/01423

Mr. F.F. Langemeijer

2 mei 2014

Conclusie inzake:

[verzoeker 1] en

[verzoekster 2]

tegen

de minister van Buitenlandse Zaken

1. Bij brief van 29 januari 2012 (later verbeterd in: 2013) hebben eisers tot cassatie aan de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om realisatie van aanspraken op sociale voorzieningen voor het militair personeel van het K.N.I.L., zoals die op 26 december 1949 en 24 juli 1950 golden.

2. Bij brief van 28 maart 2013 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de weigering van de minister om een besluit te nemen op dit verzoek. Bij brief van 21 mei 2013 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaar. De rechtbank heeft, nadat de minister verweer had gevoerd, het beroep ter verdere behandeling doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

3. Op 29 juli 2013 heeft die rechtbank het beroep niet ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 8:54 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Samengevat was de rechtbank van oordeel dat een publiekrechtelijke grondslag voor de gevraagde voorzieningen ontbreekt en aan de minister geen bevoegdheid toekomt tot het nemen van een ‘besluit’ in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb op het door eisers op 29 januari 2013 ingediende verzoek1. Het verzoek kan niet worden aangemerkt als een ‘aanvraag’ in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb. Het uitblijven van een reactie op dit verzoek kan voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep niet op grond van art. 6:2 Awb met een ‘besluit’ worden gelijkgesteld.

4. Op 18 november 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het door eisers (op de voet van art. 8:55 Awb) gedane verzet tegen de uitspraak van 29 juli 2013 ongegrond verklaard.

5. Bij schrijven van 7 maart 2014, diezelfde dag ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. Het beroep richt zich zowel tegen de uitspraak van 29 juli 2013 als tegen die van 18 november 2013. Samengevat stellen eisers zich op het standpunt dat slechts de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Den Haag bevoegd is over het door hen ingestelde beroep te beslissen. Voor de overige beroepsgronden, die betrekking hebben op de materiële aanspraken van eisers en de wijze waarop deze zaak in eerste aanleg is behandeld, verwijs ik naar het beroepschrift in cassatie.

6. De zienswijze van eisers dat tegen de uitspraak van 29 juli 2013 beroep in cassatie openstaat is niet juist. Het daartegen openstaande rechtsmiddel, verzet, is door eisers reeds aangewend, zij het zonder succes. De zienswijze van eisers dat tegen de uitspraak op verzet van 18 november 2013 beroep in cassatie openstaat is evenmin juist. Zelfs indien de klacht van eisers dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht gegrond zou zijn, de beslissing van de rechtbank in strijd is met geldend recht en/of de motivering van die beslissing niet aan de eisen voldoet, dan nog kan het beroep in cassatie niet tot een vernietiging door de Hoge Raad van de bestreden uitspraak leiden. Het aan de orde gestelde competentievraagstuk is behandeld in een reeks eerdere uitspraken over dit onderwerp2. Art. 118 lid 2 Grondwet bepaalt dat de Hoge Raad in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, is belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht. Art. 78 lid 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) bepaalt dat het eerste lid van dat artikel niet van toepassing is op de handelingen en uitspraken van de rechtbanken waarvan zij als bestuursrechter kennis nemen. Art. 78 lid 4 RO voegt hieraan toe dat de Hoge Raad kennis neemt van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. In dit geval, waarin de rechtbank als bestuursrechter heeft geoordeeld, ontbreekt een wettelijke bepaling die de Hoge Raad bevoegd maakt tot kennisneming van het beroep in cassatie. In de zaken, aangehaald in voetnoot 2, heb ik de niet-ontvankelijkverklaring van de toen ingestelde cassatieberoepen voorgesteld. In een bespreking van een van die zaken in de vakliteratuur is op een voor mij overtuigende wijze betoogd dat een onbevoegdverklaring van de Hoge Raad beter aansluit bij art. 118 lid 2 Grondwet dan een niet-ontvankelijkverklaring3.

7. De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zich onbevoegd zal verklaren van dit cassatieberoep kennis te nemen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 De rechtbank verwees onder meer naar: CRvB 27 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0117, ABRvS 13 februari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL2398 en ABRvS 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3737.

2 Zie HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3946 (zie ook de nummers BY3954, BY3956, BY3961, BY3973, BY3977 en BY0486), met verdere vindplaatsen in de daaraan voorafgaande conclusies. Zie over het achterliggende geschil: C.N.J. Kortmann en A.A. al Khatib, De Molukse kwestie en de Wet nadeelcompensatie. Over de demobilisatie van de Ambonese KNIL-militairen, RM Themis 2013, blz. 208 - 220.

3 C.N.J. Kortmann, noot bij HR 23 november 2012, JBPr 2013/16.