Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:377

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-05-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
13/03116
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2627, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vennootschapsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Onrechtmatige daad. De vennootschap, die zich heeft verplicht tot verstrekking eerste pandrecht, verstrekt een tweede pandrecht. Onvoldoende verhaal. Ernstig persoonlijk verwijt van bestuurder? Hoge drempel bestuurdersaansprakelijkheid (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21). HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0759, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen). Maatstaf. Brengt enkele verstrekking tweede pandrecht mee dat schuldeiser schade leidt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2014/1023
JOR 2014/325 met annotatie van prof. mr. S.C.J.J. Kortmann
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/03116

mr. J. Spier

Zitting 2 mei 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

RCI Financial Services B.V.

(hierna: RCI)

tegen

[verweerder]

(hierna: [verweerder])

1 Feiten

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten.1

1.2

[verweerder] en zijn vrouw waren tot medio 2007 bestuurders van de besloten vennootschappen [A] Groep B.V. (hierna: [A] Groep) en MCD Groep B.V. (hierna: MCD Groep).

1.3

[A] Groep was bestuurster van de besloten vennootschappen:

a. Autobedrijf [D] B.V. (hierna: [D]);

b. Autobedrijf [E] B.V. (hierna: [E]);

c. Autobedrijf [F] B.V. (hierna: [F]);

d. Autobedrijf [G] B.V. (hierna: [G]);

e. Autobedrijf [H] B.V. (hierna: [H]),

hierna gezamenlijk ook aan te duiden als: de Renault-vestigingen.

1.4

MCD Groep was op haar beurt bestuurster van de besloten vennootschappen:

f. MCD Harderwijk B.V. (hierna: MCD Harderwijk);

g. Mobiliteitscentrum [E] B.V. (hierna: MCD Dronten);

h. MCD Lelystad B.V. (hierna: MCD Lelystad),

hierna gezamenlijk ook aan te duiden als: de Nissan-vestigingen.

1.5

Alle vennootschappen onder 1.3 en 1.4 worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als de [B-]vennootschappen.

1.6

Tussen de Renault-vestigingen en ABN-AMRO bank (hierna: de bank) is op 3 mei 1999 een kredietovereenkomst tot stand gekomen. De onderhandse akte waarin deze is vastgelegd, is ondertekend door [verweerder] en vermeldt onder meer het volgende:

“De Kredietnemer krijgt op basis van de aan ABN AMRO verstrekte informatie een krediet in rekening-courant ter beschikking tegen de in deze overeenkomst met bijbehorende bijlage vermelde condities. Het krediet dient ter financiering van de bedrijfsuitoefening van de Kredietnemer.

Omvang faciliteit NLG 1.000.000,=

(…)

Zekerheden en verklaringen

- Pandrecht voorraden.

Steeds uiterlijk aan het begin van elke maand ontvangt ABN AMRO een opgave van de occasions van de Kredietnemer en het uitstaande crediteurensaldo voor zover het betreft niet-betaalde leveranciers per de daaraan voorafgaande maand-ultimo.

- Pandrecht vorderingen.

- De Kredietnemer is tot nader aankondiging vrijgesteld van de verplichting om ABN AMRO periodiek in het bezit te stellen van een gespecificeerde en rechtsgeldig ondertekende opgave van de aan ABN AMRO te verpanden vorderingen. Deze vrijstelling zal door enkele aankondiging van ABN AMRO komen te vervallen.”

1.7

De Renaultvestigingen hebben in 2001 aan de bank pandrecht verleend op de voorraden en/of vorderingen van de Renaultvestigingen. Daartoe is een pandakte opgemaakt, die op 18 juni 2001 is geregistreerd bij de belastingdienst, dienst accijnzen en successie. Deze akte vermeldt voor zover hier van belang het volgende:

“1. De Pandgever:

- geeft hierbij zijn huidige en toekomstige voorraden aan de Bank in pand.

- verbindt zich hierbij zijn huidige en toekomstige vorderingen aan de Bank in pand te geven.

2. De in deze akte bedoelde inpandgeving strekt tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de Pandgever aan de Bank nu of te eniger tijd verschuldigd is of zal zijn, uit welken hoofde ook, in en/of buiten rekening-courant, en al of niet in het gewone bankverkeer.”

De akte is “zijdens” de Renaultvestigingen ondertekend door [verweerder].

1.8

Tussen alle [B-]vennootschappen alsmede [A] Groep enerzijds en de bank anderzijds is op 24 januari 2005 een kredietovereenkomst tot stand gekomen. De onderhandse akte waarin deze is vastgelegd, is ondertekend door [verweerder] en vermeldt onder meer het volgende:

“De Kredietnemer krijgt op basis van de aan ABN AMRO verstrekte informatie een krediet in rekening-courant ter beschikking tegen de in deze overeenkomst met bijbehorende bijlage vermelde condities. Het krediet dient ter financiering van de bedrijfsuitoefening van de Kredietnemer.

Omvang faciliteit EUR 3.300.000,=

De kredietnemer kan van het rekening/courant krediet gebruik maken tot maximaal de som van 75% van de RDC-waarde van de door de Kredietnemer betaalde en aan ABN AMRO verpande gebruikte personenwagens en tot maximaal 75% van de inkoopwaarde of, indien deze lager is, de door ABN AMRO te bepalen marktwaarde van de door de Kredietnemer betaalde en aan ABN AMRO verpande nieuwe personenwagens en 70% van het totaalbedrag van de aan ABN AMRO conveniërende vorderingen, uiteraard met inachtneming van het maximumbedrag van het krediet.

(...)

Zekerheden en verklaringen

- Pandrecht voorraden.

Aan het begin van elke maand ontvangt ABN AMRO een opgave van de voorraden van de Kredietnemer en het uitstaande crediteurensaldo voor zover het betreft niet-betaalde leveranciers per de daaraan voorafgaande maand-ultimo.

- Pandrecht gebruikte personenwagens, tweede in rang, van MCD Lelystad B.V. en van MCD Harderwijk B.V.

Aan het begin van elke maand ontvangt ABN AMRO een opgave van deze personenwagens en het uitstaande crediteurensaldo voor zover het betreft niet-betaalde leveranciers per de daaraan voorafgaande maand-ultimo.

- Pandrecht vorderingen.

Ofschoon de Kredietnemer gehouden is deze vorderingen doorlopend aan ABN AMRO te verpanden, kan de Kredietnemer tot nader aankondiging van ABN AMRO volstaan met ABN AMRO aan het begin van elke maand in het bezit te stellen van een rechtsgeldig ondertekende pandlijst waarin deze vorderingen zijn gespecificeerd (wijziging).

- Pandrecht inventaris.

- Op grond van artikel 18 van de Algemene Voorwaarden van ABN AMRO strekken alle zaken, waardepapieren en effecten die ABN AMRO of een derde voor haar uit welken hoofde ook van of voor de Kredietnemer onder zich heeft of krijgt, alle aandelen in verzameldepots als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer die zij onder haar beheer heeft of krijgt, en alle bestaande en toekomstige vorderingen van de Kredietnemer op ABN AMRO uit welken hoofde ook ABN AMRO tot pand voor al hetgeen zij uit welken hoofde ook van de Kredietnemer te vorderen heeft of zal hebben ABN AMRO aanvaardt hierbij dit pandrecht. Voor zover deze goederen nog niet aan ABN AMRO zijn verpand, al dan niet bij voorbaat, tot zekerheid van de hiervoor genoemde verplichtingen van de Kredietnemer, geldt deze Kredietovereenkomst als pandakte en (lees:) wordt voor de verpanding noodzakelijke mededeling voor zover nodig hierbij geacht te zijn gedaan.”

1.9

Door alle [B-]vennootschappen, alsmede [A]-groep, is aan de bank pandrecht en volmacht verleend. Daartoe is een “COMBI-PANDAKTE met VOLMACHT voor Voorraden en/of Inventaris en/of Vorderingen” tot stand gebracht, die is ondertekend op 6 januari 2005 en op 4 maart 2005 geregistreerd bij de belastingdienst, dienst accijnzen en successie. Deze akte vermeldt voor zover hier relevant het volgende:

“1. De Pandgever verbindt zich hierbij tot verpanding aan de Bank van al zijn navolgende Goederen:

[] zijn huidige en toekomstige Voorraden

[] zijn huidige en toekomstige Inventaris

[] zijn huidige en toekomstige Vorderingen

en geeft deze Goederen hierbij, voor zover het toekomstige Goederen betreft bij voorbaat, aan de Bank in pand. De Bank aanvaardt deze verpanding.

2. De in deze akte bedoelde verpanding strekt tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de Pandgever aan de Bank nu of te eniger tijd verschuldigd is of zal zijn, uit welken hoofde ook, in en/of buiten rekening-courant, en al of niet in het gewone bankverkeer.

3. De Pandgever verklaart dat hij tot de verpanding bevoegd is, en verbindt zich er voor zorg te dragen dat het pandrecht van de Bank eerste in rang is en dat op de Goederen geen ander beperkt recht (zoals een ander pandrecht dan hel onderhavige of een recht van vruchtgebruik) en geen beslag of retentierecht rust of zal rusten.

4. (...)

5. In aanvulling op de A.B.V. verleent de Pandgever hierbij volmacht aan de Bank, al dan niet vertegenwoordigd door haar procuratiehouders, om deze Goederen, te allen tijde en bij herhaling, namens de Pandgever aan zichzelf te verpanden, en daarbij namens de Pandgever met zichzelf te handelen, en alles te doen wat daartoe dienstbaar kan zijn. De Bank is met inbegrip van maar niet beperkt tot de mogelijkheid tot verpanding bij notariële akte. Deze volmacht is onvoorwaardelijk en onherroepelijk; en doet niet af aan de opeisbaarheid van de verplichting van de Pandgever om de verpanding zelf tot stand te brengen.

6. In afwijking van hetgeen daaromtrent in de A.B.V. is bepaald wordt onder ‘Vorderingen’ in de A.B.V, deze akte en vervolgakten verstaan: alle huidige en toekomstige vorderingen (of gedeelten daarvan) die de Pandgever nu of te eniger tijd op enige natuurlijke persoon, juridische entiteit heeft en /of zal hebben, zowel geldvorderingen als niet-geldvorderingen daaronder begrepen, en al dan niet opeisbaar, onder voorwaarde of tijdsbepaling, alles in de ruimste zin.”

Deze akte is “zijdens” de [B-]vennootschappen en [A] Groep ondertekend door [verweerder].

1.10

RCI maakt deel uit van de Renault S.A.S. groep, die participeert in Nissan Motor Corp., die op haar beurt 100% aandeelhoudster is van Nissan Nederland B.V. RCI verzorgt onder meer de financiering ten behoeve van de wederverkoop van Renault- en Nissan-voertuigen op “kleinhandelsniveau”.

1.11

Met de onder 1.3 en 1.4 genoemde [B-]vennootschappen zijn door RCI zogenoemde mantelovereenkomsten gesloten, die namens de afzonderlijke [B-]vennootschappen telkens door [verweerder] zijn ondertekend op de hierna onder 1.13 genoemde data. In de overeenkomsten wordt de betreffende [B-]vennootschap aangeduid als ‘Dealer’. De afzonderlijke overeenkomsten zijn geregistreerd bij de belastingdienst, dienst registratie en successie (art. 3:239 lid 1 BW).

1.12 “

Deze overeenkomsten”2 zijn voor zover hier van belang gelijkluidend en vermelden, onder meer het volgende:

“2. Doel van de overeenkomst

2.1.

RCI biedt de Dealer door het sluiten van deze Mantelovereenkomst financiering voor de Productgroepen l tot en met 10 aan.

2.2

De in het voorgaande artikellid bedoelde financiering komt tot stand door de bevestiging conform het bepaalde in artikel 2.8 door RCI van een door de Dealer bij RCI ingediende kredietaanvraag danwel door betaling door RCI aan Importeur of aan een andere leverancier, indien van toepassing, indien en voor zover dit eerder is.

2.3

Nadat de financiering aldus tot stand is gekomen zal RCI voor de Dealer het aan de financiering verbonden factuurbedrag aan Importeur of aan de betreffende andere leverancier, indien van toepassing, voldoen, indien en voor zover zij dit nog niet heeft gedaan.

(...)

5. Zekerheden - conservatoire maatregelen

5.1

Zekerheden en informatieplicht

(...)

5.1.4.

Tot meerdere zekerheid voor de betaling van het krediet en van al hetgeen de Dealer overigens aan RCI, direct of indirect, uit hoofde van deze Mantelovereenkomst verschuldigd is en/of te eniger tijd verschuldigd zal worden, vestigt de Dealer hierbij (bij voorraad) een eerste pandrecht ten behoeve van RCI, gelijk RCI hierbij dit pandrecht (bij voorbaat) van de Dealer aanvaardt:

a. alle vorderingen die de Dealer nu of te eniger tijd jegens Importeur of derden heeft c.q. zal hebben uit hoofde van het Dealercontract en/of enige andere tussen Importeur en de Dealer gesloten overeenkomst(en), RCI zal aan Importeur mededeling doen van het vorenbedoelde pandrecht;

b. zijn huidige voorraad Nieuwe Auto's, Demo's, Vervangend Vervoer, Huurauto's, Occasions, Ex-lease auto's, Signalisatie, Inventaris en Onderdelen alles voor zover door RCI gefinancierd en ongeacht waar deze zaken zich bevinden;

c. bij voorbaat: Nieuwe Auto's, Demo's, Vervangend Vervoer, Huurauto's, Occasions, Ex-lease auto's, Signalisatie, Inventaris en Onderdelen die de Dealer in de toekomst zal verwerven, zulks op het moment dat Dealer de eigendom daarvan verkrijgt, voor zover door RCI gefinancierd en ongeacht waar deze zich alsdan bevinden;

d. bij voorbaat: alle ingevolge in deze overeenkomst vermelde verzekering(en) verkregen vorderingen op de desbetreffende verzekeraars.

Eventuele accessoires en uitrusting die in het kader van de normale bedrijfsuitoefening aan een Product door de Dealer zijn of worden toegevoegd, worden geacht mede te zijn verpand aan RCI.

5.1.5

De Dealer verklaart dat hij tot het verpanden van de in het vorige artikel vermelde zaken bevoegd is en dat daarop geen beperkte rechten van derden rusten. De Dealer verklaart voorts dat hij de in dat artikellid vermelde zaken niet reeds (bij voorbaat) aan een derde heeft overgedragen en evenmin daarop ten behoeve van een derde (bij voorbaat) een beperkt recht heeft gevestigd en dat hij dat ook niet zal doen. Ten bewijze van het bepaalde in dit artikellid zal de Dealer aan RCI een, aan de hand van een door RCI verstrekt concept opgestelde, verklaring verstrekken van de huisbankier van de Dealer, dan wel van overige bankiers aan wie door de Dealer beperkte rechten zijn verleend, in welke verklaring deze bankier afstand doet van de hem verleende beperkte rechten, voor zover deze botsten met de zekerheidsrechten die de Dealer krachtens deze Mantelovereenkomst verstrekt danwel dient te verstrekken aan RCI.”

1.13

Op de volgende data zijn de mantelovereenkomsten zijn bij de belastingdienst geregistreerd:

a. [D] op 10 maart 2004;

b. [E] op 9 oktober 2006;

c. [F] op 10 maart 2004;

d. [G] op 9 maart 2004;

e. [H] op 9 oktober 2006;

f. MCD Harderwijk op 17 februari 2006;

g. MCD Dronten op 17 februari 2006;

h. MCD Lelystad: op deze overeenkomst is geen stempel met dagtekening van de belastingdienst vermeld.

1.14

Op 26 april 2006 is een akte getiteld Hoofdelijkheidsverklaring ondertekend door de [B-]vennootschappen, [A] Groep en RCI. In die akte worden de [B-]vennootschappen gezamenlijk aangeduid als ‘schuldenaar’ en [A] Groep als ‘hoofdelijk medeschuldenaar’. In de akte is onder meer het volgende vermeld:

“1. De schuldenaar en de medeschuldenaar verbinden zich hierbij hoofdelijk jegens RCI voor al hetgeen de schuldenaar, uit hoofde van door RCI aan de schuldenaar verleend dan wel te verlenen krediet, schuldig is of zal worden RCI

(...)

4. De hoofdelijke verbondenheid van de schuldenaar en de medeschuldenaar blijft van kracht, zolang de schuldenaar enige verplichting jegens RCI heeft of zal kunnen hebben uit hoofde van door RCI aan de schuldenaar verleend dan wel te verlenen krediet. De schuldenaar en medeschuldenaar doen hierbij jegens RCI uitdrukkelijk afstand van alle hoofdelijk verbonden schuldenaren toekomende rechten en verweermiddelen.”

De akte is namens de [B-]vennootschappen en [A] Groep ondertekend door [verweerder] met op de akte een registratiestempel van de belastingdienst.

1.15

De bank heeft de kredietrelatie met de [B-]vennootschappen bij brief van 18 april 2007 opgezegd tegen 15 mei 2007. Op 16 mei 2007 heeft de bank pandbeslag gelegd.

1.16

De bank heeft op 16 mei 2007 executoriaal pandbeslag gelegd op onder meer de nieuwe en gebruikte voertuigen van de [B-]vennootschappen. Op 28 juni 2007 heeft RCI executoriaal pandbeslag gelegd op de door haar gefinancierde Renault en Nissan voertuigen, alsmede op de door haar gefinancierde gebruikte voertuigen.

1.17

Nissan Nederland en Renault Nederland hebben in juni respectievelijk juli 2007 de “dealerrelaties” met de [B-]vennootschappen beëindigd. Bij beëindiging van de “dealerrelaties” waren de [B-]vennootschappen aan RCI een bedrag verschuldigd. In de dagvaarding in eerste aanleg stelt RCI dat het in totaal gaat om € 7.292.658,70. In haar memorie van grieven gaat zij echter uit van een totale vordering van € 6.178.225,64.

1.18

Op 25 juni 2007 heeft RCI een verzoek als bedoeld in art. 3:251 lid 1 BW gedaan aan de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle-Lelystad tot onderhandse verkoop van de in beslag genomen voertuigen.

1.19

Tussen partijen is overleg gevoerd over de wijze van onderhandse verkoop, hetgeen niet tot overeenstemming heeft geleid. Daarop heeft RCI bij brief van 22 juli 2007 het verzoek tot onderhandse verkoop ingetrokken.

1.20

Vervolgens zijn de in pandbeslag genomen voertuigen in de periode 25 juli tot en met 30 juli 2007 openbaar verkocht door veilingbureau BVA Auctions B.V. (hierna: BVA). De totale veilingopbrengst bedroeg € 4.385.316,70. Daarvan heeft BVA € 3.202.288,35 uitgekeerd aan de bank en € 1.183.028,35 aan RCI.

1.21

De [verweerder] vennootschappen zijn in staat van faillissement verklaard:

Op 22 augustus 2007 : MCD Groep, [E], [F] en [G];

op 30 augustus 2007: [A] Groep en [H] en

op 5 september 2007: [D], MCD Lelystad, MCD Harderwijk en MDC Dronten,

1.22

Bij exploot van 10 maart 2009 heeft RCI conservatoir beslag doen leggen op een aantal onroerende zaken van [verweerder].

2 Procesverloop

2.1

RCI heeft [verweerder] op 9 april 2009 gedagvaard voor de Rechtbank Zwolle-Lelystad; zij heeft betaling gevorderd van € 1.907.611,30, zulks met nevenvorderingen. Ter onderbouwing van deze vordering heeft RCI, in de weergave van het Hof, aangevoerd dat [verweerder] jegens haar onzorgvuldig heeft gehandeld door namens de [B-]vennootschappen verplichtingen tot verlening van eerste pandrechten aan te gaan terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat de [B-]vennootschappen daaraan niet of niet binnen een redelijke termijn zouden kunnen voldoen en geen verhaal zouden bieden voor de voorzienbare schade die RCI dientengevolge zou lijden.3

2.2

Eveneens in ’s Hofs weergave4 heeft [verweerder] als verweer gevoerd dat hij niet behoefde te begrijpen dat aan RCI geen eerste pandrecht kon worden verleend. [verweerder] heeft op zijn beurt een vordering in reconventie ingesteld die thans niet meer van belang is.

2.3

In haar vonnis van 15 juni 2011 heeft de Rechtbank de vorderingen in conventie en reconventie afgewezen. Voor zover het de conventie betreft, heeft zij daartoe, in ’s Hofs weergave, overwogen dat de pandakte van de bank ruimer geredigeerd is dan de onderliggende kredietovereenkomst. Voor de uitleg van de pandakte dient de uitlegger te rade te gaan bij de onderliggende kredietovereenkomst. De tekst van die overeenkomst is uitgangspunt voor de uitleg van de pandakte. Gelet hierop is het [verweerder] niet aan te rekenen dat hij meende zijn verplichtingen tot het vestigen van eerste pandrechten jegens RCI niet te schenden.5

2.4

RCI heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. [verweerder] is in hoger beroep niet verschenen; tegen hem is verstek verleend.6

2.5.1

In zijn arrest van 12 maart 2013 heeft het Hof het hoger beroep “verworpen” en het bestreden vonnis bekrachtigd. Het Hof acht de door RCI aangedragen grief gegrond. Dienaangaande oordeelt het Hof:

“3.2. In de bestreden overweging legt de rechtbank de bewoordingen van de pandakte uit. De rest van de overwegingen verwijst naar die uitleg en haakt daarbij aan.

3.3.

De bestreden overwegingen komen erop neer dat de pandakte dient te worden uitgelegd aan de hand van de onderliggende (krediet)overeenkomst. Omdat de verpandingsplicht in de overeenkomst beperkter is omschreven dan die in de pandakte, dient de ruimer verwoorde verpandingsplicht in de (jongere) pandakte ook beperkt te worden uitgelegd. [verweerder] mocht daarom van die beperkte verpandingsplicht uitgaan, aldus de rechtbank.

3.4.

In de grief wordt deze (methode van) uitleg bestreden. Het hof oordeelt dienaangaande dat de onder 3.3. beschreven wijze van uitleg onjuist is daar zij niet overeenstemt met de bestaande opvattingen in de rechtspraak aangaande de uitleg van overeenkomsten.

3.5.

Bij de uitleg van een pandakte geldt de zogenoemde Haviltexnorm (HR 20 september 2002, NJ 2002, 610). De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven, omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de uit te leggen bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. In zijn hiervoor genoemde arrest van 20 september 2002 heeft de Hoge Raad aangaande de uitleg van een pandakte bepaald dat de omstandigheid dat een overeenkomst de titel vormt voor de vestiging van een – tegen derden in te roepen - pandrecht, op zichzelf niet rechtvaardigt een andere dan de zojuist beschreven maatstaf toe te passen.

3.6.

Voor de vaststelling van de omvang van de verpandingsplicht jegens de bank zijn zowel de bewoordingen van pandakte als die van de kredietovereenkomst van belang, alsmede de overige omstandigheden van het geval. De uitleg van de bewoordingen van de pandakte wordt niet bepaald door alleen of met name de onderliggende overeenkomst. Ook die pandakte geeft de partijbedoeling weer en bepaalt (mede) de inhoud van de overeenkomst. De onderliggende overeenkomst is voor de uitleg van de akte niet zonder belang, maar zij is daarvoor niet maatgevend. Juist omdat de pandakte van latere datum is dan de kredietovereenkomst, ligt het voor de hand dat bij afwijking daarvan van de kredietovereenkomst eerder de akte dan de overeenkomst doorslaggevend is.

3.7.

De inhoud van de pandakten bepalen daarmee de omvang van de verpandingplicht. Zij zijn op dit punt helder verwoord en geven mede door hun beperkte omvang geen aanleiding te menen dat [verweerder] de daarin besloten verpandingsplicht niet heeft begrepen of gekend. Dat de pandakte ruimer is geformuleerd dan de overeenkomst doet aan de verpandingsverplichting slechts in zoverre af dat de ruimere verplichting pas ontstond op het moment van ondertekening van de pandakte. Voordien bestond slechts de beperktere in de kredietovereenkomst omschreven verpandingsplicht. Nu de grief slaagt wat betreft de uitleg van de pandakte worden ook de daarop gebaseerde overwegingen terecht bestreden.

3.8.

Te weten: Gelet hierop is het [verweerder] niet aan te rekenen dat hij in de veronderstelling verkeerde dat op grond van de met ABN AMRO gesloten kredietovereenkomsten geen pandrecht was gevestigd op de door RCI gefinancierde auto's.”

en

“Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat [verweerder] zijn plichten op grove wijze heeft veronachtzaamd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verweerder] geen (ernstig) verwijt kan worden gemaakt.”

3.9.

Nu de grief slaagt dient het hof alsnog te beoordelen of de vordering van RCI toewijsbaar is, waarbij op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep alle verweren van [verweerder], voor zover niet in het vorenstaande door het hof reeds verworpen, moeten worden betrokken. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Toerekenbare tekortkoming door de [B-]vennootschappen

4. De rechtbank gaat er in de bestreden overwegingen kennelijk en impliciet van uit dat de [B-]vennootschappen (a) jegens RCI waren gehouden tot het vestigen van eerste pandrechten op de bestaande en nieuwe (door RCI gefinancierde) voertuigen en (b) dat zij die verplichting niet hebben nageleefd en (c) dat zij daarmee te kort zijn geschoten jegens RCI. Dit naar het oordeel van het hof terecht. De [B-]vennootschappen hebben zich verplicht tot vestiging van een eerste pandrecht ten behoeve van RCI op (onder meer) de door RCI geleverde voertuigen. [verweerder] weerspreekt dat niet maar betoogt dat hem schending van die verplichting niet valt aan te rekenen vanwege onduidelijkheid in de contractuele relatie met de bank. Zelfs als sprake zou zijn van onduidelijkheid jegens de bank in die contractuele relatie, het hof heeft al overwogen dat dit niet het geval is, dan valt niet in te zien waarom die onduidelijkheid aan RCI als derde zou kunnen worden tegengeworpen. Daarmee moet het er in deze procedure voor worden gehouden dat de [B-]vennootschappen jegens RCI toerekenbaar te kort zijn geschoten.”

2.5.2

Het Hof heeft vervolgens alsnog beoordeeld of de vordering van RCI toewijsbaar is en daarbij vooropgesteld dat het er voor moet worden gehouden dat de [B-]vennootschappen jegens RCI toerekenbaar te kort zijn geschoten (rov. 3.9 en 4). Ten aanzien van de aansprakelijkheid van [verweerder] als bestuurder heeft het Hof, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“5. Het gaat in deze zaak derhalve om de benadeling van een schuldeiser van de [B-]vennootschappen, RCI, door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering (het aan de [B-]vennootschappen verleende krediet).

6. Voor dit nadeel kan naast aansprakelijkheid van de [B-]vennootschappen zelf, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, ook [verweerder] als bestuurder aansprakelijk zijn. De Hoge Raad heeft daarbij in zijn arrest van 8 december 2006, LJN. AZ0758, 2006, 569 overwogen dat daarbij twee gevallen moeten worden onderscheiden. In de eerste plaats het geval waarin de bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld en in de tweede plaats het geval waarin de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

7. Zowel in het ene als het andere geval mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

8. Ingeval de bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie is gerechtvaardigd dat hem ter zake van deze benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (hierna kort aan te duiden als de "Beklamel-norm").

9. Ingeval de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt kan in ieder geval sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

10. RCI baseert haar vordering er - kortgezegd - op dat de [B-]vennootschappen RCI een pandrecht eerste in rang hadden moeten verstrekken maar dat een pandrecht van lagere rang is verstrekt. De vraag waarom het in deze zaak draait is of dit verwijt persoonlijke aansprakelijkheid van [verweerder] meebrengt. De beoordeling van die vraag aan de hand van de juridische normen weergegeven onder 6 tot en met 9, wordt gecompliceerd door het volgende. In deze zaak moeten twee verbintenissen worden onderscheiden. In de eerste plaats de verbintenis waarbij de [B-]vennootschappen zich jegens RCI hebben verbonden tot het verlenen aan laatstgenoemde van een pandrecht eerste in rang. In de tweede plaats de daarmee te securiseren verbintenis op grond waarvan de [B-]vennootschappen gehouden waren het hen door RCI verleende krediet terug te betalen.

11. In de feitelijke grondslag van haar vordering plaatst RCI de niet-naleving van de verbintenis tot vestiging van een eerste pandrecht door de [B-]vennootschappen in het licht van de Beklamelnorm, waarbij het erom gaat of de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan waarvan hij bij het aangaan wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

12. Zoals gezegd bestaat het nadeel voor RCI er in dat als gevolg van het gewraakte handelen (het aangaan van de verbintenis tot vestiging van een eerste pandrecht) een andere verbintenis (die tot terugbetaling van het krediet) niet werd nageleefd. Anders gezegd, door de verstrekking van een tweede pandrecht werd bewerkstelligd dat de verbintenis tot terugbetaling van het krediet niet werd nagekomen. Het handelen van [verweerder] dient daarom getoetst te worden aan de tweede norm (weergegeven onder 9): was het handelen of nalaten van [verweerder] ten opzichte van RCI in gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft? Dat is met name het geval als komt vast te staan dat hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de [B-]vennootschappen tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dit criterium (ontleent aan de Beklamel-norm van het eerste criterium) stelt voor bestuurdersaansprakelijkheid cumulatief als vereiste dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen voldoet en dat zij geen verhaal biedt voorde daardoor ontstane schade.

13. Nu het tweede criterium in de hier geschetste zin het eerste omvat, zal het hof de door RCI gegeven grondslag ruim opvatten. Het komt erop aan of [verweerder] bij het namens de vennootschappen aangaan van de verplichting tot het verlenen van een pandrecht dat eerste in rang was heeft voorzien of heeft behoren te voorzien dat de [B-]vennootschappen hun verplichting tot terugbetaling niet zouden nakomen en dat verhaal van de daaruit voortvloeiende schade niet mogelijk zou zijn.

14. In de onderbouwing van haar grondslag lijkt RCI te steunen op de omstandigheid dat [verweerder] door het aangaan van de verplichting tot verlening van een eerste pandrecht onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof zal deze grondslag welwillend lezen en er vanuit gaan dat daarmee is bedoeld dat [verweerder] namens de door hem bestuurde vennootschappen een verplichting is aangegaan waarvan hij van meet af aan wist, dan wel behoorde te weten dat die vennootschappen geen eerste pandrecht zouden (kunnen) verlenen. Zelfs indien dit zou komen vast te staan, geldt het volgende.

15. Zoals gezegd onder 13 is sprake van een cumulatief vereiste. RCI heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat voor [verweerder], op het moment dat hij namens de door hem bestuurde vennootschappen op 6 januari 2005 (zie 1.9.) de verplichting aanging tot het verlenen van een pandrecht dat “eerste in rang is”, voorzienbaar was dan wel behoorde te zijn dat die vennootschappen geen verhaal zouden bieden voor de schade van RCI.

16. De pandrechten zijn in mei 2007 door de bank uitgewonnen, zodat RCI onder andere feiten en omstandigheden had moeten stellen aangaande de in januari 2005 voor [verweerder] voorzienbare vermogenstoestand van de vennootschappen in mei 2007, de toen te verwachten omvang van het vorderingsrecht van RCI in mei 2007 en de toen te verwachten omvang van de vordering van de bank als eerst gerechtigde pandhouder. Nu zelfs een begin van zo'n onderbouwing ontbreekt, heeft RCI ter invulling van het genoemde vereiste voor aansprakelijkheid van [verweerder], niet aan haar stelplicht voldaan. Om die reden komt de vordering van RCI wegens onvoldoende onderbouwing niet voor toewijzing in aanmerking.”

2.6

RCI heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping en heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. RCI heeft op haar beurt geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten, waarna namens [verweerder] is gedupliceerd.

3 Inleiding

3.1

Het Hof heeft in rov. 6-9 het juridisch kader geschetst. Daartegen richt het (principale) middel geen (begrijpelijke) klachten.

3.2

Het Hof is er met juistheid van uitgegaan dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder een voldoende ernstig verwijt is vereist. Dat is vaste rechtspraak.7

4 Bespreking van het principale beroep

4.1

Volgens onderdeel 1.1 van het principale middel was de vordering van RCI op drie verschillende grondslagen gestoeld: [verweerder] is persoonlijk aansprakelijk omdat:

a. [verweerder] als bestuurder namens de [B-]vennootschappen de verplichting is aangegaan tot het verstrekken van een pandrecht in eerste rang, terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de vennootschappen deze verplichting niet zouden kunnen nakomen;

b. [verweerder] wist of behoorde te weten dat de [B-]vennootschappen bij het inroepen door RCI van het eerste pandrecht geen verhaal zouden bieden voor het ontbreken daarvan;

c. [verweerder] door het afleggen van de verklaring dat - kort gezegd - er geen derden met een sterker recht zijn, RCI op het verkeerde been heeft gezet, door bij haar het vertrouwen te wekken dat zij een solide zekerheidspositie had, terwijl [verweerder] wist of behoorde te weten dat de financiering niet zou zijn verstrekt indien deze zekerheidspositie ontbrak.

4.2

De onderdelen 1.1, 1.2 en 3.1 - 3.3 behelzen geen klachten. Onderdeel 3.4 is een aanloopje tot de daarna geformuleerde klachten.

4.3

Een reeks klachten ventileert, vanuit verschillende gezichtspunten, kritiek op ’s Hofs oordeel dat RCI te weinig heeft gesteld waaruit valt af te leiden dat voor [verweerder] ten tijde van de vestiging van het pandrecht voorzienbaar was, dan wel behoorde te zijn, “dat die (ik voeg toe: [B-])vennootschappen geen verhaal zouden bieden voor de schade van RCI” (rov. 15). In rov. 16 herhaalt het Hof dat oordeel nog eens in wat uitvoeriger en krasser bewoordingen.

4.4

In rov. 15 en 16 respondeert het Hof klaarblijkelijk op de onder 4.1 sub a en b verwoorde grondslagen van de vordering. Het middel doet geen beroep op enige aankleding van die grondslagen. Zeker nu [verweerder] in de cva aangeeft dat RCI haar stellingen niet heeft onderbouwd en hij deze ook heeft bestreden,8 is ’s Hofs oordeel juist. RCI kan het Hof niet euvel duiden dat het onderbouwing vergt van grondslagen die RCI zelf onder haar vordering heeft geschoven, zoals RCI deze zelf in het cassatiemiddel heeft samengevat; zie hiervoor onder 4.1. Hierop stuiten alle klachten die scharnieren om de grondslagen a en b af.

4.5

Het middel behelst voorts een reeks klachten die er, zakelijk samengevat en tot de kern teruggebracht, op neerkomen dat het Hof ten onrechte nodig heeft geacht dat voor [verweerder] bij het verlenen van het pandrecht “voorzienbaar was dan wel behoorde te zijn dat die vennootschappen geen verhaal zouden bieden voor de schade van RCI.” Een dergelijke klacht schemert in het bijzonder door in de onderdelen 1.4, 1.6 in fine, 2.1, 2.2 en mogelijk ook 3.6 en 3.7.

4.6

Zoals onder 4.1 sub c al vermeld, is één van de poten van de vordering dat [verweerder] RCI in de waan heeft gebracht dat RCI een solide zekerheidspositie had. Het Hof heeft dat klaarblijkelijk onvoldoende gevonden voor persoonlijke aansprakelijkheid op de enkele grond dat wetenschap als onder 4.5 vermeld ontbrak of dat daaromtrent onvoldoende is aangevoerd. Aldus heeft het Hof een te strenge maatstaf aangelegd. Zodanige wetenschap is immers (zeker) niet steeds vereist. Dat valt m.i. af te leiden uit het Eurocommerce-arrest van Uw Raad.9 Ware dat al anders, dan biedt allicht het arrest X/Hoffman (Spaanse villa)10 soelaas.

4.7

Anders dan RCI blijkens onderdeel 2.2 meent, is de enkele omstandigheid dat [verweerder] wist of behoorde te weten dat RCI een wat het onderdeel aanduidt als “significant slechtere zekerheidspositie” zou krijgen, m.i. niet steeds en zonder meer voldoende voor persoonlijke aansprakelijkheid. Nog daargelaten dat het begrip “significant slechter” betrekkelijk vaag is – onduidelijk is immers of RCI het ex post of ex ante perspectief hanteert – moet worden bedacht dat aan persoonlijke aansprakelijkheid strenge eisen worden gesteld. Behoren te weten, acht ik dan niet een aanstonds voor de hand liggende maatstaf om zonder meer en steeds persoonlijke aansprakelijkheid op te baseren. Men kan het ook en wellicht beter aldus formuleren: in dit soort settingen kan niet te gemakkelijk van een “behoren te weten” worden uitgegaan. Ik werk dat hierna kort uit.

4.8

Het mag bekend worden verondersteld dat deelnemers aan het rechtsverkeer relevante stukken niet steeds (goed) lezen. Dat kan verband houden met vertrouwen in degene die het stuk (ter ondertekening) voorlegt, de in het kader van besprekingen gewekte verwachtingen over de inhoud, of de betekenis van het betrokken document, de kennis van zaken van betrokkene en zo meer.

4.9

In een ideale wereld, die we in ons zonnestelsel evenwel niet vinden, zou wellicht verwacht mogen worden dat deelnemers aan het rechtsverkeer (relevante) stukken steeds goed lezen alvorens ze te tekenen. In zo’n setting zou men wellicht kunnen verdedigen dat niet goed lezen alvorens te tekenen meebrengt dat degene die toch tekent de inhoud behoort te kennen. Voor zover “behoren te kennen” rechtens een dergelijke betekenis zou hebben, zou ik dat om de onder 4.8 genoemde redenen niet steeds voldoende vinden voor persoonlijke aansprakelijkheid. Vruchtbaarder lijkt mij evenwel om niet al te snel van een “behoren te kennen” uit te gaan. Het is niet nodig hier verder bij te verwijlen omdat er in abstracto niet veel nuttigs over valt te zeggen.

4.10.1

De zo-even geformuleerde opvatting is m.i. niet in strijd met het vaker genoemde Eurocommerce-arrest. Weliswaar heeft Uw Raad daarin, in navolging van de conclusie van mijn ambtgenoot Timmerman, de opvatting dat voor persoonlijke aansprakelijkheid subjectieve kennis van de bestuurder vereist is, verworpen,11 maar dat is een enigszins andere kwestie. Mij gaat het erom wanneer redelijkerwijs sprake is van “behoren te weten”. Met A-G Timmerman meen ik dat de persoonlijke aansprakelijkheid niet mag worden uitgehold door het stellen van overdreven zware eisen,12 maar omdat een persoonlijk ernstig verwijt nodig is, moet zo’n aansprakelijkheid ook niet al te spoedig worden geconstrueerd. Ik laat daarbij rusten dat er settingen zijn waarin ik een groot voorstander zou zijn van het oprekken van persoonlijke aansprakelijkheid;13 daarop behoeft thans niet te worden ingegaan.

4.10.2

In een niet erg duidelijke noot onder het arrest a quo vraagt Duynstee zich af of het arrest Ontvanger/[C]14 mogelijkheden biedt om persoonlijke aansprakelijkheid van [verweerder] op te gronden. In dat verband wijst hij met name op de “andere omstandigheden” als in dat arrest genoemd.15 Als zo’n andere omstandigheid ziet hij “het vestigen van een tweederangs pandrecht waar de vennootschap zich tot vestiging van een eersterangs pandrecht had verbonden waardoor een crediteur met een forse restschuld blijft zitten”. Ik denk dat die benadering inderdaad mogelijk zou zijn (geweest), maar naast het arrest Eurocommerce voegt zij m.i. niets wezenlijks toe.

4.11

Voor zover het middel nog meer of andere klachten postuleert, behoef ik daarop niet in te gaan, daargelaten of die klachten, met name op het punt van duidelijkheid en begrijpelijkheid, voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

5 Bespreking van het incidentele middel

5.1

Het incidentele cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer van de klachten in het principale beroep slagen. Uit het voorafgaande – met name hetgeen werd gezegd onder 4.6 – moge volgen dat die voorwaarde m.i. is vervuld.

5.2

Het middel komt op tegen rov. 3.1 tot en met 4 van het bestreden arrest. Het wordt voorafgegaan door een uitvoerige inleiding. Onderdeel 1.1 behelst geen klacht.

5.3

Onderdeel 1 betreft de uitleg van de verpandingsplicht. Onderdeel 1.2 klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door op de in rov. 3.4, 3.6 en 3.7 omschreven wijze de inhoud van de verpandingsplicht van de [B-]vennootschappen jegens de bank te bepalen. Het Hof zou hebben miskend dat, voor zover de onderliggende kredietovereenkomsten geen verplichting behelzen tot verpanding van (ook) de door RCI gefinancierde voertuigen, een pandrecht daarop niet (louter) door de pandakte kan zijn gevestigd. Gelet op het causale stelsel dat een geldige titel vereist voor de rechtsgeldige vestiging van een pandrecht, had het Hof moeten oordelen dat de bank geen geldig pandrecht heeft verkregen, althans dat ten opzichte van de bank slechts een geldig pandrecht tot stand is gekomen met de strekking waarover, gelet op de kredietovereenkomst, wilsovereenstemming bestaat.

5.4

Over deze klacht kan verschillend worden gedacht. Wanneer ’s Hofs oordeel in zijn geheel wordt gelezen en wanneer wordt aangenomen dat de latere overwegingen op de eerdere voortbouwen en daarbij beogen aan te sluiten, mist de klacht feitelijke grondslag. In de hier besproken lezing heeft het Hof niet miskend dat voor een rechtsgeldige vestiging van een pandrecht een geldige titel is vereist. Het Hof heeft teneinde de verpandingsplicht vast te stellen de titel - de rechtsverhouding die tot het vestigen van het pandrecht verplichtte - onder toepassing van de Haviltex-maatstaf uitgelegd. Het Hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat uit de kredietovereenkomst, de pandakte en de overige omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat op het moment van ondertekening van de pandakte mede een verplichting tot verpanding van de door RCI gefinancierde voertuigen bestond. Van een onjuiste rechtsopvatting geeft dit oordeel in zoverre niet blijk. In die zin ook de s.t. van RCI onder 4.2.1 - 4.2.4.

5.5

Onder 5.4 vermeldde ik dat het Hof mede “de verpandingsplicht” en de onderliggende overeenkomst heeft uitgelegd. Dat het Hof dat heeft gedaan, blijkt expliciet uit rov. 3.6 tweede en derde volzin.

5.6

Een andere benadering is evenwel mogelijk. Uit rov. 3.7 lijkt te volgen dat het Hof (vooral) de inhoud van de pandakten beslissend acht. In die lezing mist de klacht geen feitelijke grondslag. Het is wél de vraag of het onderdeel een voldoende duidelijke klacht formuleert die bij deze lezing aanhaakt. Immers wordt ingezet op een aantal rechtsoverwegingen en wordt niet aangevoerd dat rov. 3.7 zich niet goed verdraagt met hetgeen daaraan voorafgaat.

5.7

Voor zover Uw Raad in het onderdeel een klacht zou lezen als bedoeld onder 5.6, zou verdedigd kunnen worden dat die klacht gegrond is.

5.8.1

Het is onder omstandigheden niet onmogelijk om de bedoeling van de onderliggende overeenkomst mede af te leiden uit de pandakte. Dat zal met name het geval (kunnen) zijn als de onderliggende overeenkomst onduidelijk is. Maar de onderlinge overeenkomst zonder omhaal van woorden geheel wegpoetsen, zoals het Hof in de hier besproken lezing heeft gedaan, verdraagt zich m.i. niet met het causale stelsel. Voor zover de klacht daarbij aanhaakt, is zij gegrond.16

5.8.2

Ik teken hierbij aan dat Duynstee in zijn al eerder genoemde JOR-noot onder het arrest a quo betoogt:

“Mijns inziens terecht merkt het hof voorts op dat juist omdat de pandakte van latere datum is dan de kredietovereenkomst, het voor de hand ligt dat bij afwijking van de kredietovereenkomst, eerder de akte dan de overeenkomst doorslaggevend is. Overigens meen ik dat er in dit geval veel voor te zeggen is groot gewicht te doen toekomen aan de letterlijke (en in dit geval ook duidelijke) tekst van de pandakte.”17

5.8.3

Ook wanneer men de opvatting van Duynstee volgt, blijven de door [verweerder] genoemde omstandigheden, hierna vermeld onder 5.13 en 5.15, m.i. relevant en behoeft nadere toelichting waarom zij niet tot een andere uitkomst leiden.

5.9

Toch komt het mij voor dat de klacht, ook in de hier besproken lezing, mislukt. ’s Hofs gedachtegang komt er, geparafraseerd weergegeven, op neer dat uit de pandakte moet worden afgeleid dat partijen de onderliggende overeenkomst hebben gewijzigd. Dat het Hof dit heeft bedoeld, blijkt uit de laatste drie volzinnen van rov. 3.7. Daarvan uitgaande, valt te begrijpen dat het Hof de anders luidende, want inmiddels achterhaalde, onderliggende overeenkomst niet meer van belang acht.

5.10

Onderdeel 1.3 klaagt dat rov. 3.4, 3.6 en 3.7 aan een motiveringsgebrek laboreren. In eerste aanleg heeft [verweerder] gemotiveerd betoogd dat de bank geen eerste pandrecht heeft verkregen op de door RCI gefinancierde auto's aangezien dit door [verweerder] en de bank niet is beoogd of overeengekomen. Op grond van de devolutieve werking van het appel had het Hof dit in eerste aanleg door [verweerder] aan de orde gestelde, maar destijds buiten behandeling gelaten, verweer (alsnog) ambtshalve moeten behandelen. Nu het Hof geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan dit verweer en de in dat verband ingenomen stellingen, althans onvoldoende heeft gemotiveerd dat en waarom deze stellingen zouden moeten worden verworpen, is 's Hofs oordeel omtrent de uitleg van de verpandingsverplichting van de [B-]vennootschappen jegens de bank niet begrijpelijk. De overweging van het Hof dat, juist omdat de pandakte van latere datum is dan de kredietovereenkomst, het voor de hand ligt dat bij afwijking daarvan van de kredietovereenkomst eerder de akte dan de overeenkomst doorslaggevend is (rov. 3.6, slot), is volgens [verweerder] geen voldoende begrijpelijke weerlegging van zijn betoog. Dat geldt temeer daar een pandakte in de regel - zo niet steeds - van latere datum is dan de daaraan ten grondslag liggende (krediet)overeenkomst.

5.11

[verweerder] heeft onder meer in de cva onder 2.3 aangevoerd dat de bank geen eerste pandrecht heeft verkregen op de door RCI gefinancierde auto's, althans dat hij zulks te goeder trouw mocht aannemen. De klacht dat het Hof aan het eerste deel van dit verweer is voorbijgegaan, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft in rov. 3.6 en 3.7 immers geoordeeld dat [verweerder] en de bank ten tijde van de ondertekening van de pandakte wel een dergelijke verpandingsplicht waren overeengekomen en heeft dit verweer derhalve verworpen.

5.12

Het onderdeel neemt, waar wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van het zojuist genoemde oordeel over niet besproken stellingen, niet de moeite om aan te geven om welke essentiële stellingen het zou gaan. Het berust kennelijk op de gedachte dat Raad en Parket de in noot 11 met “vgl.” aangeduide vindplaatsen zelf maar moeten nalopen om na te gaan om welke stellingen het gaat en wat deze inhouden, waarbij een meer dan theoretische kans bestaat dat Uw Raad er meer of andere relevante stellingen uit haalt dan de steller van het onderdeel zou hebben gedaan omdat Uw Raad nauwkeuriger kan beoordelen welke stellingen er rechtens toe doen. M.i. is het vergen van dit ambtshalve zoekwerk overvraagd. Het onderdeel voldoet daarom niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Daaraan doet m.i. niet af dat RCI de rechtsstrijd op dit punt is aangegaan, nu zij, zij het betrekkelijk summier, op de genoemde vindplaatsen in haar s.t. onder 4.2.5 e.v. ingaat.

5.13

Ik zal in zoverre de hand over het hart strijken, dat ik de in onderdeel 2 uitgeschreven stellingen mede naar het hier besproken onderdeel overhevel, voor zover het gaat om ook in voetnoot 11 bij het thans besproken onderdeel 1.3 genoemde vindplaatsen. Het gaat dan om de volgende stellingen:

* [verweerder] heeft te goeder trouw de mantelovereenkomsten met RCI ondertekend;

* uit de tekst van de kredietovereenkomst met ABN en haar handelwijze kan worden afgeleid dat ABN er ook zelf niet van uitging dat zij een eerste pandrecht had op de door RCI gefinancierde auto’s.

5.14

De tekst van de kredietovereenkomst met ABN is door het Hof nadrukkelijk verdisconteerd, zoals blijkt uit rov. 3.6. Daarmee resteert de “handelwijze van ABN”. Ook op dat punt biedt het onderdeel geen enkel houvast en verwacht het van Raad en Parket dat zij zich moeite zullen getroosten die de advocaten van [verweerder] kennelijk te veel werk vonden: nagaan waarom het nauwkeurig gaat.

5.15

RCI neemt, blijkens haar s.t. onder 4.2.6, aan dat het gaat om de volgende stellingen:

- de door RCI gefinancierde auto’s werden niet op de pandlijsten vermeld;18

- de kredietruimte is afgestemd op de verpanding van enkel de betaalde en gebruikte auto’s;

- ABN zou ten tijde van de opzegging van haar kredietrelatie geen benul hebben gehad van haar pandrecht op de door RCI gefinancierde auto’s.

5.16.1

Het Hof heeft in rov. 3.6 weliswaar vooropgesteld dat zowel de bewoordingen van de pandakte en de kredietovereenkomst, alsmede de overige omstandigheden van het geval voor de uitleg van de verpandingsplicht van belang zijn, maar het geeft er vervolgens in het geheel geen blijk van de onder 5.15 genoemde overige omstandigheden in zijn beoordeling te hebben betrokken.

5.16.2

Voor zover het Hof de door [verweerder] onder 5.15 genoemde omstandigheden wel in ogenschouw heeft genomen, is zijn oordeel onbegrijpelijk. In het licht van deze omstandigheden valt, zonder nadere toelichting die evenwel ontbreekt, niet in te zien dat betrokkenen op het moment van ondertekening van de pandakte een ruimere verpandingsplicht hebben willen overeenkomen dan aanvankelijk uit de kredietovereenkomst voortvloeide. Het onderdeel klaagt er terecht over dat de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de pandakte van een latere datum is dan de kredietovereenkomst op zichzelf de door het Hof bereikte slotsom niet kan dragen.

5.17

Uit het slagen van de hiervoor besproken klacht, volgt dat ook het oordeel in rov. 3.7 en rov. 4, dat de omvang van de verpandingsplicht voor [verweerder] voldoende duidelijk was, niet in stand kan blijven. Onderdeel 2, dat tegen deze beide overwegingen is gericht met vergelijkbare klachten als zojuist reeds besproken, behoeft dan ook geen verdere behandeling. Ik merk slechts op dat [verweerder] terecht aanvoert dat een en ander van belang is bij de beoordeling van zijn persoonlijke aansprakelijkheid.

5.18

Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel in rov. 4 dat de [B-]vennootschappen tekort zijn geschoten jegens RCI en dat niet valt in te zien waarom de eventuele onduidelijkheid voor [verweerder] in de contractuele relatie met de bank aan RCI als derde zou kunnen worden tegengeworpen. Volgens [verweerder] schiet het Hof met dit oordeel wederom in zijn motiveringsplicht tekort, voor zover het hiermee het verweer heeft verworpen dat RCI niet mocht afgaan op de wettelijk verplichte standaardverklaring dat er geen beperkte rechten rusten op de verpande goederen, zeker nu RCI niet, zoals art. 5.1.5 van de mantelovereenkomst stipuleert, heeft verzocht om een rangordeverklaring en bovendien wist dat de bank huisbankier was.

5.19.1

Ik stel voorop dat zelfs wanneer wordt uitgegaan van toerekenbaar tekortschieten van de [B-]vennootschappen nadere toelichting behoeft waarom [verweerder] persoonlijk aansprakelijk zou zijn, uitgaande van de onder 5.13 en 5.15 genoemde stellingen. Een tekortschieten van de vennootschappen dat het Hof, als ik het goed begrijp, hierin zoekt dat de onduidelijkheid in de relatie tussen de [B-]vennootschappen en de bank niet aan RCI niet zou kunnen worden tegengeworpen. Wat er van dat kunnen tegenwerpen aan RCI en het daarop gebaseerde tekortschieten van de [B-]vennootschappen ook zij, voor een persoonlijke aansprakelijkheid van [verweerder] is dat een beduidend te smalle basis. Daarom kan de overweging geen redengevende schakel in ’s Hofs gedachtegang vervullen.

5.19.2

Bovendien kan rov. 4 geen standhouden omdat het voortbouwt op ’s Hofs met vrucht bestreden oordeel dat geen sprake was van onduidelijkheid.19

5.20

Ten gronde: ook deze klacht verlaat zich op zelfwerkzaamheid van Raad en Parket. Zij zet daarmee de zaken op hun kop. Het is aan degene die een klacht formuleert om uit de doeken te doen dat en waarom het bestreden oordeel onjuist, onbegrijpelijk of ontoereikend is geformuleerd. Het enkel verwijzen naar een reeks vindplaatsen en het vervolgens aan de cassatierechter en de wederpartij overlaten om uit te zoeken waar in die veelheid van vindplaatsen (mogelijk) iets nuttigs is te vinden, miskent, nu het om een incidenteel beroep gaat, art. 410 lid 1 Rv.

5.21

Onderdeel 6 verwoordt een bezemklacht inhoudend dat indien één of meer van de voorwaardelijk incidentele klachten slagen, rov. 3.4 - 17 niet in stand kunnen blijven voor zover daarin ervan wordt uitgegaan dat de [B-]vennootschappen toerekenbaar zijn tekortgeschoten jegens RCI.

5.22

Deze klacht slaagt eveneens.

Conclusie

Deze conclusie strekt, zowel in het principale als in het incidentele beroep, tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan rov. 1.3 - 1.22 van het bestreden arrest. Zie voorts rov. 2.1 - 2.9 van het vonnis van 15 juni 2011 van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, welke feitenvaststelling, volgens het Hof, in appel niet was bestreden.

2 Het Hof doelt klaarblijkelijk op de onder 11 genoemde.

3 Zie rov. 2.1 van het bestreden arrest.

4 Rov. 2.1.

5 Zie rov. 2.2 van het bestreden arrest.

6 Dat valt op te maken uit het voorblad van het arrest. Dat [verweerder] niet is verschenen valt ook af te leiden uit het ontbreken van enig processtuk zijnerzijds in appel in de overgelegde dossiers.

7 Zie onder meer HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NJ 2000/295; HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 rov. 3.5; HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0468, JOR 2009/221 rov. 4.4; HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302 P. van Schilfgaarde rov. 3.4.1. Over rov. 3.4.2 in dat laatste arrest is in de doctrine enige discussie ontstaan; ik moge voor een bespreking verwijzen naar de fraaie noot van Van Schilfgaarde.

8 Cva onder 1.5 en meer specifiek onder 4.8.

9 HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0468, NJ 2009/418 P. van Schilfgaarde, JOR 2009/221 m.nt. Y Borrius rov. 4.4 en 4.5.

10 HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302 P. van Schilfgaarde.

11 Conclusie onder 3.6 e.v. en rov. 4.3 en 4.6.

12 Conclusie onder 3.10.

13 Zie onder veel meer mijn Shaping the law for global crises p. 151 e.v. en 207 e.v. en in de Bill W. Dufwa-bundel, Essays on Tort, Insurance Law and Society p. 1063 e.v.

14 HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659.

15 JOR 2014/48 onder 8 onder verwijzing naar rov. 3.5 tweede alinea. Zie ook Flapper en Stikkelbroeck onder het arrest a quo in JIN 2013/70 met name onder 13.

16 Zie nader A. Steneker, mon. BW B12a (2012) nr. 8; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/28 en 204; Du Perron onder HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:202:AE3381, NJ 2002/610 sub 2.

17 JOR 2014/48 onder 4.

18 In de cva onder 2.3 is aangevoerd dat de afbetaalde auto’s op de pandlijsten van de bank werden geplaatst; idem schriftelijk pleidooi in prima onder 4 en 8.

19 Daarop wijst de s.t. van RCI onder 4.4.2 terecht, zij het dan ook dat RCI er een andere conclusie aan verbindt.