Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-05-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
13/03393
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2629, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Tenuitvoerlegging verstekvonnis door derdenbeslag. Aanvang verzettermijn. Art. 143 lid 2 en 3 Rv i.v.m. art. 144, aanvang en onder b, Rv. Bij toepassing van verzettermijnen mag het recht van partijen op toegang tot de rechter niet in de kern worden aangetast (HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154, NJ 2010/526). Derdenbeslagene was niets aan veroordeelde verschuldigd, maar betaalt ten onrechte aan beslaglegger. Is verzettermijn gaan lopen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2014/55 met annotatie van mr. J.W. Westenberg
JOR 2015/154 met annotatie van mr. M. van de Hel-Koedoot
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/03393

Mr. P. Vlas

Zitting, 9 mei 2014

Conclusie inzake:

de rechtspersoon naar buitenlands recht Morning Star International Corporation,

gevestigd te Shelton, Cennecticut, Verenigde Staten van Amerika

(hierna: Morning Star)

tegen

de Republiek Gabon,

met zetel te Libreville, Gabon

(hierna: Republiek Gabon)

Deze zaak betreft de vraag of de verzettermijn op grond van art. 143 jo. art. 144 sub b Rv een aanvang neemt in het geval de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis heeft plaatsgevonden op onder derden beslagen vorderingen die achteraf gezien niet blijken toe te komen aan de schuldenaar/geëxecuteerde.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De relevante feiten in cassatie zijn als volgt.1 Morning Star heeft op 14 januari 2005 ten laste van de Republiek Gabon conservatoir beslag gelegd onder de Stichting Administratiekantoor NSS (hierna: Administratiekantoor NSS) en onder New Skies Satellites N.V. in liquidatie (hierna: NSS). Administratiekantoor NSS en NSS hebben in de afgegeven derdenverklaringen als bedoeld in art. 476a Rv meegedeeld dat de Republiek Gabon houdster is van door Administratiekantoor NSS uitgegeven certificaten van aandelen in NSS respectievelijk van aandelen in NSS en dat Administratiekantoor NSS en NSS uit dien hoofde waarschijnlijk een liquidatie-uitkering verschuldigd zouden worden aan de Republiek Gabon van naar verwachting respectievelijk USD 3.513,19 en USD 21.890,79.2

1.2

Morning Star heeft de Republiek Gabon op 22 juli 2005 gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd haar te veroordelen tot betaling van USD 24.700.000,-, USD 630.000,- en USD 103.122,-, telkens te vermeerderen met rente. Morning Star heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op 23 augustus 1994 met de Republiek Gabon een overeenkomst heeft gesloten waarbij zij het exclusieve recht verkreeg om in Gabon 300.000 ton schroot – van een niet aangelegde spoorweg – te verzamelen en in te schepen tegen een prijs van USD 20,- per metrieke ton, dat de Republiek Gabon die overeenkomst op onregelmatige wijze heeft beëindigd, althans dat haar ambtenaren onrechtmatig hebben opgetreden, en dat zij daardoor schade heeft geleden tot de door haar gevorderde bedragen.

1.3

De Republiek Gabon is niet in het geding verschenen. Bij verstekvonnis van 14 december 2005 heeft de rechtbank Amsterdam de vordering van Morning Star integraal toegewezen en de Republiek Gabon veroordeeld in de proceskosten.3

1.4

De vereffenaars van Administratiekantoor NSS en NSS hebben, nadat het verstekvonnis aan hen was betekend, op 22 februari 2006 uit hoofde van de hiervoor genoemde derdenbeslagen in totaal een bedrag van USD 26.824,69 aan Morning Star betaald.

1.5

De Republiek Gabon is bij dagvaarding van 4 februari 2009 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Bij vonnis in verzet van 8 december 2010 heeft de rechtbank Amsterdam overwogen dat de Republiek Gabon een verzettermijn heeft van acht weken, dat die termijn op 22 februari 2006 is aangevangen omdat met de hiervoor onder 1.4 genoemde betalingen het verstekvonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd in de zin van art. 144 sub b Rv, en dat het verzet dus niet tijdig is ingesteld (rov. 4.2). De rechtbank heeft verder overwogen dat de Republiek Gabon reeds geruime tijd maar in ieder geval op 16 september 2008, met het in ontvangst nemen van een sommatiebrief van Morning Star van 4 augustus 2008, bekend moet worden geacht met het verstekvonnis en de daaruit voortvloeiende verplichtingen zodat, voor zover sprake zou zijn van een verruimde verzettermijn op grond van art. 6 EVRM, ook deze termijn ruimschoots is overschreden (rov. 4.5 en 4.6). De rechtbank heeft de Republiek Gabon vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet en haar in de proceskosten veroordeeld.

1.6

Bij arrest van 2 april 20134 heeft het hof Amsterdam het vonnis in verzet van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2010 vernietigd, de Republiek Gabon ontvankelijk verklaard in haar verzet tegen het verstekvonnis, en voorts het vonnis in verstek van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2005 vernietigd en opnieuw rechtdoende bepaald dat de Nederlandse rechter onbevoegd is kennis te nemen van de vordering van Morning Star, met veroordeling van Morning Star in de proceskosten.

1.7

Het hof heeft, kort weergegeven, als volgt overwogen. Het derdenbeslag dat Morning Star onder Administratiekantoor NSS en NSS heeft gelegd, heeft achteraf bezien geen doel getroffen omdat Administratiekantoor NSS en NSS geen gelden of andere zaken onder zich blijken te hebben gehad ten behoeve van de Republiek Gabon; zij hebben ten onrechte verklaard dat de Republiek Gabon houdster is van certificaten van aandelen in NSS respectievelijk van aandelen in NSS (rov. 3.3 t/m 3.6). Nu achteraf blijkt dat het beslag geen doel heeft getroffen, is de verzettermijn niet gaan lopen op 22 februari 2006; de betalingen die de vereffenaars van NSS en Administratiekantoor NSS op die dag hebben verricht zijn immers geen uitbetalingen uit hoofde van de derdenbeslagen zodat het verstekvonnis niet op grond van art. 144 sub b Rv kan worden geacht ten uitvoer te zijn gelegd (rov. 3.7). De verzettermijn is pas gaan lopen op of na 15 december 2008, de dag waarop de Republiek Gabon kennis kreeg van het verstekvonnis en vanaf welk moment zij alles in het werk heeft gesteld om het verstekvonnis te bestrijden. Gelet op de verzettermijn van acht weken is de Republiek Gabon met haar dagvaarding van 4 februari 2009 tijdig in verzet gekomen en kan zij daarin worden ontvangen (rov. 3.8).

1.8

Het hof is van oordeel dat, nu de gelegde beslagen achteraf bezien geen doel hebben getroffen, deze beslagen op basis van art. 767 Rv geen grond kunnen opleveren voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vordering van Morning Star jegens de Republiek Gabon in de hoofdzaak. Niet is immers gebleken dat Morning Star daadwerkelijk verhaalsmogelijkheden op de Republiek Gabon had in Nederland (rov. 3.11-3.12).

1.9

Morning Star heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De Republiek Gabon heeft verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen (I t/m V). Onderdeel I keert zich met verschillende klachten tegen rov. 3.6 en 3.7 van het bestreden arrest waarin het hof met betrekking tot de datum waarop de verzettermijn voor de Republiek Gabon is aangevangen het volgende overweegt:

‘3.6. Het voorgaande betekent dat het derdenbeslag dat Morning Star onder Administratiekantoor NSS en NSS heeft gelegd, achteraf bezien, geel doel heeft getroffen. Administratiekantoor NSS en NSS blijken immers geen gelden of andere zaken onder zich te hebben gehad ten behoeve van de Republiek Gabon. Zij hebben ten onrechte verklaard dat de Republiek Gabon houder is van certificaten van aandelen in NSS respectievelijk van aandelen in NSS. Er is geen grond de Republiek Gabon in dit geding te houden aan die onjuiste (derden)verklaringen. Met de totstandkoming daarvan heeft zij immers niets van doen. Het hof passeert dan ook de stelling van Morning Star dat er in dit geding geen plaats is voor nader feitenonderzoek naar de eigendom van de certificaten en de aandelen, alleen al omdat op grond van de gedingstukken de eigendomskwestie kan worden beoordeeld. Morning Star heeft aangaande de eigendom geen aanbod gedaan tot het leveren van (tegen)bewijs.

3.7.

Het hof is van oordeel dat, nu achteraf blijkt dat het beslag geen doel heeft getroffen, de verzettermijn niet is gaan lopen op 22 februari 2006. De betalingen die de vereffenaars van NSS en Administratiekantoor NSS op die dag hebben verricht, zijn immers, zoals thans is gebleken, geen uitbetalingen uit hoofde van de derdenbeslagen zodat het verstekvonnis niet op grond van artikel 144 aanhef en sub b [Rv, A-G] kan worden geacht ten uitvoer te zijn gelegd. Dat artikel is niet geschreven voor gevallen als het onderhavige waarin op grond van een achteraf onjuist gebleken derdenverklaring aan de beslaglegger is uitbetaald en niet op grond van een werkelijk bestaande vordering van de geëxecuteerde op de derdenbeslagene. (…)’.

2.2

De centrale vraag die partijen thans verdeeld houdt is op welke datum de verzettermijn voor de Republiek Gabon is aangevangen. Volgens Morning Star is dat 22 februari 2006, de dag waarop volgens haar het verstekvonnis is geëxecuteerd wegens de betaling van USD 26.824,69 aan Morning Star door de vereffenaars van Administratiekantoor NSS en NSS uit hoofde van de onder hen gelegde derdenbeslagen. Volgens de Republiek Gabon is de verzettermijn aangevangen op 15 december 2008, de dag waarop zij naar eigen zeggen kennis kreeg van het verstekvonnis, en niet op 22 februari 2006 omdat geen sprake is van een in art. 144 sub b Rv bedoelde uitbetaling na gelegd derdenbeslag op een vordering. Anders dan de rechtbank heeft het hof zich verenigd met het standpunt van de Republiek Gabon door te beslissen dat de verzettermijn op 15 december 2008 is aangevangen. Onderdeel I stelt het aanvangsmoment van de verzettermijn op grond van art. 143 lid 3 jo. art. 144 sub b Rv aan de orde in het geval dat de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis heeft plaatsgevonden op onder derden beslagen vorderingen die achteraf gezien niet blijken toe te komen aan de schuldenaar.

2.3

Het rechtsmiddel van verzet tegen een bij verstek gewezen beslissing heeft als strekking dat het geding waarin verstek was verleend, op tegenspraak in dezelfde instantie wordt voortgezet. De verzetprocedure is zowel een procedure tot heropening en voortzetting van de met het verstekvonnis geëindigde instantie als een procedure waarin een rechtsmiddel tegen een eindvonnis wordt ingesteld en behandeld.5 Hiermee wordt recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, door de aanvankelijk niet in de procedure verschenen gedaagde alsnog gelegenheid te bieden de vordering te bestrijden.6 De termijn waarbinnen het verzet moet worden ingesteld door de gedaagde die bij verstek is veroordeeld, wordt in de onderhavige zaak bepaald door art. 143 lid 3 Rv; van een in het tweede lid van deze bepaling bedoelde betekening van het verstekvonnis of enige uit kracht daarvan of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de Republiek Gabon in persoon is geen sprake, evenmin is sprake van het plegen door de Republiek Gabon van enige daad van bekendheid met het verstekvonnis of met de tenuitvoerlegging daarvan.7 Op grond van art. 143 lid 3 vangt de verzettermijn aan op de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd.8 Het vonnis wordt krachtens art. 144 sub b Rv geacht ten uitvoer te zijn gelegd, in geval van derdenbeslag op een vordering, na de uitbetaling aan de beslaglegger, of, indien dit beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, na de eerste uitbetaling. De achterliggende gedachte van deze bepaling is dat de eiser erbij belang heeft dat het verstekvonnis op enig moment onherroepelijk wordt en dat de veroordeelde door de tenuitvoerlegging bekend zal zijn geraakt met het verstekvonnis.9 Daarbij ligt het voor de hand aan te nemen dat het gaat om executie van goederen die toekomen aan de geëxecuteerde.

2.4

Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de fictie van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis op grond van art. 143 lid 3 jo. art. 144 sub b Rv slechts dan geldt als aanvangsmoment van de termijn waarbinnen het verzet door de bij verstek veroordeelde persoon moet worden gedaan, wanneer de uitbetaling aan de beslaglegger in geval van derdenbeslag op een vordering heeft plaatsgevonden op grond van een derdenbeslag dat doel heeft getroffen. Blijkt achteraf dat het derdenbeslag geen doel heeft getroffen, omdat – zoals in het onderhavige geval – de vordering waarop beslag is gelegd niet aan de bij verstek veroordeelde persoon blijkt toe te komen, dan laat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zich niet fixeren op het moment dat de uitbetaling aan de beslaglegger op grond van het ten onrechte gelegde beslag heeft plaatsgevonden.10 In het onderhavige geval staat vast dat het derdenbeslag dat Morning Star onder Administratiekantoor NSS en NSS heeft gelegd, achteraf bezien, geen doel heeft getroffen, omdat deze derden geen gelden of andere zaken onder zich blijken te hebben gehad ten behoeve van de Republiek Gabon. Tegen deze achtergrond heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 3.7 te overwegen dat, nu achteraf blijkt dat het beslag geen doel heeft getroffen, de verzettermijn niet is gaan lopen op 22 februari 2006 aangezien ‘(d)e betalingen die de vereffenaars van NSS en Administratiekantoor NSS op die dag hebben verricht (…) geen uitbetalingen uit hoofde van de derdenbeslagen (zijn) zodat het verstekvonnis niet op grond van artikel 144 aanhef en onder b kan worden geacht ten uitvoer te zijn gelegd’. Hieraan doet niet af dat de derden waaronder beslag is gelegd, hebben verklaard dat de Republiek Gabon houdster is van certificaten van aandelen in NSS respectievelijk van aandelen in NSS. Zoals het hof in rov. 3.6 overweegt, bestaat geen grond om de Republiek Gabon te houden aan deze, naar achteraf blijkt, onjuiste derdenverklaringen. Door het afleggen van de derdenverklaring op de voet van art. 476a Rv ontstaat geen verschuldigdheid van de derde-beslagene jegens de beslaglegger voor de in de verklaring genoemde geldsommen wanneer achteraf blijkt dat de derde-beslagene niets aan de geëxecuteerde verschuldigd is.11

2.5

De klachten van onderdeel I die zijn gericht tegen het oordeel van het hof omtrent het aanvangsmoment van de verzettermijn, zijn tevergeefs voorgesteld omdat zij van een onjuiste rechtsopvatting uitgaan omtrent het bepaalde in art. 144 sub b Rv, voor zover de klachten al geen feitelijke grondslag missen wegens een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Waar het onderdeel onder I.7 nog opmerkt dat het hof met zijn bestreden oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat de Republiek Gabon niet heeft gegriefd tegen de vaststelling van de rechtbank dat zij de brief van 16 augustus 2008 heeft ontvangen, zodat zij bekend was met het verstekvonnis, geldt het volgende. Met deze klacht beoogt het middel kennelijk te betogen dat de Republiek Gabon met de inontvangstneming van voormelde brief kennis heeft genomen van het verstekvonnis op een wijze als bedoeld in art. 143 lid 2 Rv (betekening in persoon of een daad van bekendheid). De klacht faalt omdat het hof in rov. 3.8 heeft vastgesteld dat het verstekvonnis of enige uit kracht daarvan of ter uitvoering daarvan strekkende akte niet aan de Republiek Gabon in persoon is betekend en dat de Republiek Gabon vóór 15 december 2008 geen daad van bekendheid met het verstekvonnis of met de tenuitvoerlegging daarvan heeft gepleegd; deze vaststelling is in cassatie niet bestreden.

2.6

Onderdeel II keert zich tegen de overweging van het hof in rov. 3.7 dat de betalingen die de vereffenaars van NSS en Administratiekantoor NSS op 22 februari 2006 hebben verricht, naar thans is gebleken, geen uitbetalingen uit hoofde van de derdenbeslagen zijn. Deze overweging zou niet te rijmen zijn met rov. 3.1.3 waarin het hof opmerkt dat de vereffenaars van Administratiekantoor NSS en NSS op 22 februari uit hoofde van de derdenbeslagen in totaal een bedrag van USD 26.824,69 aan Morning Star hebben betaald. De klacht faalt, omdat hij berust op een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. In het kader van een korte weergave van de onderhavige zaak, heeft het hof in rov. 3.1.3 slechts vastgesteld dat de vereffenaars van NSS en Administratiekantoor NSS op 22 februari 2006 uit hoofde van de derdenbeslagen een bedrag aan Morning Star hebben betaald. De Republiek Gabon heeft in appel met succes betoogd dat niet zij maar de zelfstandige rechtspersoon Office des Postes et Télécommunication de la République Gabonaise (hierna: OdP) en later Gabon Télécom rechthebbende was op de liquidatie-uitkeringen (zie rov. 3.3 t/m 3.5). Op grond hiervan heeft het hof geconcludeerd dat het derdenbeslag dat Morning Star onder Administratiekantoor NSS en NSS heeft gelegd, achteraf bezien, geen doel heeft getroffen (rov. 3.6). Tegen dat oordeel is in cassatie geen klacht gericht, zodat het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat de betalingen die de vereffenaars van NSS en Administratiekantoor NSS op 22 februari 2006 hebben verricht geen uitbetalingen uit hoofde van de derdenbeslagen zijn, hoe dan ook in stand kan blijven.

2.7

Onderdeel III komt allereerst op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.6 dat gepasseerd wordt de stelling van Morning Star dat in dit geding geen plaats is voor nader feitenonderzoek naar de eigendommen van de certificaten en van de aandelen alleen al omdat op grond van de gedingstukken de eigendomskwestie kan worden beoordeeld. In de kern betoogt het middel (onder III.1.1 en III.1.2) dat deze eigendomskwestie niet thuishoort bij de beoordeling van de tijdigheid van het door de Republiek Gabon ingestelde verzet op grond van art. 143 lid 3 jo. art. 144 sub b Rv. De klacht faalt, omdat het hof in het kader van de beoordeling van de tijdigheid van het door de Republiek Gabon ingestelde verzet, gelet op het hiervoor in nr. 2.4 geformuleerde uitgangspunt ten aanzien van art. 144 sub b Rv, heeft moeten ingaan op de vraag of het derdenbeslag dat Morning Star onder Administratiekantoor NSS en NSS heeft gelegd doel heeft getroffen in die zin dat beslag is gelegd op een vordering die aan de Republiek Gabon toekomt. Bij de beoordeling van het derdenbeslag diende dan ook te worden vastgesteld aan wie de certificaten van aandelen NSS en de aandelen NSS toebehoorden. De klacht is tevergeefs voorgesteld.

2.8

Voorts betoogt het onderdeel (onder III.2) dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door in rov. 3.5 te oordelen dat de aandelen en de certificaten ten tijde van de beslaglegging toebehoorden aan of waren geregistreerd op naam van OdP, terwijl het partijdebat zich toespitste op de vraag of Gabon Télécom rechthebbende was tot de beslagen en geëxecuteerde liquidatie-uitkeringen. De klacht faalt bij gebrek aan belang, omdat het hof op grond van rov. 3.3 t/m 3.5 tot de conclusie is gekomen dat de aandelen en de certificaten in ieder geval niet toebehoren aan de Republiek Gabon, zodat in het kader van de beoordeling van het aanvangsmoment van de verzettermijn op grond van art. 143 lid 3 jo. art. 144 sub b Rv geen sprake kan zijn van een beslag dat doel heeft getroffen. Aan wie de aandelen en de certificaten dan wel toebehoorden ten tijde van de beslaglegging, is niet relevant voor de beoordeling van de verzettermijn die geldt voor de Republiek Gabon.

2.9

Daarnaast voert het onderdeel (onder III.3) nog aan dat het oordeel van het hof in rov. 3.3 dat OdP ten tijde van de beslaglegging bij NSS en Administratiekantoor NSS als aandeelhouder respectievelijk certificaathouder stond geregistreerd en niet de Republiek Gabon, onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende gemotiveerd. De klacht faalt, omdat het bestreden oordeel is gebaseerd op de uitleg die het hof heeft gegeven aan de in het geding gebrachte afschriften van het aandeelhouders- en het certificaathoudersregister van NSS respectievelijk Administratiekantoor NSS zoals deze luidden ten tijde van de beslaglegging, en deze uitleg niet onbegrijpelijk is nu Morning Star haar beroep op de betwisting van de echtheid van deze stukken niet althans onvoldoende heeft onderbouwd. Onderdeel III.4 betreft een voortbouwende klacht en behoeft geen bespreking.

2.10

De onderdelen IV en V bouwen voort op de voorgaande onderdelen en bevatten geen zelfstandige klachten. Zij delen in het lot van de voorgaande onderdelen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1.1 t/m 3.1.4 van het arrest van het hof Amsterdam van 2 april 2014, alsmede rov. 2.1 t/m 2.11 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2010.

2 Op 21 januari 2005 zijn deze conservatoire derdenbeslagen ten aanzien van de Republiek Gabon overbetekend aan het parket van het openbaar ministerie bij de rechtbank ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak is op grond van art. 700 lid 3 Rv vijfmaal verlengd. Van deze verlengingen is de Republiek Gabon telkens schriftelijk op de hoogte gesteld. Deze berichten zijn door de Republiek Gabon ontvangen.

3 Het verstekvonnis is op 13 januari 2006 aan de Republiek Gabon betekend krachtens art. 55 Rv door betekening aan het parket van het openbaar ministerie bij de rechtbank ’s-Gravenhage. Op 17 januari 2006 is per aangetekende post een exemplaar van het verstekvonnis aan de Republiek Gabon gezonden.

4 ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5639.

5 HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1710, NJ 1995/682, m.nt. HER, rov. 3.4; HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3741, NJ 2014/142, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.3.2.

6 Zie o.a. HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154, NJ 2010/526, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.5.2; HR 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1325, NJ 1994/755, m.nt. HJS, rov. 3.3.

7 Zie de in cassatie onbestreden rov. 3.8 van het bestreden arrest.

8 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 348: ‘Het derde lid van artikel 143 (2.7.1) bevat een niet onbelangrijke wijziging in vergelijking met het huidige artikel 81, tweede lid, Rv. Dit laatste artikel maakt het mogelijk dat iemand aan wie een verstekvonnis niet in persoon is betekend, in feite geen verzetmogelijkheid meer heeft indien hij pas van het vonnis kennis neemt wanneer dit tegen hem ten uitvoer is gelegd. Daarom wordt nu voorgesteld de bepaling zo te redigeren dat de verzettermijn (thans van vier weken) in de bedoelde gevallen niet eindigt, maar pas ingaat op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. De huidige bepaling kan onder omstandigheden in strijd komen met het bepaalde in artikel 6 EVRM.’

9 Zie ook M. Ynzonides, Verstek en Verzet, diss. Rotterdam 1996, p. 152-153, ten aanzien van art. 81 lid 2 Rv (oud); Coops’ Grondtrekken van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht, bewerkt door P. Zonderland, C. Schlingemann en W.G. Dolman, 9e druk, 1980, p. 154-155, waarin over art. 81 lid 2 Rv (oud) wordt opgemerkt dat de regeling dat het verzet ontvankelijk is tot het vonnis ten uitvoer is gelegd ‘ongetwijfeld een zwak punt (is) in de regeling der voor het verzet bepaalde termijnen. Immers, het is niet onmogelijk dat een verstekvonnis tijdens iemands afwezigheid wordt geveld en daarenboven ten uitvoer gelegd alvorens de veroordeelde van de eis en het vonnis heeft kennis gedragen. De bepaling kan echter haar rechtvaardiging vinden in de overweging dat de bestendiging van een onzekere toestand, waarbij nog na verloop van jaren de eenmaal gewezen en ten uitvoer gelegde uitspraak zou kunnen worden aangetast, afbreuk zou doen aan de rechtmatige belangen van de eisende partij, wier bewijsmiddelen door het tijdsverloop kunnen zijn verloren gegaan’.

10 Vgl. in dit verband de rechtmatigheid van het beslag als grondslag voor de internationale bevoegdheid in de bodemzaak op grond van art. 767 Rv, waarover in de Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 341, wordt opgemerkt: ‘Indien de bevoegdheid van artikel 767 eenmaal bestaat, blijft zij ook in stand, tenzij mocht blijken dat het beslag ten onrechte is gelegd.’

11 Vgl. nr. 2.7 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:HR:2001:AD3953) vóór HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3953, NJ 2002/419, m.nt. H.J. Snijders ([A]/Carnifour).